Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-01-23
ECLI:NL:RBAMS:2026:486
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 71/135968-25 Datum uitspraak: 23 januari 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1999, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd te: [verblijfsplaats] . 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. Z. Trokic, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. Boucher, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 mei 2025 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan: feit 1 het medeplegen van het voorhanden hebben van twintig handgranaten, twee automatische vuurwapens, twee semiautomatische vuurwapens, een geluidsdemper, vuurwapenonderdelen, hulpstukken en munitie; feit 2 poging tot het medeplegen van het doen uitgaan van twintig handgranaten, twee automatische vuurwapens, een geluidsdemper, twee semiautomatische vuurwapens, vuurwapenonderdelen, hulpstukken en munitie. De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3 Waardering van het bewijs De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte de feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 januari 2026; - proces-verbaal van bevindingen met nummer LXFBE25002-23 van 4 mei 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 16; - proces-verbaal onderzoek vuurwapens, onderdelen en munitie met nummer PL2600-2025011228-6 van 3 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, p. 56; - proces-verbaal onderzoek explosieven (scherfhandgranaten) met bijlagen met nummer PL2600-2025011228-8 van 9 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, p. 325. Opzet Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hem verteld was dat hij twee pistolen moest ophalen in Nederland en naar België moest brengen. De rechtbank acht verdachte echter verantwoordelijk voor alle aangetroffen goederen. Verdachte heeft immers verklaard dat hij niet aanwezig was bij de preparatie van de koffer en dat hij deze koffer ook niet heeft gecontroleerd. Door na te laten voorafgaand aan zijn vertrek nader onderzoek te doen naar de aard en inhoud en het gewicht van de aan hem verstrekte koffer, heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij meer dan de aan hem toegezegde twee pistolen zou ophalen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van twee pistolen vol opzet heeft gehad op het voorhanden hebben en de uitvoer van deze wapens. Ten aanzien van de overige aangetroffen goederen heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het voorhanden hebben en de uitvoer daarvan. Ten aanzien van de aangetroffen kolf stelt de rechtbank op grond van het hiervoor genoemde proces-verbaal van 3 juli 2025 (p.6) vast dat deze kolf niet onder de Wet wapens en munitie valt, zodat verdachte daarvoor wordt vrijgesproken. Medeplegen Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de man van zijn nicht opdracht heeft gegeven om de wapens op te halen in Rotterdam. Verdachte heeft in Rotterdam van een andere persoon de koffer met de wapens overhandigd gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen. De rechtbank stelt dan ook vast dat sprak