Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-01-28
ECLI:NL:RBAMS:2026:606
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-282687-25 Datum uitspraak: 28 januari 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 18 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2025 door de Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia , Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedag] 1992, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Letse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Vidzeme District Court van 19 februari 2024 met kenmerk No 11300018621. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich op het standpunt dat voor het vonnis van 19 februari 2024 weliswaar in het EAB een verzetgarantie is afgegeven, maar dat niet duidelijk is wanneer de termijn van dertig dagen begint waarbinnen de opgeëiste persoon verzet moet instellen. De zaak moet worden aangehouden om hierover duidelijkheid te verkrijgen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank – op het standpunt dat de verzetgarantie zoals die door de Letse autoriteiten is afgegeven, voldoet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en dat de overlevering kan worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat ( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en ( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel. Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d): “the person was not personally served with the decision, but - the person will be personally s Pursuant to Section 13₂(1) of the Code, the committee for the allocation of convicted persons established by the order of the head of a prison shall determine 1n which part, unit and cell of the prison the convicted person shall be placed, considering vacant places in cells, psychological compatibility, health conditions, attitude towards smoking, prior criminal experience of the convicted persons. The convicted persons whose personal characteristics and criminal record negatively affect other convicted persons or who oppress and exploit other convicted persons shall also be segregated. […] “Is there any system in place that ensures that the leaders of non-formal prison hierarchies are isolated in separate cells or separate floors?” […] the placement of convicted persons in a specific prison shall be determined by the Head of the Department taking into account medical, security and crime prevention criteria. [...] considering vacant places in cells, psychological compatibility, health conditions, attitude towards smoking, prior criminal experience of the convicted persons. The convicted persons whose personal characteristics and criminal record negatively affect other convicted persons or who oppress and exploit other convicted persons shall also be segregated. In order to eradicate the informal hierarchy of prisoners that existed in prisons, the Ministry of Justice developed, and the Cabinet of Ministers adopted (Minutes of the Cabinet of Ministers meeting of 8 October 2024, No. 41, Paragraph 33) the informative report “Measures to Reduce the Informal Prisoner Hierarchy in Prisons”. [...] Regarding the improvements in procedures for ensuring the safety of the prisoners — a number of important improvements have been introduced in the regulatory enactments concerning the safety of the prisoners, especially regarding those who have been subjected to or fear of inter-prisoner violence. These improvements include internal procedures alongside technological and operational measures. The Department has improved the procedures for relocation of prisoners to another cell or place of imprisonment in the event of a threat to their safety; relocation is also possible in cases of any physical threats or psychological pressure from other prisoners. […]” Standpunt van de raadsman De raadsman verzoekt de rechtbank – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank – geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman voert daartoe aan dat de verstrekte informatie algemeen van aard is en onvoldoende is toegespitst op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Ook is niet duidelijk of de opgeëiste persoon na zijn initiële verblijf in Riga niet zal worden overgeplaatst naar een andere detentie-instelling. Over het aantal uren dat de opgeëiste persoon buiten de cel kan doorbrengen, is niets opgenomen. Deze detentiegarantie neemt het algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie in Letland voor de opgeëiste persoon niet weg en daarmee bestaat een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon. Subsidiair verzoekt de raadsman de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de verstrekte informatie het vastgestelde algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie in Letland voor de opgeëiste persoon wegneemt. De Letse autoriteiten hebben uitgebreid antwoord gegeven op de gestelde vragen. Uit de antwoorden blijkt dat de benodigde maatregelen worden genomen om, voor zover mogelijk, de negatieve gevolgen van het kastestelsel weg te nemen, en ook blijkt dat serieus met de kritiek wordt omgegaan. De officier van justitie gaat er daarbij van uit dat de opgeëiste persoon in de gevangenis in Riga terecht komt. De informatie die is gegeven geldt vervolgens voor alle gevangenissen in Letland.