Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-07-22
ECLI:NL:RBAMS:2026:7553
Inzageverzoek Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL) op grond van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische en ernstige misdrijven. De rechtbank is niet gebleken dat de minister eiser geen volledige inzage heeft verleend in de van hem door Pi-NL verwerkte persoonsgegevens. Beroep ongegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/2565 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. S. Sabir), en de minister van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigden: mrs. M.R. Vennegoor en De Vos). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de behandeling van eisers verzoek om informatie over de van hem verwerkte persoons- en politiegegevens bij de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL). Pi-NL verwerkt passagiersgegevens op grond van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische en ernstige misdrijven (hierna: de Wet) met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Onder passagiersgegevens vallen onder meer de PNR-bestandslocatie, datum van reservering en afgifte van het biljet, geplande reisdatum of - data en naam of namen. De Pi-NL is een zelfstandige eenheid met een eigen wettelijke taak en bevoegdheden. De eenheid valt onder het gezag van de minister van Justitie en Veiligheid, maar is ondergebracht bij de Koninklijke Marechaussee (KMar). 1.1. Eiser is het niet eens met het besluit dat de minister op 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft genomen op zijn verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.2. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Eiser heeft op 22 november 2024 het verzoek ingediend. Met het bestreden besluit heeft de minister eiser een overzicht verstrekt van de van hem verwerkte passagiersgegevens. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Namens de minister heeft ook mr. Peper op de zitting het woord gevoerd. Beoordeling door de rechtbank Het verzoek 3. Eiser heeft verzocht om inzage in van hem verwerkte, opgeslagen en gedeelde persoonsgegevens. Daarbij is onder meer verzocht aan te geven of sprake is van opnames in lijsten en registers, zoals de zogeheten ‘afstemmingslijst’, of eiser voorkomt in eventuele ‘doelgroepen’, of sprake is van verwerking van persoonsgegevens in themaregisters (CTER -coderingen) en of informatie is uitgewisseld (delen en/of ontvangen) met entiteiten en organisaties op nationaal en supranationaal niveau, zoals inlichtingendiensten. Ook heeft eiser gevraagd om alle signaleringen, zoals SIS -signaleringen, of hij op de LOP -lijst heeft gestaan en of zijn persoonsgegevens zijn verwerkt ten behoeve daarvan en zo ja, met wie deze informatie is gedeeld, met welk doel en waarom. Ook heeft eiser verzocht uit te leggen of verweerder op enig moment heeft geconstateerd dat de verwerking van persoonsgegevens op enig moment onrechtmatig is geweest. Het bestreden besluit 4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om inzage toegewezen. Aan eiser is een overzicht verstrekt van door verweerder van eiser verwerkte gegevens. In dit besluit staat verder toegelicht dat de gegevens niet zijn verstrekt aan andere bevoegde instanties, dat één van de doeleinden van verwerking van passagiersgegevens is om te voldoen aan een verzoek van Europol en dat luchtvaartmaatschappijen verplicht zijn om passagiersgegevens aan Pi-NL te verstrekken. Deze gegevens mogen maximaal vijf jaren worden bewaard als zij aan bevoegde instanties zijn verstrekt en anders maximaal drie jaren. De standpunten van partijen 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij licht toe dat hij problemen ondervindt bij reizen naar het buitenland, ondanks dat hij nooit verdacht is van strafbare feiten. Zo heeft hij een toegangsverbod voor Turkije, staat hij op de Amerikaanse ‘no fly list’ en was hij opgenomen in de persoonsgerichte aanpak van de gemeente Amsterdam. Ter zitting heeft eiser verteld dat hij anderhalf jaar geleden naar Turkije ging voor een korte vakantie en dat hij aldaar werd staande gehouden, aangehouden en in de cel belandde. Hij is daarbij mishandeld door de Turkse politie en heeft daar één dag in de cel gezeten onder erbarmelijke omstandigheden, met kunstmatig licht, zonder te weten wat er aan de hand was. Bij terugkomst in Nederland kon hij echter zo zijn paspoort scannen en doorlopen en bleek de KMar van niets op de hoogte te zijn. Later is hem gebleken dat zijn naam op een terreurlijst staat in de VS naar aanleiding van informatie die vanuit Nederland met de Amerikaanse autoriteiten is gedeeld. Eiser heeft verteld dat hij wel naar bepaalde landen af kan reizen, maar dat hij zich daarbij en ook over het algemeen onveilig voelt. 5.1. Hij voert aan dat met het bestreden besluit niet volledig voldaan is aan zijn inzageverzoek, nu de minister geen specifieke antwoorden heeft gegeven op cruciale vragen en daarbij geen beroep heeft gedaan op een weigeringsgrond. Een enkele verwijzing naar de Wpg is – net zoals het niet concreet motiveren van een beroep op de weigeringsgronden uit de Wpg – daartoe onvoldoende, nu die wet slechts een opsomming geeft van de mogelijke situaties. Verder had de minister in het bestreden besluit moeten aangeven welke functionarissen of afdelingen binnen de ontvangende instanties zijn gegevens hebben ontvangen en wat de herkomst van de gegevens is. Eiser stelt verder dat het niet verstrekken van volledige gegevens of het niet geven van verduidelijking over de verwerking van de gegevens disproportioneel is vanwege het inperken van het recht op privéleven, het recht op bewegingsvrijheid en het recht op een effectief rechtsmiddel en eerlijk proces. Dit onder meer omdat eiser niet vrij kan reizen, niet gemotiveerd is dat deze beperking noodzakelijk, proportioneel en evenredig is en omdat op verweerder een positieve verplichting rust eiser te beschermen tegen inbreuken op zijn privacy. Eiser beroept zich tot slot ook op het zorgvuldigheid - en motiveringsbeginsel. 6. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser volledig inzage is verleend in de van hem verwerkte passagiersgegevens, zoals vereist onder de Wpg. Bij het verweerschrift heeft de minister nog de individuele overzichten van verwerkte persoonsgegevens van eiser per vlucht bijgevoegd. Met het bestreden besluit is verder inzage gegeven in de doelen en de rechtsgrond van de verwerking en is aangegeven dat eisers persoonsgegevens niet aan derden zijn verstrekt. Ook is inzicht gegeven in de geldende bewaartermijnen en de herkomst van de van eiser verwerkte gegevens. Ten overvloede heeft de minister met het verweerschrift nog antwoord gegeven op de overige door eiser gestelde vragen. De minister heeft onder meer te kennen gegeven dat ten tijde van de vluchten eiser niet gesignaleerd stond in het SIS en dat Pi-NL geen zicht heeft op in welke registers eiser mogelijk is opgenomen, zoals CTER of de LOP-lijst. Het oordeel van de rechtbank 7. De rechtbank stelt voorop dat persoonsgegevens raken aan grondrechten van mensen. Het gaat dus om een zeer wezenlijke problematiek. 8. De overheid verwacht dat burgers blind vertrouwen op het veiligheidssysteem, maar stelt daar te weinig tegenover. Dit zegt de Nationale ombudsman in zijn onderzoek naar CTER-registraties van burgers. Juist omdat overheidsorganisaties niet volledig transparant kunnen zijn vanwege de nationale veiligheid, moet toezicht en rechtsbescherming goed zijn georganiseerd. Dat is volgens de nationale ombudsman nu niet het geval. 9. Ter zitting is besproken dat de kern van de zaak voor eiser is om inzicht te krijgen in welke instanties van hem persoonsgegevens hebben verwerkt en waarom, om zo (rechts)middelen te kunnen inzetten om de registraties die voor problemen aan de grens zorgen bijvoorbeeld te laten rectificeren en/of verwijderen. 10. De door eiser genoemde voorvallen van toegangsverbod en arrestatie hebben niet plaatsgevonden binnen Nederland. Niet kan op voorhand worden uitgesloten dat daaraan (al dan niet gedeeltelijk) uit Nederland afkomstige informatie ten grondslag heeft gelegen, uit bijvoorbeeld de CTER of LOP-lijst. 11. Verweerder heeft echter onbetwist gesteld dat hij daarop geen zicht heeft. Niet kan worden uitgesloten dat de betreffende instanties hebben gehandeld op basis van andere (directe of indirecte, mogelijk buitenlandse) informatiebronnen waarover noch verweerder noch de nationale Nederlandse rechter zeggenschap heeft. Er is in dit opzicht dan ook geen reden om te komen tot een gegrondverklaring van het tegen de minister gerichte beroep. 12. Voor zover eiser stelt dat ook Pi-NL meer persoonsgegevens van hem moet hebben verwerkt, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Dit is door de minister gemotiveerd ontkend. De rechtbank oordeelt dat eiser er in weerwil van die ontkenning niet in is geslaagd dit aannemelijk te maken. Volgens de vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit type zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, rust echter op eiser wel die plicht tot aannemelijk maken. De minister heeft wel beschreven dat Pi-NL een beperkte taak heeft: de ontvangst van (door de betrokken passagier zelf verstrekte) passagiersgegevens en – in het geval van een SIS-signalering – het doorsturen van deze gegevens naar de bevoegde instanties. Eiser heeft geen concreet aanknopingspunt naar voren gebracht dat Pi-NL van hem meer gegevens heeft verwerkt. 11. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat de minister eiser geen volledige inzage heeft verleend in de van hem door Pi-NL verwerkte persoonsgegevens. 12. Ook de rechtbank ziet dat hiermee eisers (door verweerder op zich niet betwiste) problemen niet zijn opgelost. Evenmin is duidelijk in hoeverre die problemen nog actueel zijn. Verweerder heeft wel uitdrukkelijk en onbetwist gesteld dat eiser ten tijde hier van belang niet was opgenomen in het SIS, maar staan blijft dat hij geen zicht heeft op in welke registers eiser mogelijk is opgenomen, zoals CTER of de LOP-lijst. 13. Niet kan op voorhand worden uitgesloten dat eiser op de CTER- of LOP-lijst is of was vermeld. Evenmin kan op voorhand worden uitgesloten dat eiser daarop vermeld heeft gestaan, maar daarvan inmiddels is geschrapt. Ook is in beide gevallen denkbaar dat buitenlandse instanties daarvan kennis hebben verkregen, maar die schrapping niet bij hen hebben doorgevoerd. Onder die omstandigheden voert het te ver om de minister in deze zaak op te dragen nader onderzoek te doen naar de door eiser ervaren problemen, ook al is er – helaas – geen reden om aan het realiteitsgehalte ervan te twijfelen. Het verband tussen de minister en die problemen is op meerdere punten niet vast komen te staan. 14. Al hetgeen eiser heeft aangevoerd kan dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, ook al is er op zich geen reden om te twijfelen aan de door eiser geschetste problemen, maar wel aan het verband tussen die problemen en Pi-NL. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een vergoeding van griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr.N. Galjee-Melehi, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet politiegegevens Artikel 1 a. (…). b. persoonsgegeven: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Artikel 25 1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; b. de betrokken categorieën van politiegegevens; c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens. Artikel 28 1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende onjuiste politiegegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. 2 (…); (…); 5 Indien de verwerkingsverantwoordelijke politiegegevens heeft gerectificeerd, vernietigd of afgeschermd, stelt hij de ontvangers daarvan in kennis. Artikel 29 1. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 25 of 28 geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. (…). Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…); betrokkene: degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft; bevoegde instantie: een instantie als bedoeld in artikel 9; (…); Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid; passagier: iedere persoon, met inbegrip van de transferpassagiers en transitpassagiers en met uitsluiting van de bemanningsleden, die met toestemming van de luchtvaartmaatschappij in een luchtvaartuig wordt vervoerd of zal worden vervoerd, en waarbij die toestemming blijkt uit de vermelding van die persoon op de passagierslijst; passagiersgegevens: de gegevens, bedoeld in bijlage 1 van deze wet; Passagiersinformatie-eenheid: de eenheid, bedoeld in artikel 5; persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel b, van de Wet politiegegevens; PNR: een bestand met de reisgegevens van iedere passagier, dat informatie bevat die de boekende en de deelnemende luchtvaartmaatschappijen nodig hebben om reserveringen te kunnen verwerken en controleren bij elke reis die door of namens iemand wordt geboekt; dit bestand kan zich bevinden in een reserveringssysteem, een vertrekcontrolesysteem dat wordt gebruikt bij het inchecken van passagiers op vluchten, of een soortgelijk systeem dat dezelfde functies vervult; (…); verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waar onder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens; (…). Artikel 2 De overeenkomstig deze wet verzamelde passagiersgegevens worden door de Passagiersinformatie-eenheid uitsluitend verwerkt voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische en ernstige misdrijven met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Artikel 5 1. Er is een Passagiersinformatie-eenheid die tot taak heeft: a. passagiersgegevens die op grond van artikel 4 door een luchtvaartmaatschappij worden verstrekt, te verzamelen, op te slaan en anderszins te verwerken, en die gegevens of het resultaat van de verwerking ervan door te geven aan de bevoegde instanties; en b. passagiersgegevens of het resultaat van de verwerking ervan uit te wisselen met de Passagiersinformatie-eenheden van de andere lidstaten en met Europol. 2 De Passagiersinformatie-eenheid is ondergebracht bij een door Onze Minister op te richten of aan te wijzen instantie of een onderdeel daarvan die bevoegd is terroristische en ernstige misdrijven te voorkomen, op te sporen, te onderzoeken of te vervolgen. 3 De taken vermeld in het eerste lid worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van Onze Minister. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de organisatie, inrichting en werkwijze van de Passagiersinformatie-eenheid. Artikel 6 1. De Passagiersinformatie-eenheid verwerkt de overeenkomstig artikel 4 ontvangen passagiersgegevens uitsluitend met het oog op: a. (…); b. het voldoen aan: 1° (…) 2 ° een verzoek van Europol als bedoeld in artikel 12; en (…). 2. (…). (…). Artikel 9 1. De bevoegde instanties die van de Passagiersinformatie-eenheid passagiersgegevens of het verwerkingsresultaat van die gegevens kunnen verzoeken of ontvangen, teneinde de gegevens die zijn ontvangen nader te onderzoeken, of de nodige maatregelen te treffen voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van terroristische of ernstige misdrijven, zijn: a. het openbaar minsterie; b. de politie; c. de bijzondere opsporingsdiensten; d. de Koninklijke marechaussee; en e. de Rijksrecherche. 2. Een bevoegde instantie verwerkt de van de Passagiersinformatie-eenheid ontvangen passagiersgegevens of het verwerkingsresultaat van die gegevens uitsluitend verder voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van terroristische of ernstige misdrijven. Artikel 17 Op de verwerking van persoonsgegevens door de Passagiersinformatie-eenheid zijn de artikelen 1, 4 tot en met 4c, 6, 6a, 6c, 7, 17, 24a tot en met 31c, 33 tot en met 33b en 35 tot en met 35c van de Wet politiegegevens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister voor de Passagiersinformatie-eenheid wordt aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke. Bijlage 1. bij de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven Lijst van passagiersgegevens als bedoeld in artikel 1: PNR-bestandslocatie. Datum van reservering en afgifte van het biljet. Geplande reisdatum of -data. Naam of namen. (…); (…). Zie artikel 2 van de Wet. CTER: (Contra)-terrorisme, Extremisme en Radicalisering. Schengen Informatiesysteem. Landelijk Overzicht Politie Jihadgang. Als genoemd in artikel 27 van de Wpg. Op grond van artikel 17 van de Wet is onder andere artikel 27 van overeenkomstige toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door Pi-NL. Eiser verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 december 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:8910). Zoals deze zijn vastgesteld in artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 3:46 van de Awb. Blind vertrouwen? | Nationale ombudsman (https://www.nationaleombudsman.nl/publicaties/onderzoeken/blind-vertrouwen) Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4945, r.o. 7.1.).