Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-07-10
ECLI:NL:RBAMS:2026:7018
Woningsluiting na drugsvondst. 13b Opiumwet. Vovo hangende bezwaar. Afgewezen. Handelshoeveelheid. Burgemeester bevoegd. Noodzaak en sluiting evenwichtig. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/3719 uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp), en de burgemeester van Amsterdam, (hierna: de burgemeester) (gemachtigden: mrs. B. Beg en M. Utlu). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De burgemeester heeft de woning mogen sluiten en daarbij de belangen van de sluiting zwaarder mogen wegen dan de belangen van verzoeker . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2.1. Met het bestreden besluit van 1 juni 2026 heeft de burgemeester de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] met ingang van 4 juni 2026 voor de duur van drie maanden gesloten . De burgemeester is hier op grond van artikel 13b van de Opiumwet toe overgegaan na het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in de woning. 2.2. Verzoeker heeft hiertegen op 23 juni 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester. Totstandkoming van de besluitvorming 3.1. Verzoeker is de huurder en enige bewoner van de woning aan de [adres] te [plaats] . 3.2. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 29 april 2026 volgt dat de politie op 23 april 2026 de woning heeft doorzocht. Daarbij zijn in de woning twee doorzichtige zakjes MDMA (12,4 gram), wiet (711 gram), hasj (247 gram), joints voortgedraaid met wiet (623 stuks) aangetroffen. Daarnaast zijn in het pand goederen en middelen aangetroffen die niet vallen onder de Opiumwet, waaronder twee zakken ketamine (1,732 kilo), een doorzichtige zak ketamine (3,7 kilo), 295 vapes van het merk Goldbar met tabak/nicotine, testosteron (600 ml), drostantone (500 ml), boldenone (300 ml) en nandrolone (150 ml), alsmede 4 bolletjes (3,6 gram), een zakje poeder (2,6 gram), een zakje met doorzichtige kristallen (1,2 gram), acht biljetten van €50 (€400 totaal) en lege, ongebruikte gripzakjes en witte envelopjes/wikkels. De straatwaarde van de aangetroffen goederen is in totaal ongeveer: Ketamine: 25 x 5432 gram = 135.800 Euro MDMA: 23,07 x 12,4 gram = 286,07 Euro Wiet: 11,17 x 711 = 7.941,87 Euro Hasj: 10,55 x 247 = 2.605,85 Euro De politie heeft ambtshalve vastgesteld dat de aangetroffen goederen (onder meer) softdrugs betreffen. Daarbij heeft de bewoner op de dag van de doorzoeking 200 gram hasj verhandeld in de nabijheid van zijn woning. Daarnaast maakt de Opiumwet geen onderscheid maakt tussen oude en nieuwe drugs. 3.3. Verweerder is uiteindelijk op 1 juni 2026 overgegaan tot sluiting van de woning per 4 juni 2026 voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en de Beleidsregels . Ondanks de zienswijze van verzoeker bestaat er een ernstig risico voor de openbare orde wanneer de woning openblijft. De burgemeester acht de sluiting noodzakelijk en evenwichtig. Het belang van de openbare orde weegt zwaarder dan het individuele belang van verzoeker. Beoordeling door de voorzieningenrechter 4. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het belang dat wordt gediend door de onmiddellijke uitvoering van het besluit. 5.1. De wijze waarop de bestuursrechter woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet toetst is weergegeven in diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). In een recente uitspraak van de Afdeling wordt daarbij benadrukt dat, gelet op de forse inbreuk die een woningsluiting kan maken op de grondrechten van de bewoners, de toetsing bij woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet doorgaans indringend is. 5.2. Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van de woning rechtmatig acht. Bevoegdheid en geschiktheid 6.1. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs, of vijf (hennep)planten (het criterium van het openbaar ministerie voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Uit de Beleidsregels volgt dat in het geval van hennepproducten van een handelshoeveelheid wordt gesproken bij een hoeveelheid van 30 gram of meer en in het geval van harddrugs bij een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram of 5 pillen. 6.2. Niet in geschil is dat er in de woning van verzoeker een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, zodat de burgemeester in beginsel bevoegd is de woning te sluiten. Geschiktheid en noodzaak 7.1. Als de burgermeester bevoegd is om een woning te sluiten, is vervolgens de vraag of dit middel ook geschikt is en of het noodzakelijk is om de woning te sluiten. De burgemeester dient zich ervan te vergewissen dat de sluiting redelijkerwijs zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Verder is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Sluiting van een woning kan noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat deze een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. 7.2. Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat er geen noodzaak was om de woning te sluiten. Verzoeker heeft geen strafblad, geen crimineel verleden en staat bij de politie ook niet bekend als crimineel. Ook is er geen sprake van handel vanuit de woning en stond de woning niet als zodanig bekend. Daarnaast was een deel van de aangetroffen goederen (zoals vapes) niet illegaal, waren de wiet en joints oud en bewaarde hij de ketamine voor een vriend. Er had daarom kunnen worden volstaan met een waarschuwing of last onder dwangsom. 7.3. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in dit geval op goede gronden heeft beslist dat de noodzaak bestond om de woning te sluiten voor drie maanden en dat dit een geschikt middel is. Verzoeker miskent dat de doorzoeking van de woning heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een drugsdeal even daarvoor, waarbij verzoeker op de openbare weg nabij zijn woning 200 gram hasj verkocht aan een koper. Vervolgens is er in de woning een forse hoeveelheid drugs aangetroffen die de ondergrens van een handelshoeveelheid ruimschoots overschrijdt en is er verpakkingsmateriaal aangetroffen (gripzakjes en wikkels (witte envelopjes). Daarnaast blijkt uit de politiegegevens dat er een MMA melding is gedaan in 2026 dat er in de woning onverklaarbare activiteiten plaatsvinden en dat het opvalt dat er regelmatig mannen met dozen en tassen de woning in- en uitlopen. Dat verzoeker geen strafblad had maakt het gelet op het voorgaande niet anders. Ook is de staat van de drugs niet relevant. Door de sluiting is de woning niet meer beschikbaar in de keten van de drugshandel. Hiermee wordt een zichtbaar signaal afgegeven aan de buitenwereld dat er geen drugs meer aanwezig zijn in de woning en dat de burgemeester optreedt in dit soort gevallen. De burgemeester heeft daarom ook kunnen menen dat de door verzoeker geopperde minder verstrekkende maatregelen als een last onder dwangsom of een waarschuwing daartoe niet voldoende zijn. Evenwichtig 8.1. Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk is, komt vervolgens de vraag aan de orde of de sluiting ook evenwichtig is. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval de bescherming of het herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving, en de te respecteren grondrechten van verzoeker. Of de sluiting evenwichtig is, hangt af van verschillende omstandigheden. De duur van de sluiting moet evenwichtig zijn, ook als de burgemeester daarin zijn eigen beleid heeft gevolgd. Of de sluiting evenwichtig is hangt ook af van de (mate van) verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, of er een bijzondere binding met de woning is en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de omstandigheden die maken dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. 8.2. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat hij in de problemen dreigt te raken en dat hij wellicht onverzekerd zal raken. Ook heeft verzoeker geen alternatieve huisvesting en zal hij sociaal in een isolement geraken en daarmee afglijden. Verzoeker heeft verteld dat hij niet bij zijn post kan en daardoor ook in de problemen komt. 8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat – ondanks hetgeen is aangevoerd door verzoeker – de sluiting van de woning niet onevenwichtig is. De voorzieningenrechter heeft oog voor de belangen van verzoeker om zijn woning weer te kunnen betrekken en daar te kunnen blijven wonen. Daartegenover staat het algemene belang bij het herstel en behoud van de openbare orde, dat de burgemeester voorstaat. Door de sluiting wordt de woning uit het criminele milieu onttrokken. Hiermee kunnen ook potentiële, openbare orde verstorende situaties, zoals bijvoorbeeld ripdeals of inbraken (gelet op de straatwaarde), worden voorkomen. Dit belang heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder mogen wegen. Op de zitting is besproken dat verzoeker via de burgemeestertijdelijk toegang kan worden verschaft tot zijn brievenbus. Verder is ook niet gebleken dat verzoeker geen onderdak heeft. Conclusie en gevolgen 9. De slotsom is dat de burgemeester gelet op al het voorgaande in redelijkheid van haar bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het sluitingsbevel van 1 juni 2026 op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam). Uitspraken van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910. Uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698. Zie overweging 9.2 van de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285. Zie overweging 10.2 van de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922. Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.