Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-05-27
ECLI:NL:RBAMS:2026:6440
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/755497 / HA ZA 24-921 Vonnis van 27 mei 2026 in de zaak van STICHTING ONDERZOEK MARKTINFORMATIE , gevestigd te Amsterdam, eisende partij, advocaat: eerst mr. E.F. Vaal (onttrokken), thans mr. M. Schimmel te Amsterdam, tegen 1 de vennootschap naar buitenlands recht X CORP., gevestigd te San Francisco, Verenigde Staten van Amerika,2. de vennootschap naar buitenlands recht X INTERNET UNLIMITED COMPANY , gevestigd te Dublin, Ierland,3. de besloten vennootschap TWITTER NETHERLANDS B.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partijen, advocaat: mr. H.J. Pot te Amsterdam. Partijen zullen hierna afzonderlijk SOMI, X Corp, XIUC en Twitter Netherlands worden genoemd. X Corp, XIUC en Twitter Netherlands zullen hierna gezamenlijk X Corp c.s. worden genoemd. 1 De kern van de zaak en de beslissing 1.1. Deze zaak gaat over een collectieve actie. Daarin komt SOMI op voor de belangen van ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van het sociale media platform X (voorheen Twitter). Kern van het verwijt van SOMI is dat X Corp c.s. met de inrichting, exploitatie en de beveiliging van het X-platform de grondrechten van de gebruikers schenden. Daarbij gaat het SOMI in het bijzonder om datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en haatzaaiende berichten (hate speech). SOMI wil door middel van deze collectieve actie bereiken dat X Corp c.s. hiermee stoppen en dat X Corp c.s. de schade van haar achterban vergoeden. Daarbij gaat het om materiële en immateriële schade. 1.2. In deze fase van de procedure en dus in dit vonnis gaat het niet om een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van SOMI. Eerst moet de rechtbank beoordelen of SOMI de collectieve actie mag instellen (de ontvankelijkheid). 1.3. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat onduidelijk is of SOMI over voldoende financiële middelen beschikt om de kosten van deze procedure te dragen, waarbij de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij haar ligt. De rechtbank draagt SOMI op om haar stellingen op dit punt nader toe te lichten. Voor het overige voldoet SOMI aan de ontvankelijkheidseisen (onder de WAMCA). 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de gelijkluidende dagvaardingen van 15 augustus 2024 van SOMI; - de akte overlegging producties van SOMI, met producties 1 tot en met 123;- de partiële conclusie van antwoord van X Corp c.s., met producties 1 tot en met 43;- het tussenvonnis van 17 december 2025; - de akte houdende overlegging aanvullende producties van X Corp c.s., met producties 44 tot en met 67; - de akte overlegging producties van SOMI, met producties 124 tot en met 137; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 april 2026 en de daarin genoemde stukken; - het B-formulier van mr. Vaal van 13 mei 2026, waarmee zij zich onttrekt als advocaat van SOMI; - het B-formulier van mr. Schimmel van 13 mei 2026, waarmee hij zich stelt als de nieuwe advocaat van SOMI. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van SOMI Over SOMI 3.1. SOMI is een stichting met volledige rechtsbevoegdheid en is op 31 mei 2016 opgericht door [bedrijf 1] B.V. (thans [bedrijf 2] B.V., hierna: [bedrijf 2]). Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is [bedrijf 3] B.V. (hierna [bedrijf 3]), waarvan [naam 1] (hierna: [naam 1]) enig aandeelhouder en bestuurder is. 3.2. Het doel van SOMI op grond van artikel 2.1 sub a van haar statuten, luidt: “ het behartigen van belangen van natuurlijke personen, in het bijzonder van consumenten en minderjarigen, die gebruikmaken van onlinediensten, waarbij op enig moment een schending van de rechten van die natuurlijke personen plaatsvindt, waaronder begrepen maar niet beperkt tot inbreuken op grondrechten, zoals het recht om niet gediscrimineerd te worden en het recht op bescherming van privacy en bescherming van persoonsgegevens, alsmede inbreuken op consumentenrechten en wet- en regelgeving ter bescherming van minderjarigen ”. 3.3 SOMI voert ten aanzien van het verwijt onder (i) aan dat in de periode juni 2021 tot 13 januari 2022 een datalek is ontstaan op het X-platform, die tot een reeks verdere datalekken heeft geleid. Volgens SOMI gaat het om vier datalekken, waarvan de laatste plaatsvond op 4 januari 2023 en waarbij accountgegevens (met e-mailadressen en telefoonnummers) van aanvankelijk 5,4 miljoen X-gebruikers en later 400 miljoen X-gebruikers zijn verkregen en te koop aangeboden op het darkweb. De datalekken zijn het gevolg van door X Corp c.s. getroffen gebrekkige beveiligingsmaatregelen en zijn door X Corp c.s. niet tijdig en volledig gemeld aan de toezichthouder en de getroffen X-gebruikers. Daarmee hebben X Corp c.s. in strijd gehandeld met (artikelen 5 lid 1 sub f, 32, 33 en 34 van) de AVG. 4.4. Wat betreft het verwijt onder (ii) stelt SOMI dat X Corp c.s. gedetailleerde profielen van X-gebruikers samenstellen door gebruikersgedrag te monitoren en deze profielen vervolgens gebruiken om gericht advertenties aan te bieden aan X-gebruikers op basis van specifieke criteria (microtargeting). X Corp c.s. gebruiken daarbij ook bijzondere categorieën van persoonsgegevens waaruit bijvoorbeeld de etnische afkomst, politieke opvattingen en/of religie van X-gebruikers kunnen worden afgeleid. Dit alles vindt plaats zonder dat de X- gebruikers hiervan op de hoogte zijn en is in strijd met (artikelen 9 lid 1, 5 lid 1 onder a, 12, 13 en 14 van) de AVG en (artikel 26 lid 3 van) de DSA. Ook het openbare advertentieregister is gebrekkig en onbetrouwbaar (artikel 39 DSA). Het in advertentievoorwaarden doen voorkomen alsof microtargeting door adverteerders op het X-platform niet mag maar dit toch laten gebeuren, is een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW. Het achterwege laten van de op grond van artikel 13 en 14 AVG vereiste informatie moet worden aangemerkt als een misleidende omissie in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW. 4.5. Aan het verwijt onder (iii) legt SOMI ten grondslag dat X Corp c.s. (althans X Corp en XIUC) verplicht zijn om systeemrisico’s die voortvloeien uit (het ontwerp of de werking van) het X-platform, waaronder het verspreiden van illegale inhoud zoals hate speech, te beoordelen en de in kaart gebrachte systeemrisico’s te beperken door het treffen van maatregelen. Sinds de overname van het X-platform door [naam 7] is sprake van een toename van hate speech. X Corp c.s. (althans X Corp en XIUC) doen te weinig om de systeemrisico’s aan te pakken op het X-platform en belemmeren onderzoek daarnaar. Zij schenden daarmee (artikelen 34, 35 en 40 van) de DSA. 4.6. SOMI stelt dat de X-gebruikers voor wie zij in deze procedure opkomt door de handelwijze van X Corp c.s. materiële en immateriële schade hebben geleden. SOMI houdt X Corp c.s. voor de schade hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 82 lid 4 AVG en artikel 6:166 BW. 5 Rechtsmacht van de Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid 5.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat twee van de drie gedaagde partijen (X Corp en XIUC) hun woonplaats in het buitenland hebben. Daarom moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SOMI op deze partijen. Ter zitting hebben X Corp en XIUC verklaard dat zij zich op dit punt refereren aan het oordeel van de rechtbank. 5.2. Voor XIUC moet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden beoordeeld aan de hand van de Verordening Brussel I-bis , omdat het geschil ten aanzien van haar zowel materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt. Voor X Corp geldt op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Brussel I-bis dat de rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van het nationale recht van de aangezochte rechter en dus aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 5.3. X Corp en XIUC hebben geen verweer gevoerd tegen de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorde Zo moet de belangenorganisatie op grond van artikel 3:305a lid 2 BW voldoende representatief zijn, gelet op de achterban en de omvang van de vorderingen die zij vertegenwoordigt, terwijl artikel 80 lid 1 AVG op het punt van representativiteit geen eisen stelt aan de belangenorganisatie. Evenmin vereist artikel 80 lid 1 AVG dat een belangenorganisatie over voldoende financiële middelen beschikt om de collectieve actie te kunnen bekostigen. Dit betekent dat voor vorderingen op grond van de AVG voor belangenorganisaties in Nederland ingevolge de WAMCA deels nadere en strengere eisen gelden. De vraag is of de WAMCA daarmee in de weg staat aan een effectieve werking van de AVG. 6.5. De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 23 juli 2025 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU over de verhouding tussen de WAMCA en de AVG en over de uitleg van het in artikel 80 AVG opgenomen actiefvereiste en opdrachtbegrip. Een van de vragen is of de AVG toestaat dat een collectieve organisatie schadevergoeding vordert zonder een individuele opdracht van de betrokkene. X Corp c.s. menen van niet en hebben de rechtbank verzocht om de procedure aan te houden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen. De rechtbank ziet daarvoor in deze fase van de procedure geen aanleiding. Het gaat in deze collectieve actie om drie deelonderwerpen. SOMI beroept zich niet voor ieder deelonderwerp op de AVG en, daar waar zij dat wel doet, legt zij ook de DSA en de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken aan haar vorderingen ten grondslag. Dit betekent dat de rechtbank hoe dan ook de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA moet beoordelen. Overigens is het niet uitgesloten dat de rechtbank in het vervolg van deze procedure alsnog besluit tot aanhouding, afhankelijk van de uitkomsten van de beoordeling van de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA. 6.6. X Corp c.s. hebben verder verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de vorderingen voor zover deze gebaseerd zijn op artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA, omdat over de schending van artikelen 34 en 35 DSA door (onder meer) XIUC nog een onderzoek van de Europese Commissie loopt en hoger beroep is ingesteld door (onder meer) XIUC tegen het boetebesluit van de Europese Commissie van 5 december 2025 op basis van artikelen 25, 39 en 40 DSA (zie ook hierna onder 6.83). Het beginsel van Unietrouw brengt volgens X Corp c.s. met zich dat de nationale rechter de procedure in beginsel moet schorsen in afwachting van de definitieve uitspraak van de EU-rechter. De rechtbank wijst ook dit verzoek af, omdat het in deze fase van de procedure alleen nog maar gaat over de ontvankelijkheid van SOMI en niet om een inhoudelijke beoordeling van de door SOMI gestelde schending van de artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA. Ontvankelijkheidseisen onder de WAMCA (artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW) Wettelijk kader en uitgangspunten 6.7. Artikel 3:305a lid 1 BW bevat allereerst de ontvankelijkheidseis dat de eisende belangenorganisatie een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is. Deze belangenorganisatie kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (het gelijksoortigheidsvereiste), voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt (het statutenvereiste). Verder moet de belangenorganisatie de belangen van de benadeelden ten behoeve van wie zij een vordering instelt, voldoende waarborgen (het waarborgvereiste). Deze eis is nader ingevuld met de ontvankelijkheidseisen in lid 2 en lid 3 van artikel 3:305a BW. 6.8. Deze aanvullende ontvankelijkheidseisen richten zich op de representativiteit en kwaliteit van de belangenorganisatie. In artikel 3:305a lid 2 BW is bepaald dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de stichting of vereniging voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderinge Een ex nunc -toetsing leidt er ook toe dat de andere ontvankelijkheidsvereisten onder de WAMCA, zoals het overlegvereiste, zinledig zijn en dat de aangesproken partij zich niet behoorlijk kan verdedigen wanneer pas op zitting concrete stellingen over representativiteit worden ingenomen. X Corp c.s. beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op een passage in de wetsgeschiedenis, waarin is overwogen dat “ op voorhand ” duidelijk moet zijn dat de eisende partij representatief is. 6.14. De rechtbank volgt X Corp c.s. hierin niet. De representativiteit van een eisende partij in een collectieve actie is een dynamisch gegeven dat gedurende de aanhangige procedure kan veranderen. Het ligt daarom voor de hand om de representativiteit van de eisende partij (in dit geval SOMI) te toetsen op het moment dat in de procedure wordt beslist op de ontvankelijkheid van de eisende partij op grond van artikel 1018c lid 5 Rv. Noch uit de tekst van de wet noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de toets van de representativiteit dient plaats te vinden aan de hand van het aantal aanmeldingen bij de eisende partij op het moment van de dagvaarding. De door X Corp c.s. aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis biedt hiervoor onvoldoende steun, mede in het licht van de overweging van de wetgever dat de rechter “ een doorlopende toets moet uitvoeren op de ontvankelijkheid van de Exclusieve Belangenbehartiger en het machtsevenwicht tegenover de personen wier belangen in de procedure worden behartigd ”. Dit pleit voor een toetsing ex nunc van alle ontvankelijkheidseisen. Een andersluidende opvatting zou betekenen dat de rechter ook in de spiegelbeeldige situatie dat de eisende partij aanvankelijk wél maar later niet voldoende representatief is, niet mag ingrijpen en dan de procedure moet laten voortduren. Uit artikel 1018f lid 1 Rv kan worden afgeleid dat dit niet de bedoeling van de wetgever is. Dit artikel biedt de rechter de mogelijkheid om te beslissen dat de collectieve vordering niet wordt voortgezet indien het aantal personen dat verklaart niet te willen meedoen aan de collectieve actie te groot is om voortzetting te rechtvaardigen. 6.15. Het argument van X Corp c.s. dat toetsing ex nunc organisaties aanmoedigt om een collectieve vordering in te stellen zonder zich ervan te vergewissen of daarvoor voldoende steun bestaat en de aangesproken partij daardoor het risico loopt onnodig hoge kosten te maken, overtuigt niet. De eisen van een goede procesorde gelden onverkort. Bovendien kan het instellen van een kansloze vordering misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen opleveren. Verder neemt toetsing ex nunc niet weg dat ook feiten en/of omstandigheden uit het verleden kunnen meewegen. Toetsing ex nunc maakt het echter mogelijk om ook rekening te houden met de actuele stand van zaken en daarmee met de materiële werkelijkheid op het moment van het nemen van de rechterlijke beslissing op de vorderingen. De stelling van X Corp c.s. dat een toetsing ex nunc de aangesproken partij kan schaden in diens mogelijkheden om zich goed te verdedigen, stuit af op de eisen van de goede procesorde. Ook valt niet goed in te zien waarom de andere ontvankelijkheidseisen, zoals het overlegvereiste (van artikel 3:305a lid 3 onder c BW), bij een ex nunc toetsing zinledig zouden zijn. Het overlegvereiste is in de wet opgenomen om zelfregulering door marktpartijen te bevorderen en om te voorkomen dat een belangenorganisatie onverhoeds een vordering instelt waarmee de wederpartij – die de belangenorganisatie soms nog niet kende – wordt overvallen. Daarvoor is niet nodig en ook niet vereist dat de belangenorganisatie precies weet wie achter haar actie staan. Hetzelfde geldt voor de andere ontvankelijkheidsvereisten van de WAMCA. 6.16. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ex nunc beoordeelt of SOMI voldoet aan het representativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 3:305a lid 2 BW. Beoordeling representativiteitsvereiste 6.17. Het representati Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat de aanmelders geen juist en eerlijk beeld van de zaak hebben gehad, zodat niet kan worden aangenomen dat zij SOMI en haar vorderingen daadwerkelijk ondersteunen. Dit argument slaagt niet. Uit het proces-verbaal van de deurwaarder volgt dat op de websites van SOMI en in de SOMI-app meerdere stappen en schermen moeten worden doorlopen voordat iemand zich kan aanmelden voor de collectieve actie en (als sluitstuk) het registratieformulier kan invullen. Weliswaar wordt op het eerste scherm een mogelijke compensatie van € 2.500,- in het vooruitzicht gesteld, maar daarna volgen schermen met een toelichting op de collectieve actie van SOMI, zoals ‘wat SOMI eist’, ‘hoe werkt het’, ‘waar gaat de claim over?’ en ‘waarom deelnemen aan deze claim?’. Hierbij worden de drie deelonderwerpen van de collectieve actie – datalekken, microtargeting en haatzaaiende uitlatingen – besproken. In de daarop volgende schermen wordt kort toegelicht wat SOMI is en wat zij doet, waarbij links zijn opgenomen naar (onder meer) de dagvaarding, de statuten en de meest recente jaarverslagen van SOMI. Op geen enkel scherm staat vermeld dat SOMI al ontvankelijk is en dat deelnemers een vergoeding ontvangen voor het aandragen van nieuwe deelnemers. Onderdeel van het aanmeldproces is dat de deelnemer zich akkoord verklaart met de deelnemersovereenkomst. In artikel 2.3 van deze overeenkomst is vastgelegd dat SOMI maximaal 15 procent zal inhouden op de schadevergoeding in verband met haar kosten. SOMI heeft gemotiveerd betwist dat dit ooit 2 procent was en dat het inmiddels 17 procent is, zoals X Corp c.s. stellen. Gelet op al deze informatie kan niet worden aangenomen dat SOMI op haar websites en in haar app geen duidelijk en eerlijk beeld geeft van de collectieve actie en dat de deelnemers geen geïnformeerde en weloverwogen keuze hebben gemaakt. 6.21. In de tweede plaats stellen X Corp c.s. dat het door DigiJuris vastgestelde aantal aanmeldingen onvoldoende betrouwbaar is, omdat DigiJuris de aanmeldingen alleen heeft gecontroleerd op dubbele e-mailadressen en niet is uitgesloten dat één persoon zich met meerdere e-mailadressen heeft aangemeld. Ook deze stelling slaagt niet. Nergens uit blijkt dat dit is gebeurd. Bovendien, zo volgt uit het proces-verbaal van de deurwaarder en de daarin opgenomen schermafbeeldingen van het aanmeldproces, moet bij aanmelding niet alleen het e-mailadres worden opgegeven maar ook unieke persoonsgegevens, zoals de voor- en achternaam en, bij aanmelding via de websites van SOMI, ook nog de geboortedatum (zie schermafbeeldingen 21, 47 en 64). Iedere aanwijzing dat een of meerdere personen zich moedwillig meerdere keren hebben aangemeld, ontbreekt. 6.22. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat 51.456 personen zich hebben aangemeld voor de collectieve actie van SOMI en dat zij SOMI en haar vorderingen ondersteunen. 6.23. X Corp c.s. hebben verder nog aangevoerd dat SOMI representatief dient te zijn voor elke afzonderlijke nauw omschreven groep en dat, nu SOMI in het aanmeldproces geen onderscheid maakt tussen de groepen A, B en C (door SOMI genoemd Achterban A, B en C, zie hiervoor onder 6.18) en de deelnemer ook niet vraagt om te bevestigen of hij of zij onder één of meerdere van deze groepen valt, SOMI niet heeft aangetoond dat dit het geval is. De rechtbank volgt X Corp c.s. ook hierin niet. SOMI stelt in deze collectieve actie drie typen onrechtmatige handelingen van X Corp c.s. – datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech – aan de orde die volgens haar allemaal manifestaties zijn van één en dezelfde wijze waarop het X-platform wordt ingericht, geëxploiteerd en beveiligd. Volgens SOMI bevinden de gegevens van ongeveer 3,1 miljoen Nederlandse X-gebruikers zich in de gelekte datasets. X Corp c.s. betwisten dat dit aantal juist is, maar onderbouwen dit niet, althans onvoldoende. Dit had wel op hun weg gelegen, omdat zij bij uitstek degenen zijn die dit kunnen naga De door artikel 3:305a lid 1 BW vereiste gelijksoortigheid houdt in dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering zich strekt, zich lenen voor bundeling zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden. Het gaat er bij toetsing aan het gelijksoortigheidsvereiste niet om of de positie van alle belanghebbenden in alle opzichten precies gelijk of vergelijkbaar is, in die zin dat de belanghebbenden zich in dezelfde rechtspositie bevinden, dezelfde belangen hebben en dezelfde schade hebben geleden. Het gaat erom of de feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis in voldoende mate vergelijkbaar zijn. Die vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van het doel van de WAMCA, het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming voor de afwikkeling van massaschade. Daarmee kan ook relevant zijn of het voeren van individuele rechtszaken een reële en haalbare mogelijkheid is, zo blijkt uit de tekst van artikel 1018c lid 5 onder b Rv (het meerwaardevereiste). Een belangenorganisatie moet aannemelijk maken dat het voeren van een collectieve actie efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering (het meerwaardevereiste) en dus is nodig dat (i) de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, (ii) het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en (iii) indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat de belanghebbenden alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben. 6.29. Uit het feit dat het gelijksoortigheidsvereiste is opgenomen in de beoordeling van de ontvankelijkheid (die voorafgaat aan de inhoudelijke beoordeling), volgt dat nog geen definitief antwoord hoeft te worden gegeven op de vraag of de belangen van belanghebbenden gelijksoortig zijn. Dat definitieve oordeel zal worden gegeven in de inhoudelijke fase. In de fase van de schadevaststelling kan nader worden bekeken of en in hoeverre daadwerkelijk sprake is van gelijksoortigheid en kunnen zo nodig categorieën van belanghebbenden worden vastgesteld. De rechter hoeft in de ontvankelijkheidsfase slechts een inschatting te maken van de gelijksoortigheid van de belangen. 6.30. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de collectieve actie gekenmerkt wordt door drie typen van onrechtmatig handelen niet reeds maakt dat niet aan het gelijksoortigheidsvereiste wordt voldaan, zoals X Corp c.s. stellen. Zij hebben alle drie betrekking op de door SOMI geformuleerde kernvraag of X Corp c.s., gelet op de inrichting van het X-platform en hun beleid op het gebied van beveiliging, adsprofilering en content-moderatie, in strijd hebben gehandeld met de wet (in het bijzonder de AVG en de DSA). Uit de wet noch de wetsgeschiedenis volgt dat in één collectieve actie niet verschillende massagebeurtenissen aan de orde kunnen worden gesteld die steeds andere groepen personen raken. Wel moet het efficiënt en effectief zijn om dit alles in één collectieve actie voor te leggen aan de rechter. 6.31. De vorderingen van SOMI vallen uiteen in vier categorieën: ten eerste formele kwesties die samenhangen met de inrichting van de WAMCA-procedure (i, ii, iii, iv, v), ten tweede verklaringen voor recht (dat, kort gezegd, X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld of ongerechtvaardigd zijn verrijkt) en verwijzing naar de schadestaat en/of veroordeling tot betaling van een vergoeding voor geleden immateriële schade (door Achterban C als gevolg van hate speech) (vi), ten derde geboden (vii en viii) en ten vierde het verstrekken van informatie (ix). Bij de eerste en vierde categorie behoeft de gelijksoortigheid van de belangen geen bijzond Zo zal een X-gebruiker die er zelf voor heeft gekozen om aan de hand van zijn of haar e-mailadres of telefoonnummer vindbaar te zijn op het X-platform, geen schade ondervinden als gevolg van de gestelde datalekken. Ook heeft niet iedere X-gebruiker volgens X Corp c.s. te maken met microtargeting. Dit hangt ervan af of de gebruiker is in- of uitgelogd, een X-account heeft en of hij of zij betaalt om geen advertenties te zien. X-gebruikers die kiezen voor het tabblad ‘Following’ lopen volgens X Corp c.s. aanzienlijk minder risico om geconfronteerd te worden met hate speech. 6.36. SOMI legt aan haar vorderingen (onder meer) ten grondslag dat X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld. Uit de aard van het Nederlandse schadevergoedingsrecht, mede gelet op de uitleg daarvan door de Hoge Raad, volgt dat voor het toekennen van schadevergoeding noodzakelijk is dat daadwerkelijk schade is geleden. De enkele omstandigheid dat onrechtmatig is gehandeld is niet voldoende om een recht op materiële of immateriële schadevergoeding te doen ontstaan; de constatering dat onrechtmatig is gehandeld houdt een erkenning in dat een norm is geschonden, maar die schending is iets anders dan schade en schade vloeit daaruit niet noodzakelijkerwijs voort. Weliswaar kunnen in voorkomend geval de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, maar dat is niet de regel. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, onder b, BW, is voorts niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. 6.37. SOMI baseert haar vorderingen ook op artikel 82 AVG dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden als gevolg van een inbreuk op de AVG het recht geeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade. Voor het ontstaan van dit Unierechtelijke recht op materiële of immateriële schadevergoeding is eveneens vereist dat daadwerkelijk schade is ontstaan; een enkele inbreuk op de AVG volstaat niet. Het gaat om compensatie van schade en niet om punitive damages . Ook de (gegronde) vrees voor misbruik van de gegevens door een derde kan immateriële schade opleveren, maar de enkele omstandigheid dat een persoon niet langer de volledige controle over zijn of haar persoonsgegevens heeft, betekent niet dat deze persoon schade lijdt. SOMI doet verder een beroep op artikel 54 DSA. Hierin is bepaald dat afnemers van tussenhandeldiensten, zoals een online platform, op grond van het Unierecht en het nationale recht het recht hebben om aanbieders van tussenhandeldiensten te verzoeken om schadevergoeding voor alle schade of verliezen geleden als gevolg van een schending van de DSA door die aanbieders. Die schadevergoeding moet stroken met de in het nationale recht uiteengezette regels en procedures en mag geen afbreuk doen aan andere op grond van de consumentenbeschermingsregels beschikbare verhaalsmogelijkheden (overweging 121 van de considerans bij de DSA). Dit betekent dat ook voor het toekennen van een schadevergoeding op grond van de DSA vereist is dat daadwerkelijk schade is geleden. 6.38. De rechtbank stelt voorop dat er zeer grote verschillen kunnen zijn tussen de personen die deel uitmaken van de achterban van SOMI; niet alleen tussen de door SOMI aangemerkte drie nauw omschreven groepen maar ook daarbinnen. Op dit moment valt in het kader van onrechtmatige daad, artikel 82 AVG of artikel 54 DSA nog niet vast te stellen dat personen die behoren tot de achterban schade hebben geleden. In het bijzonder immateriële schade is sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden, zodat het zeer wel mogelijk is dat sommige leden van de achterban in het geheel geen immateriële schade hebben geleden. Zo kan meewegen dat zij geen bezwaar hebben tegen het aan X Corp c.s. verweten gedrag en wellicht per sa De WAMCA biedt uitdrukkelijk ruimte voor ad hoc organisaties en commerciële organisaties, die veelal als stichting zijn georganiseerd. Doel van het waarborgvereiste is om te voorkomen dat belangenorganisaties het collectief actierecht gebruiken om hun eigen commercieel gedreven motieven na te streven en de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats hebben staan. 6.48. X Corp c.s. betwisten dat SOMI aan het waarborgvereiste voldoet. Zij stellen dat (i) SOMI niet over voldoende middelen beschikt om de procedure te bekostigen, (ii) de voorzitter van SOMI een winstoogmerk heeft dat hij via SOMI realiseert en (iii) de belangen van de achterban van SOMI ook op andere wijzen niet voldoende zijn gewaarborgd. Ad i: Financiële middelen 6.49. Artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist dat de belangenorganisatie beschikt over voldoende middelen voor het instellen van de collectieve actie. Voldoende is dat SOMI kan aangeven dat zij, op het moment van de toetsing, over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te kunnen voeren. 6.50. SOMI vraagt geen eigen bijdrage van de X-gebruikers die zich bij haar hebben aangesloten en is daarom voor haar financiering volledig afhankelijk van derden. SOMI wordt allereerst gefinancierd door [bedrijf 3]. [bedrijf 3] heeft op 12 december 2022 een schenking van € 6,5 miljoen toegezegd aan SOMI (zie 3.5), waarvan de aflossing van de bestaande vordering van [bedrijf 3] op SOMI van € 1,7 deel uitmaakte. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat zij onder de schenking tot op heden € 3,9 miljoen heeft ontvangen, zodat nog circa € 2,6 miljoen beschikbaar is. Ter zitting is gebleken dat SOMI met deze schenking niet alleen deze collectieve actie moet bekostigen, maar ook al haar andere collectieve acties. SOMI heeft op dit moment meerdere (14 volgens X Corp c.s.) collectieve acties, in Nederland en in Europa, lopen tegen Big Tech bedrijven. Uit onderzoek is gebleken dat de kosten voor het voeren van een collectieve schadevergoedingsactie al snel enkele miljoenen euro’s bedragen. Ook de kosten van marketing en IT (het ontwikkelen en beheren van de websites van SOMI en de SOMI-app) en de vergoedingen voor de leden van het bestuur en de raad van toezicht moeten worden betaald uit het schenkingsbedrag. X Corp c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat SOMI volgens haar jaarverslagen tussen 2021en 2024 bijna € 1,7 miljoen heeft geïnvesteerd in marketing en IT. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat zij een maximale jaarlijkse vergoeding van € 20.000,- per bestuurder en € 5.000,- per commissaris aanhoudt en dat deze vergoedingen in de jaarrekening zijn verwerkt in de post ‘Remuneration Board of Advice’ (in de jaarrekening 2024 vastgesteld op € 15.126,-). Volgens SOMI heeft het in de jaarrekening van 2024 genoemde bedrag van meer dan € 168.480,- aan “management fees” betrekking op andere kosten. Ook indien dit juist is, dan is SOMI nog altijd ieder jaar duizenden euro’s kwijt aan haar bestuurders en commissarissen. Kortom, de activiteiten van SOMI en deze collectieve actie zijn kostbaar. 6.51. Volgens X Corp c.s. is onzeker of [bedrijf 3] zelfstandig in staat is om de toegezegde (restant) schenking (van circa € 2,6 miljoen) te dragen. [bedrijf 3] staat aan het hoofd van een groep van acht ondernemingen, waaronder DotSwan B.V. (DotSwan) en Leadmind B.V. (Leadmind). Uit de jaarverslagen leiden X Corp c.s. af dat [bedrijf 3] een negatief eigen vermogen van € 2,7 miljoen heeft en de [bedrijf 3]-groep als geheel een negatief eigen vermogen van circa € 24 miljoen. Ook blijkt volgens X Corp c.s. uit de jaarverslagen dat de liquiditeitspositie zeer beperkt is: in 2024 beschikte [bedrijf 3] over € 38.422,- aan liquide middelen en de [bedrijf 3]-groep over € 628.894,- aan liquide middelen, waarvan het overgrote deel zich ook nog eens bevindt in de vastgoedtak die met circa € 16 miljoen aan schulden is belast. Verder gaat de schenkingsovereenkomst uit van een (aan [bedrijf 3] overgedragen) vordering Voor zover SOMI (een deel van) die opbrengst wil gebruiken om deze collectieve actie te bekostigen, is het maar zeer de vraag of dat voldoende is, ook rekening houdend met haar andere (doorlopende) hoge kosten (voor management, marketing en IT). Dat anderen dan [bedrijf 3] bereid zijn om substantiële financiering aan SOMI te verstrekken is verder niet gebleken. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard dat hij, althans [bedrijf 3], bereid is om nog meer kapitaalcertificaten (zonder rendementsvergoeding en hoofdsombescherming) te kopen als dat nodig is om de collectieve actie tegen X Corp c.s. te kunnen bekostigen. Echter, uit niets blijkt dat hij en/of [bedrijf 3] daartoe in staat is. De rechtbank kan daarom op dit moment niet vaststellen dat SOMI beschikt over voldoende middelen om de collectieve actie te bekostigen. 6.55. Artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist verder dat de zeggenschap over de vordering (in voldoende mate) bij SOMI ligt. [naam 1] is zowel voorzitter van SOMI als bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] die SOMI financiert via de schenkingen en de certificaten. Vanwege die dubbele rol zou [naam 1] op zichzelf een sterke mate van invloed kunnen hebben op de beslissingen in het kader van de collectieve actie van SOMI. De rechtbank ziet in de schenkingsovereenkomst en de statuten echter voldoende waarborgen om eventuele beïnvloeding als gevolg van tegengestelde belangen te voorkomen. [naam 1] maakt deel uit van een driehoofdig bestuur van SOMI dat wordt benoemd en ontslagen door de raad van toezicht (artikelen 4.1 en 4.2 van de statuten). In de schenkingsovereenkomst is vastgelegd dat (i) [naam 1] zich onthoudt van iedere bemoeienis indien bij de besluitvorming een conflicterend belang zou kunnen ontstaan ten opzichte van [bedrijf 3] en dat de overige bestuursleden, met goedkeuring van de raad van toezicht, besluiten kunnen nemen (artikel 3.1), (ii) SOMI de volledige zeggenschap heeft over de collectieve actie die zij voert (artikel 4.1) en dat [bedrijf 3] geen recht heeft op terugbetaling van de schenkingen, ook niet als na uitkering aan de belanghebbenden blijkt van een restant (artikel 1.5). Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij SOMI ligt en niet bij [bedrijf 3] in haar hoedanigheid van schenker of bij [naam 1]. De rechtbank kan echter niet vaststellen welke invloed [bedrijf 3] als kapitaalcertificaathouder en de procescertificaathouders hebben op de collectieve actie. SOMI heeft namelijk van de algemene voorwaarden die volgens haar op de procescertificaten (serie 2025) van toepassing zijn, alleen de bepaling over de uitkering van de rendementsvergoeding in het geding gebracht. Stukken waarin de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard, zoals overeenkomsten tussen SOMI en de certificaathouders, ontbreken eveneens. Daarom kan rechtbank er bij deze stand van zaken niet beoordelen in hoeverre [bedrijf 3] en de andere certificaathouders zeggenschap hebben in het kader van de collectieve actie van SOMI. Vanwege hun (mogelijke) terugbetalingsbelang en hun rendementsvergoeding kan ook niet worden uitgesloten dat zij invloed willen uitoefenen op de collectieve actie. 6.56. De rechtbank heeft behoefte aan een nadere toelichting van SOMI om te kunnen beoordelen of SOMI beschikt over voldoende middelen om de kosten van de collectieve actie te dragen, en of zij – in relatie tot de (kapitaal- en proces)certificaathouders – voldoende zeggenschap heeft over de collectieve actie. Zij beveelt SOMI daarom op grond van artikel 22 lid 1 Rv om bij akte haar stellingen op dit onderdeel nader toe te lichten en voor zoveel mogelijk al te onderbouwen met stukken. SOMI heeft ter zitting ook aangeboden om (nader) aan de rechtbank aan te tonen dat zij over voldoende middelen beschikt; zij is echter terughoudend in het delen van meer informatie hierover met X Corp c.s., omdat X Corp c.s. volgens haar daarmee een procesvoordeel kunnen behalen. Voor zover SOMI meent dat sp hebben niet gesteld dat er sinds de aanwijzing iets is gewijzigd in de manier waarop SOMI heeft geborgd dat deelnemers voldoende inspraak hebben op haar besluitvorming. Zij voeren slechts aan dat onduidelijk is hoe de mogelijkheid voor de deelnemers om zich via de SOMI-app of beveiligde My SOMI-omgeving uit te laten over bepaalde besluiten, werkt. Dat is iets anders en is, in het licht van het aanwijzingsbesluit, niet relevant. Dat geldt ook voor de stelling van X Corp c.s. dat SOMI niet voldoet aan de Claimcode, in het bijzonder Principe IV onder 3 (‘onafhankelijkheid en vermijding belangentegenstelling’), omdat SOMI diensten afneemt van ondernemingen van [naam 1] (Leadmind en DotSwan). X Corp c.s. hebben niet gesteld dat SOMI dat nog niet deed ten tijde van het aanwijzingsbesluit. Voor zover hierin wel iets zou zijn gewijzigd, dan kan dit met name van betekenis zijn voor de vraag in hoeverre de leden van het bestuur van SOMI onafhankelijk kunnen opereren en meerdere belangen dienen die elkaar kunnen beïnvloeden (en dus of de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd) en niet zo zeer welke mechanismen voor inspraak van de achterban er zijn. SOMI heeft toegelicht dat zij in nauw contact staat met de deelnemers. Zij beschikt over de contactgegevens van de deelnemers en houdt de deelnemers via haar website, de nieuwsbrieven en Q&A-sessies op de hoogte. Ook kan zij deelnemers via de SOMI-app notificatieberichten sturen. Volgens SOMI kunnen deelnemers via de SOMI-app en de beveiligde My SOMI-omgeving worden benaderd om zich uit te laten over bepaalde besluiten. Hoewel SOMI niet concreet heeft toegelicht hoe dit precies werkt, heeft de rechtbank geen grond om aan te nemen dat dit technisch en praktisch niet haalbaar is. SOMI heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende aangetoond dat zij heeft geborgd dat deelnemers voldoende inspraak hebben op haar besluitvorming en dat zij voldoet aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder b BW. 6.63. Artikel 3:305a lid 2 onder d BW schrijft voor dat de belangenorganisatie beschikt over een algemeen toegankelijke internetpagina, waarop de in deze bepaling vermelde informatie beschikbaar is. X Corp c.s. stellen dat SOMI niet transparant is over de bezoldiging van haar bestuurders en commissarissen (punt 5 onder d) en de eigen bijdrage van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt (punt 8 onder d). Ook hiervoor geldt dat reeds bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onder d BW en dat daarom van belang is of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. 6.64. Ter onderbouwing van hun stelling dat SOMI niet transparant is over de bezoldiging beroepen X Corp c.s. zich op het (na het aanwijzingsbesluit gepubliceerde) jaarverslag van SOMI van 2024. Volgens X Corp c.s. volgt hieruit dat SOMI in 2024 aan de bestuurders en commissarissen een hogere vergoeding heeft betaald dan staat vermeld op haar website. SOMI heeft dat echter gemotiveerd weersproken (zie 6.50), zodat het standpunt van X Corp c.s. niet kan worden gevolgd. Volgens SOMI houdt zij zich aan de op haar website genoemde maximale vergoeding (van in totaal € 75.000,-). De rechtbank houdt het er dan ook voor dat aan de eis van artikel 3:305a lid 2 onder d, punt 5, BW is voldaan. 6.65. Wat betreft de eigen bijdrage is van belang dat een deelnemer zich in het aanmeldproces akkoord moet verklaren met de deelnemersovereenkomst (zie 6.20). Uit het proces-verbaal van de deurwaarder volgt dat de deelnemer hierbij kan doorklikken naar de tekst van de deelnemersovereenkomst (zie schermafbeeldingen 25, 50 en 75 tot en met 82). Artikel 2.3 van de deelnemersovereenkomst bepaalt dat SOMI maximaal 15 procent in rekening zal brengen van de ontvangen schadevergoeding indien aan de gedupeerde enige schadevergoeding wordt toegekend maar de rechter X Corp c.s. niet veroordeelt om de kosten van SOMI vo De rechtbank draagt SOMI op om haar stellingen op dit punt te nader toe te lichten en te onderbouwen aan de hand van schriftelijke stukken. Indien SOMI kan aantonen dat zij over voldoende middelen beschikt en voldoende zeggenschap heeft, dan voldoet zij daarmee aan het waarborgvereiste. De (overige) vereisten van artikel 3:305a lid 3 BW 6.73. De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van SOMI een voldoende nauwe band hebben met de Nederlandse rechtssfeer, zoals vereist in artikel 3:305a lid 3 onder b BW. SOMI komt op voor de belangen van voormalige en huidige gebruikers van het X-platform in Nederland, die voornamelijk in Nederland gebruik hebben gemaakt van de diensten van X Corp c.s. De schade van het gestelde onrechtmatig handelen van X Corp c.s. wordt daarmee ondervonden in Nederland. Dit is door X Corp c.s. niet betwist. Eén van de drie gedaagde partijen is bovendien in Nederland gevestigd. 6.74. SOMI heeft ook onweersproken aangevoerd dat aan het overlegvereiste uit artikel 3:305a lid 3 onder c BW is voldaan (zie ook onder 3.7). Weliswaar is het niet tot daadwerkelijk overleg gekomen, maar dat komt doordat X Corp c.s. geen reden zag om op de uitnodiging van SOMI in te gaan. Een redelijke uitleg van dit vereiste brengt mee dat een gedaagde de actie niet kan tegenhouden door overleg te weigeren. Conclusie ontvankelijkheidseisen WAMCA ( artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW) 6.75. De rechtbank concludeert dat SOMI voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW, behoudens vooralsnog het waarborgvereiste. De rechtbank heeft met betrekking tot dit vereiste behoefte aan meer informatie van SOMI. Overige ontvankelijkheidsvereisten onder de WAMCA (artikel 1018c lid 5 onder b en c Rv) Collectieve procedure is efficiënter en effectiever? 6.76. Zoals onder 6.2 is overwogen moet SOMI ook voldoende aannemelijk maken dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering. Daarbij is van belang dat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is, en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben. 6.77. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, heeft SOMI voldoende aannemelijk gemaakt dat het voeren van de door haar ingestelde collectieve vorderingen efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen door ieder van de gebruikers van het X-platform in de relevante periodes. Met betrekking tot de door artikel 1018c lid 5 onder b Rv als relevant aangemerkte omstandigheden is hiervoor steeds in bevestigende zin geoordeeld. Gesteld noch gebleken is dat er niettemin aanleiding is voor een ander oordeel bij het toepassen van artikel 1018c lid 5 onder b Rv zelf. Vorderingen summierlijk ondeugdelijk? 6.78. Tot slot staat nog ter beoordeling (zie 6.2) of de vorderingen van SOMI summierlijk ondeugdelijk waren op het moment dat de procedure aanhangig werd gemaakt. 6.79. Doel van artikel 1018c lid 5 onder c Rv is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering al voor de inhoudelijke behandeling van tafel te halen omdat deze niet deugt. Dit moet dan zonder meer blijken – dus zonder nader inhoudelijk onderzoek – uit de vorderingen van de eisende partij en de stellingen van partijen daarover in deze fase van de procedure. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van deze vraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (een prima facie oordeel). In de wetsgeschiedenis wordt als voorbeeld genoemd dat het geschil van de collectieve actie niet aan civiele rechter, maar aan de bestuursrechter dient te worden voorgelegd , of dat de vordering kennelijk ongegrond is , bijvoorbeeld omdat de gestelde feiten over de achterban niet aansluiten bij de vordering . 6.80. X Corp c.s. hebben aangevo en vergt een feitelijke beoordeling waarvoor nader onderzoek nodig is en waarbij ook factoren als zeggenschap en economische gebondenheid een rol kunnen spelen. Die factoren zijn in de Bits of Freedom/Meta -zaak niet beoordeeld. Directe werking artikelen 34 en 35 DSA 6.84. Partijen verschillen van mening over de vraag of artikelen 34 en 35 van de DSA directe werking hebben (SOMI meent van wel, maar X Corp c.s. betwisten dat). Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat deze vraag nog niet eerder is beantwoord in de jurisprudentie. Reeds hierom kan de rechtbank in deze fase van de procedure er niet zonder meer van uitgaan dat X Corp c.s. gelijk hebben en dat de vordering van SOMI op dit punt niet deugt. Artikel 6 DSA 6.85. Op grond van artikel 6 DSA is een aanbieder van een tussenhandeldienst die content van gebruikers opslaat en verspreidt (een hostingdienst), niet aansprakelijk voor de opgeslagen informatie als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Voorwaarden zijn dat de aanbieder zich beperkt tot het neutraal aanbieden van de hostingdienst, geen kennis heeft van de illegale inhoud en prompt optreedt tegen illegale inhoud zodra hij daarvan op de hoogte is. De vrijstelling van aansprakelijkheid is niet bedoeld om eigen verplichtingen niet na te hoeven komen, maar alleen om te zorgen dat partijen niet verantwoordelijk worden gehouden voor content die ondanks dat zij hun verplichtingen nakomen via hun platform wordt verspreid. In dit geval verwijt SOMI X Corp c.s. juist dat zij hun eigen verplichtingen niet nakomen. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat de vordering van SOMI tot schadevergoeding als gevolg van hate speech gelet op artikel 6 DSA summierlijk ondeugdelijk is. Daarbij komt dat het verwijt van SOMI aan X Corp c.s. groter is dan hate speech. Hate speech is volgens SOMI slechts één van de systeemrisico’s die X Corp c.s. op grond van artikelen 34 en 35 DSA dienen te beoordelen en te beperken. SOMI stelt zich op het standpunt dat X Corp c.s. met betrekking tot alle systeemrisico’s niet aan hun verplichtingen voldoen. 200M-dataset 6.86. SOMI komt in deze procedure op voor de personen van wie de persoonsgegevens voorkomen in de gelekte datasets. Zij onderscheidt vier datalekken op het X-platform. Zij stelt dat het vierde datalek bestaat uit de gegevens van meer dan 200 miljoen X-gebruikers (de 200M-dataset) en een subset is van de dataset van meer dan 400 miljoen X-gebruikers uit het derde datalek (de 400M-dataset). X Corp c.s. stellen dat op voorhand duidelijk is dat de vorderingen die betrekking hebben op de 200M-dataset geen kans van slagen hebben. Volgens X Corp c.s. heeft deze dataset namelijk geen verband met het eerste datalek (de API-bug) of een andere kwetsbaarheid in de systemen, maar is het waarschijnlijk een verzameling van informatie die reeds online beschikbaar was via diverse andere online bronnen en die van het internet is ‘gescrapet’ en samengevoegd tot de 200M-dataset. SOMI betwist dit en voert daartoe aan dat uit nader onderzoek is gebleken dat de 200M-dataset en de 400M-dataset gegevens bevatten die niet publiekelijk beschikbaar waren. Om te kunnen beoordelen wie gelijk heeft, is nader debat tussen partijen vereist en wellicht zelfs bewijslevering. Daartoe dient de inhoudelijke fase van deze procedure. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat de op de 200M-dataset gebaseerde vordering van SOMI op het eerste gezicht al geen enkele kans van slagen heeft. Conclusie 6.87. Uit het voorgaande volgt dat de stelling van X Corp c.s. dat verschillende vorderingen van SOMI summierlijk ondeugdelijk zijn, niet slaagt. Ook uit de overige standpunten van partijen kan dit niet worden afgeleid. Conclusie ontvankelijkheid SOMI en verdere verloop van de procedure 6.88. De rechtbank concludeert dat nog niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van SOMI, omdat nog onduidelijk is of SOMI voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen v niet of niet tijdig wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag), met een maximum van EUR 10.000.000,- (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum. Te bepalen dat, overeenkomstig artikel 1018f lid 1 Rv, (de wettelijk vertegenwoordiger(s) van) ieder lid van de Achterban met woonplaats of verblijf in Nederland, binnen een maand na de aankondiging overeenkomstig artikel 1018f lid 3 Rv van het vonnis met de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten zich van de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie te willen bevrijden (Opt-out); Te bepalen dat, in overeenstemming met artikel 1018f lid 5 Rv, (de wettelijk vertegenwoordiger(s) van) ieder lid van de Achterban zonder woonplaats of verblijf in Nederland, binnen drie maanden na de aankondiging overeenkomstig artikel 1018f lid 3 Rv van het vonnis van uw Rechtbank tot aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten in te stemmen met de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie en dat zijn belang niet wordt behartigd in een collectieve of individuele vordering, gebaseerd op soortgelijke feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen tegen gedaagden in een andere lidstaat van de EU of de EER (Opt-in). Verklaringen voor recht Te verklaren voor recht en op de gronden zoals uitgewerkt in deze dagvaarding jegens ieder lid van de (relevante) Achterban dat; a. X Corp c.s. gezamenlijk en/of ieder voor zich, toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld door in strijd te handelen met de AVG; b. X Corp c.s. gezamenlijk en/of ieder voor zich, althans XIUC toerekenbaar onrechtmatig heeft/hebben gehandeld door in strijd te handelen met de DSA; c. X Corp c.s. gezamenlijk en/of ieder voor zich, toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld door zich schuldig te maken aan oneerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 6:193b lid 3 onder a BW in samenhang gelezen met 6:193d BW; d. X Corp c.s. gezamenlijk of ieder voor zich, zich ongerechtvaardigd hebben verrijkt. Verwijzing schadestaat / symbolische schadevergoeding / wijze van afwikkeling collectieve schade PRIMAIR a. te verklaren voor recht dat X Corp c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn op de gronden zoals uitgewerkt in deze dagvaarding, jegens ieder (relevant) lid van de Achterban voor de door ieder van die leden als gevolg van de schendingen in vorderingen vi (a-d) geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en b. voor wat betreft de als gevolg van hate speech door de Achterban C geleden immateriële schade in de Relevante Periode 1, X Corp c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een symbolische schadevergoeding te begroten op EUR 1 (één euro) per lid van de Achterban, althans te bepalen dat ook deze schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet; SUBSIDIAIR de collectieve schadeafwikkeling vorm te geven op een wijze die uw Rechtbank in goede justitie geraden acht op basis van door SOMI en X Corp c.s. op bevel van uw Rechtbank ex artikel 1018i Rv over te leggen voorstellen voor een collectieve afwikkeling; en zowel primair als subsidiair per lid van de Achterban te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de Relevante Periode 1 aanvangt, danwel de Relevante Periode 2, althans de datum van dagvaarding, althans de datum van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening. Geboden op straffe van dwangsom en controle X Corp c.s. gezamenlijk en/of ieder voor zich te gebieden om aan hun in deze dagvaarding omschreven wettelijke verplichtingen te voldoen door: a. te voldoen aan de meldplicht datalekken aan betrokkenen op gro niet, niet geheel of niet tijdig aan de veroordeling tot informatieverstrekking wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) met een maximum van EUR 10.000.000,- (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum. Kostenvergoedingen PRIMAIR X Corp c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan SOMI van: a. de volledige door SOMI gemaakte buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; b. de redelijke en evenredige proceskosten van deze procedure en verdere kosten die SOMI heeft gemaakt, overeenkomstig artikel 10181 lid 2 Rv, en/of 237 Rv en/of 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening; c. de volledige door SOMI gemaakte kosten, nakosten en nog in het kader van de schadeafwikkeling te maken kosten, overeenkomstig artikel 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; en d. de volledige door SOMI aan eventuele externe procesfinanciers te betalen overeengekomen vergoeding, overeenkomstig artikel 6:96 BW en/of artikel 10181 lid 2 Rv, zoals nader te begroten op grond van door SOMI nader over te leggen informatie, te vermeerderen met BTW indien van toepassing, een en ander zoals nader te begroten op basis van door SOMI over te leggen informatie en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat; en de volledige kosten van SOMI in verband met de uitvoering van het in deze procedure te wijzen vonnis en de van de afwikkeling van de schadevergoeding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag de afhandeling, waaronder maar niet beperkt tot kosten in verband met de afhandeling van de vaststelling en uitbetaling van de schadevergoeding en de begeleiding van en controle op dat proces, te vermeerderen met BTW indien van toepassing, steeds halfjaarlijks vooraf te voldoen op basis van door SOMI vast te stellen redelijke voorschotbedragen en na afronding af te rekenen op basis van nacalculatie. SUBSIDIAIR te bepalen dat SOMI de kosten zoals bedoeld in de primaire vordering in mindering mag brengen op de door of namens haar aan de Gedupeerden uit te betalen schadevergoedingen nader op te maken bij staat. Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG, PbEU 2020, L 409. Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening persoonsgegeven), PbEU 2016, L 119/1. Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening), PbEU 2022, L 277. Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), PbEU 2005, L 149/22. Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erken