Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-07-13
ECLI:NL:RBAMS:2026:6880
Weigering remigratieuitkering; beroep gegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/4938 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit Zlatibor, eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Verbeek). Procesverloop 1. Eiseres heeft op 4 november 2024 bij verweerder een aanvraag ingediend om haar een remigratieuitkering toe te kennen. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. 1.3. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en aan verweerder nadere vragen gesteld. Eiseres heeft hier ook een reactie op gegeven. 1.4. Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een nadere zitting achterwege te laten en meteen uitspraak te doen. 1.5. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Totstandkoming van het besluit 2.1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1970, is geboren in Bosnië-Herzegovina en heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij heeft jarenlang in Servië gewoond met haar eerste echtgenoot. Vanaf 26 mei 2023 is zij gaan samenwonen met haar Kroatische partner [persoon] (hierna: [persoon] ) in [woonplaats] . 2.2. Op 28 augustus 2023 heeft [persoon] een aanvraag voor een remigratieuitkering ingediend voor hemzelf en eiseres. Verweerder heeft deze uitkering aan [persoon] toegekend. Eiseres en [persoon] zijn op 27 mei 2024 vertrokken naar Kroatië. 2.3. Eiseres heeft verweerder op 4 november laten weten dat zij de relatie met [persoon] per 22 oktober 2024 heeft verbroken en is teruggekeerd naar Servië. Zij heeft verweerder verzocht om de remigratieuitkering op haar eigen bankrekening over te maken. 3.1. Met het primair besluit heeft verweerder geweigerd om eiseres een remigratieuitkering toe te kennen, omdat zij zich na haar vertrek uit Nederland niet heeft gevestigd in het remigratieland Kroatië. 3.2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder blijft van mening dat eiseres zich niet in Kroatië heeft gevestigd. Standpunten van partijen 4.1. Verweerder baseert zijn standpunt op de volgende factoren. Eiseres heeft slechts een korte periode in Kroatië gewoond, van 31 mei tot 22 oktober 2024. Zij had daar een tijdelijke verblijfsvergunning, geldig tot 1 november 2026. Zij had in Kroatië geen bankrekening, zorgverzekering of een baan. Zij heeft geen maatschappelijke activiteiten in Kroatië ontplooid. Sinds 9 oktober 2024 heeft zij al een identiteitskaart in Servië verkregen. In dat land heeft ze wel een bankrekening en zorgverzekering op haar naam staan. In Servië heeft zij ook woonruimte gekregen. 4.2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de relatie met [persoon] een paar maanden na hun aankomst in Kroatië drastisch veranderde. [persoon] ging zich anders gedragen; hij ging veel met vrienden en andere vrouwen op stap en liet eiseres soms wekenlang alleen. Eiseres werd vanwege haar Servische achtergrond niet door de Kroatische bevolking geaccepteerd en kreeg te maken met pesterijen van fascistoïde groepen. Zij had daarom een dringende reden om de relatie te beëindigen en terug te gaan naar Servië. Eiseres is wel degelijk van plan geweest om zich definitief te vestigen in Kroatië, maar werd door de omstandigheden gedwongen om weg te gaan. [persoon] zou voor haar een zorgverzekering regelen, maar heeft dat nagelaten. Voor eiseres was er geen noodzaak om een eigen bankrekening te openen en is het haar door de omstandigheden niet gelukt om maatschappelijke activiteiten te ontplooien. Wettelijk kader 5.1. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Remigratiewet wordt aan een remigrant die voldoet aan de voorwaarden van de wet een periodieke uitkering verstrekt ter voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan in het bestemmingsland. 5.2. Artikel 5, eerste lid, van de Remigratiewet luidt als volgt: Indien de remigrant een partner heeft en zij ophouden met elkaar een gezamenlijke huishouding te voeren en, indien zij zijn gehuwd of geregistreerde partners zijn, duurzaam gescheiden gaan leven, verkrijgt ieder der partijen een recht op de remigratievoorzieningen als ware hij een alleenstaande remigrant. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder terecht heeft geweigerd om eiseres een remigratieuitkering toe te kennen. De discussie gaat over de vraag of eiseres zich heeft gevestigd in het bestemmingsland Kroatië. In de Remigratiewet staan geen duidelijke criteria waaraan men dient te voldoen om te kunnen spreken van vestiging in het remigratieland. Ook is in de wet er geen tijdsduur opgenomen waaruit men kan afleiden dat iemand zich definitief heeft gevestigd in dat land. Wel zijn in de jurisprudentie bepaalde criteria omschreven waaraan men kan toetsen of er sprake is van vestiging, zoals een kort verblijf wat de schijn wekt dat de remigratie niet als blijvend is bedoeld of het feit dat geen begin is gemaakt met het uitvoeren van vestigingshandelingen, waardoor je niet kunt spreken van wortelen in een nieuwe omgeving . 7.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres zich niet in Kroatië heeft gevestigd. Verweerder werpt eiseres tegen dat zij slechts korte tijd in Kroatië heeft gewoond, te kort om te kunnen spreken van vestiging in dat land. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Eiseres heeft bijna vijf maanden in Kroatië gewoond. Dat is niet zodanig kort dat alleen op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat zij zich niet in Kroatië heeft gevestigd. Eiseres en [persoon] hadden een woning gehuurd, die op beider naam stond. Eiseres had bovendien een verblijfsvergunning voor de duur van tweeënhalf jaar. Dat dit een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd was, is niet een factor die haar kan worden tegengeworpen. In de meeste Europese landen, inclusief Nederland, is het gebruikelijk dat een vreemdeling eerst een tijdelijke verblijfsvergunning krijgt. Deze feiten en omstandigheden bevestigen dat eiseres in de eerste drie maanden van haar verblijf wel bezig was om zich in Kroatië te vestigen. Het feit dat eiseres al op 9 oktober 2024 een Servische identiteitskaart heeft ontvangen, heeft naar het oordeel van de rechtbank direct te maken met het feit dat ze niet langer in Kroatië kon blijven. Hetzelfde geldt voor de bankrekening, zorgverzekering en woonruimte die zij in Servië heeft geregeld. Toen voor eiseres eenmaal duidelijk was dat zij niet in Kroatië kon blijven, heeft zij haar zaken geregeld en maatregelen genomen. Zij heeft op 22 oktober de relatie met [persoon] verbroken, dus het wekt geen bevreemding dat zij begin oktober voorbereidingen heeft getroffen voor haar vertrek. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden, waar verweerder zich in het bestreden besluit op baseert, er niet zonder meer op duiden dat eiseres zich niet in Kroatië heeft gevestigd. 7.2. Eiseres had geen eigen bankrekening, zorgverzekering en baan in Kroatië. Zij ondernam ook geen maatschappelijke activiteiten in Kroatië. Eiseres heeft in haar beroepschrift en op zitting uitgelegd dat de relatie met [persoon] een paar maanden na aankomst in Kroatië danig verslechterde. Eiseres werd min of meer aan haar lot overgelaten. Zij kwam daardoor in een afhankelijke positie te verkeren. Zij heeft ook een verklaring van [persoon] overgelegd, waarin deze het verhaal van eiseres bevestigt. De rechtbank overweegt dat er voor eiseres bij aankomst in Kroatië niet een onmiddellijke aanleiding of noodzaak was om een eigen bankrekening te openen. Zij woonde immers samen met [persoon] die deze wel had. [persoon] heeft in zijn verklaring bevestigd dat hij heeft verzuimd om op een gegeven moment voor eiseres een eigen zorgverzekering af te sluiten.