Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-07
ECLI:NL:RBAMS:2026:4820
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,072 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4820 text/xml public 2026-05-20T17:49:47 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-07 13/271566-21 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4820 text/html public 2026-05-20T17:48:55 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4820 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 13/271566-21 Verdenking feit 1: medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne + feit 2: aanwezig hebben van 13,8 gram cocaïne. Veroordeling feit 1 en feit 2. Gevangenisstraf 8 (acht) maanden. Beslag. Overschrijding redelijke termijn. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/271566-21 Datum uitspraak: 7 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , hierna: verdachte. 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan 1. het medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne in de periode van 1 april 2021 tot en met 14 december 2021; en 2. het aanwezig hebben van 13,8 gram cocaïne op 14 december 2021. De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3. Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat met de observaties, de tapgesprekken, de telecomgegevens, de verklaringen van afnemers en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte(n), er voldoende bewijs is voor het medeplegen van het handelen in verdovende middelen gedurende de ten laste gelegde periode. Ten aanzien van feit 2 geldt dat bij de huiszoeking van de woning van verdachte de als feit 2 ten laste gelegde verdovende middelen zijn aangetroffen. Verdachte heeft hierover een bekennende verklaring afgelegd. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat de pleegperiode moet worden verkort tot de periode van 19 september 2021 tot 14 december 2021, aangezien verdachte op die datum voor het eerst in beeld komt in het onderzoek. De verklaringen van de getuigen die zijn eerdere betrokkenheid bevestigen zijn niet betrouwbaar. De verklaringen zijn inconsistent, warrig en onduidelijk en kunnen dus niet tot bewijs dienen voor de (langere) pleegperiode. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. 3.3.1 Feiten en omstandigheden In april 2021 komen bij de politie meldingen binnen over drugshandel via een zogenaamde ‘deallijn’. Naar aanleiding van deze meldingen wordt een onderzoek opgestart, waarbij verdachte, samen met twee medeverdachten, in beeld komt in verband met mogelijke handel in harddrugs, het koken daarvan en het aanwezig hebben van harddrugs. Het onderzoek naar verdachten start met een melding over een telefoonnummer eindigend op [deel telefoonnummer 2] waarmee een bericht wordt gestuurd aan personen van wie bekend is dat zij veelvuldig drugs gebruiken. De tekst van dit bericht luidt: “ben actief 24/7 gr. [bijnaam]” . De naam [bijnaam] wordt vervolgens in verband gebracht met [medeverdachte 1] en diens vader [medeverdachte 2] , medeverdachten in deze zaak. In mei 2021 wordt een machtiging afgegeven voor een telefoontap op het nummer [deel telefoonnummer 2]. Dan blijkt dat het nummer niet meer in gebruik is. Via een analyse van telefoonnummers die vaak contact hadden met [deel telefoonnummer 2], komt de politie uit bij een nieuwe (opvolgende) deallijn waarvan het telefoonnummer eindigt op [deel telefoonnummer 1] . Uit onderzoek van de historische contactgegevens van de nummers [deel telefoonnummer 2] en [deel telefoonnummer 1] over de voorafgaande periode van 6 maanden, blijkt dat beide telefoonnummers contact hebben gehad met [deel telefoonnummer 3] overeenkomstige telefoonnummers . Uit een telefoontap van het nummer [deel telefoonnummer 1] blijkt vervolgens dat dit (ook) een deallijn is. Op 19 september 2021 wordt op die deallijn een gesprek waargenomen waar de gebruiker van het nummer door middel van stemherkenning wordt herkend als verdachte . Verdachte maakt in dat gesprek een afspraak met een koper over de verkoop van “vijftig”. Vervolgens wordt op de afgesproken tijd en locatie een transactie waargenomen, waarbij verdachte wordt herkend op camerabeelden . Ook op 23 september 2021 wordt door de politie een gesprek waargenomen op het nummer [deel telefoonnummer 1], waarbij verdachte contact heeft met een afnemer over een bestelling die onderweg is. Verdachte zegt in dat gesprek dat een derde persoon onderweg is en nu bij een tankstation is. Op hetzelfde tijdstip wordt medeverdachte [medeverdachte 1] op camerabeelden met zijn auto herkend bij een tankstation, kennelijk onderweg om de bestelling af te leveren . Nadien zet het onderzoek zich voort en worden - ook via nog een derde (opvolgende) deallijn met een telefoonnummer eindigend op [deel telefoonnummer 4] - diverse drugstransacties waargenomen die aan verdachte en zijn medeverdachte(n) te relateren zijn . 3.3.2 Ten aanzien van feit 1 De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van handel in verdovende middelen. Dit mede gelet op zijn (gedeeltelijk) bekennende verklaring zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2026, waarin hij verklaart dat hij heroïne en cocaïne heeft gedeald en ook dat hij cocaïne heeft ‘gekookt’ . Ten aanzien van de pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op basis van de in het dossier aanwezige stukken, verdachte voor het eerst concreet in verband kan worden gebracht met de tenlastegelegde drugshandel met het hiervoor beschreven tapgesprek van 19 september 2021. Vóór die datum zijn er wel aanwijzingen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte(n) bezig hield met drugshandel, maar deze aanwijzingen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en onvoldoende herleidbaar naar verdachte. De rechtbank komt dus niet tot een bewezenverklaring van de periode vóór 19 september 2021. Weliswaar zijn er getuigen gehoord van wie er enkele verklaren al langere tijd - kennelijk ook vóór 19 september 2021 - bij verdachte drugs te kopen, maar de rechtbank acht de verklaringen van deze getuigen, specifiek ten aanzien van de pleegperiode, onvoldoende betrouwbaar om op basis daarvan de volledige ten laste gelegde periode bewezen te verklaren. De verklaringen zijn immers afkomstig van personen die, naar het zich laat aanzien, al langere tijd harddrugs gebruikten. Zij verklaren dat zij hun drugs hebben afgenomen bij meerdere verkopers, waaronder verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Onder die omstandigheden bestaat het risico op verwarring en daarmee op een onzuivere en minder betrouwbare waarneming, zeker waar het gaat om de periode waarover zij – al terugkijkend - verklaren drugs te hebben afgenomen.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4820 text/xml public 2026-05-20T17:49:47 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-07 13/271566-21 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4820 text/html public 2026-05-20T17:48:55 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4820 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 13/271566-21 Verdenking feit 1: medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne + feit 2: aanwezig hebben van 13,8 gram cocaïne. Veroordeling feit 1 en feit 2. Gevangenisstraf 8 (acht) maanden. Beslag. Overschrijding redelijke termijn. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/271566-21 Datum uitspraak: 7 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , hierna: verdachte. 1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan 1. het medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne in de periode van 1 april 2021 tot en met 14 december 2021; en 2. het aanwezig hebben van 13,8 gram cocaïne op 14 december 2021. De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3. Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat met de observaties, de tapgesprekken, de telecomgegevens, de verklaringen van afnemers en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte(n), er voldoende bewijs is voor het medeplegen van het handelen in verdovende middelen gedurende de ten laste gelegde periode. Ten aanzien van feit 2 geldt dat bij de huiszoeking van de woning van verdachte de als feit 2 ten laste gelegde verdovende middelen zijn aangetroffen. Verdachte heeft hierover een bekennende verklaring afgelegd. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat de pleegperiode moet worden verkort tot de periode van 19 september 2021 tot 14 december 2021, aangezien verdachte op die datum voor het eerst in beeld komt in het onderzoek. De verklaringen van de getuigen die zijn eerdere betrokkenheid bevestigen zijn niet betrouwbaar. De verklaringen zijn inconsistent, warrig en onduidelijk en kunnen dus niet tot bewijs dienen voor de (langere) pleegperiode. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. 3.3.1 Feiten en omstandigheden In april 2021 komen bij de politie meldingen binnen over drugshandel via een zogenaamde ‘deallijn’. Naar aanleiding van deze meldingen wordt een onderzoek opgestart, waarbij verdachte, samen met twee medeverdachten, in beeld komt in verband met mogelijke handel in harddrugs, het koken daarvan en het aanwezig hebben van harddrugs. Het onderzoek naar verdachten start met een melding over een telefoonnummer eindigend op [deel telefoonnummer 2] waarmee een bericht wordt gestuurd aan personen van wie bekend is dat zij veelvuldig drugs gebruiken. De tekst van dit bericht luidt: “ben actief 24/7 gr. [bijnaam]” . De naam [bijnaam] wordt vervolgens in verband gebracht met [medeverdachte 1] en diens vader [medeverdachte 2] , medeverdachten in deze zaak. In mei 2021 wordt een machtiging afgegeven voor een telefoontap op het nummer [deel telefoonnummer 2]. Dan blijkt dat het nummer niet meer in gebruik is. Via een analyse van telefoonnummers die vaak contact hadden met [deel telefoonnummer 2], komt de politie uit bij een nieuwe (opvolgende) deallijn waarvan het telefoonnummer eindigt op [deel telefoonnummer 1] . Uit onderzoek van de historische contactgegevens van de nummers [deel telefoonnummer 2] en [deel telefoonnummer 1] over de voorafgaande periode van 6 maanden, blijkt dat beide telefoonnummers contact hebben gehad met [deel telefoonnummer 3] overeenkomstige telefoonnummers . Uit een telefoontap van het nummer [deel telefoonnummer 1] blijkt vervolgens dat dit (ook) een deallijn is. Op 19 september 2021 wordt op die deallijn een gesprek waargenomen waar de gebruiker van het nummer door middel van stemherkenning wordt herkend als verdachte . Verdachte maakt in dat gesprek een afspraak met een koper over de verkoop van “vijftig”. Vervolgens wordt op de afgesproken tijd en locatie een transactie waargenomen, waarbij verdachte wordt herkend op camerabeelden . Ook op 23 september 2021 wordt door de politie een gesprek waargenomen op het nummer [deel telefoonnummer 1], waarbij verdachte contact heeft met een afnemer over een bestelling die onderweg is. Verdachte zegt in dat gesprek dat een derde persoon onderweg is en nu bij een tankstation is. Op hetzelfde tijdstip wordt medeverdachte [medeverdachte 1] op camerabeelden met zijn auto herkend bij een tankstation, kennelijk onderweg om de bestelling af te leveren . Nadien zet het onderzoek zich voort en worden - ook via nog een derde (opvolgende) deallijn met een telefoonnummer eindigend op [deel telefoonnummer 4] - diverse drugstransacties waargenomen die aan verdachte en zijn medeverdachte(n) te relateren zijn . 3.3.2 Ten aanzien van feit 1 De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van handel in verdovende middelen. Dit mede gelet op zijn (gedeeltelijk) bekennende verklaring zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2026, waarin hij verklaart dat hij heroïne en cocaïne heeft gedeald en ook dat hij cocaïne heeft ‘gekookt’ . Ten aanzien van de pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op basis van de in het dossier aanwezige stukken, verdachte voor het eerst concreet in verband kan worden gebracht met de tenlastegelegde drugshandel met het hiervoor beschreven tapgesprek van 19 september 2021. Vóór die datum zijn er wel aanwijzingen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte(n) bezig hield met drugshandel, maar deze aanwijzingen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en onvoldoende herleidbaar naar verdachte. De rechtbank komt dus niet tot een bewezenverklaring van de periode vóór 19 september 2021. Weliswaar zijn er getuigen gehoord van wie er enkele verklaren al langere tijd - kennelijk ook vóór 19 september 2021 - bij verdachte drugs te kopen, maar de rechtbank acht de verklaringen van deze getuigen, specifiek ten aanzien van de pleegperiode, onvoldoende betrouwbaar om op basis daarvan de volledige ten laste gelegde periode bewezen te verklaren. De verklaringen zijn immers afkomstig van personen die, naar het zich laat aanzien, al langere tijd harddrugs gebruikten. Zij verklaren dat zij hun drugs hebben afgenomen bij meerdere verkopers, waaronder verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Onder die omstandigheden bestaat het risico op verwarring en daarmee op een onzuivere en minder betrouwbare waarneming, zeker waar het gaat om de periode waarover zij – al terugkijkend - verklaren drugs te hebben afgenomen.
Volledig
Bovendien neemt de rechtbank in haar overweging mee dat de verklaringen van de meeste getuigen niet getoetst konden worden bij de rechter-commissaris, aangezien deze getuigen zich daar op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Getuige [getuige 2] heeft wel verklaard bij de rechter-commissaris. De rechtbank constateert echter dat haar verklaring niet (geheel) consistent is en om die reden minder betrouwbaar is. De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van feit 1 over de pleegperiode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021. Daarbij gaat de rechtbank uit van medeplegen met medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit het dossier blijkt dat beide verdachten in verschillende periodes gebruik maakten van dezelfde (deal)telefoonnummers bij het 24/7 dealen van drugs. De rechtbank is van oordeel dat die samenwerking niet anders dan als nauw en bewust kan worden gekwalificeerd. Illustratief in dat verband is de hiervoor beschreven deal op 23 september 2021 waar verdachte het contact met de afnemer had en medeverdachte [medeverdachte 1] de drugs (kennelijk) afleverde. Voorts herkennen meerdere getuigen zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] als verkoper achter de verschillende deallijnen. Zo verklaart getuige [getuige 1] (zelf ook aangeduid als verdachte van bezit van harddrugs) dat als hij ’s ochtends belde, verdachte de drugs kwam afleveren en als hij na enen belde, medeverdachte [medeverdachte 1] kwam . 3.3.3 Ten aanzien van feit 2 De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 13,8 gram cocaïne, zoals onder feit 2 ten laste gelegd. Dit mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. De raadsman heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opgave van de voor dit feit gebruikte bewijsmiddelen, namelijk: De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 maart 2026 en neergelegd in het proces-verbaal van de zitting; Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming met nummer 2021070861 van 15 december 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina’s ZD01 03 0199 t/m 03 0214; Een geschrift, te weten een laboratoriumrapport van 22 december 2021 opgemaakt door [laborant] , doorgenummerde pagina ZD01 03 0234. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. in de periode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne; 2. op 14 december 2021 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 13,8 gram cocaïne. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest. 7.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld de rechtbank ten hoogste een straf dient op te leggen die voor de duur gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. 7.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich, in vereniging met anderen, schuldig gemaakt aan het handelen in en koken van cocaïne en heroïne. Daarnaast heeft hij 13,8 gram cocaïne aanwezig gehad. Dit zijn ernstige feiten. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs verslavend én schadelijk voor de gezondheid is. Daarbij heeft de handel in harddrugs een aanzuigende werking van andere soorten criminaliteit welke een negatieve invloed hebben op de samenleving. Met zijn handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat deze nadelige gevolgen in stand werden gehouden. Voorts rekent de rechtbank verdachte de specifieke handelswijze bij het plegen van de feiten aan. Het verkopen van verslavende harddrugs aan kwetsbare – verslaafde – personen is op zichzelf al zeer kwalijk, maar uit de verklaringen van gebruikers is gebleken dat als zij langere tijd niet kochten, de gebruikers actief werden benaderd en hen zelfs eenmalig gratis drugs werd aangeboden. Op deze manier werden deze kwetsbare personen onderhouden in hun verslaving. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Deze recidive zal de rechtbank dan ook in strafverzwarende zin meewegen bij de straftoemeting. De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 63 Sr aan de orde is. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport ten aanzien van verdachte van 27 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte gedurende zijn schorsing goed aan de gestelde voorwaarden heeft meegewerkt en inmiddels stabiele leefomstandigheden heeft. De reclassering schat het recidive risico laag in en adviseert om, in het geval van een strafoplegging, geen bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Redelijke termijn In beginsel moet een zaak binnen twee jaar worden afgedaan door de rechter. De redelijke termijn gaat lopen op het moment dat verdachte in redelijkheid kan verwachten dat hij vervolgd zal worden. De officier van justitie heeft betoogd dat de aanvangsdatum van de redelijke termijn 5 juni 2023 is, gelet op de ingediende onderzoekswensen van de verdediging. De rechtbank gaat echter uit van de datum dat verdachte in verzekering is gesteld en stelt vast dat de redelijke termijn is gaan lopen op 14 december 2021. De behandeling had dus uiterlijk 14 december 2023 afgerond moeten zijn. De rechtbank doet echter pas uitspraak op 7 april 2026. Dit is dan ook een forse overschrijding van de redelijke termijn, zonder dat hiervoor een duidelijke, aanwijsbare reden bestaat. De rechtbank zal deze omstandigheid dan ook in strafverminderende zin meewegen in haar straftoemeting. Straf De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden. Zij zal deze dan ook aan verdachte opleggen. 8 Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen beslag genomen: 1. personenauto [kenteken] , goednummer: 6052596; 9. simkaarthouder 0620814545, goednummer 6131656; 10. GSM, goednummer 6131525; 11. GSM, goednummer 6131531; 20. Telefoontoestel, goednummer 6131665; 20. Motorfiets Yamaha, goednummer: 6028283. Verbeurdverklaring Voorwerp 9, 10 en 11 behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van deze voorwerpen het onder 1 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard. Teruggave beslagene De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat het onder 1 is begaan of voorbereid met de telefoon, voorwerp 20, of de motor, voorwerp 21. Evenmin is sprake van een andere grond voor verbeurdverklaring van het goed.
Volledig
Bovendien neemt de rechtbank in haar overweging mee dat de verklaringen van de meeste getuigen niet getoetst konden worden bij de rechter-commissaris, aangezien deze getuigen zich daar op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Getuige [getuige 2] heeft wel verklaard bij de rechter-commissaris. De rechtbank constateert echter dat haar verklaring niet (geheel) consistent is en om die reden minder betrouwbaar is. De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van feit 1 over de pleegperiode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021. Daarbij gaat de rechtbank uit van medeplegen met medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit het dossier blijkt dat beide verdachten in verschillende periodes gebruik maakten van dezelfde (deal)telefoonnummers bij het 24/7 dealen van drugs. De rechtbank is van oordeel dat die samenwerking niet anders dan als nauw en bewust kan worden gekwalificeerd. Illustratief in dat verband is de hiervoor beschreven deal op 23 september 2021 waar verdachte het contact met de afnemer had en medeverdachte [medeverdachte 1] de drugs (kennelijk) afleverde. Voorts herkennen meerdere getuigen zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] als verkoper achter de verschillende deallijnen. Zo verklaart getuige [getuige 1] (zelf ook aangeduid als verdachte van bezit van harddrugs) dat als hij ’s ochtends belde, verdachte de drugs kwam afleveren en als hij na enen belde, medeverdachte [medeverdachte 1] kwam . 3.3.3 Ten aanzien van feit 2 De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 13,8 gram cocaïne, zoals onder feit 2 ten laste gelegd. Dit mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. De raadsman heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opgave van de voor dit feit gebruikte bewijsmiddelen, namelijk: De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 maart 2026 en neergelegd in het proces-verbaal van de zitting; Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming met nummer 2021070861 van 15 december 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina’s ZD01 03 0199 t/m 03 0214; Een geschrift, te weten een laboratoriumrapport van 22 december 2021 opgemaakt door [laborant] , doorgenummerde pagina ZD01 03 0234. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. in de periode van 19 september 2021 tot en met 14 december 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne; 2. op 14 december 2021 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 13,8 gram cocaïne. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest. 7.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld de rechtbank ten hoogste een straf dient op te leggen die voor de duur gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. 7.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich, in vereniging met anderen, schuldig gemaakt aan het handelen in en koken van cocaïne en heroïne. Daarnaast heeft hij 13,8 gram cocaïne aanwezig gehad. Dit zijn ernstige feiten. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs verslavend én schadelijk voor de gezondheid is. Daarbij heeft de handel in harddrugs een aanzuigende werking van andere soorten criminaliteit welke een negatieve invloed hebben op de samenleving. Met zijn handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat deze nadelige gevolgen in stand werden gehouden. Voorts rekent de rechtbank verdachte de specifieke handelswijze bij het plegen van de feiten aan. Het verkopen van verslavende harddrugs aan kwetsbare – verslaafde – personen is op zichzelf al zeer kwalijk, maar uit de verklaringen van gebruikers is gebleken dat als zij langere tijd niet kochten, de gebruikers actief werden benaderd en hen zelfs eenmalig gratis drugs werd aangeboden. Op deze manier werden deze kwetsbare personen onderhouden in hun verslaving. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Deze recidive zal de rechtbank dan ook in strafverzwarende zin meewegen bij de straftoemeting. De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 63 Sr aan de orde is. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport ten aanzien van verdachte van 27 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte gedurende zijn schorsing goed aan de gestelde voorwaarden heeft meegewerkt en inmiddels stabiele leefomstandigheden heeft. De reclassering schat het recidive risico laag in en adviseert om, in het geval van een strafoplegging, geen bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Redelijke termijn In beginsel moet een zaak binnen twee jaar worden afgedaan door de rechter. De redelijke termijn gaat lopen op het moment dat verdachte in redelijkheid kan verwachten dat hij vervolgd zal worden. De officier van justitie heeft betoogd dat de aanvangsdatum van de redelijke termijn 5 juni 2023 is, gelet op de ingediende onderzoekswensen van de verdediging. De rechtbank gaat echter uit van de datum dat verdachte in verzekering is gesteld en stelt vast dat de redelijke termijn is gaan lopen op 14 december 2021. De behandeling had dus uiterlijk 14 december 2023 afgerond moeten zijn. De rechtbank doet echter pas uitspraak op 7 april 2026. Dit is dan ook een forse overschrijding van de redelijke termijn, zonder dat hiervoor een duidelijke, aanwijsbare reden bestaat. De rechtbank zal deze omstandigheid dan ook in strafverminderende zin meewegen in haar straftoemeting. Straf De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden. Zij zal deze dan ook aan verdachte opleggen. 8 Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen beslag genomen: 1. personenauto [kenteken] , goednummer: 6052596; 9. simkaarthouder 0620814545, goednummer 6131656; 10. GSM, goednummer 6131525; 11. GSM, goednummer 6131531; 20. Telefoontoestel, goednummer 6131665; 20. Motorfiets Yamaha, goednummer: 6028283. Verbeurdverklaring Voorwerp 9, 10 en 11 behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van deze voorwerpen het onder 1 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard. Teruggave beslagene De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat het onder 1 is begaan of voorbereid met de telefoon, voorwerp 20, of de motor, voorwerp 21. Evenmin is sprake van een andere grond voor verbeurdverklaring van het goed.