Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-07-22
ECLI:NL:RBAMS:2026:7918
Incident, tweeledige inzagevordering ex. art. 194 jo. 195 Rv door gedaagde. Vordering II afgewezen wegens onvoldoende belang. Vordering I afgewezen voor zover onvoldoende bepaald. Voor het overige beslissing aangehouden, omdat voor dat deel de rechtbank voldoende belang bij toewijzing in dit stadium niet kan vaststellen. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/781592 / HA ZA 26-25 Vonnis in incident van 22 juli 2026 in de zaak van STICHTING OPEN NEDERLAND , gevestigd in Amsterdam, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaten: mrs. A.D. Polkerman en S.C. Polkerman, tegen TUNICA TRADING B.V. , gevestigd in Amsterdam, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. S.G.H. Nieuwendijk. De rechtbank noemt partijen hierna ‘SON’ en ‘Tunica’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding (vervangend processtuk), met producties, ingekomen op 11 februari 2026 (de oorspronkelijke dagvaarding is van 4 november 2024); - de conclusie van antwoord met een incidentele vordering tot inzage, met producties; - de conclusie van antwoord in het incident, met producties; - het bezwaar van Tunica tegen de conclusie van antwoord in het incident en tegen de bijbehorende producties; - de reactie van SON op het bezwaar van Tunica; - de per e-mail van 24 juni 2026 aan partijen verzonden beslissing van de rechtbank, inhoudende dat (i) het verzoek van Tunica om de conclusie van antwoord in het incident, met producties, buiten beschouwing te laten dan wel om Tunica in de gelegenheid te stellen daarop inhoudelijk te mogen reageren, wordt afgewezen en (ii) de producties die SON bij haar incidentele conclusie heeft overgelegd bij de beoordeling van het incident buiten beschouwing zullen worden gelaten, omdat Tunica zich hierover (nog) niet heeft kunnen uitlaten. 1.2. Ten slotte is bepaald dat de rechtbank vandaag een vonnis in incident zal wijzen. 2 De feiten 2.1. Tijdens de coronapandemie heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) SON, die hiervoor speciaal op 16 februari 2021 is opgericht, de opdracht en de financiële middelen gegeven om te zorgen voor een verantwoorde opening van de samenleving in Nederland. SON heeft daarvoor een landelijk dekkende infrastructuur opgezet genaamd ‘Testen voor Toegang’. SON heeft in dit kader verschillende commerciële testaanbieders ingeschakeld om op korte termijn een grote hoeveelheid coronatesten per dag te kunnen realiseren door het gehele land. 2.2. Eén van de commerciële testaanbieders was Tunica, waarmee SON op 6 mei 2021 een schriftelijke overeenkomst, genaamd ‘Overeenkomst Testaanbieder’, heeft gesloten (hierna: de Overeenkomst). 2.3. Op basis van de Overeenkomst heeft Tunica van 13 mei 2021 tot en met 10 oktober 2021 door haar opgezette teststraten geëxploiteerd. Zij heeft in dit verband wekelijks facturen gestuurd aan SON voor een bedrag van in totaal € 18.481.090,- inclusief BTW. Dit bedrag bestaat uit een vaste vergoeding van € 5.528.952,90 en een variabele vergoeding van € 12.952.137,10. 2.4. SON heeft het bedrag van € 18.481.090,- aan Tunica voldaan. 2.5. Op 8 oktober 2021 heeft SON een brief aan alle testaanbieders, waaronder Tunica, gestuurd, waarin zij aankondigde dat zij steekproefsgewijs ging controleren of de betaalde variabele vergoeding juist was. Als reden hiervoor noemde SON dat zij zich gedegen moest kunnen verantwoorden, aangezien zij grotendeels is gefinancierd door de overheid. 2.6. Op 12 oktober 2021 verzocht SON Tunica om voor een selectie van locaties en dagen te onderbouwen welke medewerkers daar op die momenten en in welke functie werkzaam waren geweest. SON had in dit proces - onder meer - contact met [persoon] (hierna: [persoon] ) van Tunica. 2.7. In augustus 2022 heeft SON op basis van de verkregen informatie aan Tunica, kort samengevat, laten weten dat Tunica zich voldoende had verantwoord en dat de betaalde variabele vergoeding juist was gebleken. 2.8. Op [datum] 2024 publiceerde [krant] een artikel genaamd “ [artikel] ” met als strekking, kort samengevat, dat er volgens [krant] ernstige twijfel bestaat over de rechtmatigheid van (een deel van) de door Tunica ingediende declaraties. 2.9. Mede naar aanleiding van de het artikel in [krant] hebben partijen over en weer contact gehad en heeft SON haar onderzoek naar de dienstverlening van Tunica heropend. Eén en ander heeft er uiteindelijk toe geleid dat SON van Tunica verlangde dat zij de variabele vergoeding zou terugbetalen. Tunica heeft dit geweigerd, waarop SON de onderhavige procedure is gestart. 2.10. Bij brief van 22 april 2026 heeft Tunica SON verzocht om haar inzage te geven in de bescheiden, zoals die thans in het kader van dit incident worden gevorderd (zie hieronder onder 4.1. onder I). 2.11. SON heeft Tunica op 1 mei 2026 per brief laten weten dat zij geen inzage zal geven. De inzagevordering van Tunica is volgens SON op oneigenlijke en inhoudelijk onjuiste gronden en zonder voldoende duidelijk belang ingesteld en overigens ook te breed en onbepaald geformuleerd. 3 In de hoofdzaak 3.1. SON vordert, samengevat en in deze volgorde, in de hoofdzaak: I. terugbetaling van € 12.952.137,10, zijnde de volledige variabele vergoeding die SON aan Tunica heeft betaald voor het leveren van personele capaciteit dan wel gedeeltelijke vergoeding daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente; II. gedeeltelijke ontbinding van de Overeenkomst; III. een verklaring voor recht dat Tunica onrechtmatig heeft gehandeld jegens SON; IV. veroordeling van Tunica in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. SON legt, samengevat, aan haar vorderingen ten grondslag dat zij in augustus 2022 dacht ‘het boek met Tunica te hebben gesloten’, maar dat zij nadien heeft ontdekt dat Tunica ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tot het leveren van de gevraagde personele capaciteit en dat Tunica SON, bij de afwikkeling van de dienstverlening, doelbewust om de tuin heeft geleid met onjuiste informatie en valselijk opgemaakte facturen. Volgens SON tonen interne communicatie en diverse transcripten van besprekingen binnen Tunica aan dat men zich bewust is geweest van het tekort aan personeel en actief heeft geprobeerd bewijs “compleet te maken” om de werkelijke gang van zaken voor SON te verhullen en SON ertoe te bewegen de Overeenkomst als afgewikkeld te beschouwen. Tunica is met dit alles tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst en/of heeft onrechtmatig jegens SON gehandeld en anders geldt dat SON, gezien het geconstateerde netto personeelstekort, de variabele vergoeding onverschuldigd heeft betaald aan Tunica, aldus SON. 3.3. Tunica voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van SON, met veroordeling van SON in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. Tunica voert tot haar verweer aan dat SON ook procedures tegen andere testaanbieders heeft gevoerd en dat de achterliggende reden hiervoor is dat SON met VWS een overeenkomst bleek te hebben gesloten waarin SON met VWS heeft afgesproken dat VWS enkel de ‘werkelijk gemaakte kosten’ van SON vergoedt voor het doen opzetten en exploiteren van de testlocaties. In die overeenkomst is ook een verstrekkende informatieverplichting van SON opgenomen richting VWS om iedere kostenpost vast te leggen en te onderbouwen met stukken. Met de testaanbieders sloot SON echter overeenkomsten op basis van een fixed fee . In de contractuele keten zit kortom een weeffout die maakt dat SON de aan Tunica en andere testaanbieders betaalde forfaitaire vergoeding niet kan verantwoorden als ‘werkelijk gemaakte kosten’ richting VWS, tenzij zij kan aantonen dat achter elke factuur ook daadwerkelijk de bijbehorende personeelskosten schuilgaan. Dit is echter een probleem van SON; Tunica heeft uitgevoerd wat SON met haar is overeengekomen. De fraudebeschuldigingen die SON naar voren brengt over de wijze waarop Tunica heeft gehandeld in het steekproefonderzoek, zijn daarmee niet relevant. Tunica was contractueel immers niet gehouden om de prestatie te leveren waar de informatieverzoeken op waren gebaseerd en was contractueel dus ook niet gehouden om daarover achteraf informatie te aan te leveren, aldus Tunica. Tunica betwist tot slot ook de feitelijke juistheid van de fraudebeschuldigingen. 4 In het incident 4.1. Tunica vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: I. SON beveelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis in incident een afschrift te verstrekken van de in randnummer 4.6.3. van haar conclusie beschreven gegevens. Randnummer 4.6.3. vermeldt: II. SON veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel) dat SON niet aan de veroordeling onder I. voldoet, met een maximum van € 300.000,- dan wel bepaalt dat de rechtbank aan het niet (tijdig) voldoen de gevolgen zal verbinden die zij geraden acht, waaronder het trekken van een bewijsvermoeden ten nadele van SON; III. SON veroordeelt in de kosten van dit incident. 4.2. Tunica legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de gevorderde gegevens voor haar relevant zijn, omdat SON haar vorderingen in de hoofdzaak baseert op de stelling dat Tunica uit hoofde van de Overeenkomst gehouden was een bepaalde minimale bezetting te leveren en zich daarover gedetailleerd te verantwoorden, terwijl Tunica betwist dat dit zo is. De door Tunica gevraagde correspondentie over stand-by personeel (hierna: Inzagevordering I) kan deze betwisting van Tunica onderbouwen. Deze correspondentie kan immers bevestigen dat SON tijdens de uitvoering van de Overeenkomst bekend was met de wijze waarop Tunica haar personele inzet organiseerde, waaronder het werken met stand-by-personeel, en dat SON daarmee akkoord was althans daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. De gegevens met betrekking tot de steekproef van SON en de betrokkenheid van VWS (hierna: Inzagevordering II) kunnen bevestigen dat de latere koerswijziging van SON niet voortkwam uit tijdens de uitvoering geconstateerde tekortkomingen van Tunica, maar uit de verantwoordingsproblematiek van SON tegenover VWS, aldus Tunica. 4.3. SON concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling van Tunica in de kosten van het incident. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover relevant, verder ingegaan. 5 De beoordeling in het incident Het juridisch kader 5.1. In artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat een partij aan de rechter die de hoofdzaak behandelt, kan verzoeken om de wederpartij te bevelen inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te verstrekken. Voor toewijzing van zo’n verzoek moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. Geen inzage hoeft te worden verstrekt als degene van wie gegevens gevraagd worden een verschoningsrecht heeft of gewichtige redenen zich tegen verstrekking verzetten. Inzagevordering II: geen voldoende belang 5.2. Tunica vordert inzage in correspondentie met betrekking tot de steekproef van SON en de betrokkenheid daarbij van VWS. Zij vordert inzage in correspondentie tussen VWS en SON en interne gegevens van SON over – kort samengevat – het volgende: i) de steekproef van SON bij haar testaanbieders, ii) de verantwoording van SON tegenover VWS ten aanzien van de voorschotten die VWS aan SON heeft gegeven, en iii) de aansprakelijkstelling van andere testaanbieders dan Tunica door SON naar aanleiding van de uitkomsten van de steekproef en eventuele daaropvolgende juridische procedures. 5.3. Tunica stelt met betrekking tot deze gegevens dat SON zelf heeft aangegeven dat de steekproef is opgezet op instigatie van VWS, althans dat deze is opgezet in nauwe samenspraak met VWS. Voordat VWS hiermee kwam, bekommerde SON zich niet om de omvang van het ingeschakelde personeel, laat staan de bekostiging daarvan. Tunica acht het aannemelijk dat uit de verzochte gegevens zal blijken dat de plotselinge koerswijziging van SON werd ingegeven door druk vanuit VWS of heeft plaatsgevonden op instigatie van VWS. Tunica gaat er vanuit dat de gevraagde gegevens zullen bijdragen aan haar verweer dat de nu door SON voorgestelde uitleg van de Overeenkomst pas achteraf in stelling is gebracht. 5.4. Daargelaten (onder andere) de vraag of de met Inzagevordering II verlangde informatie wel voldoende bepaald is om voor toewijzing in aanmerking te komen, strandt deze vordering op het ontbreken van een voldoende belang. Tunica wenst met de gevraagde gegevens immers haar betoog te onderbouwen dat SON pas later redenen had om te betogen dat Tunica uit hoofde van de Overeenkomst gehouden was om een bepaalde minimale bezetting te leveren en zich daarover gedetailleerd te verantwoorden, dus dat sprake was van een koerswijziging bij SON. Hieraan gaat echter éérst de vraag vooraf hoe de Overeenkomst moet worden uitgelegd. Als die uitleg vaststaat, zal, gezien het gevorderde in de hoofdzaak, (onder meer) beoordeeld moeten worden of Tunica aan haar verplichtingen onder de Overeenkomst heeft voldaan. Pas dan zou eventueel kunnen worden vastgesteld of van een ‘koerswijziging’ bij SON sprake is geweest, zo dit al relevant is in relatie tot het gevorderde in de hoofdzaak. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat Tunica onvoldoende belang heeft bij het gevorderde. Hierbij wordt overigens uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat Tunica niet heeft betoogd dat (en dat ook niet goed valt in te zien hoe) correspondentie over de steekproef, de verantwoording van SON aan VWS en de aansprakelijkstelling van testaanbieders van invloed kunnen zijn op de uitleg van de Overeenkomst, zijnde het punt waar het – ook volgens Tunica – in de kern toch om draait. Inzagevordering II zal dan ook worden afgewezen. Inzagevordering I 5.5. Met betrekking tot Inzagevordering I, te weten de gevraagde inzage in de correspondentie over stand-by personeel van Tunica, overweegt de rechtbank het volgende. 5.6. Tunica heeft in randnummer 4.3.1. tot en met 4.6.3. van haar conclusie nader geconcretiseerd waarop Inzagevordering I zich toespitst. 5.6.1. Zij heeft in dit kader allereerst de gevoerde correspondentie tussen SON en Tunica in de periode tussen eind augustus 2021 en begin september 2021 beschreven. In een per e-mail van 30 augustus 2021 aan Tunica verzonden brief zou SON hebben vermeld dat zij bij drie aangekondigde visitaties in totaal 12 bemenste testafnameplekken had waargenomen, terwijl er in totaal 33 waren gefactureerd. SON zou Tunica in die brief om uitleg hebben gevraagd. [persoon] van Tunica zou in een e-mail van 3 september 2021 hebben toegelicht dat Tunica op 23 mei 2021 met een accountmanager van SON had afgestemd dat Tunica met stand-by personeel mocht werken, zolang met het op locatie aanwezige personeel maar kon worden voldaan aan de op een bepaalde dag daadwerkelijke vraag aan coronatesten. Tunica wenst inzage te verkrijgen in de (interne en externe) correspondentie die SON zal hebben gevoerd naar aanleiding van die laatstgenoemde e-mail van [persoon] , omdat deze stukken zullen laten zien hoe SON met de gegeven uitleg is omgegaan en wat zij hierover heeft besloten. Tunica gaat ervan uit dat uit die correspondentie zal blijken dat SON akkoord was met de inzet van stand-by personeel. 5.6.2. Tunica heeft daarnaast de tussen SON en Tunica gevoerde correspondentie in oktober 2021 over de controle van een ingediende factuur en twee onaangekondigde visitaties op een testlocatie in [locatie] beschreven. Tunica stelt dat zij, naar aanleiding van deze controle en de factuur, op 15 oktober 2021 een e-mail heeft ontvangen van SON en dat er vervolgens tussen partijen is gesproken over de personeelsbezetting van Tunica. Ook toen zou [persoon] hebben laten weten dat Tunica met eerdergenoemde accountmanager van SON had afgestemd dat er met stand-by personeel mocht worden gewerkt. SON zou toen om een schriftelijke bevestiging hiervan hebben gevraagd, waarop Tunica op 19 oktober 2021 zou hebben laten weten dat zij die niet schriftelijk van de betreffende accountmanager heeft gekregen. Tunica wijst erop dat SON daarop per e-mail van 21 oktober 2026 zou hebben laten weten dat zij in overleg zou gaan hierover, dat zij vervolgens op 26 oktober heeft bericht: “ Ik heb zojuist de definitieve check gekregen voor akkoord ” en dat zij de factuur van Tunica vervolgens heeft voldaan. Tunica stelt dat daarmee uit de eigen uitlatingen van SON volgt dat er tussen 21 en 26 oktober 2021 (en mogelijk ook daarna nog) afstemming en overleg heeft plaatsgevonden binnen SON over de betreffende factuur en het werken met stand-by personeel, welk overleg er dus in heeft geresulteerd dat de factuur is betaald. Ook deze interne correspondentie zal dan ook kunnen aantonen dat SON bekend was met de inzet van stand-by personeel en dat zij hiermee ook akkoord was, aldus (steeds) Tunica. Duiding Inzagevordering I 5.7. De rechtbank stelt vast dat Inzagevordering I zich, gezien de hiervoor beschreven gegeven toelichting van Tunica, dus toespitst op: i) interne en externe gevoerde correspondentie van SON die zou hebben plaatsgehad naar aanleiding van de op 3 september 2021 verzonden e-mail van [persoon] aan SON en ii) interne correspondentie die tussen 21 en 26 oktober 2026 binnen SON zou zijn gevoerd in relatie tot de fiattering van een factuur van de testlocatie [locatie] , één en ander naar aanleiding van een door [persoon] gegeven toelichting dat het werken met stand-by personeel met SON zou zijn afgestemd. 5.8. Voor zover in Inzagevordering I met de toevoeging “maar niet beperkt tot” is beoogd ook inzage in andere aan dit onderwerp gerelateerde correspondentie te verkrijgen, is de verlangde informatie onvoldoende bepaald. Tunica vordert met de door haar breed gedefinieerde termen ‘correspondentie’ en ‘interne gegevens’ immers voor het overige inzage in nagenoeg alle soorten bescheiden, zonder die vordering in reikwijdte te beperken door een tijdsspanne, zoektermen of namen van medewerkers van SON en zonder daarbij een concrete toelichting te geven zoals zij bij de concreet beschreven informatie (zie 5.7.) wel heeft gedaan. Inzagevordering I is in zoverre dan ook niet toewijsbaar. 5.9. De rechtbank ziet aanleiding om een beslissing op Inzagevordering I, voor zover toegespitst op de hiervoor onder 5.7 onder (i) en (ii) genoemde correspondentie, aan te houden tot de hoofzaak, omdat in dit stadium van de procedure niet goed valt vast te stellen in hoeverre Tunica een voldoende belang heeft bij de gevraagde stukken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat SON heeft gesteld dat zij, haar verdere stellingname over de inhoud van de gemaakte afspraken daargelaten, zich uiteindelijk bereid heeft verklaard alle personeelsinzet mee te nemen, voor zover die ‘aantoonbaar was ingeroosterd en geleverd, en voor die beschikbaarheid daadwerkelijk door Tunica is betaald’. Daarmee lijkt de discussie over de vraag of de inzet van stand-by personeel nu wel of niet was overeengekomen mogelijk minder relevant te worden en ligt daarmee de vraag voor in hoeverre Tunica belang heeft bij de gevraagde correspondentie. Overigens heeft SON in haar conclusie van antwoord in het incident toegelicht dat zij nadere correspondentie heeft gevonden over de interne fiattering en betaling van de factuur van de [locatie] (dus naar het lijkt de gevraagde informatie als bedoeld onder ii). Zij heeft deze correspondentie inmiddels vrijwillig verstrekt aan Tunica, door deze correspondentie als productie bij deze conclusie te voegen. De producties zijn evenwel naar aanleiding van een daartoe strekkend bezwaar van Tunica buiten de beoordeling van dit incident gelaten, omdat Tunica niet op deze producties heeft kunnen reageren. Zonder kennisneming van de producties en zonder reactie op die producties van Tunica, kan de rechtbank niet vaststellen of de inmiddels vrijwillig verstrekte informatie wellicht (deels of volledig) de gevraagde informatie onder (ii) betreft. 5.10. Tegen de hiervoor beschreven achtergrond en omdat Tunica geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden, ziet de rechtbank geen aanleiding om eerst en vooraf te beslissen op dit resterende deel van Inzagevordering I van Tunica. De rechtbank zal de beslissing op dit deel van de vordering (en daarmee tevens een beslissing op de over en weer gevorderde proceskosten) dan ook aanhouden. 6 De beslissing De rechtbank in het incident 6.1. wijst de gevorderde inzage in correspondentie met betrekking tot de steekproef van SON en de betrokkenheid daarbij van VWS (Inzagevordering II) af; 6.2. wijst de gevorderde inzage in correspondentie over stand-by personeel van Tunica (Inzagevordering I) af, voorzover de gevorderde inzage zich niet beperkt tot de onder 5.7. geduide correspondentie onder (i) en (ii); 6.3. houdt iedere verdere beslissing aan, in de hoofdzaak 6.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2026 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling, 6.5. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Scheijde, rechter, ondersteund door mr. M.B. Roelofsen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.