Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-01-13
ECLI:NL:RBAMS:2026:68
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,046 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:68 text/xml public 2026-03-05T13:10:46 2026-01-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-13 25/2107 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:68 text/html public 2026-03-05T13:10:29 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:68 Rechtbank Amsterdam , 13-01-2026 / 25/2107 UWV heeft terecht geoordeeld dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Op datum in geding was verbetering van eisers gezondheidssituatie niet geheel uitgesloten. Beroep ongegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/2107 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M. Kartal), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser is van mening dat verbetering van zijn gezondheidssituatie geheel is uitgesloten. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV voldoende heeft onderbouwd dat eiser op de datum die in dit geding voorligt niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 5 september 2024 heeft het UWV beslist dat eiser vanaf 18 april 2023 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en heeft het UWV de hoogte van de WIA-uitkering van eiser conform aangepast. 2.1. Met het bestreden besluit van 18 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV daarbij gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank 3. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als warehouse medewerker voor gemiddeld 41,93 uur per week. Op 6 februari 2019 viel hij uit door ziekte. Sinds 3 februari 2021 ontvangt eiser een WIA-uitkering. 3.1. Vervolgens heeft een procedure plaatsgevonden over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 3 november 2021. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in een uitspraak van 4 december 2024 geoordeeld dat eiser per 3 november 2021 recht heeft op een WGA -loonaanvullingsuitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Volgens de Raad is het te verwachten structureel ziekteverzuim van eiser als gevolg van epileptische aanvallen aan te merken als zodanig excessief dat van een werkgever tewerkstelling van eiser niet in redelijkheid kan worden verlangd. 3.2. In verband met een melding van eiser dat zijn gezondheidssituatie is veranderd, heeft het UWV de arbeidsongeschiktheid van eiser opnieuw beoordeeld. Met het besluit van 5 september 2024 heeft het UWV beslist dat eiser vanaf 18 april 2023 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit heeft het UWV een rapport van een verzekeringsarts van 30 augustus 2024 ten grondslag gelegd. Volgens de verzekeringsarts had eiser geen benutbare mogelijkheden wegens een meer dan regulier arbeidsverzuim, maar was de verwachting dat de belastbaarheid binnen 1,5 jaar zou veranderen. Eiser stond op de nominatie om een operatie te krijgen die was gericht op vermindering van zijn klachten en verbetering van zijn functioneren. 3.3. Met het bestreden besluit is het UWV hierbij gebleven. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 februari 2025 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef de conclusie dat verbetering van de belastbaarheid niet uitgesloten was. Eiser kwam in aanmerking voor hersenchirurgie. Doel van de operatie was vermindering van de epilepsieaanvallen. De kans voor eiser op aanvalsvrijheid na de operatie was 70 tot 75%, waarbij de kans op complicaties slechts klein was. Bij aanvalsvrijheid zou, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen sprake meer zijn van excessief ziekteverzuim en was de verwachting dat er vanaf dan bij eiser sprake zou zijn van minder dan 80% arbeidsongeschiktheid. 3.4. Eiser is het met de conclusies van de verzekeringsartsen niet eens en vindt dat hij recht heeft op een IVA -uitkering. Volgens eiser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de stappen van het beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (het Beoordelingskader) niet goed doorlopen. Volgens eiser is verbetering geheel uitgesloten, omdat zijn beperking een progressief ziektebeeld heeft zonder behandelmogelijkheden. Eiser heeft al veel vormen van behandelingen uit laten voeren en dit heeft tot op heden niet geleid tot een oplossing. Eiser lijdt dagelijks aan focale en tonisch clonische aanvallen. Voor zover behandelmogelijkheden bestaan, voert eiser aan dat in het eerste jaar geen of nauwelijks verbetering wordt verwacht. De operatie heeft reeds plaatsgevonden. De arts heeft meegedeeld dat pas na zes tot twaalf maanden na de operatie duidelijk kan worden of de operatie een positief effect heeft gehad. Eiser ervaart nog dagelijks aanvallen. Omdat in het eerste jaar na de operatie geen of nauwelijks verbetering wordt verwacht, had de verzekeringsarts bezwaar en beroep moeten beoordelen in hoeverre de verbeteringen na een jaar nog kunnen worden verwacht. Dit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nagelaten. Het bestreden besluit mist dan ook een deugdelijke motivering. Overwegingen 4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 18 april 2023 (de datum in geding) volledig arbeidsongeschikt was. 4.1. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser op 18 april 2023 recht had op een WGA-uitkering, in plaats van een IVA-uitkering, omdat eiser weliswaar volledig arbeidsongeschikt was, maar niet duurzaam. 4.2. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. 4.3. Volgens vaste rechtspraak dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. 4.4. Volgens stap 1 van het Beoordelingskader beoordeelt de verzekeringsarts of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van een stabiel of progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. De rechtbank is van oordeel dat het UWV mocht concluderen dat er nog behandelmogelijkheden zijn. Ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep stond er nog een behandelmogelijkheid open, namelijk een operatie. 4.5. Indien verbetering niet is uitgesloten, wordt volgens stap 2 van het Beoordelingskader bezien in hoeverre die verbetering kan worden verwacht in het eerstkomende jaar.