Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-01-15
ECLI:NL:RBAMS:2026:667
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11823031 \ CV EXPL 25-10434 Vonnis van 15 januari 2026 in de zaak van VCT HOLDING B.V. , gevestigd te Amsterdam, eisende partij in conventie, verwerende partij in voorwaardelijke reconventie en incident, hierna te noemen: Van Caem, gemachtigde: mr. J. Schulp, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in voorwaardelijke reconventie en incident, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. P.H. van der Vleuten. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 28 juli 2025, met producties - de conclusie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie tevens (voorwaardelijk) incident, met producties, - de aanvullende producties van Van Caem, - de aanvullende producties van [gedaagde] , - het instructievonnis van 21 oktober 2025, - de dagbepaling van de mondelinge behandeling. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Namens Van Caem zijn [naam 1] ( [naam functie 1] ) en [naam 2] ( [naam functie 2] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en mr. M. de Loos. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. 1.3. De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De spreekaantekeningen zijn toegevoegd aan het dossier. Partijen zijn vervolgens gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die in het dossier zijn gevoegd. Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. VCT Holding B.V. (hierna: Van Caem) is een vennootschap in de Van Caem Klerks Groep (hierna: de groep). De groep richt zich op de internationale parallelhandel van diverse goederen in parfum, alcoholische dranken en ‘fast moving consumer goods’ (FMCG). Van Caem verkoopt haar producten onder meer aan foodretailers, drogisterijen, e-commerce bedrijven en supermarkten. 2.2. [gedaagde] is op 1 maart 2021 in dienst getreden bij Van Caem in de functie van ‘Trader’ op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, van rechtswege eindigend op 30 september 2021. 2.3. [gedaagde] was werkzaam in ‘Food-team’. Haar werkzaamheden bestonden uit het telefonisch benaderen van internationale leveranciers en potentiële kopers, waarbij zij onderhandelde over de in- en verkoopprijzen van producten (internationale parallelhandel). 2.4. In sectie 8 van de arbeidsovereenkomst zijn onder meer een geheimhoudingsbeding (artikel 8.2), een concurrentiebeding (artikel 8.7), een relatiebeding (artikel 8.8) en een boetebeding (artikel 8.15) opgenomen. In artikel 8.1 van de arbeidsovereenkomst is het zwaarwegend bedrijfsbelang gemotiveerd. 2.5. Het concurrentiebeding luidt als volgt: “8.7 Both during, and for a period of one year following termination of, the employment contract, the Employee will be forbidden, either directly or indirectly, for remuneration or otherwise, as an employee, sole trader or otherwise, to work for and (or) have financial interests in and (or) be associated or involved with in any form, in any group, business entity or other organization whatsoever (including manufacturers and their distributors) involved in activities in the Netherlands or any other country in the world the Employee worked in during this employment contract, that are the same or similar to or competitive with those of the Employer, the Hiring Company, the Associated Companies and (or) the Group, without the prior written permission of the Employer or the Hiring Company. ” 2.6. Het boetebeding bepaalt, voor zover relevant, dat de werknemer voor elke overtreding van een verbod, verplichting of bepaling in sectie 8 van de arbeidsovereenkomst, aan de werkgever of het gelieerde bedrijf waarvan de belangen zijn geschaad een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van € 20.000,- per overtreding, vermeerderd met € 500,- per dag of een deel daarvan ongeacht of Die omstandigheid moet worden meegewogen bij een eventuele matiging van de boetes, aldus Van Caem. 3.3. [gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] zijn het concurrentie- en relatiebeding niet rechtsgeldig overeengekomen. Het addendum moet namelijk gezien worden als een nieuwe arbeidsovereenkomst, waardoor de bedingen opnieuw opgenomen hadden moeten worden. Ook is [gedaagde] nooit gewezen op het bestaan van het concurrentie- en relatiebeding. De bedingen moeten vernietigd worden omdat er geen (voldoende gemotiveerd) zwaarwegend bedrijfsbelang is. Voor het geval de bedingen wel rechtsgeldig zijn, betwist [gedaagde] dat Bickery een concurrent of relevante relatie van Van Caem is. Boost is wel een directe concurrent, maar [gedaagde] was zich niet bewust van de beperkingen, de bedrijven zijn zeer ongelijkwaardige qua grootte. En Van Caem had sneller moeten optreden nadat zij op de hoogte raakte van de schending. Bovendien was de laatste werkdag van [gedaagde] bij Van Caem op 5 april 2024, waardoor er slechts vier dagen overlap is geweest. Omdat [gedaagde] door de bedingen onbillijk benadeeld wordt moeten de bedingen vernietigd worden of moeten de boetes gematigd worden. In (voorwaardelijke) reconventie 3.4. [gedaagde] vordert – samengevat – (voorwaardelijk) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het relatiebeding wordt vernietigd met veroordeling van Van Caem in de proceskosten. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] bedoelt te vorderen dat de kantonrechter het relatiebeding vernietigt. [gedaagde] vordert verder (voorwaardelijk) bij wijze van voorlopige voorziening dat het relatiebeding wordt geschorst totdat in de bodem een einduitspraak is gedaan. 3.5. [gedaagde] voert aan dat zij door het driejarige relatiebeding enorm wordt beperkt in haar arbeidskeuze. Het beding is niet beperkt tot de relaties waarmee [gedaagde] direct contact heeft gehad en wordt niet geografisch beperkt, terwijl het beding voor een lange periode geldt. Daarom moet het beding vernietigd worden. 3.6. Van Caem heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de (incidentele) vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze procedure met name om de vraag of [gedaagde] gebonden is aan het concurrentiebeding. Daarnaast gaat het erom of [gedaagde] boetes moet betalen omdat zij bij Bickery en bij Boost in dienst is getreden. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] tot 1 april 2025 gebonden was aan het concurrentiebeding. Voor de periode dat [gedaagde] bij Bickery heeft gewerkt hoeft zij geen boete te betalen, omdat Bickery niet als concurrent van Van Caem wordt beschouwd. Ook voor de periode dat [gedaagde] bij Boost heeft gewerkt hoeft zij geen boete te betalen. [gedaagde] was toen namelijk niet meer aan het concurrentiebeding gebonden. Dat wordt hierna uitgelegd. Het relatiebeding 4.2. Van Caem heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde vernietiging van het relatiebeding. De kantonrechter zal het relatiebeding daarom vernietigen. Omdat gelijktijdig uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan, heeft [gedaagde] geen belang meer bij een voorlopige voorziening. Die vordering wordt afgewezen. Het concurrentiebeding 4.3. [gedaagde] is gebonden aan het concurrentiebeding. Het concurrentiebeding is opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die stilzwijgend verlengd is en daarna is omgezet in een onbepaalde tijd contract. Volgens vaste rechtspraak hoeft een concurrentiebeding in zulke gevallen alleen opnieuw schriftelijk opgenomen te worden als de arbeidsvoorwaarden veranderen. En daar is in dit geval geen sprake van. [gedaagde] is dezelfde functie blijven vervullen. Het loon van [gedaagde] is wel verhoogd, maar dat is geen nieuwe arbeidsvoorwaarde. Daarnaast staat in het addendum dat de voorwaarden van de eerdere arbeidsovereenkomst(en) van toepassing blijven. Het concurrentiebeding is dus onderdeel geworden van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 4.4. De stelling dat het concurrentiebe