Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-01-08
ECLI:NL:RBAMS:2026:60
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,634 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:60 text/xml public 2026-03-05T13:08:46 2026-01-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-08 AMS 23/4322 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:60 text/html public 2026-03-05T13:08:13 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:60 Rechtbank Amsterdam , 08-01-2026 / AMS 23/4322 Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt afgewezen. Er ontstaat pas een grondslag voor een schadevergoeding op grond van artikel 6 EVRM, wanneer er een uitspraak op een beroep tegen een beslissing op bezwaar is, die niet binnen een redelijke termijn is gedaan. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Er is alleen een uitspraak gedaan op het beroep niet tijdig beslissen. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/4322 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker, en de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verzoeken om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van verzoeker. 2. De rechtbank wijst de verzoeken af, omdat er geen grondslag is voor toekenning. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Verzoeker heeft beroepen niet-tijdig beslissen ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren. De rechtbank heeft deze beroepen met een uitspraak van 1 mei 2023 gegrond verklaard en verweerder opgedragen om alsnog te beslissen. 4. Vervolgens heeft de rechtbank in een buiten-zitting-uitspraak van 27 juli 2023 het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn beoordeeld. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat er nog niet op de bezwaren van verzoeker was beslist. 5. Op 29 februari 2024 heeft verweerder aan de rechtbank laten weten dat hij reeds op 26 mei 2023 een beslissing op de bezwaarschriften had genomen, dus voordat de rechtbank de buiten-zitting-uitspraak deed. 6. Verzoeker heeft vervolgens verzet ingesteld tegen de buiten-zitting-uitspraak van 27 juli 2023. Het verzet is met de uitspraak van 6 december 2024 gegrond verklaard , omdat de rechtbank ten tijde van de buiten-zitting-uitspraak ten onrechte ervan uit is gegaan dat er nog niet op de bezwaren was beslist. De buiten-zitting-uitspraak is hiermee vervallen en het onderzoek is hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. 7. De rechtbank heeft het verzoek op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft verzoeker deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 8. Indien na bezwaar geen rechterlijke procedure volgt, kan de rechtszoekende op grond van artikel 6 EVRM geen compensatie claimen voor een te langdurige procedure van bezwaar. 9. De rechtbank stelt vast dat verzoeker geen beroep ingesteld heeft tegen de beslissing op de bezwaren van 26 mei 2023. 10. Verzoeker heeft op de zitting betoogd dat het geschil wel voorgelegd is aan de rechter, want de rechtbank heeft uitspraak gedaan op het beroep niet tijdig beslissen. 11. De rechtbank volgt verzoeker niet in zijn betoog. Er is inderdaad uitspraak gedaan op het beroep niet tijdig beslissen, maar er ontstaat pas een grondslag voor een schadevergoeding op grond van artikel 6 EVRM, wanneer er een uitspraak op een beroep tegen een beslissing op bezwaar is, die niet binnen een redelijke termijn is gedaan. Omdat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op de bezwaren van 26 mei 2023, is er geen grondslag voor een schadevergoeding. Voor zover verzoeker op de zitting een beroep heeft gedaan op verschoonbare termijnoverschrijding voor het instellen van beroep tegen de beslissing op de bezwaren, kan hem dit niet baten. Dit laat immers onverlet dat er geen sprake is van een uitspraak op een beroep. De rechtbank begrijpt de frustratie van verzoeker hierover, want de late behandeling van zijn beroep niet tijdig beslissen verdient geen schoonheidsprijs. De rechtbank moet het verzoek echter afwijzen, nu er geen grondslag voor toekenning is. Als verzoeker kan aantonen dat hij schade heeft geleden als gevolg van het niet tijdig nemen van de beslissing op de bezwaren, bestaat nog wel de mogelijkheid om op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht een verzoek in te dienen. 12. Volgens verzoeker op de zitting is ook de redelijke termijn overschreden voor de behandeling van zijn verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hij verzoekt ook daarvoor om immateriële schadevergoeding. 13. De rechtbank wijst dit verzoek ook af. Een uitspraak op een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet binnen een jaar na de uitspraak in de hoofdzaak gedaan worden. Omdat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op de bezwaren van 26 mei 2023 en er dus geen uitspraak in de hoofdzaak is geweest, bestaat geen recht op een schadevergoeding. Conclusie en gevolgen 14. De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Beslissing De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBAMS:2023:2846. AMS 23/4322. ECLI:NL:RBAMS:2024:7651. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie CRvB 29 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2748; ABRS 18 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK3597; HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8359. Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.4.6.