Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-08-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:8101
Aan betrokkene zijn meerdere boetes opgelegd voor het met de bromfiets rijden in de Cuyperspassage. De boetes zijn terecht opgelegd, maar gelet op de aangevoerde omstandigheden en dat aan betrokkene in korte tijd vier boetes voor dezelfde soort gedraging op dezelfde pleeglocatie zijn opgelegd, acht de kantonrechter het niet redelijk en billijk dat betrokkene alle vier de boetes moet betalen. De onderhavige twee sancties worden gematigd tot nihil. RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht kantonrechter: mr. R. Kruisdijk zaaknummers: 11967569 WM VERZ 25-19764 11967588 WM VERZ 25-19767 beslissing van: 6 augustus 2026 func.: 65186 Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 6 augustus 2026 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van: [betrokkene] [adres] verder: betrokkene namens wie beroep is ingesteld door: Appjection B.V. mr. M. Lagas verder: gemachtigde welk beroep is ingesteld bij verzoekschriften, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 12 juni 2025 en op 25 juni 2025 en is gericht tegen de beslissingen van 29 mei 2025 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene. CJIB-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Aan betrokkene zijn bij beschikkingen van 27 december 2024 (verder: de inleidende beschikkingen) twee sancties in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikkingen beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep in beide zaken ongegrond verklaard. Tegen die beslissingen heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep in de onderhavige zaken is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen. Namens gemachtigde is de heer [naam] ter zitting verschenen. Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van de beroepschriften. Verweerder heeft geconcludeerd dat in de onderhavige zaken de beslissing van de officier van justitie dient te worden vernietigd, maar dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is. GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. Aan betrokkene zijn bij inleidende beschikkingen wegens verkeersgedragingen twee administratieve sancties opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat hij met de bromfiets niet de rijbaan heeft gebruikt als er geen verplicht fiets/bromfietspad aanwezig is (bord G12a). Deze gedragingen zijn geconstateerd op: 19 september 2024 om 08:23 uur op de Cuyperspassage-Zuid te Amsterdam (zaak 11967588 WM VERZ 25-19767) en op; 19 september 2024 om 17:44 uur op de Cuyperspassage-Noord te Amsterdam (zaak 11968569 WM VERZ 25-19764). 2. Het beroep in de onderhavige zaken is tijdig ingesteld. 3. Gemachtigde voert in de onderhavige zaken tegen de beslissing van verweerder aan dat sprake is van schending van artikel 7:18 lid 4 Awb, omdat de CVOM de op de zaken betrekking hebbende stukken, zoals het zaakoverzicht en de foto’s, niet heeft verstrekt aan gemachtigde, ondanks een verzoek daartoe. Aan deze schending van de informatieplicht dient de gevolgtrekking te worden verbonden dat de inleidende beschikkingen moeten worden vernietigd, nu betrokkene daardoor in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Gemachtigde verwijst onder andere naar het arrest van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2020 met nummer ECLI:NL:GHARL:2020:5078. Het recht op een eerlijk proces is geschonden. Het is immers onmogelijk om op de zaken toegespitste gronden te formuleren indien niet duidelijk is wat betrokkene precies wordt verweten. Ook heeft betrokkene geen nader bewijs kunnen vergaren. Verder voert gemachtigde aan dat betrokkene voor dezelfde soort gedraging op de Cuyperspassage vier sancties opgelegd heeft gekregen. De eerst opgelegde sanctie met dagtekening 19 januari 2025 voor de overtreding van 16 september 2024, was echter ten tijde van het begaan van de daaropvolgende overtredingen nog niet bekend aan betrokkene. De onderhavige sancties zijn binnen 24 uur opgelegd. Betrokkene was in de veronderstelling dat het was toegestaan om op de pleeglocatie te rijden. Na de ontvangst van diverse boetes is pas duidelijk geworden dat dit niet mag. Als betrokkene de eerste van vele boetes tijdig had ontvangen en niet pas na vijf maanden, dan had betrokkene zijn gedrag kunnen aanpassen en een alternatieve route kunnen rijden. Gelet op het voorgaande wordt namens betrokkene verzocht om de beroepschriften gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen. 4. Verweerder is het ter zitting met gemachtigde eens dat in de onderhavige zaken sprake is van schending van de informatieplicht, nu verzuimd is om aan gemachtigde de op de zaken betrekking hebbende stukken te doen toekomen. Daarom verzoekt verweerder de kantonrechter om in de onderhavige zaken de beslissing van de officier van justitie te vernietigen. Voor wat betreft het beroep tegen de inleidende beschikkingen stelt verweerder zich op het standpunt dat het beroep in beide gevallen ongegrond dient te worden verklaard. Het enkele feit dat aan betrokkene meerdere boetes voor dezelfde soort gedraging zijn opgelegd leidt niet automatisch tot een matiging van één van de sancties of beiden. Betrokkene had in beide gevallen de bebording te plaatse moeten zien en daar naar moeten handelen. De gedragingen kunnen op grond van de zich in de dossiers bevindende gegevens worden vastgesteld. De aangevoerde omstandigheden geven geen aanleiding een sanctie achterwege te laten dan wel het sanctiebedrag te matigen. 5. Het volgende wordt overwogen. Ten aanzien van de informatieplicht: 6. Verweerder heeft ter zitting beaamd dat de op de zaken betrekking hebbende stukken niet zijn verstrekt. Dit verzuim van verweerder leidt in de onderhavige zaken tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie. De inleidende beschikkingen blijven evenwel in stand. Gemachtigde heeft inmiddels de dossiers van de rechtbank toegezonden gekregen. Het betoog van gemachtigde dat de schending van de informatieplicht ook dient te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikkingen wordt niet gevolgd. Schending van de informatieplicht betreft immers een gebrekkige totstandkoming van de beslissing van de officier van justitie en niet van de inleidende beschikking. Gemachtigde heeft daarnaast naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom betrokkene door de schending van de informatieplicht zodanig in zijn belangen is geschaad dat de inleidende beschikkingen niet in stand kunnen blijven. 7. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter in de onderhavige zaken het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond zal verklaren, die beslissingen zal vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikkingen zal beoordelen. Ten aanzien van de inleidende beschikkingen: 8. In de Cuyperspassage te Amsterdam is sprake van een voetgangerszone, waar uitsluitend fietsers op de rijloper worden toegestaan. Geen enkele vorm van gemotoriseerd vervoer is toegestaan in deze zone. Dit is aan het begin van de straat aangeduid middels een zonebord G7 (voetgangersgebied) met twee onderborden met de teksten ‘fietsen toegestaan’ en ‘snorfietsers verboden’ . Tevens is het tweede onderbord voorzien van het symbool van een camera. De juiste plaatsing van de verkeersborden wordt maandelijks geschouwd door een boa. 9. In de dossiers bevinden zich schouwrapporten van de bebording. Uit deze schouwrapporten van 17 september 2024 en 12 oktober 2024 blijkt dat op de pleeglocatie de relevante bebording kort voor en kort na de onderhavige gedragingen duidelijk zichtbaar en onbeschadigd aanwezig was. 10. Gelet op het voorgaande zijn de boetes terecht aan betrokkene opgelegd. Echter gelet op de door betrokkene aangevoerde omstandigheden en dat aan betrokkene in korte tijd vier boetes voor dezelfde soort gedraging op dezelfde pleeglocatie zijn opgelegd, acht de kantonrechter het niet redelijk en billijk dat betrokkene alle vier de boetes moet betalen.