Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-05-26
ECLI:NL:RBAMS:2026:5181
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-042842-26 Datum uitspraak: 26 mei 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 11 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2025 door the Regional Court in Szczecin , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een decision of the Szczecin-Prawobrzeźe i Zachód (Right Bank and West) District Court in Szczecin, 6th Penal Division, van 10 december 2024, met referentie: VI Kp 1299/24. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet mede op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd, te weten feit II. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De raadsman en de officier van justitie hebben ten aanzien van deze weigeringsgrond geen standpunt ingenomen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: - de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; - de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat dat het onderzoek is aangevangen in Polen, de bewijsmiddelen zich daar bevinden en de medeverdachten daar worden vervolgd. In dat licht vormt het gegeven dat feit II wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. 6 Artikel 11 OLW 6.1 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6.2 Detentieomstandigheden in remand regimes Inleiding Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon (nog) niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven, in het zogenoemde remand regime . De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die structureel drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 en 6 juni 2024. De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat die grondrechten worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. Het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) heeft op 19 maart 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon in Polen zal worden gedetineerd als hij wordt overgeleverd. Bij bericht van 30 maart 2026 heeft the Deputy Head of the Remand Centre in Szczecin de volgende, voor zover hier relevante, informatie verstrekt: “(…) It is not possible to specify the amount of time an inmate may spend outside there cell. The Polish Criminal Enforcement Code stipulates that correctional facilities must provide inmates with appropriate conditions for spending their free time. To this end cultural and educational activities, physical education end sports are organized and inmates’ social engagement is encouraged. Inmates must be provided with one hour of outdoor activity in sufficiently spacious and appropriately equipped exercise yards. There is a large number of cultural and educational activities for inmates at this correctional facility. Inmates have the opportunity to take part in cultural and educational activities in the common room of the residential unit, equipped with a TV set. In addition they can spend their free time playing table games such as chess and board game.(…) In accordance with the provision of law in force cultural and educational activities, as well as physical education and sport, are carried out on the basis of a weekly schedule (…).. Activities held in common rooms, sports halls, playing fields and other premises are carried out on the basis of a monthly schedule, at times specified in the internal regulations. (…)” Bij bericht van 31 maart 2026 heeft de Public Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office te Szczecin de volgende, voor zover hier relevante, informatie verstrekt: “(…) Following his possible extradition tot Poland and placement in a shared cell at Remand Centre in Szczecin, [de opgeëiste persoon] will have no less than 3 square metres personal space. The Remand Centre in Szczecin cannot guarantee the standard of living space supposed to be at least 4 square metres. (…) The Remand Centre Szczecin is in no way able to precisely specify the maximum period of time that an inmate may spend outside the living cell. (…)” Op 3 april 2026 heeft het IRC aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten: “1. Could you please specify how much time, under normal circumstances, is spent on each activity? 2. If, theoretically, [de opgeëiste persoon] chooses to participate in all activities offered tot him, will he be able to spend at least two hours (including the one-hour stroll each day) a day outside his cell? Bij bericht van 14 april 2026 heeft de Deputy Director of the Remand Centre in Szczecin, de volgende, voor zover hier relevante, informatie verstrekt: “Ad. I. In the conditions of the Remand Centre in Szczecin; the only time a detainee is allowed outside their cell, which is guaranteed daily, is a one-hour walk. Furthermore, persons deprived of liberty are offered additional activities, such as common room activities and educational meetings (e.g., lectures led by external speakers). Common room activities generally take place once a week for one hour. Lectures are organized irregularly, on average 1 to 3 times a month, and each lasts one hour. It should be noted that participation in these activities is voluntary and depends on the availability of the presenters and the number of persons willing to participate. I would like to point out that the use of the Public Information Bulletin messenger takes place once a week for 20 minutes. Whereas library resources are accessed by placing book orders from the available catalogue. The realization of the orders takes place in the residential cells, without the necessity to leave the cell. I would also like to inform you that, depending on the type of penitentiary to which the detainee is assigned to serve their sentence, 2, 3, or even any number of visits per month are permitted. (…) in the catalogue of rewards provided for persons deprived of liberty there is, amongst other things, a reward in the form permission to participate more frequently in cultural, educational; physical education and sporting activities. The obtainment of this reward depends on the attitude and commitment of the person detained in prison isolation; in particular their active participation in competitions. Assuming that a person detained in jail were to receive aforementioned reward, they would be able, for a specified period e.g. one month, to attend common room activities more frequently, i.e. for example twice a week. At the same time, it should be emphasized that the awarding of the reward, as well as its scope and duration, are discretionary and depend on the decision of the administration of the unit. In this connection; it is not possible to precisely specify the fixed amount of time spent outside the cell as part of these activities. The following religious services are held at this remand centre: 1. Holy Masses and collective religious teachings (…) 2. "Jehovah's Witnesses'' missions (…) 3. Meetings with representatives of the Evangelical Christian Church and the Pentecostal Church (…) Ad, 2. The prison administration endeavors to provide detainees with the widest offer of activities as possible so that they may spend as much time as possible outside their cells. Nevertheless, given current practice and experience, it cannot be guaranteed that, even if a person deprived of liberty participates in all the available activities mentioned above, they will spend at least two hours outside their cell every day.” Bij bericht van 20 april 2026 heeft de Public Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office te Szczecin, de volgende, voor zover hier relevante, informatie verstrekt: “(…) 1) Under normal circumstances in the conditions of the Remand Centre in Szczecin on each of the activities indicated in the previous letter of 31.03.2026 outside the residential cell so many hours are spent: - walk 1 hour every day, - common room activities: 1 hour once a week, - visits of one’s family and closes friends: 1 hour a week which will be granted to [de opgeëiste persoon] by the public prosecutor. - Meetings of educational character: 1 hour each time – on the average 1-3 times in a month, that is on the average 1,5 hour in a month, - Use of the Public Information Bulletin messenger – the access to the websites of the Public Information Bulletin: 20 minutes once a week, - Religious services: - Holy Masses, collective religious teachings, individual talks: 1 hour each time 3 times a week – on Mondays, Thursdays, Saturdays, - Jehovah’s Witnesses missions: twice a week for 3 hours each time – on Saturdays and Sundays in an individual form, - Meetings of the Church of Evangelical Christians and of the Pentecostal Church: twice a week for 2 hours each time – on Tuesdays and Wednesdays in an individual and collective form. 2) theoretically then, if [de opgeëiste persoon] chooses the participation in all the activities offered to him, he will be able during four weeks (28 days) to spend in total 138 hours 50 minutes (8330 minutes), that is 3 hours 57 minutes 30 seconds on the average daily outside his cell (including in it a walk of one hour each day). 3) At the same time, from the Deputy Director General of the Prison Service in Warsaw (…) the information was provided which stated that the Prison Service (…) have at their disposal 11600 accommodation places in penitentiary establishments with a fixed standard of 4 m2 per detainee or more (…) In this connection, on 16.04.2026, we have applied with the request to the Deputy Director General of the Prison Service in Warsaw for indicating whether, in this case, it is possible to waive the distribution on the regional principle and place [de opgeëiste persoon] in a penitentiary establishment with. a standard of 4 in2 per detainee or more, in the conditions of pre-trial detention, and if so, in which one. However, no response has been received to date. It will be forwarded to the Court as soon as it is received.” Op 4 mei 2026 heeft het IRC aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten: “1. Could you please confirm whether a request to this response has been received and if so, what is the response? If no response has been received yet, I would like to ask the following. In a different Polish surrender case where a requested person would most likely be detained in Szczecin Detention Centre, it was guaranteed by the Polish authorities that this person would be detained in the Stargard External Unit. 2. Could you guarantee that [de opgeëiste persoon] will be placed in the Stargard External Unit, where he will be provided with 4 m2 personal space (excluding sanitary facilities)?” Bij bericht van 5 mei 2026 heeft de Public Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office te Szcezin, voor zover hier relevant, de volgende informatie verstrekt: “(…) the Prison Service is currently unable to guarantee an accommodation standard of 4 m2 for detainees throughout their entire period of deprivation of freedom. All accommodation places with the 4 m2 standard have been established with the reservation of the possibility of reverting to the previous accommodation standard should such a need arise (e.g. in the last month in Poland the number of detainees increased by about 1000). The determination of the capacity of the penitentiary units where at least some places have an increased standard should currently be treated as a pilot scheme, and not mandatory measure. (…).” Bij het hiervoor genoemde bericht van 5 mei 2026 van de Public Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office te Szczecin is gevoegd een bericht van 27 april 2026 van de Deputy Director of the Remand Centre in Szczecin, voor zover hier relevant, het volgende inhoudende: “(…) I want to underline, that, as already mentioned in the correspondence so far in the case, the Prison Service currently cannot guarantee an accommodation standard of 4 m2 for detainees throughout their entire period of deprivation of freedom. (…)” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Hoewel er door het IRC veel vragen zijn gesteld en er ook veel aanvullende informatie is gekomen, wordt nog altijd niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering gedurende de gehele periode dat hij gedetineerd zal zijn, kan beschikken over ten minste 4 m2 persoonlijke ruimte. Ook wordt geen eenduidig antwoord gegeven op de vraag hoeveel tijd de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden en indien hij aan alle geboden activiteiten deelneemt, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of op een andere manier kan worden voldaan aan de vereiste garanties. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen over de berekening van het aantal uur dat de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden gemiddeld genomen buiten zijn cel kan verblijven als hij aan alle aangeboden activiteiten deelneemt. Hoewel uit de ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon gemiddeld afgerond 4 uur per dag buiten zijn cel kan verblijven als hij aan alle activiteiten meedoet, ziet die berekening voornamelijk op religieuze activiteiten voor verschillende religieuze stromingen. Uit de aanvullende informatie blijkt verder niet dat alle educatieve, sportieve en culturele activiteiten die worden aangeboden mee zijn genomen in de berekening. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat met de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Hiervoor is het volgende van belang. De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon na overlevering wordt geplaatst in de detentie-instelling in Szczecin waar hij, in een meerpersoonscel, 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, tot zijn beschikking zal hebben. Uit de berekening die is opgenomen in de aanvullende informatie van 20 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in deze detentie-instelling theoretisch, als hij aan alle geboden activiteiten zou deelnemen, gemiddeld 3 uur 57 minuten en 30 seconden per dag buiten zijn cel kan verblijven. Zoals uit de berekening blijkt en ook door de officier van justitie naar voren is gebracht, wordt tot dit aantal uren gekomen doordat diverse religieuze bijeenkomsten van verschillende stromingen zijn meegeteld, die bovendien veruit de meeste tijd voor hun rekening nemen. Dat een opgeëiste persoon aan religieuze activiteiten van alle stromingen deelneemt, ligt niet voor de hand en kan bovendien niet worden verwacht. Als de religieuze activiteiten buiten beschouwing worden gelaten, wordt lang niet voldaan aan een verblijf van gemiddeld zo’n twee uur per dag buiten de cel. Daar komt bij dat in de aanvullende informatie herhaaldelijk wordt aangegeven dat niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon dagelijks twee uur buiten zijn cel kan verblijven. In de aanvullende informatie van 31 maart 2026 staat zelfs dat de “Remand Centre Szczecin is in no way able to precisely specify the maximum period of time that an inmate may spend outside the living cell”. Voorts leidt de rechtbank uit het bericht van 14 april 2026 van de Deputy Director of the Remand Centre in Szczecin af dat de mogelijkheid om deel te nemen aan een deel van de activiteiten afhankelijk is van omstandigheden die buiten de invloedsfeer van de opgeëiste persoon liggen (waar beschikbaarheid afhankelijk is van het aantal deelnemers) of door hem moeten worden verdiend (waar toestemming om deel te nemen aan activiteiten af hangt van de houding van de opgeëiste persoon). Concluderend kan de rechtbank op basis van alle informatie die is verstrekt niet vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De rechtbank ziet, gelet op de vele gestelde vragen en de veelheid aan verkregen aanvullende informatie, geen aanleiding om de aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nogmaals vragen te stellen over de tijd die de opgeëiste persoon gemiddeld buiten zijn cel kan doorbrengen. De rechtbank wijst het daartoe strekkende verzoek van de officier van justitie dan ook af. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen. Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank zal ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland in de periode van 24 juni 2026 tot en met 4 juli 2026, zodat kan worden nagegaan of deze wijziging van omstandigheden is opgetreden. Verlenging van de beslistermijn De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 6 juni 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag in de periode van 24 juni 2026 tot en met 4 juli 2026. HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 5 augustus 2026). VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met zestig dagen; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. WA.J.P. van den Reek, voorzitter, mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en E.H. Wisgerhof, griffiers.