Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-05-19
ECLI:NL:RBAMS:2026:5027
beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd zaaknummer / rekestnummer: 778299 / FA RK 25.8544 Beschikking van 19 mei 2026 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door Arkin ingediende beroepschrift tegen de beslissing van de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken van 25 september 2025, met kenmerk [nummer 1] , en tegen de beslissing van de Klachtencommissie Amsterdam en omstreken van 28 oktober 2025, met kenmerk [nummer 2] . Het betreft klager [klager] . 1 Procesverloop Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 6 november 2025. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026, in het gebouw van de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende personen gehoord: - psychiater, de heer [psychiater 1] - jurist van Arkin, mevrouw [naam 1] - klager/betrokkene, de heer [klager] - advocaat van klager, mr. N.W.A. Dekens. 2 De feiten 2.1 Klager was sinds februari 2025 opgenomen bij Arkin, eerst binnen de Hoog Intensieve Beveiligde Zorg van [locatie 2] (hierna: HIBZ) en daarna in Kliniek [locatie 1] , onderdeel van Mentrum. Klager werd eerst opgenomen met een crisismaatregel en later met een zorgmachtiging. 2.2 Uit de overgelegde medische verklaring van psychiater [psychiater 2] van 22 juli 2025 blijkt -voor zover relevant -het volgende: a. Datum en tijdstip van het onderzoek van betrokkene: 22-7-2025 11:00u b. Wat zijn de symptomen die betrokkene vertoont? Client is zeer beleefd, laat me voorgaan in de spreekkamer, spreekt vriendelijk. Hij vertelt dat hij al 6 maanden met ZM is opgenomen op de High Intensive Care van Mentrum en dat hij geen last heeft van psychische klachten. De begeleiding zou ook vinden dat hij geen behandeling meer nodig heeft op de HIC en hij mag vandaag dan ook over naar de Medium Care (MC). Hij heeft geen psychotische of manische klachten zoals hij zegt. Hij vindt het alleen erg lang duren; de route naar ambulant vindt hij niet nodig. Hij zegt geen drugs meer te zullen gebruiken. Hij heeft in 2020-2021 wel psychotische problemen doorgemaakt; vlgs client kwam dat puur door de harddrugs (chrystal meth). Hij gebruikt een depot (zuclopentixol) vlgs client in een lage dosering (0.75 ml bij 200 mg/ml per 2 weken; adviesdosering is 1-2 ml, dus 200-400 mg per 2-4 weken) en hij gebruikt de clozapine 50 mg alleen voor het slapen, naast zopiclon 15 mg. Client vertelt dat hij opgenomen is door de harddrugs en door klachten van de buren. De buren zouden hem het leven zuur hebben gemaakt en hij heeft inmiddels via Woningnet een nieuwe woning geregeld. Die is nu ingericht en gestoffeerd en hij wil daar zsm naar toe. Hij wil gaan werken bij zijn zwager die een maaltijdservice heeft. In het dossier lees ik dat client duidelijke strrutuur nodig heeft (bv als hij te laat terug is van een verlofmoment dan wordt het 2e verlof die dag ingestrokken); hij gebruikt dagelijks weed, en hij is ook tijdens de afgelopen opname ongeoorloofd afwezig geweest en heeft chrystal med gebruikt, wat hij thuis ook nog heeft liggen. Hij ontkent de mishandeling waar hij voor in detentie heeft gezeten (9 maanden) en de bedreiging van de ambulant behandelaar die daarbij ook meespeelde vindt hij oneerlijk. Hij kon er niets aan doen want hij had toe een psychose o.i.v. van drugs is zijn mening. Client wordt onvriendelijker als ik hierop doorvraag. Cl ontkent ook dat hij de vernieling heeft aangericht die aanleiding was voor deze opname; hij zou juist het glas aan het opruimen zijn geweest. ……. Tot welke (voorlopige) diagnose bent u gekomen? Psychotische stoornis en stoornis in het gebruik van middelen, nu onder remissie bij gebruik adequate dosering antipsychotica depot en duidelijke gedragsmatige structuur. Er is sprake van impulsieve gedragingen, die ook leiden tot harddrugsgebruik ook al wil hij dit eigenlijk niet; vlgs het zorgplan en dossier is dit in het kader van een persoonlijkheidsstoornis.. …… waaru In de brief staat -voor zover hier relevant- vervolgens als reden voor de overplaatsing binnen Arkin: Reden is dat een klinische behandeling met een forensische insteek/expertise het beste aansluit bij uw problematiek, waarbij zowel aandacht is voor risico-gestuurde zorg als toewerken naar herstel. 2.7 Op 12 september 2025 dient betrokkene een klacht in waarin klager aangeeft het oneens te zijn met de overplaatsing naar de FPK want hij zat op de medium care afdeling van kliniek de [locatie 1] en was al aan het toewerken naar uitstromen met een gestabiliseerd toestandsbeeld, waarbij hij de hele dag naar buiten mocht en een nieuwe baan gevonden had, terwijl hij in de FPK in het geheel geen vrijheden meer heeft, aangeeft geen behandeling te hebben en zijn verblijf doelloos vindt. Daarbij merkt hij op een zorgmachtiging te hebben en geen strafrechtelijke titel. 2.8 De klachtencommissie heeft bij beslissing [nummer 1] , verzonden op 1 oktober 2025, voor zover relevant geoordeeld: ….. Welke criteria gelden bij de beoordeling? 5.1 De Commissie stelt voorop dat één van de uitgangspunten van de Wvggz is dat verplichte zorg slechts als ultimum remedium mag worden ingezet. Dit betekent dat eerst alle mogelijkheden voor het bieden van vrijwillige zorg volledig moeten zijn benut. Indien sprake is van verzet van een patiënt tegen zorg, kan op grond van een crisismaatregel, een machtiging tot voortzetting daarvan, of een zorgmachtiging niettemin verplichte zorg worden toegepast, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Verplichte zorg is slechts toelaatbaar indien aannemelijk is dat – kort gezegd – het gedrag van betrokkene, als gevolg van diens psychische stoornis, leidt tot ernstig nadeel. Daarnaast dient de toegepaste vorm van zorg doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het daarmee beoogde doel. Voorts geldt dat geen minder bezwarend alternatief voorhanden mag zijn waarmee datzelfde doel kan worden bereikt…. …. (uit 5.3) Hoewel de Commissie uit te stukken en uit hetgeen tijdens de hoorzitting is opgemerkt heeft begrepen dat de psychische stoornis in remissie is, betekent dit nog niet dat er dan ook geen sprake meer is van een psychotische stoornis. Bovendien zijn er geen stukken voorhanden waaruit het tegendeel blijkt. Ook de rechtbank is bij het afgeven van de zorgmachtiging op 18 augustus van deze diagnose uitgegaan. De Commissie gaat daarom bij de verdere beoordeling uit van deze vastgestelde stoornis. ……. (uit 5.6)…. Ter zitting heeft de klinisch psycholoog desgevraagd toegelicht dat de plaatsing van klager in de FPK [locatie 2] verband houdt met het feit dat klager hoog ingeschat wordt op de kans op delictgedrag. Zij stelt dat zij als klinisch psycholoog enkel de opdracht had gekregen om een risicotaxatie bij klager uit te voeren, en zij derhalve niet op elke (medische) vraag antwoord kan geven. Zij heeft begrepen dat eerdere incidenten, alsmede signalen afkomstig van de [beveiligingsdienst] en een politiedienst, aanleiding hebben gegeven te concluderen dat bij klager sprake is van een verhoogd risico op delictgedrag. De klinisch psycholoog stelt desgevraagd dat er in Kliniek [locatie 1] discussie is geweest of en hoe klager verder behandeld moet worden. Omdat de behandeling in Kliniek [locatie 1] was afgerond en de psychische stoornis van klager in rustiger vaarwater kwam, konden de behandelaars aldaar niets meer voor hem betekenen. Zij concludeerden dat het gedrag van klager het beste behandeld kon worden door middel van gedragstherapeutische interventie, welke niet geboden wordt in Kliniek [locatie 1] . Binnen dit kader zijn diverse opties besproken. Het ambulante GGZ-team vond zich niet het juiste team om klager te behandelen, en ook de toegang tot de Kliniek voor Intensieve Behandeling (KIB) werd geweigerd omdat daar geen indicatie voor aanwezig was. Omdat de FPK [locatie 2] een behandeling biedt voor delictgedrag en er vrees bestaat dat klager daadwerkelijk een (maatschappelijk) delict zou kunnen plegen, werd ged De Commissie verklaart de klacht gegrond en vernietigt de beslissing van de geneesheer-directeur. 2.7. Schriftelijke beslissing klachtcommissie [nummer 2] , verzonden op 28 oktober 2025, voor zover relevant: De Commissie: Wijst toe het verzoek van klager tot schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder ten bedrage van €4.100,00,-- ; en wijst af het meer of anders verzochte. 3 Het beroep van Arkin 3.1 Het beroep van Arkin richt zich tegen de gegrondverklaring van de klacht van klager ten aanzien van de beslissing tot overplaatsing naar de Forensisch Psychiatrisch Kliniek van [locatie 2] (hierna: de FPK [locatie 2] ) en de toegekende schadevergoeding als reactie op het schadevergoedingsverzoek. 3.2 Ter onderbouwing van het beroep wordt aangegeven dat Stichting Arkin een aanbieder is voor specialistische geestelijke gezondheidszorg, bestaande uit verschillende specialismen, waaronder Mentrum (gespecialiseerd in acute en chronische psychiatrie) en [locatie 2] . [locatie 2] is (gespecialiseerd in forensische psychiatrie). Enige tijd na de opname sinds februari 2025, eerst binnen de Hoog Intensieve Beveiligde Zorg van [locatie 2] (hierna: HIBZ) en daarna in Kliniek [locatie 1] , onderdeel van Mentrum was de behandeling van betrokkene gericht op stabiliseren van het ziektebeeld. Op 22 augustus 2025, vier dagen ná de beschikking van de rechtbank Amsterdam (waarin zij oordeelt dat sprake is van ernstig nadeel) is klager overgeplaatst van Kliniek [locatie 1] naar de FPK [locatie 2] . 3.3 Op 12 september 2025 dient klager een klacht in bij de klachtencommissie over het besluit tot overplaatsing naar de FPK [locatie 2] . Op 15 september 2025 heeft de psychiater van klager hiertegen een verweerschrift ingediend. Op 22 september 2025 heeft een klachtzitting plaatsgevonden en op 1 oktober 2025 heeft Arkin de schriftelijke beslissing van de klachtencommissie ontvangen. Voorgelegd wordt dat de klachtencommissie de klacht gegrond acht. De klachtencommissie oordeelt kortgezegd dat: a. niet is voldaan aan het vereiste van ernstig nadeel in de zin van de Wvggz; b. de overplaatsing buitenproportioneel moet worden geacht omdat een minder ingrijpend alternatief, te weten de Forensisch Ambulante Zorg (FAZ), een beschikbare optie zou zijn. c. het uitvoeren van een risicoanalyse geen doel op zichzelf vormt in het kader van de Wvggz omdat de Wvggz de behandeling van een stoornis tot uitgangspunt neemt. 3.4 Arkin meent dat de beslissing om klager over te plaatsen naar de FPK [locatie 2] op goede gronden is genomen en in overeenstemming is met de Wvggz. Arkin kan zich dan ook niet vinden in de overwegingen en conclusies van de klachtencommissie. 3.5 De klachtencommissie komt, naar de mening van Arkin, ten onrechte tot het oordeel dat niet voldaan is aan het vereiste van ernstig nadeel in de zin van de Wvggz en dat een behandeling bij de FAZ een beschikbare optie zou zijn. Arkin meent dat er voldoende redenen waren om klager over te plaatsen en de klinische behandeling binnen de FPK [locatie 2] voort te zetten, dat er sprake was van ernstig nadeel in de zin van de Wvggz en dat er geen minder ingrijpende opties voorhanden waren. 3.6 Arkin voert daartoe aan dat betrokkene een 32-jarige Palestijnse man is met een uitgebreide psychiatrische en justitiële (strafrechtelijke) voorgeschiedenis. Bij betrokkene is sprake van een schizoaffectieve stoornis, persoonlijkheidspathologie, in de vorm van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en borderline trekken en verslavingspathologie in de vorm van een ernstige stoornis in het gebruik van crystal meth en cannabis. Uit het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis vloeit (dreigend) ernstig nadeel voort in de vorm van een risico op fysieke schade bij anderen. Daarnaast loopt betrokkene het risico gevaar over zichzelf af te roepen en niet het maatschappelijke leven te kunnen opbouwen dat hij graag wil. In de beslissing tot verplichte zorg van 22 augustus 2025 Deze zorgen zijn zo ernstig dat betrokkene wordt gevolgd door de [beveiligingsdienst] ( [beveiligingsdienst] ) ter bescherming van de veiligheid van [naam 3] . Gebleken is dat betrokkene af en toe bij [naam 3] voor de deur staat en hij brieven aan haar heeft geschreven waarvoor in het kader van stalking een stopgesprek plaats heeft gevonden bij de politie. 3.12 Tevens spelen er zorgen omtrent het extremistische gedachtengoed van betrokkene. Betrokkene is bekend bij het Actiecentrum Veiligheid en Zorg en wordt gevolgd door een regisseur radicalisering. Hij wordt ervan verdacht dat hij op [datum] 2024 in PI [locatie 3] een Joodse medegedetineerde heeft mishandeld waarbij hij hem meerdere keren op het hoofd en in het gezicht zou hebben geslagen als gevolg waarvan het slachtoffer twee onderste voortanden mist. De medegedetineerde heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie en in afwachting van deze rechtszaak dient betrokkene zich thans twee keer per week te melden bij de politie. 3.13 In augustus 2025 is de zorgverantwoordelijke van betrokkene gebeld door de geneesheer-directeur van Arkin met de mededeling dat Arkin is gebeld door betrokken instanties dat betrokkene zich tijdens zijn verlof ophoudt in de buurt van het huis van [naam 3] . In gesprek hierover verklaart betrokkene dat hij zelf mag weten wat hij doet en waar hij in de buurt hangt omdat hij toch niks kwaad doet. betrokkene zegt dat de politie zich met hem bemoeit vanwege een waan die niet bestaat, zij vinden het leuk om hem te volgen. 3.14 Dat er serieuze zorgen zijn rondom het forensisch profiel van betrokkene blijkt daarnaast uit het feit dat er strakke afspraken zijn gemaakt in het geval van ongeoorloofde afwezigheid. Direct dienen de politie, de officier van justitie, de piketdienst van Team Dreigingsmanagement en de betrokken regisseur radicalisering geïnformeerd worden dat sprake is van een urgente vermissing. Het verschil met een melding van een reguliere vermissing is dat de politie direct in actie komt bij een melding van een urgente vermissing. Bij klager was deze afspraak noodzakelijk gezien een reëel risico op agressie en klager bij Actiecentrum Veiligheid en Zorg bekend is met forse agressie, mishandeling, stalking van leden van het koningshuis en extremistisch gedrag. 3.15 Ín Kliniek [locatie 1] is na stabilisatie gekeken naar een passende vervolgplek voor klager. Omdat de ambulante behandeling bij het Forfact niet goed van de grond is gekomen, in combinatie met de forensische zorgen, stelt het Forfact de voorwaarde dat eerst klinisch wordt onderzocht welk risicoprofiel en bijpassende behandeling aansluit bij klager alvorens zij klager weer ambulant kunnen behandelen. 3.16 Goede forensische diagnostiek is noodzakelijk om betrokkene goed te kunnen begeleiden en de juiste zorg te kunnen bieden. Het forensisch profiel van betrokkene vraagt om risico-gestuurde zorg dan wel forensische zorg gezien alle gedragingen en problematiek in zijn voorgeschiedenis die heden nog steeds relevant zijn. Vanwege zijn gebruik van middelen is het uitvoeren van dergelijke diagnostiek in ambulante setting onhaalbaar. Bovendien is bij betrokkene sprake van oordeels- en kritiekstoornissen en van afwezigheid van ziektebesef en -inzicht: ondanks detentie en duidelijk gestructureerde opname in Kliniek [locatie 1] heeft betrokkene geen inzicht dat hij nog risico loopt bij het gebruik van drugs op psychotische verschijnselen en daarmee agressie en disfunctioneren. Een opname in een klinische setting om een risicoanalyse uit te voeren was dan ook noodzakelijk, aldus Arkin nog steeds. 3.17 Voor de plaatsing in FPK [locatie 2] is de NIFP rapportage geraadpleegd die op 20 november 2024 is opgesteld ten behoeve van de strafzaak tegen betrokkene. Mede op grond van deze rapportage is besloten dat een forensische behandeling in de FPK [locatie 2] het beste bij de problematiek van klager past. Op 22 augustus 2025 wordt klager overgeplaatst naar FPK [locatie 2] (waar hij zich over Deze toevallige omstandigheid maakt volgens betrokkene dat hij door de [beveiligingsdienst] steeds in de buurt van [naam 3] wordt gesignaleerd. Betrokkene verklaart stellig dat hij direct en uit zichzelf is vertrokken op de momenten dat hij doorhad dat [naam 3] in de buurt was en geenszins kwade intenties had in de richting van [naam 3] . 4.2 Daarnaast stelt betrokkene tijdens de mondelinge behandeling dat de eerder vastgestelde diagnose van een floride psychotisch toestandsbeeld met geen ziektebesef en -inzicht, op grond waarvan hij is opgenomen onder de zorgmachtiging, niet (meer) klopt en voert hij aan dat zijn behandelaar in de FPK [locatie 2] dat ook in twijfel heeft getrokken dan wel meent dat hier geen sprake van is. Bovendien is betrokkene van mening dat de opname in de FPK [locatie 2] , waar een streng regime heerst, buitenproportioneel is omdat een dergelijke risicoanalyse ook ambulant kan plaatsvinden. Betrokkene vindt zijn verblijf in de FPK [locatie 2] nutteloos, omdat hij zegt geen behandeling te krijgen en ook geen vrijheden krijgt, terwijl hij tijdens zijn opname in Kliniek [locatie 1] al aan het toewerken was naar ambulante zorg, omdat zijn toestandsbeeld al geruime tijd stabiel is. Vrijheden waren daar al volledig opgebouwd, en hij was hij bezig om zijn leven buiten de kliniek weer op te pakken; hij had namelijk al een nieuw huis en een nieuwe baan gevonden. Klager betreurt het dan ook heel erg dat zijn zicht op ontslag door de opname in de FPK [locatie 2] enorm vertraagd wordt. 4.3 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat medegedeeld dat betrokkene ten tijde van de zitting in het kader van een zorgmachtiging vrijheden had en dat hij zelfstandig naar buiten mocht. Betrokkene was aan de herstellende hand. Het effectueren van de overplaatsing naar de FPK [locatie 2] was in dat opzicht bijzonder en om die reden is tegen de overplaatsingsbeslissing geklaagd. De klachtencommissie heeft die klacht volgens de advocaat terecht gegrond verklaard. De toegepaste vorm van zorg moet doelmatig zijn en in verhouding tot het beoogde doel. 4.4 De advocaat voert aan dat het niet uit te leggen is dat de behandeling in Kliniek [locatie 1] was afgerond, de psychische stoornis van betrokkene in rustiger vaarwater kwam, dat de behandelaars aldaar niets voor hem konden betekenen en dat betrokkene vervolgens werd overgeplaatst naar de FPK [locatie 2] , zonder vrijheid en niet of nauwelijks behandeling, maar wel voor een risicotaxatie zonder strafrechtelijke titel. 4.5 Aangevoerd wordt dat betrokkene is vrijgesproken van het bedreigen van [naam 3] met een terroristisch oogmerk. In de tijd dat hij langdurig in voorarrest verbleef en men poogde een tbs met dwangverpleging te realiseren, is er geen nieuwe zorgmachtiging voor hem aangevraagd. Een machtiging die hij langdurig heeft gehad. Toen hij werd vrijgesproken stond hij letterlijk van de ene op de andere dag zonder Wvggz vangnet, zonder ambulant kader, op straat. En daardoor heeft hij in medische zin kunnen afglijden. Die situatie had voorkomen kunnen worden, aldus de advocaat. Het gevolg was ingrijpend met eerst een crisismaatregel, gevolgd door een zorgmachtiging, kortom een langdurige opname, welke volgens de advocaat voorkomen had moeten en kunnen worden, als men tijdig een nieuwe zorgmachtiging (als vangnet) had voorbereid en aangevraagd. 4.6 Gedurende die gedwongen opname in het kader van de zorgmachtiging, is betrokkene alsnog in een tbs light regime geperst omdat, zo geeft de advocaat aan, er in Kliniek [locatie 1] geen behandeling meer zou kunnen volgen, er geen indicatie voor een KIB volgde, er ambulant niemand beschikbaar was en men delict gedrag vreesde; betrokkene moest naar de FPK [locatie 2] voor de behandeling van delict gedrag, terwijl hij al langere tijd psychiatrisch stabiel was en zicht had op uitstroom naar ambulante zorg. . 4.7 De advocaat betwist dat er sprake is van een (dreigend) ernstig nadeel dat een behandeling en overplaatsing naar de FPK 5.2 Ook de rechtbank ziet natuurlijk dat er sprake is van een bijzondere situatie nu klager vanuit een behandelsituatie op de Medium Care afdeling van Kliniek [locatie 1] , met een aantal vrijheden, werd overgeplaatst naar een strenger regime in de FPK, waarbij klager eerst geen vrijheden zou krijgen. 5.3 Terecht stelt de klachtencommissie voorop dat één van de uitgangspunten van de WvGGz is dat verplichte zorg slechts als ultimum remedium mag worden ingezet. Terecht stelt de klachtencommissie voorts dat hoewel de psychische stoornis in remissie is, dat nog niet betekent dat er dan ook geen sprake meer is van een psychische stoornis. 5.4 De rechtbank is van oordeel dat de klachtencommissie in dit bijzondere, uitzonderlijke geval onvoldoende gewicht heeft gegeven aan het feit dat doel van behandeling op grond van de wet er niet alleen op ziet om ernstig nadeel voor betrokkene zelf af te wenden maar dat ook het afwenden van ernstig nadeel voor derden, andere deelnemers aan de maatschappij in voldoende mate dient te worden afgewend. Daarbij dient niet alléén naar de belangen van de betrokkene gekeken te worden. De rechtbank acht het uitvoeren van een risicoanalyse noodzakelijk en doelmatig, omdat het in het belang van betrokkene is dat er passende zorg wordt verleend. Nu niet duidelijk is welke dat is, acht de rechtbank een risicoanalyse voorafgaande aan verdere inzet van passende zorg toelaatbaar en noodzakelijk. 5.5 Anders dan de klachtencommissie acht de rechtbank het – gelet op de moeizame samenwerking met betrokkene in ambulante setting in het verleden en het drugsgebruik zoals blijkt uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken – niet voor de hand liggend dat een dergelijke risicoanalyse ambulant kan plaatsvinden. Anders ook dan de klachtencommissie oordeelt de rechtbank dat het ernstig nadeel op dat moment nog niet op een minder verregaande wijze kon worden voorkomen door het inzetten van ambulante hulpverlening. Hoewel in theorie misschien wel de mogelijkheid bestond van het inzetten van ambulante hulpverlening, leert de praktijk dat bij een overdracht naar ambulante behandeling dat die overdracht door de overnemende behandelaren dan wel geaccepteerd zou moeten worden en moet duidelijk zijn dat die opvolgend behandelaren dan ook bereid zijn om de behandeling voort te zetten. Uit de toelichtingen van de verschillende behandelaren en de beschrijvingen van het beloop wordt duidelijk dat betrokkene wel vooruitgang heeft geboekt, maar lijkt verdere vooruitgang te stagneren/ vast te lopen op het voortdurende en blijvende gebruik van verdovende middelen (onder andere crystal meth) door betrokkene, met daarbij het door de behandelaren gesignaleerde forse risico op herhaling van terugval in psychoses met bijbehorende risico’s voor betrokkene zelve en dus óók derden. 5.6 Dit tezamen, met het voortdurende drugsgebruik en juist ook het gegeven dat betrokkene in het verleden zelfs veroordeeld is voor bedreigingen en mishandeling, en nu kennelijk wederom verdacht leek te zijn van een mishandeling (gedurende zijn voorlopige hechtenis) maakt dat de rechtbank in dit uitzonderlijke geval oordeelt dat het stellen van een nadere diagnose en inzichtelijk maken hoe de ernstige nadelen en gevaren (voor betrokkene én derden) begrensd kunnen worden, toelaatbaar is. Hieronder wordt uitgebreider uitgelegd op grond waarvan voorgaande conclusie getrokken is. 5.7 Betrokkene heeft een uitgebreide psychiatrische en justitiële voorgeschiedenis en er is sprake van een langer patroon waaruit blijkt dat de samenwerking in het ambulante kader moeizaam verloopt. Hoewel betrokkene betwist dat er sprake zou zijn van stalking, is verder onbetwist gebleven dat klager een uitgebreid strafblad heeft met veroordelingen wegens onder andere mishandeling en bedreiging. Daarnaast speelt mee dat klager een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis en crystal meth heeft en dat vooral het gebruik van crystal meth ontremming veroorzaakt en Kortom in dat opzicht is de rechtbank, anders dan kennelijk de klachtencommissie, van oordeel dat niet de beoordeling of er een strafrechtelijke vervolging gaat plaatsvinden of dat er een redelijk vermoeden bestond dat klager een strafbaar feit zou begaan redengevend is voor een beslissing in deze, maar moet beoordeeld wordt of de in de WvGGz benoemde ernstige nadelen proportioneel behandeld en begrensd worden. En daarbij liggen de normen in de zorgmachtiging (zie 2.3) duidelijk anders dan de normen die in het strafrecht voor een veroordeling ten aanzien van bijvoorbeeld mishandeling of bedreiging gelden. Nu door de verschillende deskundigen is benoemd dat middelengebruik kan leiden tot een terugval in psychoses, betrokkene zelf notabene zijn drugsgebruik als oorzaak voor zijn gevaar zettend toestandsbeeld opgeeft en dat hij middelen is blijven gebruiken, is het voor de rechtbank, juist gelet op de voorgeschiedenis van betrokkene duidelijk dat op het moment van de overplaatsing de ernstige nadelen nog steeds aanwezig waren (ondanks alle vooruitgang helaas). 5.12 Anders ook dan de klachtencommissie kan de rechtbank juist niet uit de stukken, de toelichtingen op verschillende momenten en het verhandelde ter zitting concluderen dat er op het moment van de overplaatsing een minder ingrijpend alternatief beschikbaar was. Het lijkt er op dat de klachtencommissie uitgaat van de theoretische mogelijkheid dat Forensisch Ambulante Zorg een beschikbare optie was, maar door behandelaren is nu juist aangegeven dat de mogelijke ambulante behandelaren eerst nader onderzoek nodig achtte aangaande het risicoprofiel en bijpassende behandeling. Tijdens de zitting bij de klachtencommissie geeft de inmiddels bij de behandeling betrokken psycholoog (zie 2.8) aan dat een risicotaxatie weliswaar ook ambulant kan plaatsvinden, maar dat dit in de praktijk minder wenselijk is omdat de kans bestaat dat klager in een psychotische ontregeling belandt en mogelijk drugs gaat gebruiken. Duidelijk is voorts dat de behandeling in Kliniek [locatie 1] geen verdere vooruitgang meer kon bieden. Het laatste te bedenken – en verder niet besproken- alternatief zou dan zijn om betrokkene maar uit de Kliniek [locatie 1] te ontslaan zonder ambulante begeleiding om dan maar te bekijken in hoeverre hij zonder ambulante hulpverlening zal gaan functioneren, welke mogelijkheid niet alleen afvalt vanwege de ernstige nadelen voor betrokkene en derden, maar ook omdat klager zelf het niet goed vond om verder zonder hulpverlening op straat te komen. 5.13 Kortom de rechtbank komt tot de conclusie dat er op het moment van het nemen van de beslissing tot overplaatsing onvoldoende tot geen reële minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren, waar de rechtbank dus ook weer de bijzondere voorgeschiedenis met nadelige consequenties voor betrokkene zelf maar ook voor derden bij betrekt. 5.14 Tot slot -gezien de eerdere toelichting wellicht nog ten overvloede- over de opmerking van de klachtencommissie dat het uitvoeren van een risicoanalyse geen doel op zich vormt in de WvGGz omdat deze wet de behandeling van een stoornis tot uitgangspunt neemt. De rechtbank gaat er vanuit dat er voor een goede behandeling goede diagnostiek en beoordeling plaatsvindt om vervolgens te kunnen bepalen welke behandeling er ingezet kan worden om een zodanige situatie te bereiken dat ofwel stoornissen (liefst helemaal) verdwenen zijn ofwel ernstige nadelen zo begrensd en beperkt kunnen worden dat verplichte zorg niet meer nodig is. Uit het geheel van toelichtingen maakt de rechtbank op dat de genoemde risicotaxatie (en behandeling) door de FPK in dat licht bezien moet worden en dan ziet de rechtbank een dergelijke risicotaxatie als onderdeel van de in dit bijzondere geval noodzakelijke diagnostiek. 5.15 Resumerend; hoewel bemoedigend is dat gedurende opname vooruitgang in de behandeling is geboekt en ruimte is ontstaan en gezien is om betrokkene na verloop van tijd meer verloven toe te kennen, begrijpt de