Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-07-14
ECLI:NL:RBAMS:2026:8005
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/003433-26 Datum uitspraak: 14 juli 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1996, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , nu gedetineerd in het [detentieadres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juni 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Eekhout, advocaat in Amsterdam, naar voren hebben gebracht. De zaak is tegelijk, maar niet gevoegd, op de zitting behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] , parketnummer 13/003412-26. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – samengevat – tenlastegelegd dat hij zich op 4 januari 2026 in [plaats] heeft schuldig gemaakt aan: feit 1: het medeplegen van het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, MDMA, cocaïne en/of 2-MMC. feit 2 : het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III van de Wet wapens en munitie; feit 3 : het medeplegen van het voorhanden hebben van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie; feit 4: het medeplegen van het witwassen van € 22.990,- en/of € 16.400,- en/of € 39.500,-; feit 5: het medeplegen van het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van 72,80 kilogram hasjiesj. De volledige tenlastelegging is opgenomen als bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 en feit 5 het aanwezig hebben van de verdovende middelen kan worden bewezen. 3.2. Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 5: De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] geen wetenschap heeft gehad van de aangetroffen verdovende middelen, vuurwapens en munitie, die niet zichtbaar in de woning lagen, zodat [verdachte] in zoverre dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de aangetroffen voorwerpen die zichtbaar in de woning lagen heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de aangetroffen verdovende middelen heeft de raadsvrouw daarnaast aangevoerd dat voor een bewezenverklaring alleen kan worden uitgegaan van de verdovende middelen die door het NFI getest zijn. Ten aanzien van feit 4: Ten aanzien van het witwassen van € 22.990,- heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat [verdachte] hiervan moet worden vrijgesproken, omdat hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van dit geldbedrag in de woning. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat alleen het voorhanden hebben van € 22.990,- kan worden bewezen. Ten aanzien van het witwassen van € 16.400,- heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, waardoor de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. Ten aanzien van het witwassen van € 39.500,- heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] hiervan moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] wetenschap had van de aanwezigheid van dit geldbedrag in de woning met nummer [nummer 1] . 3.3. Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden. Aa Op de camerabeelden is daarnaast te zien dat [verdachte] met een sleutel op meerdere momenten ook [nummer 1] binnengaat en dat [medeverdachte 1] op 1 januari 2026 samen met een andere man gedurende een minuut in [nummer 1] is geweest. In de periode van 5 januari 2026 tot en met 8 januari 2026 hebben ook meerdere onbekend gebleven personen [nummer 1] betreden. Op 9 januari 2026 heeft de politie in [nummer 1] een bedrag van € 39.500,- aangetroffen. Onderzoek telefoons De politie heeft onderzoek verricht aan de telefoon die bij de fouillering van [medeverdachte 1] is aangetroffen. In de telefoon zijn diverse schermafbeeldingen van chatberichten uit [berichtenapp] aangetroffen die vermoedelijk betrekking op de invoer van verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika. Ook zijn notities op de telefoon aangetroffen die gelet op de gebruikte bewoordingen vermoedelijk betrekking hebben op de invoer van verdovende middelen. De politie heeft ook onderzoek verricht aan een telefoon die in de woning is aangetroffen. In de telefoon zijn meerdere afbeeldingen van ogenschijnlijk blokken cocaïne aangetroffen. Daarnaast trof de politie meerdere schermafbeeldingen van [berichtenapp] aan die vermoedelijk betrekking op handel in verdovende middelen. In deze telefoon zijn ook notities aangetroffen die vermoedelijk betrekking hebben op de invoer van verdovende middelen. Dit betreffen dezelfde notities als de notities die zijn aangetroffen op de telefoon, die tijdens de fouillering van [medeverdachte 1] inbeslaggenomen is. 3.4. Bewijsoverwegingen Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 5: Gelet op de grote hoeveelheid drugs, wapens, munitie en geld die in de woning is aangetroffen, de combinatie van deze voorwerpen en de wijze waarop deze door de klaarblijkelijk onbewoonde woning verspreid lagen opgeslagen, concludeert de rechtbank dat de woning werd gebruikt als stashlocatie voor de handel in drugs. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken waren bij deze stashlocatie en, zo ja, waaruit deze betrokkenheid bestond. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel eens medicijnen uit de woning heeft opgehaald en dat hij geen weet had van de overige voorwerpen die in de woning zijn aangetroffen. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk en overweegt hierover als volgt. [medeverdachte 1] en [verdachte] hadden beiden een sleutel van de woning, die op naam van [medeverdachte 1] stond. Zij zijn, op de dagen voorafgaand aan en op de dag van hun aanhouding, in de woning geweest. Zij hebben op meerdere momenten, gezamenlijk, met anderen, of afzonderlijk van elkaar, de woning betreden en na korte bezoeken, de woning weer verlaten. Een deel van de drugs, vuurwapens en munitie die in de woning is aangetroffen, lag direct in het zicht, waardoor [medeverdachte 1] en [verdachte] deze voorwerpen moeten hebben gezien. Bovendien hebben verdachten goederen in en uit de woning gebracht, terwijl de woning niet was ingericht voor normaal gebruik. [verdachte] heeft verder op 3 januari 2026 de woning verlaten met een tas waarin een goudkleurige verpakking te zien was, die qua kleur overeenkomt met de goudkleurige verpakkingen waarin de aangetroffen hasjiesj waren verpakt. De rechtbank neemt daarom aan dat [verdachte] toen met (een deel van) de hasjiesj in zijn tas de woning heeft verlaten. In de telefoon die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen zijn notities aangetroffen die wijzen op handel in drugs. Het gaat om notities met dezelfde inhoud als op de telefoon die is aangetroffen in de woning. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] beschikkingsmacht hadden over de goederen in de woning en dat zij zich ook bewust waren van de strafbare aard daarvan. Gelet op het feit dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op meerdere momenten samen of met anderen de woning hebben betreden en van de woning gebruik hebben gemaakt, en zij ook samen waren op het moment van aanhoud Over de herkomst van het geldbedrag van € 22.990,- heeft hij geen verklaring afgelegd. De rechtbank komt gelet op de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen, dan ook tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat beide geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit ook wist. Feit 4: vrijspraak witwassen € 39.500,- Ten aanzien van het aangetroffen geldbedrag van € 39.500,- in de woning op nummer [nummer 1] , geldt dat dit bedrag enkele dagen na de aanhouding van [medeverdachte 1] en [verdachte] is aangetroffen. Nu uit de camerabeelden is gebleken dat er na de aanhouding van [medeverdachte 1] en [verdachte] en voor de doorzoeking van deze woning ook anderen [nummer 1] hebben betreden, kan de rechtbank niet vaststellen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij het witwassen van € 39.500,-. De rechtbank zal [medeverdachte 1] en [verdachte] hiervan vrijspreken. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde: op 4 januari 2026 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, - een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en - een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en - een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en - een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-MMC, zijnde amfetamine, MDMA en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en zijnde 2-MMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst Ia; ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde: op 4 januari 2026 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk SIG SAUER, model P226 Legion serie, kaliber 9mm Luger en een pistool, van het merk Springfield, model XD-9 Sub Compact, kaliber 9mm Luger en een pistool, van het merk Beretta, model 9000, kaliber 9mm Luger en een pistool, van het merk Glock, model 19X, kaliber 9mm Luger, telkens zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad; ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde: op 4 januari 2026 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 32 patronen van het kaliber 9mm x19 van het merk Sellier & Bellot en PMC, voorhanden heeft gehad; ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde: op 4 januari 2026, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een contant geldbedrag, te weten: 22.990 euro en 16.400 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, wist, dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf; ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde: op 4 januari 2026 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 72,80 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten Ten aanzien van feit 4: De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straf 7.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. 7.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee te wegen bij de straftoemeting Gelet op het voorgaande zou de rechtbank, indien zij de LOVS-oriëntatiepunten zou volgen, komen tot een gevangenisstraf voor de duur van 64 maanden, waarbij uit is gegaan van een hoeveelheid van meer dan 20 kilogram aan harddrugs en het bezit van vier vuurwapens. Hierbij is het witwassen en het voorhanden hebben van munitie nog niet meegewogen. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten en de proceshouding van verdachte weinig ruimte bieden om tot een substantieel lagere straf dan de eis van de officier van justitie te komen. Tegelijkertijd acht de rechtbank het van belang dat deze nog jonge verdachte – door het matigen van de door de officier van justitie gevorderde straf – enig perspectief op de toekomst moet worden geboden. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd, acht de rechtbank, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur 54 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. 8 Beslag Onder verdachte zijn diverse voorwerpen in beslag genomen. Deze voorwerpen staan vermeld op de beslaglijst en onder rubriek 10. 8.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd dient te worden verklaard. 8.2. Het standpunt van de verdediging De inbeslaggenomen telefoontoestellen zijn al teruggegeven aan verdachte. Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen voorwerpen heeft de raadsvrouw geen standpunt ingenomen. 8.3. Het oordeel van de rechtbank Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 16.400,-, dient verbeurd te worden verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder hem inbeslaggenomen telefoontoestellen en sleutel. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 2a, 3, 10, 10b, 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a onder C van de Opiumwet gegeven verbod ten aanzien van feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd ten aanzien van feit 3: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie ten aanzien van feit 4: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd ten aanzien van feit 5: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penit