Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-08-12
ECLI:NL:RBAMS:2026:8198
Bevoegdheidsincidenten in WAMCA-procedure over gestelde inbreuk op mededingingsrecht. De rechtbank oordeelt dat zij ten aanzien van een Belgische gedaagde rechtsmacht heeft op grond van artikel 7 punt 2 Brussel I-bis (Erfolgsort) en ten aanzien van Amerikaanse gedaagden op grond van de in artikel 7 lid 1 Rv neergelegde ankergedaagderegel. Verder oordeelt de rechtbank dat zij relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting voor zover die zijn ingesteld namens buiten het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants. Bevoegdheidsincidenten worden afgewezen. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummers: C/13/772197 / HA ZA 25-1267 en C/13/772403 / HA ZA 25-1282 Vonnis in incidenten van 12 augustus 2026 in de zaken van de stichting STICHTING MULTILATERAL INTERCHANGE FEES CLAIMS , gevestigd te Amsterdam, eiseres in de hoofdzaken, verweerster in de incidenten, advocaat: mr. C.C.A. van Rest, tegen de rechtspersonen naar buitenlands recht 1. MASTERCARD EUROPE S/A , gevestigd te Waterloo (België), 2. MASTERCARD INCORPORATED gevestigd te Delaware (Verenigde Staten van Amerika), 3. MASTERCARD INTERNATIONAL INCORPORATED gevestigd te Delaware (Verenigde Staten van Amerika), gedaagden in de hoofdzaken, eiseressen in de incidenten, advocaat: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté. Eiseres in de hoofdzaak wordt hierna de Stichting genoemd. Gedaagden in de hoofzaak worden hierna afzonderlijk Mastercard Europe (1) Mastercard Inc. (2) en Mastercard International (3) en samen (in enkelvoud) Mastercard genoemd. 1 De zaken en de beslissingen van de rechtbank in dit vonnis in het kort 1.1. De twee hoofdzaken zijn zogeheten collectieve acties. Daarin komt de Stichting op voor een groep Merchants. Dit zijn Nederlandse ondernemingen die goederen en/of diensten aanbieden. Volgens de Stichting hebben die Merchants schade geleden doordat Mastercard vanaf 1992 – in strijd met het mededingingsrecht – te hoge vergoedingen (zogenoemde Inter-regional MIFs) heeft afgedwongen voor betalingen die zij hebben ontvangen van Mastercard-betaalkaarten die zijn uitgegeven buiten de Europese Economische Ruimte (de EER). 1.2. De Stichting heeft in beide hoofdzaken gelijkluidende collectieve vorderingen ingesteld tegen drie Mastercard-entiteiten die zijn gevestigd in verschillende landen, te weten België en de Verenigde Staten van Amerika. 1.3. Mastercard heeft in beide zaken gelijkluidende bevoegdheidsincidenten opgeworpen. Volgens Mastercard heeft deze rechtbank geen rechtsmacht om van de vorderingen van de Stichting in de hoofdzaken kennis te nemen. Verder stelt Mastercard dat deze rechtbank niet relatief bevoegd is om van de vorderingen van de Stichting kennis te nemen voor zover die zijn ingesteld namens buiten het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants. Mastercard heeft nog geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de collectieve vorderingen van de Stichting. 1.4. De rechtbank oordeelt dat zij rechtsmacht heeft om van de vorderingen van de Stichting in de hoofdzaken tegen i) Mastercard Europe kennis te nemen, op grond van artikel 7 punt 2 Brussel I-bis en ii) Mastercard Inc. en Mastercard International op grond van artikel 7 lid 1 Rv. Verder oordeelt de rechtbank dat zij relatief bevoegd is om ook kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting voor zover die zijn ingesteld namens buiten het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants. 1.5. De eerste hoofdzaak met zaaknummer C/13/772197 / HA ZA 25-1267 wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door Mastercard. 1.6. De tweede hoofdzaak met zaaknummer C/13/772403 / HA ZA 25-1282 is door de Stichting zekerheidshalve aangebracht, namelijk voor het geval dat deze rechtbank in de eerste hoofdzaak alleen relatief bevoegd zou zijn om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting voor zover die zijn ingesteld namens binnen het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants. Gezien de uitkomst in de bevoegdheidsincidenten, kan de Stichting in de eerste hoofdzaak (ook) procederen namens buiten het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants. Dit betekent dat de Stichting geen belang meer heeft bij haar vorderingen in de tweede hoofdzaak, zodat die moeten worden afgewezen. 2 De procedure in de zaak met zaaknummer C/13/722197 / HA ZA 25-1267 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 8 juli 2025, - de akte overlegging producties van de Stichting, met producties 1 – 11, - de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van Mastercard, - de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident van de Stichting, in de zaak met zaaknummer C/13/772403 / HA ZA 25-1282 2.2. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 10 juli 2025, - de akte overlegging producties van de Stichting, met producties 1 – 11, - de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van Mastercard, - de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident van de Stichting, in beide zaken 2.3. Bij brief van 16 december 2026 is in beide zaken een mondelinge behandeling in de bevoegdheidsincidenten bepaald. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Van die mondelinge behandeling is een verkort proces-verbaal opgemaakt. De daarin genoemde stukken behoren tot het dossier alsook de door de griffier gemaakte aantekeningen van de mondelinge behandeling. 2.4. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis in de incidenten wordt uitgesproken. 3 De feiten voor zover van belang voor de incidenten De Stichting 3.1. De Stichting is opgericht op 25 april 2024 en statutair gevestigd te Amsterdam. 3.2. In artikel 2 lid 1 van de statuten van de Stichting is bepaald: “ DOEL ARTIKEL 2 1. De stichting heeft ten doel het behartigen van belangen van Gedupeerden met betrekking tot iedere vorm van benadeling die de Gedupeerden stellen te hebben of te (zullen) lijden als gevolg van elke frauduleuze, misleidende of oneerlijke handelspraktijk die onrechtmatig is volgens de geldende regelgeving, waaronder – maar niet beperkt tot – een of meerdere schending(en) van het (Europese, Nederlandse dan wel buitenlandse) (mededingings)recht of het (Europese, Nederlandse dan wel buitenlandse) consumentenrecht. De stichting heeft tevens tot doel al hetgeen te doen dat met het voorstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord, waaronder begrepen maar niet beperkt tot: a. het behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met een specifieke Claim; b. het behartigen van de (collectieve) belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval; c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden, waaronder Participanten, stellen te hebben geleden; d. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord; een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.(…)” 3.3. De Stichting komt in de hoofdzaak als collectieve belangenbehartiger op voor een groep zogenoemde Merchants. Dit zijn Nederlandse ondernemingen die goederen en/of diensten aanbieden en Mastercard-betaalkaarten accepteren. De betrokken Mastercard-entiteiten 3.4. Alle gedaagden behoren tot de Mastercard Groep. 3.5. Mastercard Inc. is een wereldwijd opererend technologiebedrijf actief in de betaalindustrie. Mastercard Inc. is de moedervennootschap van wereldwijd gevestigde Mastercard-entiteiten. 3.6. Mastercard Europe en Mastercard International zijn beide dochterondernemingen van Mastercard Inc. De werking van het Mastercard-platform 3.7. Mastercard exploiteert een internationaal betalingsplatform (hierna: het Mastercard-platform). 3.8. Mastercard hanteert een betaalmodel waarbij de volgende vier partijen betrokken zijn: de financiële instellingen die Mastercard-betaalkaarten uitgeven (de Issuers), de klanten van de Issuers die Mastercard-betaalkaarten bezitten en gebruiken (de Cardholders), financiële instellingen die ondernemingen aansluiten om Mastercard-betaalkaarten te accepteren (de Acquirers), en de ondernemingen die de Mastercard-betaalkaarten accepteren (de Merchants). 3.9. Bij iedere transactie met een Mastercard-betaalkaart is de Acquirer een vergoeding – de Interchange Fee – verschuldigd aan de Issuer. Acquirers en Issuers kunnen onderling bilaterale afspraken maken over Interchange Fees. Bij het ontbreken van dergelijke bilaterale afspraken gelden de standaardtarieven van Mastercard, de Multilateral Interchange Fees (hierna: MIFs). 3.10. Er bestaan grofweg drie categorieën MIFs, te weten: Domestic MIFs : zijn van toepassing op transacties waarbij de Merchant is gevestigd in hetzelfde land waar de Mastercard-betaalkaart is uitgegeven. Intra-regional MIFs : zijn van toepassing op internationale transacties waarbij de Merchant is gevestigd in een ander land dan het land waar de Mastercard-betaalkaart is uitgegeven, maar waarbij beide landen wel tot dezelfde geografische regio behoren. Inter-regional MIFs : zijn van toepassing op internationale transacties waarbij de Merchant is gevestigd in een land in een andere regio dan de regio waar de Mastercard-betaalkaart is uitgegeven. De hoofdzaken zien op deze categorie MIFs. 3.11. Een betalingstransactie via het Mastercard-platform verloopt doorgaans – kort gezegd – als volgt: een Cardholder overhandigt een Mastercard-betaalkaart aan een Merchant wanneer deze goederen of diensten van de Merchant wil kopen; bij aanbieding van de betaalkaart stuurt de Merchant de details van de transactie en de gepresenteerde betaalkaart door naar zijn Acquirer. Op basis van deze informatie communiceert de Acquirer met de Issuer van de Cardholder en voert de betaling uit; de (door)betaling van de koopprijs van de Issuer aan de Acquirer verloopt als volgt. Het saldo van de koopprijs wordt gedebiteerd op de vereffeningsbankrekening van de Issuer, op welk bedrag de MIFs in mindering worden gebracht. De MIFs blijven dus achter bij de Issuer. Het restant van de koopprijs wordt gecrediteerd op de vereffeningsbankrekening van de Acquirer. Op deze basis worden de betalingstransacties tussen Issuers en Acquirers op dagelijkse basis (meestal gebundeld) verwerkt. De Acquirer betaalt de koopprijs door aan de Merchant. De Merchant moet hiervoor een vergoeding – de Merchant Service Charge (MSC) – aan de Acquirer betalen. 3.12. De Acquirers en Issuers zijn zogenoemde scheme fees aan Mastercard verschuldigd voor het gebruik van het Mastercard-platform. 3.13. Schematisch weergegeven werkt het Mastercard-platform – voor zover hier van belang – als volgt: Het vaststellen van de hoogte van de Inter-regional MIFs 3.14. Mastercard Inc. en Mastercard International hebben de bevoegdheid om de hoogte van de Inter-regional MIFs vast te stellen. Het toezeggingsbesluit 3.15. Mastercard is meermaals onderwerp geweest van onderzoek door de Europese Commissie. 3.16. De Europese Commissie heeft onder meer onderzoeken geopend tegen alle gedaagden in verband met de Inter-regional MIFs. De voorlopige conclusie van de Europese Commissie was dat de Inter-regional MIFs van Mastercard een inbreuk op het in artikel 101 VWEU opgenomen kartelverbod opleverden. In reactie op die voorlopige conclusie boden gedaagden toezeggingen aan tot het reduceren van de Inter-regionaal MIFs. Bij besluit van 29 april 2019 ( Case AT.40049 – Mastercard II ) van de Europese Commissie zijn die toezeggingen verbindend verklaard (hierna: het toezeggingsbesluit). Alle gedaagden zijn geadresseerden van het toezeggingsbesluit. 4 Het geschil in de hoofdzaken 4.1. De belangrijkste vorderingen van de Stichting zijn de vordering van een verklaring voor recht dat Mastercard door het vaststellen van (te hoge) Inter-regional MIFs jegens de Merchants onrechtmatig heeft gehandeld en de vordering dat Mastercard de daardoor geleden schade moet vergoeden. Voor een volledige weergave van de vorderingen van de Stichting in beide hoofdzaken verwijst de rechtbank naar de bij dit vonnis gevoegde bijlage I. 4.2. Matercard heeft in de hoofdzaken nog niet van antwoord gediend. 5 Het geschil in de bevoegdheidsincidenten 5.1. Mastercard vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: I. zich (geheel of gedeeltelijk) onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting in de hoofdzaken, II. de Stichting veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 5.2. De Stichting voert verweer. De Stichting concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de Stichting, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Stichting in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 5.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan. 6 De beoordeling in de bevoegdheidsincidenten 6.1. Mastercard heeft in beide zaken gelijkluidende bevoegdheidsincidenten opgeworpen. De Stichting heeft in beide zaken ook gelijkluidende conclusies van antwoord in het bevoegdheidsincident genomen. Deze bevoegdheidsincidenten worden daarom hierna gezamenlijk behandeld. 6.2. Dit is een internationale zaak, omdat de Stichting drie partijen heeft gedagvaard die gevestigd zijn in verschillende landen. De rechtbank moet daarom (ook ambtshalve) beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van de vorderingen van de Stichting kennis te nemen. Die beoordeling vindt plaats aan de hand van de op het geschil met iedere gedaagde toepasselijke internationale bevoegdheidsregels. 6.3. Mastercard Europe is gevestigd in de Europese Unie, te weten in België. De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft moet ten aanzien van haar worden beantwoord aan de hand van de Brussel I-bis-Verordening (hierna: Brussel I-bis), omdat het geschil materieel, formeel en temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt (artikelen 1, 6 en 66 Brussel I-bis). 6.4. Ten aanzien van Mastercard Inc. en Mastercard International – beiden gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika – geldt dat de rechtsmacht moet worden bepaald aan de hand van de commune regels voor rechtsmacht zoals neergelegd in de artikelen 1 tot en met 14 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingen (hierna: Rv). 6.5. Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1 tot en met 14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij onder meer (de voorlopers van) Brussel I-bis. Bij de uitleg van de regels in Rv voor rechtsmacht in internationale zaken, moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) over (voorlopers van) Brussel I-bis. Dit is alleen anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU. Voor wat betreft de uitleg van artikel 7 lid 1 Rv (zodanige samenhang) moet worden aangesloten bij artikel 8 punt 1 Brussel I-bis (nauwe band) en de strikte uitleg daarvan (zie hierna 6.7). 6.6. De hoofdregel van de Brussel I-bis en van Rv is dat de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd is. Het systeem van Brussel I-bis is verder kort gezegd als volgt. Naast de hoofdregel zijn enkele bijzondere bevoegdheidsregels opgenomen volgens welke een gedaagde in bepaalde gevallen kan worden opgeroepen voor een andere rechter dan de rechter van de woonplaats van gedaagde. Deze bijzondere bevoegdheidsregels zijn gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de gedaagde wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was (overweging 16 van de considerans van Brussel I bis). 6.7. De bijzondere bevoegdheidsregels die een uitzondering vormen op de algemene regel, moeten als zodanig strikt worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de Verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen. 6.8. De rechter die onderzoekt of hem rechtsmacht toekomt, moet acht slaan op alle aan hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, daaronder begrepen, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Het onderzoek naar de rechtsmacht mag niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van de vordering. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de rechtsmachtsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn. Hieruit volgt dat de rechter zich bij de beantwoording van de bevoegdheidsvraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht. 6.9. Tegen deze achtergrond zal de rechtbank haar rechtsmacht ten aanzien van gedaagden vaststellen. Zij zal hierna eerst de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Mastercard Europe vaststellen en daarna ten aanzien van Mastercard Inc. en Mastercard International. Rechtsmacht ten aanzien van Matercard Europe Hoofdregel: woonplaats gedaagde 6.10. Op grond van de hoofregel van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis heeft de rechter van de woonplaats van gedaagde rechtsmacht om van het geschil kennis te nemen. Aangezien Mastercard Europe in België gevestigd is, kan deze rechtbank aan de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis geen rechtsmacht ontlenen. Alternatieve bevoegdheidsgrond: de plaats van het schadebrengende feit 6.11. In afwijking van de hiervoor geschetste hoofdregel, geeft Brussel I-bis enkele bijzondere bevoegdheidsregels die tot alternatieve bevoegdheidsgronden kunnen leiden, waaronder artikel 7 punt 2 Brussel I-bis. 6.12. Artikel 7 punt 2 Brussel I-bis bepaalt dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad een partij die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. 6.13. Het is vaste rechtspraak van het HvJEU dat artikel 7 punt 2 Brussel I-bis betrekking heeft op zowel de plaats waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden die de oorzaak is van de schade (‘Handlungsort’) als de plaats waar de schade is ingetreden (‘Erfolgsort’). Deze bijzondere bevoegdheidsregel moet autonoom en strikt worden uitgelegd. Zij berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, zodat het uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze gerechten bevoegd zijn. 6.14. De Stichting baseert de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Mastercard Europe op artikel 7 punt 2 Brussel I-bis, omdat zij meent dat zowel het Erfolgsort als het Handlungsort in Nederland gelegen zijn. 6.15. De rechtbank ziet aanleiding om eerst te onderzoeken of het Erfolgsort in Nederland gelegen is. Erfolgsort 6.16. De plaats van het intreden van de schade is de plaats waar de beweerde schade zich concreet voordoet. Dat begrip mag niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. Het moet gaan om de aanvankelijke schade, die rechtstreeks het gevolg is van de causale gebeurtenis, en niet om latere schadelijke gevolgen. Als “plaats van het schadebrengende feit” kan – als er geen andere aanknopingspunten zijn – niet worden aangemerkt de plaats in een lidstaat waar de schade is ingetreden, wanneer die schade uitsluitend bestaat uit een financieel verlies dat rechtstreeks intreedt op de bankrekening van een partij en het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat. 6.17. De schade van de Merchants bestaat er volgens de Stichting met name uit dat zij te hoge Inter-regional MIFs hebben betaald. De Stichting maakt daarmee in essentie aanspraak op schade die bestaat uit meerkosten voor de Merchants als gevolg van te hoge Inter-regional MIFs. Die eventueel te hoge Inter-regional MIFs moeten naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als aanvankelijke en directe schade die intreedt op de plaats waar een transactie wordt verricht waarbij betaling met een Mastercard wordt geaccepteerd en niet – zoals Mastercard aanvoert – als zuivere vermogensschade. Daarmee is sprake van schade als bedoeld in artikel 7 punt 2 Brussel I-bis. 6.18. Het kernverwijt dat de Stichting aan Mastercard maakt is dat zij inbreuk heeft gemaakt op het in artikel 101 VWEU neergelegde kartelverbod. De vorderingen van de Stichting in de hoofdzaken zijn zogenoemde standalone vorderingen. Standalone vorderingen moeten worden onderscheiden van follow on -vorderingen. Follow on- vorderingen zijn schadevergoedingsvorderingen die worden ingesteld nadat een mededingingsautoriteit een besluit heeft genomen waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht heeft vastgesteld. Standalone vorderingen zijn zelfstandige schadevergoedingsvorderingen waarbij er nog geen voorafgaand inbreukbesluit van een mededingingsautoriteit ligt. Anders dan Mastercard evenwel betoogt, is de kwalificatie van de vorderingen in de hoofdzaak, niet van belang voor de lokalisatie van het Erfolgsort. Daarbij gaat het namelijk zowel bij een follow on -vordering als bij een standalone vordering om de plaats waar de schade (als gevolg van de mededingingsbeperkende gedragingen) is ingetreden. Wat hierna volgt, ziet dus op een mogelijke schending van artikel 101 VWEU. 6.19. Voor de vraag waar het Erfolgsort kan worden gelokaliseerd, is het flyLAL-arrest van belang. In dat arrest heeft het HvJEU overwogen wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsbeperkende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, de plaats waar de schade is ingetreden, moet worden geacht zich in die lidstaat te bevinden. Deze oplossing beantwoordt aan de doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels, aangezien (i) de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de betrokken markt zich bevindt, het best in staat zijn om dergelijke vorderingen tot schadevergoeding te onderzoeken, en (ii) een marktdeelnemer die zich schuldig maakt aan concurrentiebeperkende gedragingen redelijkerwijs mag verwachten te zullen worden vervolgd voor de rechterlijke instanties van de plaats waar zijn gedragingen de regels van gezonde mededinging hebben verstoord. Het HvJEU heeft er daarbij ook op gewezen dat een dergelijke vaststelling van de plaats waar de schade is ingetreden in overeenstemming is met de in de Rome II-Verordening neergelegde regel dat op een schadevordering in verband met een mededingingsbeperkende handeling het recht van toepassing is van het land waar de markt (waarschijnlijk) wordt beïnvloed. In de zaak flyLAL bestond de gestelde schade onder meer uit inkomstenderving (omzetverlies). Het HvJEU oordeelde dat dergelijke schade is ingetreden op de plaats van de markt die door de mededingingsbeperkende gedragingen is beïnvloed en waarop de gedupeerde stelt dat verlies te hebben geleden. 6.20. Mastercard meent dat het Erfolgsort niet in Nederland kan worden gelokaliseerd. De rechtbank volgt Mastercard daarin niet en legt hierna uit waarom. 6.21. Mastercard voert – samengevat – aan dat het flyLAL-arrest hier niet van toepassing is, omdat het in de flyLAL-zaak i) ging om materiële schade, omdat het ging om schade die verband hield met een (materieel) goed – te weten vluchten naar [plaats] – terwijl het hier gaat om zuivere vermogensschade en ii) follow on- vorderingen betrof, terwijl de onderhavige zaken standalone vorderingen betreffen. De rechtbank verwerpt deze standpunten van Mastercard onder verwijzing naar wat hiervoor in 6.17 en 6.18 is overwogen. Deze door Mastercard genoemde omstandigheden staan dan ook niet in de weg aan de toepasselijkheid van het flyLAL-arrest. 6.22. Verder wijst Mastercard erop dat verschillende internationale aspecten van de onderhavige zaken, in de weg staan aan de lokalisatie van het Erfolgsort in Nederland, omdat: de Inter-regional MIFs waar het in de onderhavige zaken om gaat, betrekking hebben op betalingen van Cardholders wiens betaalkaart is uitgegeven door een Issuer buiten de EER; een deel van de Merchtans zal bankieren bij een niet-Nederlandse Acquirer; de verkoopactiviteiten van een Nederlandse Merchant zich voornamelijk buiten Nederland kunnen afspelen, zoals bij ondernemingen met grote buitenlandse filialen; Merchants en Cardholders transacties kunnen aangaan op websites die worden gehost in het buitenland, zoals de .com website van een internationale hotelketen; vennootschappen binnen een internationaal concern vaak afspraken maken over kostenallocatie. Het valt niet aan te nemen dat Merchants de vermeende schade zelf of in Nederland zouden lijden; en de settlement accounts van Mastercard buiten Nederland worden gehouden (voor Euro-betalingen bijvoorbeeld in Duitsland). 6.23. Daartegenover wijst de Stichting erop dat het antwoord op de vragen i) waar een Issuer of Acquirer gevestigd (ad a en b) is en ii) een eventuele website van een Merchant wordt gehost (ad d) niet in de weg staan aan de lokalisatie van het Erfolgsort in Nederland. Verder betwist de Stichting dat veel Merchants bij een niet-Nederlandse Acquirer zullen bankieren (ad b) en dat de verkoopactiviteiten van Nederlandse Merchants zich voornamelijk buiten Nederland kunnen afspelen (ad c). Volgens de Stichting zijn de eventuele afspraken over kostenallocatie die bepaalde Merchants gemaakt hebben ook niet relevant voor de lokalisatie van het Erfolgsort in Nederland (ad e). Mastercard heeft haar stellingen daarop niet nader onderbouwd. 6.24. Omdat mogelijk te hoge Inter-regional MIFs moeten worden aangemerkt als aanvankelijke en directe schade die intreedt op de plaats waar een transactie wordt verricht waarbij betaling met een Mastercard wordt geaccepteerd, zijn de omstandigheden a, b, d en f niet relevant. 6.25. De Stichting heeft de nauw omschreven groep waarvoor zij optreedt als volgt omschreven: “Alle (rechts)personen, waaronder ook personenvennootschappen worden verstaan, met woonplaats in Nederland, die vanaf 22 mei 1992 tot en met i) (primair) de datum dat er einduitspraak wordt gedaan in deze zaak, althans ii) (subsidiair) tot en met 29 oktober 2019, direct of indirect, Inter-regional MIFs hebben betaald (althans die hiervoor kosten hebben afgedragen) vanwege betalingen die zij hebben ontvangen van Mastercard-betaalkaarten uitgegeven buiten de EER.” Aannemelijk is dat de overgrote meerderheid van de Mastercard-betalingen die deze nauw omschreven groep heeft ontvangen het gevolg zijn van een transactie in Nederland, zodat een enkele uitzondering niet aan lokalisatie van het Erfolgsort in Nederland in de weg staat. De rechtbank is met de Stichting van oordeel dat het enkele feit dat vennootschappen binnen een internationaal concern vaak afspraken maken over kostenallocatie niet in de weg staat aan de lokalisatie van het Erfolgsort in Nederland, omdat dit er niet aan afdoet dat de aanvankelijke en directe schade intreedt op de plaats waar een transactie wordt verricht waarbij betaling met een Mastercard-betaalkaart wordt geaccepteerd. 6.26. Toepassing van de in het flyLAL-arrest gegeven uitgangspunten (zie 6.19) leidt ertoe dat het Erfolgsort is gelegen in Nederland. De in Nederland gevestigde Merchants waarvoor de Stichting opkomt, zijn gevestigd in – en ondernemen in en vanuit – Nederland. De Merchants accepteren betalingen met Mastercard voor transacties die (in overgrote meerderheid) in Nederland plaatsvinden. Daarbij worden de (volgens de Stichting te hoge) Inter-regional MIFs in rekening gebracht, wat volgens de Stichting mededingingsbeperkende gedragingen van Mastercard Europe oplevert. Zodoende wordt de Nederlandse markt beïnvloed door de gestelde mededingingsbeperkende gedragingen. De beweerde schade van de Merchants wordt ook in Nederland geleden. 6.27. Uit het bovenstaande volgt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 punt 2 Brussel I-bis rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting tegen Mastercard Europe. Gezien dit oordeel hoeft de rechtbank niet te onderzoeken of het Handlungsort (ook) in Nederland gelegen is. Rechtsmacht ten aanzien van Mastercard Inc. en Mastercard International De ankergedaagderegel 6.28. De Stichting baseert de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Mastercard Inc. en Mastercard International op artikel 7 lid 1 Rv. In dit wetsartikel is de zogenoemde ankergedaagderegel neergelegd. Volgens de Stichting kan Mastercard Europe hier als ankergedaagde fungeren. 6.29. Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat indien de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft (ook wel: de ankergedaagde), hem ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van de andere gedaagden, als tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. 6.30. Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat het aan de nationale rechter is om, rekening houdend met alle noodzakelijke elementen van het dossier, te beoordelen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn (en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat). Het gevaar op onverenigbare beslissingen moet worden begrepen als het gevaar op tegenstrijdige beslissingen. Daarbij kan van belang zijn of gedaagden onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Ook de rechtsgrondslag van de vorderingen zal de rechter in zijn beschouwing moeten betrekken, waarbij geldt dat niet vereist is dat de vorderingen dezelfde rechtsgrondslag hebben. Overeenstemming van de rechtsgrondslag vormt echter wel een relevante factor bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn. Verder geldt dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht in de zin van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis – en in het verlengde daarvan artikel 7 lid 1 Rv – op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil; vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Toepassing ankergedaagderegel 6.31. Voorop staat dat – anders dan artikel 8 punt 1 Brussel I-bis – artikel 7 lid 1 Rv er niet van uit gaat dat de rechtsmacht ten aanzien van de ankergedaagde op de aanwezigheid van diens woonplaats in Nederland is gebaseerd. Het standpunt van Mastercard dat de ankergedaagde een Nederlandse gedaagde moet zijn, wordt dan ook verworpen. 6.32. Bij de vraag of samenhang bestaat tussen de vorderingen van de Stichting tegen enerzijds Mastercard Europe en anderzijds Mastercard Inc. en Mastercard International, moet eerst gekeken worden naar de rechtsgrondslagen van die vorderingen. 6.33. De Stichting stelt dat Mastercard inbreuk heeft gemaakt op het mededingingsrecht – specifiek op het in artikel 101 VWEU opgenomen kartelverbod – doordat zij vanaf 1992 te hoge Inter-regional MIFs heeft afgedwongen voor betalingen met Mastercard betaalkaarten die zijn uitgegeven buiten de Europese Economische Ruimte (de EER). De Stichting baseert deze stelling op het toezeggingsbesluit. De Stichting baseert haar vorderingen tegen Mastercard Europe erop dat zij (als dochteronderneming) een economische eenheid vormt met Mastercard Inc. en Mastercard International – en zodoende onderdeel uitmaakt van de inbreukmakende onderneming – zoals bedoeld in het Sumal-arrest. 6.34. Mastercard voert aan dat de onderhavige procedure geen ‘ follow on ’, maar een ‘ standalone ’ procedure is en dat dit betekent dat het door de Stichting aan Mastercard verweten handelen niet door een mededingingsautoriteit – naar de rechtbank begrijpt, de Europese Commissie – als inbreuk op het mededingingsrecht is vastgesteld. Volgens Mastercard onderscheidt dit de onderhavige zaken van rechtspraak waarin op grond van artikel 7 Rv rechtsmacht is aangenomen ten aanzien van niet-ankergedaagden waarvan vaststaat dat die hebben deelgenomen aan een kartel samen met de ankergedaagde(n). Weliswaar zijn deze standpunten van Mastercard op zichzelf juist, maar zijn die voor de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet van belang. Weliswaar zal in de hoofdzaak nog moeten worden beoordeeld of gedaagden het mededingingsrecht hebben geschonden door het vaststellen en handhaven van Inter-regional MIFs, maar uit de stellingen van Mastercard kan niet reeds nu worden afgeleid dat van een inbreuk op het mededingingsrecht geen sprake is. 6.35. Verder volgt uit dat in het Athenian Brewery en Heineken/MTB-arrest dat het feit dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en haar dochteronderneming voor een inbreuk op het Europese mededingingsrecht niet is vastgesteld in een definitief besluit van de Europese Commissie, niet in de weg staat aan de toepassing van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis (en in het verlengde daarvan artikel 7 lid 1 Rv). 6.36. Beoordeeld moet worden of Mastercard Europe onderdeel uitmaakt van de – door de Stichting gestelde inbreukmakende – onderneming Mastercard. Voor die beoordeling is het Sumal-arrest relevant. 6.37. In het Sumal-arrest is bepaald dat een dochteronderneming civiel aansprakelijk kan zijn als bewezen is dat de dochteronderneming en de moedermaatschappij een economische eenheid vormden (de neerwaartse toerekening). Dat is het geval als (i) de dochteronderneming en haar moedermaatschappij economisch, organisatorisch en juridisch zijn verbonden en (ii) een concreet verband bestaat tussen de economische activiteit van de dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld. Als kan worden aangenomen dat sprake is van een economische eenheid, zijn alle rechtspersonen (entiteiten) die deel uitmaken van de onderneming die door die economische eenheid worden gevormd, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de inbreuk. Ad (i) en (ii) 6.38. Mastercard betwist niet dat Mastercard Europe deel uitmaakt van de onderneming Mastercard, zodat is voldaan aan het vereiste onder (i). 6.39. Mastercard voert aan dat het Mastercard-platform internationaal betalingsverkeer faciliteert tussen partijen die zich in verschillende delen van de wereld bevinden en dat zij in dit kader geen rechtstreekse diensten verleent aan de Merchants. Dit betoog kan niet worden gevolgd. De gestelde inbreuk is hier het vaststellen van (te hoge) Inter-regional MIFs, waardoor Merchants schade lijden. Alleen Mastercard Inc. en Mastercard International hebben de bevoegdheid om de hoogte van de Inter-regional MIFs vast te stellen. Dat neemt niet weg dat elk van gedaagden, Mastercard Europe, Mastercard Inc. en Mastercard International deelnemen aan dezelfde economische activiteit, te weten het faciliteren van betalingen met Mastercard-betaalkaarten. Daarbij doet niet ter zake of zij direct diensten verlenen aan Merchants, omdat de Inter-regional MIFs aan de Merchants worden doorberekend. Voor Mastercard Europe geldt dat voor de toepassing van het tweede Sumal-vereiste betrokkenheid bij de inbreuk zelf niet is vereist. Voor haar hoofdelijke aansprakelijkheid is voldoende dat een concreet verband bestaat tussen de economische activiteit van de dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is. Dit leidt ertoe dat voorshands (in het kader van dit incident) kan worden aangenomen dat Mastercard Inc. en Mastercard International een economische eenheid met Mastercard Europe vormen en dat zij alle drie hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die door de inbreuk is ontstaan. 6.40. Nu de hoofdelijke aansprakelijkheid van Mastercard Europe voorshands wordt aangenomen, is het CDC/Akzo-arrest van belang. Daarin is geoordeeld dat hoofdelijke aansprakelijkheid voor schendingen van het Europese mededingingsrecht een nauwe band vormt voor bevoegdheid op grond van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis. Daarmee is, gezien het hiervoor (in het bijzonder in 6.5) geschetste toetsingskader, de vereiste samenhang als bedoeld in artikel 7 lid 1 Rv gegeven. 6.41. Mastercard voert nog aan dat de Stichting Mastercard Inc. en Mastercard International – beide Amerikaanse entiteiten – aangrijpt om die naar een Nederlands forum te trekken op basis van niet onderbouwde vorderingen. Volgens Mastercard maakt de Stichting daarmee misbruik van procesrecht, omdat zij Mastercard Inc. en Mastercard International weghoudt van het forum van hun woonplaats. In alle voorgaande overwegingen ligt het oordeel besloten dat Mastercard geen misbruik van procesrecht maakt. De Stichting beroept zich namelijk terecht op de in artikel 7 lid 1 Rv neergelegde ankergedaagderegel. Dit standpunt van Mastercard wordt dan ook verworpen. Conclusie rechtsmacht 6.42. Al het voorgaande brengt mee dat Mastercard Europe hier als ankergedaagde kan fungeren, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting tegen Mastercard Inc. en Mastercard International. Dit betekent dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting tegen alle gedaagden. 6.43. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet meer toe aan een bespreking van wat partijen in dit verband verder nog naar voren hebben gebracht. Relatieve bevoegdheid 6.44. Vervolgens moet nog de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam worden beoordeeld. 6.45. In het Volvo-arrest is – in het kader van een gestelde schadevordering wegens overtreding van artikel 101 VWEU – geoordeeld dat artikel 7 punt 2 Brussel I-bis zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk toekent aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden. 6.46. Tussen partijen staat terecht niet ter discussie dat de rechtbank Amsterdam in ieder geval relatief bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting voor zover die zijn ingesteld ten behoeve van binnen het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants, omdat de gestelde schade voor hen in het arrondissement Amsterdam is ingetreden. Ten aanzien van Mastercard Europe is dat op basis van artikel 7 punt 2 Brussel I-bis, ten aanzien van Mastercard Inc. en Mastercard International is dat op basis van artikel 102 Rv. 6.47. Mastercard betwist evenwel dat deze rechtbank relatief bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting voor zover die zijn ingesteld ten behoeve van buiten het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants. Mastercard stelt dat de Stichting een procedure had moeten starten bij alle elf rechtbanken in Nederland en identieke dagvaardingen had moeten uitbrengen als zij had willen opkomen voor alle Nederlandse Merchants. 6.48. Mastercard voert in dit verband verder aan dat het Apple-arrest hier niet meebrengt dat deze rechtbank relatief bevoegd is ten aanzien van de buiten het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants. Volgens Mastercard is sprake van dusdanige feitelijke verschillen tussen de onderhavige zaken en de zaak die tot het Apple-arrest heeft geleid dat die in dit geval tot een andere uitkomst moeten leiden, te weten: de door de Stichting gestelde schade manifesteert zich niet initieel, rechtstreeks en hoofdzakelijk op de Nederlandse markt; in de Apple-zaak gaat het over een nationale, door Apple centraal aangestuurde digitale markt, waarin Nederlandse gebruikers altijd via een van andere landen afgeschermde Nederlandse omgeving aankopen doen. Het HvJEU vertaalt de virtuele ruimte van de Nederlandse Apple App Store naar het geografische gebied Nederland. In deze procedure tegen Mastercard gaat deze gedachtegang niet op. Het gaat hier om een vierpartijenschema met talloze internationale aspecten; het HvJEU oordeelt dat de Apple App Store als digitaal platform nationaal is ingericht en “specifiek op de Nederlandse markt” is gericht, met als gevolg dat schade initieel optreedt op de Nederlandse markt. Het Mastercard-platform daarentegen faciliteert internationaal betalingsverkeer tussen verschillende partijen (die zich in verschillende delen van de wereld bevinden). Het Apple-arrest moet worden gezien in het licht van de bijzondere omstandigheden van de onderliggende zaak. Dergelijke bijzondere omstandigheden doen zich in dit geval niet voor, aldus steeds Mastercard. 6.49. De rechtbank verwerpt deze redenering van Mastercard en legt hierna uit waarom. 6.50. In dit geval gaat het – zoals in het Apple-arrest – niet om de beheerder van een online platform dat op alle in een bepaalde lidstaat gevestigde gebruikers is gericht, maar om een wereldwijd platform dat (creditcard)betalingen mogelijk maakt, waarbij het echter in de vorderingen van de Stichting uitsluitend gaat om de door haar gestelde nauw omschreven groep van benadeelden, te weten in Nederland gevestigde Merchants, zodat het om een gestelde inbreuk op het mededingingsrecht gaat die hoofdzakelijk de Nederlandse markt betreft. In zowel de Apple-zaak als de onderhavige zaken gaat het dus om een gestelde inbreuk op het mededingingsrecht die specifiek de Nederlandse markt raakt. In beide gevallen is de eisende partij een claimstichting die optreedt ten behoeve van benadeelden die in alle arrondissementen in Nederland zijn gevestigd. Ook is in beide gevallen aan de orde dat de claimstichting stelt dat de benadeelden ten gevolge van een gestelde inbreuk op het mededingingsrecht rechtstreekse schade hebben geleden (zie 6.17). Verder is in beide gevallen de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om daarover te oordelen. 6.51. Evenals in punt 60 van het Apple-arrest moet in deze zaak worden geoordeeld dat het bepalen van de relatieve bevoegdheid op basis van de plaats waar de schade is geleden dan wel waar de benadeelde rechtspersoon is gevestigd geen bruikbare aanknopingspunten opleveren indien – zoals ook in dit geval – een claimstichting optreedt voor een nauw omschreven groep benadeelden die verspreid zijn over het grondgebied van heel Nederland. 6.52. Dit brengt mee dat ook hier – zoals door het HvJEU overwogen in punt 66 van het Apple-arrest – geldt: “In die omstandigheden kan van een gerecht niet worden verlangd dat het met het oog op de vaststelling van zijn territoriale bevoegdheid om kennis te nemen van een dergelijke vordering op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, voor iedere beweerde benadeelde individueel de specifieke plaats bepaalt waar de mogelijk geleden schade is ingetreden – aangezien deze benadeelden op het tijdstip waarop het zijn bevoegdheid toetst (nog) niet zijn geïdentificeerd –, noch dat het een benadeelde of een aantal daarvan identificeert.” 6.53. En dat leidt dan ook in dit geval tot dezelfde conclusie als in punt 68 van het Apple-arrest: “Uit het voorgaande volgt dat in situaties als die in de hoofdgedingen iedere rechterlijke instantie die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers te beschermen, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van de gehele vordering.” 6.54. Al het voorgaande brengt mee dat deze rechtbank ook relatief bevoegd is kennis te nemen van vorderingen van de Stichting voor zover die ingesteld zijn ten behoeve van buiten het arrondissement Amsterdam (in Nederland) gevestigde Merchants. 6.55. Daarnaast geldt de hiervoor aangenomen samenhang in het kader van artikel 7 lid 1 Rv ook voor de relatieve bevoegdheid als bedoeld in artikel 107 Rv. Deze rechtbank is dus ook op grond van artikel 107 Rv relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen Mastercard Inc. en Mastercard International. 6.56. De conclusie is dus dat deze rechtbank relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting tegen alle gedaagden en voor zover die zijn ingesteld ten behoeve van in Nederland gevestigde Merchants. Misbruik van procesrecht door Mastercard 6.57. Verder geldt het volgende. Het hiervoor geschetste verweer van Mastercard tegen de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank ten aanzien van de buiten het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants, levert naar het oordeel van de rechtbank misbruik van procesrecht op. Mastercard heeft geen enkel belang gesteld bij de betwisting van de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam voor de vorderingen van de Stichting ten behoeve van alle Nederlandse Merchants. Mastercard behoort te beseffen dat als bij elf rechtbanken identieke vorderingen jegens haar zouden worden aangebracht, deze zaken zullen worden verwezen naar een rechtbank om gevoegd te worden behandeld wegens verknochtheid (artikel 220 Rv). Het aanbrengen van de zaak bij elf rechtbanken en de voeging daarvan zou tot vertraging van de procedure, zonder dat dit voor partijen enig nut oplevert. Het voeren van dit verweer door Mastercard komt dan ook in strijd met de verplichting van partijen om onredelijke vertraging te voorkomen (artikel 20 lid 1 Rv). Bovendien zou dit ertoe leiden dat de Stichting elf maal zoveel griffierecht zou moeten betalen. De conclusie kan dan daarom geen andere zijn dan dat Mastercard dit verweer slechts voert om de Stichting te schaden, hetgeen misbruik van procesrecht oplevert in de zin van artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Conclusie 6.58. Op grond van al het voorgaande worden de vorderingen van Mastercard afgewezen. De proceskosten en de daarover gevorderde rente 6.59. Mastercard krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van de Stichting betalen. Zoals hiervoor in 6.57 is overwogen, levert het verweer van Mastercard betreffende de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank misbruik van procesrecht op. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het ten laste van Mastercard te brengen salaris van de advocaat van de Stichting te verdubbelen, zodat daarvoor vier – in plaats van de gebruikelijke twee – punten zullen worden toegekend. De proceskosten van de Stichting worden dan ook begroot op: - salaris advocaat: € 2.612,00 (4,0 punten x tarief II: € 653,00) - nakosten: € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) - totaal: € 2.801,00 6.60. De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld. Uitvoerbaarheid bij voorraad 6.61. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. in de hoofdzaken in de zaak met zaaknummer C/13/772197 / HA ZA 25-1267 6.62. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord van Mastercard. Deze mag worden beperkt tot de onderwerpen die worden genoemd in artikel 1018c lid 5 Rv. 6.63. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. in de zaak met zaaknummer C/13/772403 / HA ZA 25-1282 6.64. De Stichting heeft toegelicht dat zij de dagvaardingen in de onderhavige zaak zekerheidshalve heeft uitgebracht, namelijk voor het geval deze rechtbank zou oordelen dat zij in de andere hoofdzaak alleen relatief bevoegd is ten aanzien van de binnen het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants namens wie zij opkomt. De reden daarvoor was dat op het moment dat de dagvaardingen in beide hoofzaken werden uitgebracht, het HvJEU nog geen arrest had gewezen in de Apple-zaak, waarin prejudiciële vragen over onder meer dit onderwerp voorlagen. De dagvaardingen in de onderhavige zaak zijn gelijkluidend aan de dagvaardingen in de andere hoofdzaak. 6.65. Het oordeel in de bevoegdheidsincidenten (zie met name 6.56) – mede gegrond op het inmiddels gewezen Apple-arrest – brengt mee dat de Stichting in de andere hoofdzaak (met zaaknummer C/13/772197 / HA ZA 25-1267) bij deze rechtbank kan procederen namens de in Nederland gevestigde Merchants, dus ook namens de buiten het arrondissement Amsterdam gevestigde Merchants. Bij deze stand van zaken heeft de Stichting geen afzonderlijk belang meer bij haar vorderingen in de onderhavige zaak, zodat die moeten worden afgewezen. 6.66. De Stichting krijgt dus ongelijk en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van Mastercard. De proceskosten van Mastercard worden evenwel begroot op nihil, omdat zij in deze zaak een incidentele conclusie heeft genomen die gelijkluidend is aan de incidentele conclusie die zij in de zaak met zaaknummer C/13/772197 / HA ZA 25-1267 heeft genomen en tijdens de mondelinge behandeling van 29 juni 2026 de onderhavige zaak niet meer aan de orde heeft gesteld. 7 De beslissing De rechtbank in de incidenten 7.1. wijst de vorderingen van Mastercard af, 7.2. veroordeelt Mastercard in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting begroot op € 2.801,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Mastercard niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Mastercard € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 7.3. veroordeelt Mastercard in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 7.4. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaken in de zaak met zaaknummer C/13/772197 / HA ZA 25-1267 7.5. verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord van Mastercard, 7.6. houdt iedere verdere beslissing aan, in de zaak met zaaknummer C/13/772403 / HA ZA 25-1282 7.7. wijst de vorderingen van de Stichting af, 7.8. veroordeelt de Stichting in de proceskosten van Mastercard, begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026. Bijlage I – de vorderingen van de Stichting zoals omschreven in de dagvaardingen in de zaken met zaaknummers C/13/772197 / HA ZA 25-1267 en C/13/772403 / HA ZA 25-1282, voor zover nodig aangevuld door de rechtbank De Stichting verzoekt de rechtbank te oordelen als volgt, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. Benoeming exclusieve belangenbehartiger De Stichting aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv. II. Definitie van de Nauw Omschreven Groep Primair : te bepalen dat de Stichting in deze collectieve actie de belangen behartigt van de volgende groepen van personen, die de Nauw Omschreven Groep vormen in de zin van artikel 1018e lid 2 Rv: Alle (rechts)personen, waaronder ook personenvennootschappen worden verstaan, met woonplaats in Nederland, die vanaf 22 mei 1992 tot en met i) (primair) de datum dat er einduitspraak wordt gedaan in deze zaak, althans ii) (subsidiair) tot en met 29 oktober 2019, direct of indirect, Inter-regional MIFs hebben betaald (althans die hiervoor kosten hebben afgedragen) vanwege betalingen die zij hebben ontvangen van Mastercard-betaalkaarten uitgegeven buiten de EER. Subsidiair : voor zover rechtens noodzakelijk, de hiervoor omgeschreven Nauw Omschreven Groep te beperken tot eenieder gevestigd in – en buiten [zoals opgenomen in de dagvaardingen in de zaak met zaaknummer C/13/772403 / HA ZA 25-1282, toevoeging rechtbank] – het arrondissement van de rechtbank Amsterdam; Uiterst subsidiair : te bepalen dat de Stichting in deze collectieve actie de belangen behartigt van alle Aangemelde Deelnemers die zich voor deze zaak hebben aangesloten bij de Stichting. III. Opt out ( i) Te bepalen dat ieder persoon van de (primair) Nauw Omschreven Groep, althans (subsidiair) dat ieder van de Aangemelde Deelnemers, gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging in de zin van artikel 1018f lid 3 Rv van de uitspraak tot aanwijzing van de Stichting tot exclusieve belangenbehartiger, de mogelijkheid zal hebben bij schriftelijk bericht aan de griffie van de rechtbank te laten weten zich van de behartiging van hun belangen in deze collectieve actie te onttrekken (opt out). IV. Verklaring voor recht Voor recht te verklaren dat: ( a) Gedaagden om de redenen zoals omschreven in deze dagvaarding gesteld jegens de Nauw Omschreven Groep, althans jegens de Aangemelde Deelnemers, onrechtmatig hebben gehandeld, meer in het bijzonder dat zij in strijd hebben gehandeld met artikel 6 lid 1 Mw, artikel 101 lid 1 VWEU en/of artikel 6:162 BW; en ( b) Gedaagden hoofdzakelijk aansprakelijk zijn jegens eenieder die behoort tot de Nauw Omschreven Groep, althans de Aangemelde Deelnemers, en uit dien hoofde de door die (rechts)persoon of entiteit geleden en nog te lijden schade dienen te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het wijzen van vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; V. Gebod- en verbodsverklaring ( i) Gedaagden te gebieden de Mastercard Rules in te trekken die betrekking hebben op Inter-regional MIFs, meer in het bijzonder de bepalingen uit de Mastercard Rules die zien op het instellen, bepalen van de hoogte en/of het (laten) hanteren van Inter-regional MIFS door Acquirers. ( ii) Gedaagden te verbieden Matercard Rules of vergelijkbare regelingen op te stellen die strekken tot het instellen, bepalen van de hoogte en/of het (laten) hanteren van Inter-regional MIFS door Acquirers. ( iii) Gedaagden te bevelen om binnen een termijn van zes maanden na de datum van het eindvonnis van de rechtbank in deze procedure, te voldoen aan het gebod onder (V) (i), en daaraan de verplichting te koppelen om hierover te rapporteren aan de Stichting, door de verstrekking van een gedegen schriftelijke onderbouwing, binnen één week na afloop van de hiervoor vermelde termijn, waaruit moet blijken dát en hoe de Gedaagden zich aan het bevel houden, met concreet bewijs daarvan. ( iv) Te bepalen dat het bevel onder V (i) en het verbod onder V (ii) worden opgelegd onder verbeurte van een last onder dwangsom van EUR 100.000 per overtreding en per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van EUR 25 miljoen. VI. Veroordeling tot betaling van een schadevergoeding ( i) Primair : ieder der Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de schade van eenieder behorende tot de Nauw Omschreven Groep, althans de Aangemelde Deelnemers, welke schade al dan niet op basis van artikelen 6:97 en/of 6:104 BW door uw rechtbank in goede justitie wordt vastgesteld, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het wijzen van vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; Subsidiair : ieder der Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de schade van eenieder behorende tot de Nauw Omschreven Groep, althans de Aangemelde Deelnemers, welke schade nader op te maken bij staat en te vereffenen zoals bij de wet is voorgeschreven, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het wijzen van vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. VII. Collectieve schadeafwikkeling Te bepalen dat alle door Gedaagden aan eenieder behoort tot de Nauw Omschreven Groep, althans de Aangemelde Deelnemers verschuldigde vergoedingen aan de Stichting zullen worden betaald onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden van collectieve schadeafwikkeling met inachtneming van het bepaalde in artikel 1018i lid 2 Rv. VIII.