Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-08-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:8215
Consumenten vernietigen de overeenkomst in verband met niet verstrekte essentiële informatie en oneerijke handelspraktijk. Ongedaanmaking. Gedeeltelijke waardetoekenning voor geleverde prestaties. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11996070 \ CV EXPL 25-16825 Vonnis van 6 augustus 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats 1] , 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats 2] , eisende partijen, hierna te noemen: [eisers] , gemachtigde: [gemachtigde 1] (DAS), tegen [gedaagde] , voorheen handelende onder de naam [handelsnaam] , wonende te [woonplaats 3] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. M.G.A. Berk. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 17 november 2025, met producties, de conclusie van antwoord, met producties, het instructievonnis van 27 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, de aanvullende producties van [eisers] ten behoeve van de mondelinge behandeling, tevens houdende de aankondiging dat [gemachtigde 2] (hierna: [gemachtigde 2] ) ook als gemachtigde wordt aangesteld, het incidentele verzoek van [gedaagde] op de voet van artikel 81 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om [gemachtigde 2] als gemachtigde te weigeren, de aanvullende producties van [gedaagde] ten behoeve van de mondelinge behandeling, de akte wijziging (vermeerdering) van eis van [eisers] 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. [eisers] zijn verschenen, vergezeld door hun gemachtigde en [gemachtigde 2] . [gedaagde] is verschenen met zijn gemachtigde. 1.3. De kantonrechter heeft eerst beslist op het incidentele verzoek van [gedaagde] op de voet van artikel 81 lid 1 Rv. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegestuurd. 1.4. Vervolgens is de zaak inhoudelijk besproken. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisers] hebben op 11 februari 2022 bij hen thuis met [handelsnaam] , de eenmanszaak van [gedaagde] , een overeenkomst gesloten voor het verrichten van IT-gerelateerde diensten. Op de overeenkomst staat: ‘Onderhoudsabonnement Zilver – Internet Compleet – [nummer] (…) Contractduur: 36 maanden Uw totale maandelijkse kosten bedragen € 99,99 inclusief BTW’ 2.2. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [handelsnaam] van toepassing verklaard. 2.3. Op 24 april 2025 hebben [eisers] een brief van Ziggo ontvangen, waarin onder meer staat dat Ziggo-diensten op het adres worden geleverd via een bedrijf dat in eigendom is van [gedaagde] , maar dat het [gedaagde] of zijn bedrijf niet is toegestaan om Ziggo-diensten door te verkopen of op andere wijze commercieel uit te nutten. 2.4. Bij brief van 25 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] de overeenkomst onder verwijzing naar de brief van Ziggo vernietigd, op grond van niet voldoen aan de (pre)contractuele informatieplichten. In de brief staat dat aan [eisers] geen bedenktermijn is verstrekt. Verder staat er dat geen algemene voorwaarden zijn overhandigd en sprake is van misleiding en mogelijk oplichting. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen na wijziging van hun eis – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.920,99 aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 september 2025, € 484,96 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. 3.2. [eisers] stellen dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding en bedrog, door onjuiste informatie te verstrekken en essentiële informatie achter te houden. [gedaagde] heeft [eisers] niet verteld dat er op naam van [eisers] diensten van Ziggo werden afgenomen zonder toestemming van Ziggo. Evenmin is verteld dat [gedaagde] zich toegang kon verschaffen tot de computer van [eisers] zonder hun instemming. Daar hebben [eisers] nooit toestemming voor gegeven. [gedaagde] is zijn precontractuele informatieverplichtingen niet nagekomen. Dat maakt de overeenkomst vernietigbaar. Met vernietiging van de overeenkomst bestaat geen rechtsgrond meer voor alle betalingen, die daarom onverschuldigd zijn betaald. 3.3. [gedaagde] voert verweer. Partijen zijn op 11 februari 2022 een overeenkomst met elkaar aangegaan, op basis waarvan [gedaagde] diverse diensten voor [eisers] heeft verricht op het gebied van ICT. [gedaagde] heeft deze diensten gedurende drie jaar uitgevoerd. In die periode heeft hij [eisers] geholpen met verschillende vragen en problemen. [gedaagde] betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan misleiding en bedrog. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de rechtsvordering tot vernietiging is verjaard. De verjaringstermijn van drie jaar gaat in op het moment van sluiten van de overeenkomst. Voor zover bepaalde informatieplichten van artikel 6:230m van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet zijn nageleefd, rechtvaardigt dat geen volledige restitutie. Bovendien leidt vernietiging tot ongedaanmaking van de verrichte prestaties. De verrichte prestaties kunnen naar hun aard niet meer ongedaan worden gemaakt, zodat [gedaagde] recht heeft op een vergoeding, die hij begroot op wat hij in rekening heeft gebracht. Restitutie is ook onredelijk en disproportioneel vanwege de omstandigheden van het geval. [gedaagde] doet een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat zij op 11 februari 2022 een overeenkomst met elkaar hebben gesloten. Beroep op verjaring 4.2. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de rechtsvordering van [eisers] tot vernietiging van de overeenkomst is verjaard. 4.3. [eisers] hebben hun vorderingen gebaseerd op de stelling dat sprake is van schending van informatieplichten en oneerlijke handelspraktijken. Volgens artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW verjaren rechtsvorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen in het geval van een andere vernietigingsgrond dan in sub a tot en met c genoemd - zoals in dit geval aan de orde is - drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan. 4.4. Voor de aanvang van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1 onder d BW is dus beslissend op welk moment de bevoegdheid om de vernietigingsgrond in te roepen aan de daartoe gerechtigde “ten dienste is komen te staan”. Met die bewoordingen heeft de wetgever bedoeld te bewerkstelligen dat de verjaring een aanvang neemt zodra de partij die een beroep op de vernietigbaarheid toekomt, die bevoegdheid daadwerkelijk kan uitoefenen. Bovendien is sprake van een regel die zich voor flexibele toepassing leent. De toepassing van artikel 3:52 lid 1 onder d BW kan variëren al naargelang het voorliggende gevalstype en is verder afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Bepalend is welke feiten en omstandigheden bekend zijn, niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan. 4.5. [gedaagde] heeft gesteld dat de verjaringstermijn direct bij het aangaan van de overeenkomst is gaan lopen. Kennelijk stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat [eisers] op dat moment bekend zijn geworden met het door hen ondervonden nadeel of met het bestaan van een vernietigingsgrond. Voor dit standpunt, dat door [eisers] ter zitting is betwist, ziet de kantonrechter geen aanknopingspunten. [eisers] hebben op de zitting aangevoerd dat zij als gevolg van de brief van Ziggo argwaan kregen over de handelspraktijken van [gedaagde] , waarna hun gemachtigde onmiddellijk actie heeft ondernomen. Nu verder geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat de verjaringstermijn eerder is gaan lopen is de conclusie dan ook dat op het moment dat [eisers] de vordering instelden, deze niet was verjaard. Ambtshalve toetsing informatieplichten 4.6. [gedaagde] is een handelaar en [eisers] zijn consumenten. De overeenkomst tussen partijen is een consumentenovereenkomst. Dat betekent dat de kantonrechter – ook los van het beroep op vernietiging door [eisers] – uit zichzelf (ambtshalve) moet onderzoeken of [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst heeft voldaan aan de informatieplichten van Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW. 4.7. De overeenkomst is bij [eisers] thuis gesloten, zodat sprake is van een overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte (artikel 6:230g lid 1 onder f BW). Dat betekent dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst moest voldoen aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230t BW en [eisers] aldus, voordat zij gebonden waren aan de overeenkomst, op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie moest verstrekken over (onder meer) het recht om de overeenkomst te ontbinden, de voorwaarden en de termijn die daarvoor golden en op welke wijze [eisers] dat recht konden uitoefenen. 4.8. [gedaagde] erkent dat hij [eisers] niet heeft geïnformeerd over het ontbindingsrecht. Informatie over het ontbindingsrecht is als essentieel aan te merken. De kantonrechter kan ook niet vaststellen dat [gedaagde] [eisers] op duidelijke en begrijpelijke wijze heeft geïnformeerd over de voornaamste kenmerken van de diensten (waarover hierna meer), de identiteit en adresgegevens van de handelaar, de wijze van betaling, levering en uitvoering van de diensten en informatie over de opzeggingsvoorwaarden. Verder kan niet worden vastgesteld dat de overeenkomst of een bevestiging daarvan met daarin de informatie van artikel 6:230m lid 1 BW op papier aan [eisers] is verstrekt, zoals artikel 6:230t BW voorschrijft. Al die informatie is essentieel. 4.9. [gedaagde] heeft ook niet schriftelijk vastgelegd welke diensten [eisers] precies zouden afnemen en wat die diensten inhielden. Duidelijk is dat [eisers] afhankelijk waren van de deskundigheid van [gedaagde] op ICT-gebied. Juist om deze reden hadden zij hem ingeschakeld. [gedaagde] had dit moeten begrijpen. Het had op zijn weg gelegen om niet alleen concreet te onderbouwen wat er precies (mondeling) is besproken tijdens de contractsluiting bij [eisers] thuis, maar ook om dit in begrijpelijke taal aan hen uit te leggen, althans voldoende te controleren dat [eisers] begrepen wat de opdracht precies zou gaan inhouden en welke gevolgen dit voor de praktijk zou hebben. Uit wat ter zitting is besproken en de inhoud van de overeenkomst blijkt dit niet. Oneerlijke handelspraktijk 4.10. De kantonrechter is met [eisers] van oordeel dat [gedaagde] ook een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht. Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk als een handelaar handelt in strijd met de vereisten van professionele toewijding en het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. Een handelspraktijk is in het bijzonder oneerlijk als een handelaar een misleidende handelspraktijk verricht. De wet noemt daar verschillende voorbeelden van, zoals de misleidende omissie. Ook hier rust in beginsel op de handelaar de bewijslast van de materiële juistheid en volledigheid van de informatie die hij heeft verstrekt. 4.11. Sprake is van een misleidende handelspraktijk door omissie. [gedaagde] heeft essentiële informatie weggelaten, die een gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen. Hiervoor is reeds geoordeeld dat [gedaagde] veel essentiële informatie niet heeft verstrekt. Het weglaten van die informatie levert een misleidende omissie op. Door [eisers] niet volledig te informeren heeft [gedaagde] hen niet de gelegenheid geboden een goed besluit over de overeenkomst te nemen en heeft [gedaagde] zich schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk. Vernietiging overeenkomst 4.12. Nu meerdere essentiële informatieplichten zijn geschonden en sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, is de overeenkomst vernietigbaar. Het beroep op vernietiging door [eisers] is dan ook gerechtvaardigd. Vernietiging van de overeenkomst heeft terugwerkende kracht. Daarmee ontvalt de rechtsgrond van betalingen die op grond van die overeenkomst zijn gedaan. Die betaalde bedragen zijn dan onverschuldigd betaald. 4.13. [gedaagde] vindt terugbetaling van alle bedragen niet terecht. Hij vindt dat rekening moet worden gehouden met de werkzaamheden als ICT-hulp op afstand die hij heeft verricht, zijn beschikbaarheid voor [eisers] en de externe kosten die [gedaagde] heeft moeten maken, zoals de kosten aan Ziggo, beveiliging en software. 4.14. [gedaagde] maakt aanspraak op een vergoeding van de waarde van de door hem geleverde prestaties op grond van artikel 6:210 lid 2 BW, die hij begroot op de in rekening gebrachte bedragen. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] volgens de Hoge Raad d.d. 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1366) slechts aanspraak kan maken op een vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst door de consument binnen de door art. 6:210 lid 2 BW omschreven grenzen. Tot die grenzen behoort dat aanspraak op vergoeding alleen bestaat ‘voor zover dit redelijk is’. Naar het oordeel van de kantonrechter is het in dit geval niet redelijk om aan [gedaagde] een volledige vergoeding voor zijn diensten toe te kennen nu veel essentiële informatie niet is verstrekt en sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. Gedeeltelijke vergoeding voor de diensten 4.15. De kantonrechter ziet aanleiding om in het kader van de ongedaanmaking en in dat verband de redelijkheidstoets zoals aangehaald in de vorige overweging, mede gelet op wat hiervoor is overwogen en het landelijke sanctiemodel voor schending van essentiële informatieplichten, de vergoeding voor de diensten van [gedaagde] te begroten op 20% van hetgeen hij bij [eisers] in rekening heeft gebracht. Van belang hierbij is dat tenminste vijf essentiële informatieplichten zijn geschonden en dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door die essentiële informatie niet geven. Verder legt gewicht in de schaal dat partijen in een huiselijk omgeving aan de keukentafel zaten toen de overeenkomst tot stand kwam, waardoor een vertrouwelijke omgeving is geschapen die [gedaagde] heeft beschaamd door informatie achter te houden. 4.16. [eisers] hebben nog gesteld dat zij zijn bedrogen en misleid door [gedaagde] door niet te vertellen dat zij niet rechtstreeks met Ziggo een overeenkomst hadden maar via [gedaagde] en door software op de laptop te zetten waarmee [gedaagde] zonder hun toestemming op hun laptop kon. Dat [gedaagde] niet aan [eisers] heeft vermeld dat zij met hem een overeenkomst aangingen in plaats van met Ziggo heeft [gedaagde] niet weersproken. Hij had dit wel moeten vertellen. Echter, onvoldoende is toegelicht wat daar voor [eisers] problematisch aan was. Verder heeft [gedaagde] , onder overlegging van productie 3 en met zijn toelichting op de mondelingen behandeling, voldoende gemotiveerd betwist dat [eisers] niet bekend waren met software die het [gedaagde] mogelijk maakte om op afstand met de laptop mee te kijken, alsmede dat dit software is waarmee [gedaagde] zonder toestemming van [eisers] zou kunnen meekijken of inbreken op de laptop. Omdat [eisers] dit verder niet heeft onderbouwd kan de kantonrechter niet uitgaan van de juistheid van deze stelling. 4.17. Omdat in dit geval geen andere oneerlijke handelspraktijken zijn vastgesteld dan het niet verstrekken van essentiële informatie, is een waardetoekenning van de door [gedaagde] geleverde prestaties zoals hiervoor genoemd op zijn plaats. Dit leidt tot toewijzing van 80% van de gevorderde hoofdsom. Dat komt uit op een bedrag van € 4.736,79. 4.18. Het verweer van [gedaagde] dat hij een jonge, beginnende ondernemer is, wordt verworpen. [gedaagde] was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al jaren een professionele handelaar op het gebied van IT. Hij wordt dan ook geacht de regels van het consumentenrecht juist toe te passen. Daarin is hij tekortgeschoten. Dat komt voor zijn rekening en risico. Bovendien moet herhaling hiervan worden voorkomen.