Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-05-15
ECLI:NL:RBAMS:2026:6237
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13/023943-26 en 09/239834-25 (tul) Datum uitspraak: 15 mei 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1999, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [detentieadres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 mei 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. Chr. Nij Bijbank, en van wat verdachte en raadsvrouw, mr. D.M. Moes, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 1] . 2 Tenlastelegging Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich telkens op 23 januari 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan: 1. mishandeling van [persoon 2] , zijnde een ambtenaar in functie; 2. mishandeling van [persoon 1] , zijnde een ambtenaar in functie; 3. vernieling van een muur en/of een matras. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Standpunt van het openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. 4.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen (bewijs)verweren gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. 4.3. Oordeel van de rechtbank 4.3.1. Ten aanzien van feit 1 en 2 Op basis van de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II kan worden bewezen dat verdachte op 23 januari 2026 [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) en [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) heeft mishandeld. Gelet op het standpunt van de verdediging behoeft dit oordeel geen andere motivering. Wat betreft het tenlastegelegde strafverzwarende bestanddeel ‘een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ van artikel 304 lid 1 sub 3º Wetboek van Strafrecht (Sr) overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [persoon 2] en [persoon 1] kunnen worden aangemerkt als ambtenaren in de zin van de artikelen 180 en 304 Sr. In de rechtspraak wordt uitgegaan van een ruime opvatting voor het strafrechtelijke begrip van ambtenaar. Volgens de Hoge Raad wordt onder ‘ambtenaar’ ook begrepen ‘degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd' (HR 17 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:32). De verplichte en gedwongen zorg van een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) is opgenomen in een zorginstelling is een overheidstaak. De artsen en verpleegkundigen die deze taak uitvoeren, zijn op het moment dat zij zich met deze specifieke zorgtaak bezighouden, aan te merken als ambtenaren in de zin van de artikelen 180 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht van belang dat de inhoud en de reikwijdte van de taken van die verpleegkundigen in het kader van de Wvggz van overheidswege zijn bepaald. Hun werkzaamheden zijn onder meer gebaseerd op het maatschappelijk belang om ernstig nadeel voor de betrokkene (de verdachte) zelf te voorkomen en om te voorkomen dat door het gedrag van de opgenomen patiënten de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar komt. Hun werkzaamheden worden verder uitgevoer Oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende informatie bevat om kunnen te concluderen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de bewezen geachte feiten. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straf 7.1. Strafeis van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 113 dagen, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd. 7.2. Strafmaatverweer van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest. 7.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. 7.3.1. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig maakt aan twee mishandelingen van een ambtenaar in functie en een vernieling. De mishandelingen heeft hij gepleegd tegen een psychiater in opleiding en een verpleegkundige die werkzaam waren in de kliniek waar verdachte op dat moment was opgenomen op grond van een crisismaatregel. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten ernstig zijn, aangezien verdachte geweld heeft gebruikt tegen personen die hem juist de benodigde zorg boden. 7.3.2. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 17 maart 2026, waaruit blijkt dat hij meermalen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het NIFP-consult van 27 januari 2026, opgemaakt door M. Hendriks, psychiater. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven - dat verdachte met een crisismaatregel was opgenomen vanwege manisch-psychotische ontregeling. Hij verbleef daar op de extra beveiligde kamer en kreeg dwangmedicatie. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel kan worden vastgesteld dat verdachte psychisch ontregeld was ten tijde van de bewezen geachte feiten en dat de feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. 7.3.3. Straf De rechtbank heeft bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen straf rekening gehouden met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en dat de feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met rekestnummer 26/2469, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, met ingang van 1 mei 2026 een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) is verleend. De rechtbank vindt het van belang dat de voorlopige hechtenis van verdachte aansluit op zijn verblijf in een kliniek in het kader van de zorgmachtiging. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van verdachte om die reden met ingang van 8 mei 2026 geschorst nu verdachte op die datum kon worden opgenomen in de kliniek van Arkin. De rechtbank acht het niet passend om verdachte een straf op te leggen die de periode dat hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht te boven gaat. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 106 dagen met aftrek van het voorarrest opleggen. 8 Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 1] De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 19,50 aan vergoeding van materiële schade en € 540,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met