Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-06-25
ECLI:NL:RBAMS:2026:7395
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11069454 \ CV EXPL 24-4065 Vonnis van 25 juni 2026 in de zaak van CONSOLID TRANSPORT & LOGISTIEK B.V. , gevestigd te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde: Agin Timmermans, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 16 april 2024. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen hem is daarom verstek verleend. 1.2. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. 2 De beoordeling 2.1. Volgens eisende partij heeft zij met gedaagde partij op 9 februari 2022 een opleidingsovereenkomst gesloten, met als doel om extern de opleiding vrachtwagenchauffeur C en CE te volgen. De overeenkomst is met gedaagde partij voorbesproken op het kantoor van eisende partij en gedaagde partij heeft de overeenkomst enkele dagen later digitaal ondertekend. Enkele maanden later, op 15 juni 2022, hebben partijen een uitzendovereenkomst fase A gesloten, aldus steeds eisende partij. 2.2. Gedaagde partij heeft ondanks waarschuwingen geen contact opgenomen met eisende partij en is niet op het werk verschenen. De uitzendovereenkomst is vervolgens voortijdig door eisende partij beëindigd. Om die reden heeft eisende partij voor de gemaakte opleidingskosten een factuur gezonden voor € 3.448,38. Dit betreft de kosten voor de rijopleiding rijbewijs C. Met het vervolg, rijbewijs CE, was gedaagde partij nog niet begonnen. Gedaagde partij heeft de factuur niet volledig betaald, zodat eisende partij in deze procedure een bedrag van € 2.948,38 vordert, vermeerderd met rente en kosten. 2.3. Eisende partij stelt dat de intentie was dat gedaagde partij na voltooiing van de opleiding via haar een beroep in de vervoers- of beveiligingsbranche zou gaan uitoefenen, maar dat hij dat beroep op het moment dat de opleidingsovereenkomst werd gesloten nog niet deed. Deze stelling vindt ondersteuning in de stukken die zijn overgelegd. Zo blijkt uit de toelichting van eisende partij dat gedaagde partij op 15 juni 2022 werd geplaatst bij een opdrachtgever als vrachtwagenchauffeur C en is op diezelfde datum de uitzendovereenkomst gesloten. Hieruit volgt dat gedaagde partij pas na het behalen van de rijopleiding rijbewijs C aan het werk is gegaan als uitzendkracht. Dit betekent dat ten tijde van de opleiding geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De opleidingsovereenkomst is derhalve niet uitgesloten van toetsing aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG) en de Richtlijn consumentenrechten (2011/83/EU). 2.4. Het voorgaande betekent dat ambtshalve onderzocht moet worden of eisende partij de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd. De overeenkomst is tot stand is gekomen anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Eisende partij heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW. 2.5. De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen (hierna: de richtlijn). Eisende partij heeft de opleidingsovereenkomst en het daarop van toepassing zijnde Reglement opleidingen Consolid overgelegd, zodat de bedingen die daarin zijn opgenomen getoetst kunnen worden. 2.6. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op artikel 3 en 4 van de opleidingsovereenkomst en artikel 6 van het reglement opleidingen. Deze luiden, voor zover hier van belang: (…) 2.7. Deze bedingen zijn niet oneerlijk. Het bedrag aan kosten is daarin benoemd en de terugbetalingsverplichting voor de werknemer is duidelijk uiteengezet. Opgenomen is dat per verloonde week een bedrag van € 30,00 wordt ingehouden op het te ontvangen salaris, waarna na 78 gewerkte weken de restschuld wordt kwijtgescholden. Ook is vastgelegd dat wanneer de uitzendovereenkomst eindigt voor de 78 gewerkte weken, het