Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-06-16
ECLI:NL:RBAMS:2026:6071
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/4473 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. R. Vos), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: mr. A. Duisterwinkel). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet (Ow) voor het legaliseren van een erfafscheiding. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 13 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 25 november 2024 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Het bestreden besluit 3. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor legalisatie van een vlonder met overkapping en een erfafscheiding op het perceel [adres]. Het college heeft de vergunning verleend voor zover de aanvraag gaat over de vlonder met overkapping. De aanvraag voor de erfafscheiding is geweigerd. De erfafscheiding valt onder het bestemmingsplan [locatie] en is gesitueerd op gronden met de bestemming ‘Tuin’ en ‘Waterstaat-Waterkering’. De gronden zijn bestemd voor tuinen en erven. Het college heeft het project afgewezen, omdat de toegestane bouwhoogte van maximaal 1 meter met de bestaande erfafscheiding met 0,9 meter wordt overschreden. Beoordeling door de rechtbank 4. In deze uitspraak worden wettelijke regels aangehaald die van belang zijn voor deze zaak. De tekst van deze regels staat in de bijlage bij deze uitspraak. 5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat voor de erfafscheiding een omgevingsvergunning nodig is. Ook is niet langer in geschil dat de erfafscheiding in strijd is met artikel 15.2.1, onder a, sub 1, van de bouw- en gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan. Het welstandsadvies 6.1. Het college is niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken, omdat de erfafscheiding niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het college verwijst naar een advies van de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (COK) van 13 juni 2024. Volgens de COK voldoet de te hoge en te gesloten erfafscheiding niet aan de criteria en oogt deze afwerend. De algemene criteria uit de welstandelijke nota's stellen onder meer dat een ontwerp positief moet bijdragen aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. In dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor de relatie tussen wal en water, waarvoor onder meer zichtlijnen en afstand tussen kade en woonboot van belang zijn. De commissie adviseert daarom om de erfafscheiding tot maximaal 1,0 meter hoogte terug te brengen en eventueel tot 1,90 meter te laten begroeien. De begroeiing biedt privacy en bescherming maar heeft een zekere mate van transparantie en oogt niet afwerend. 6.2. Eiser voert aan dat de afdeling Stedenbouw in 2020 heeft geoordeeld dat de schutting van 1,90 meter hoog akkoord is, omdat die als ruimtelijk element in evenwicht is met de vergunde schuur. Zonder nadere motivering waarom voor het advies van de COK is gekozen en waarom dat a Eiser heeft niet onderbouwd dat de bescherming van zijn veiligheid in redelijkheid een verdere afwijking van het bestemmingsplan vergt. Het enkele feit dat hij uit Israël komt is daarvoor niet voldoende. De rechtbank kan het college dus volgen in het standpunt dat het algemeen belang dat is gediend bij handhaving van de regels van het omgevingsplan en de welstandseisen zwaarder weegt dan dat van eiser bij de door hem voorgestane schutting. Het college heeft de aanvraag om de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen afwijzen. 7.4. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel tot slot gaat niet op, omdat de erfafscheidingen van de buren ook niet vergund zijn. Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk behandeld zijn. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Omgevingswet Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit. Besluit bouwwerken leefomgeving Artikel 2.29 (vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken) Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: j. een erf- of perceelafscheiding, als die niet hoger is dan 1 m. Besluit kwaliteit leefomgeving Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen) 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. 2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Omgevingsplan Art 22.29 Omgevingsplan gemeente Amsterdam Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouw