Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-01-28
ECLI:NL:RBAMS:2026:599
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/4488 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam , het college (gemachtigde: mr. J.C. Smit). Inleiding 1. Op 22 november 2022 heeft eiseres bij het college een aanvraag ingediend met als doel eiseres “ in aanmerking te laten komen voor adequate opvang en een woning, zo nodig via taakstelling ”. 1.1. Het college heeft naar aanleiding van deze aanvraag op 6 december 2022 beslist dat eiseres in aanmerking komt voor dag- en nachtopvang en de winterkouderegeling, en dat eisers zich daarvoor kan melden voor een screening (het primaire besluit). Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van 9 juni 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij het primaire besluit gebleven. 1.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Op de zitting is het onderzoek geschorst. Partijen hebben vervolgens de rechtbank verzocht uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Taakstelling op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 3. In bezwaar en beroep spitste het geschil zich onder meer toe op de vraag of eiseres een beroep kan doen op artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 (Huisvestingswet) . Dat artikel bepaalt: “ Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de voorziening in de huisvesting van vergunninghouders in de gemeente overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling .” Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 2 van de Huisvestingswet is een vergunninghouder: “ een vreemdeling die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, b, c, of d, van de Vreemdelingenwet 2000 ”. Omdat eiseres in beroep aanvoert dat het college verplicht is eiseres te huisvesten op grond van de taakstelling als bedoeld in artikel 28 van de Huisvestingswet, zal de rechtbank die beroepsgrond behandelen. 4. Tussen partijen is niet in geschil dat het college op grond van de taakstelling die voor de gemeente Amsterdam geldt, zorgdraagt voor de voorziening in de huisvesting van vergunninghouders. Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of eiseres kan worden aangemerkt als vergunninghouder in de zin van artikel 28 van de Huisvestingswet. 5. Eiseres voert aan dat zij als vergunninghouder moet worden aangemerkt en daarom valt binnen de taakstelling. Zij heeft asiel aangevraagd en uiteindelijk een verblijfsvergunning gekregen zoals genoemd in artikel 8, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000. 6. De rechtbank overweegt dat de wettelijke systematiek rondom de taakstellingen tot doel heeft de huisvesting van verblijfsgerechtigden te regelen. Personen die worden erkend als vluchteling krijgen een verblijfsvergunning en worden hierdoor statushouder (verblijfsgerechtigden). Deze verblijfsgerechtigden verblijven grotendeels in een asielzoekerscentrum (AZC) en moeten zo snel mogelijk reguliere huisvesting vinden om de integratie te bevorderen en om plek vrij te maken in het AZC voor mensen die zich nog in de procedure bevinden. Erkende asielzoekers met een verblijfsvergunning moeten dus zo snel mogelijk via de taakstelling worden gehuisvest. De Huisvestingswet sluit niet uit dat een persoon in het bezit van een reguliere verblijfsvergunning kan worden aangemerkt als vergunninghouder. Ook aan een asielzoeker kan immers een reguliere verblijfsvergunning worden verleend. Wel moet om te kunnen spreken van een vergunninghouder een asielaanvraag zijn ingediend en als gevolg daarvan een verblijfsver