Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-07
ECLI:NL:RBAMS:2026:4822
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4822 text/xml public 2026-05-20T15:02:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-07 13/136070-21 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4822 text/html public 2026-05-20T14:47:24 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4822 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 13/136070-21 Verdenking feit 1: medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne + feit 2: aanwezig hebben 7,52 gram heroïne. Vrijspraak feit 1. Veroordeling feit 2. Gevangenisstraf 2 (twee) dagen. Overschrijding redelijke termijn. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/136070-21 Datum uitspraak: 7 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , hierna: verdachte. 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.M. Demirer, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan; 1. het medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne in de periode van 1 april 2021 tot en met 14 december 2021; en 2. het aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne op 14 december 2021. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft aangevoerd dat met de observaties, de tapgesprekken, de telecomgegevens, de verklaringen van afnemers en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte(n), er voldoende bewijs is voor het medeplegen van het handelen in verdovende middelen gedurende de ten laste gelegde periode. Datzelfde geldt voor het aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1, gezien het gebrek aan concrete aanwijzingen in het dossier dat verdachte daadwerkelijk betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Ten aanzien van feit 2 is door de raadsman geen bewijsverweer gevoerd, gezien de bekennende verklaring van verdachte. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Feiten en omstandigheden In april 2021 komen bij de politie meldingen binnen over drugshandel via een zogenaamde ‘deallijn’. Naar aanleiding van deze meldingen wordt een onderzoek opgestart, waarbij verdachte, samen met twee medeverdachten, in beeld komt in verband met mogelijke handel in harddrugs, het koken daarvan en het aanwezig hebben van harddrugs. 3.3.2 Vrijspraak ten aanzien van feit 1 De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het als feit 1 tenlastegelegde. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat verdachte daadwerkelijk zelf dealde. Weliswaar zijn er getuigen die verklaren dat zij verdachte ook wel eens hebben gezien bij het afleveren van drugs, maar deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende overtuigend danwel consistent om op basis daarvan tot een bewezenverklaring voor feit 1 te komen. 3.3.3 Ten aanzien van feit 2 De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne, zoals onder feit 2 ten laste gelegd. Dit mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. De raadsman heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opgave van de voor dit feit gebruikte bewijsmiddelen, namelijk: De bekennende verklaring van verdachte, [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), afgelegd op de terechtzitting van 10 maart 2026; Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2021070861 van 15 december 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , doorgenummerde pagina’s ZD01 03 0221 t/m 0225; Een geschrift, te weten een laboratoriumrapport van 22 december 2021 opgemaakt door drs. [naam] , doorgenummerde pagina ZD01 03 0233. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte 2. op 14 december 2021 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 7,52 gram heroïne. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 Strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 118 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van drie maanden met een proeftijd van 2 jaren gevorderd. 7.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de strafoplegging moet komen tot een straf die hoogstens gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. 7.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt tot een andere strafoplegging dan de officier van justitie, gelet op de vrijspraak voor feit 1. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne. Het is verboden om deze harddrugs aanwezig te hebben omdat het gebruik van harddrugs verslavend én schadelijk voor de gezondheid is. Het gebruik, en dus verschaffen van heroïne, houdt de criminele activiteiten die hiermee gepaard gaan dan ook in stand. Dit is een zorgelijk feit. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Deze recidive zal de rechtbank dan ook in strafverzwarende zin meewegen bij de straftoemeting. Er is echter ook sprake van een situatie als omschreven in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Hier houdt de rechtbank, in het voordeel van verdachte, ook rekening mee. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport ten aanzien van verdachte van 16 februari 2026. Hieruit blijkt dat sinds onderhavige tenlastelegging op verschillende levensgebieden sprake is van stabiliteit. Verdachte heeft een stabiele huisvesting, er zouden geen financiële problemen zijn en hij is inmiddels vier jaar abstinent. Er is bovendien sprake van een steunend netwerk. De reclassering adviseert dan ook om geen bijzondere voorwaarden aan een eventuele straf te verbinden. Redelijke termijn In beginsel moet een zaak binnen twee jaar worden afgedaan door de rechter.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4822 text/xml public 2026-05-20T15:02:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-07 13/136070-21 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4822 text/html public 2026-05-20T14:47:24 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4822 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 13/136070-21 Verdenking feit 1: medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne + feit 2: aanwezig hebben 7,52 gram heroïne. Vrijspraak feit 1. Veroordeling feit 2. Gevangenisstraf 2 (twee) dagen. Overschrijding redelijke termijn. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/136070-21 Datum uitspraak: 7 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , hierna: verdachte. 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.M. Demirer, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan; 1. het medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne in de periode van 1 april 2021 tot en met 14 december 2021; en 2. het aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne op 14 december 2021. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft aangevoerd dat met de observaties, de tapgesprekken, de telecomgegevens, de verklaringen van afnemers en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte(n), er voldoende bewijs is voor het medeplegen van het handelen in verdovende middelen gedurende de ten laste gelegde periode. Datzelfde geldt voor het aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1, gezien het gebrek aan concrete aanwijzingen in het dossier dat verdachte daadwerkelijk betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Ten aanzien van feit 2 is door de raadsman geen bewijsverweer gevoerd, gezien de bekennende verklaring van verdachte. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Feiten en omstandigheden In april 2021 komen bij de politie meldingen binnen over drugshandel via een zogenaamde ‘deallijn’. Naar aanleiding van deze meldingen wordt een onderzoek opgestart, waarbij verdachte, samen met twee medeverdachten, in beeld komt in verband met mogelijke handel in harddrugs, het koken daarvan en het aanwezig hebben van harddrugs. 3.3.2 Vrijspraak ten aanzien van feit 1 De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het als feit 1 tenlastegelegde. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat verdachte daadwerkelijk zelf dealde. Weliswaar zijn er getuigen die verklaren dat zij verdachte ook wel eens hebben gezien bij het afleveren van drugs, maar deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende overtuigend danwel consistent om op basis daarvan tot een bewezenverklaring voor feit 1 te komen. 3.3.3 Ten aanzien van feit 2 De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne, zoals onder feit 2 ten laste gelegd. Dit mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. De raadsman heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opgave van de voor dit feit gebruikte bewijsmiddelen, namelijk: De bekennende verklaring van verdachte, [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), afgelegd op de terechtzitting van 10 maart 2026; Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2021070861 van 15 december 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , doorgenummerde pagina’s ZD01 03 0221 t/m 0225; Een geschrift, te weten een laboratoriumrapport van 22 december 2021 opgemaakt door drs. [naam] , doorgenummerde pagina ZD01 03 0233. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte 2. op 14 december 2021 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 7,52 gram heroïne. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 Strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 118 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van drie maanden met een proeftijd van 2 jaren gevorderd. 7.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de strafoplegging moet komen tot een straf die hoogstens gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. 7.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt tot een andere strafoplegging dan de officier van justitie, gelet op de vrijspraak voor feit 1. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne. Het is verboden om deze harddrugs aanwezig te hebben omdat het gebruik van harddrugs verslavend én schadelijk voor de gezondheid is. Het gebruik, en dus verschaffen van heroïne, houdt de criminele activiteiten die hiermee gepaard gaan dan ook in stand. Dit is een zorgelijk feit. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Deze recidive zal de rechtbank dan ook in strafverzwarende zin meewegen bij de straftoemeting. Er is echter ook sprake van een situatie als omschreven in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Hier houdt de rechtbank, in het voordeel van verdachte, ook rekening mee. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport ten aanzien van verdachte van 16 februari 2026. Hieruit blijkt dat sinds onderhavige tenlastelegging op verschillende levensgebieden sprake is van stabiliteit. Verdachte heeft een stabiele huisvesting, er zouden geen financiële problemen zijn en hij is inmiddels vier jaar abstinent. Er is bovendien sprake van een steunend netwerk. De reclassering adviseert dan ook om geen bijzondere voorwaarden aan een eventuele straf te verbinden. Redelijke termijn In beginsel moet een zaak binnen twee jaar worden afgedaan door de rechter.