Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:4785
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
19,350 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4785 text/xml public 2026-05-20T17:43:17 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-06 13/219490-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4785 text/html public 2026-05-20T17:39:14 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4785 Rechtbank Amsterdam , 06-05-2026 / 13/219490-25 (Indirecte) bedreiging, vernieling en smaadschrift. Gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden. Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid (ex artikel 38v Sr). vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Strafrecht Parketnummer: 13/219490-25 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. S.T.M. Eijsbouts, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en van hetgeen door mr. M.G.C. van Riet namens hen naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat zij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [benadeelde partij 1] in de periode van 27 maart 2025 tot en met 14 juli 2025; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [benadeelde partij 2] in de periode van 3 maart 2025 tot en met 27 maart 2025; vernieling van een autoband toebehorend aan [benadeelde partij 2] op 6 januari 2025; smaadschrift tegen [benadeelde partij 1] door een poster te maken en te verspreiden waarop een foto van [benadeelde partij 1] staat met teksten die hem in verband brengen met een mishandeling van [benadeelde partij 3] in de periode van 26 februari 2025 tot en met 18 juli 2025. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. De rechtbank leest in het vierde tenlastegelegde feit de vermelde namen “ [benadeelde partij 1] ” en “ [benadeelde partij 3] ” als “ [benadeelde partij 1] ” en “ [benadeelde partij 3] ”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in haar verdediging. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen bewijsverweren gevoerd en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Aangezien verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van: Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4: 1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 22 april 2026 heeft afgelegd; Ten aanzien van feit 1: 2. Een proces-verbaal van bevindingen (inhoudende: een uitwerking van telefonisch contact met de gezinsmanager Jeugdbescherming incl. bijlagen) met nummer PL1300-2025168970-2 van 14 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pag. 210 – 212 (dig.); 3. Een proces-verbaal van bevindingen (inhoudende: een uitwerking van telefonisch contact met een huisarts van [huisartsenpraktijk] ) met nummer PL1300-2025168970-4 van 14 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pag. 221 – 223 (dig.); 4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025168970-3 van 8 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pag. 219 – 220 (dig.); Ten aanzien van feit 2 en 3: 5. Een proces-verbaal van aangifte (inhoudende: een aangifte van [benadeelde partij 2] incl. bijlagen) met nummer PL1300-2025078426-2 van 2 april 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pag. 77 – 79 (dig.); Ten aanzien van feit 4: 6. Een proces-verbaal van aangifte (inhoudende: een aangifte van [benadeelde partij 1] incl. bijlagen) met nummer PL1300-2025078426-2 van 7 april 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4] , doorgenummerde pag. 175 – 177 (dig.); 7. Een proces-verbaal ontvangst klacht (inhoudende: een klacht van [benadeelde partij 1] om tot vervolging van [verdachte] over te gaan) met nummer 250407-458-552 van 7 april 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] , doorgenummerde pag. 178 – 180 (dig.). Ten aanzien van feit 1 merkt de rechtbank nog het volgende op. Voor een bewezenverklaring van bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat degene die wordt bedreigd ook daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. De bedreiging hoeft niet rechtstreeks te gebeuren, maar kan ook indirect plaatsvinden. Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte op 26 mei 2025 een gesprek heeft gehad met een gezinsmanager van jeugdbescherming Amsterdam waartegen verdachte heeft gezegd dat zij iemand wil vragen, dan wel inhuren om [benadeelde partij 1] wat aan te doen. Ook heeft zij tegen de gezinsmanager gezegd dat zij bezig is met het regelen van een wapenvergunning. Deze bedreigingen heeft verdachte ook op schrift gezet en samen met een kopie van haar aanvraag voor een wapenvergunning naar de gezinsmanager gestuurd. Verder heeft verdachte op 4 juni 2025 een gesprek gehad met de praktijkondersteuner van [huisartsenpraktijk] . Tegen de praktijkondersteuner heeft verdachte dezelfde bedreigingen geuit. Op 11 juni 2025 heeft verdachte vervolgens ook tegen haar huisarts gezegd dat ze [benadeelde partij 1] wat aan wil doen. De rechtbank stelt vast dat in het procesdossier niet onomstotelijk is geverbaliseerd dat aangever [benadeelde partij 1] op de hoogte is geraakt van de geuite bedreigingen. Aangever spreekt in zijn aangifte namelijk enkel over leugens die over hem worden verspreid richting verschillende hulpverleningsinstanties. Ook uit de gesprekken met de gezinsmanager van jeugdbescherming, de huisarts of de praktijkondersteuner blijkt niet dat aangever van de bedreigingen afweet. Echter, in het procesdossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen waarin geverbaliseerd staat dat aangever op 30 mei 2025 heeft laten weten ook aangifte te willen doen van bedreigingen door verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kan het daarom niet anders dan dat aangever in ieder geval van de bedreigingen op 26 mei 2025 op de hoogte is geraakt. Om die reden stelt de rechtbank vast dat [benadeelde partij 1] afwist van de geuite bedreigingen door verdachte. Feit 1 kan daarom bewezen worden verklaard.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4785 text/xml public 2026-05-20T17:43:17 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-06 13/219490-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4785 text/html public 2026-05-20T17:39:14 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4785 Rechtbank Amsterdam , 06-05-2026 / 13/219490-25 (Indirecte) bedreiging, vernieling en smaadschrift. Gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden. Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid (ex artikel 38v Sr). vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Strafrecht Parketnummer: 13/219490-25 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. S.T.M. Eijsbouts, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en van hetgeen door mr. M.G.C. van Riet namens hen naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat zij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [benadeelde partij 1] in de periode van 27 maart 2025 tot en met 14 juli 2025; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [benadeelde partij 2] in de periode van 3 maart 2025 tot en met 27 maart 2025; vernieling van een autoband toebehorend aan [benadeelde partij 2] op 6 januari 2025; smaadschrift tegen [benadeelde partij 1] door een poster te maken en te verspreiden waarop een foto van [benadeelde partij 1] staat met teksten die hem in verband brengen met een mishandeling van [benadeelde partij 3] in de periode van 26 februari 2025 tot en met 18 juli 2025. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. De rechtbank leest in het vierde tenlastegelegde feit de vermelde namen “ [benadeelde partij 1] ” en “ [benadeelde partij 3] ” als “ [benadeelde partij 1] ” en “ [benadeelde partij 3] ”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in haar verdediging. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen bewijsverweren gevoerd en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Aangezien verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van: Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4: 1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 22 april 2026 heeft afgelegd; Ten aanzien van feit 1: 2. Een proces-verbaal van bevindingen (inhoudende: een uitwerking van telefonisch contact met de gezinsmanager Jeugdbescherming incl. bijlagen) met nummer PL1300-2025168970-2 van 14 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pag. 210 – 212 (dig.); 3. Een proces-verbaal van bevindingen (inhoudende: een uitwerking van telefonisch contact met een huisarts van [huisartsenpraktijk] ) met nummer PL1300-2025168970-4 van 14 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pag. 221 – 223 (dig.); 4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025168970-3 van 8 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pag. 219 – 220 (dig.); Ten aanzien van feit 2 en 3: 5. Een proces-verbaal van aangifte (inhoudende: een aangifte van [benadeelde partij 2] incl. bijlagen) met nummer PL1300-2025078426-2 van 2 april 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pag. 77 – 79 (dig.); Ten aanzien van feit 4: 6. Een proces-verbaal van aangifte (inhoudende: een aangifte van [benadeelde partij 1] incl. bijlagen) met nummer PL1300-2025078426-2 van 7 april 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4] , doorgenummerde pag. 175 – 177 (dig.); 7. Een proces-verbaal ontvangst klacht (inhoudende: een klacht van [benadeelde partij 1] om tot vervolging van [verdachte] over te gaan) met nummer 250407-458-552 van 7 april 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] , doorgenummerde pag. 178 – 180 (dig.). Ten aanzien van feit 1 merkt de rechtbank nog het volgende op. Voor een bewezenverklaring van bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat degene die wordt bedreigd ook daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. De bedreiging hoeft niet rechtstreeks te gebeuren, maar kan ook indirect plaatsvinden. Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte op 26 mei 2025 een gesprek heeft gehad met een gezinsmanager van jeugdbescherming Amsterdam waartegen verdachte heeft gezegd dat zij iemand wil vragen, dan wel inhuren om [benadeelde partij 1] wat aan te doen. Ook heeft zij tegen de gezinsmanager gezegd dat zij bezig is met het regelen van een wapenvergunning. Deze bedreigingen heeft verdachte ook op schrift gezet en samen met een kopie van haar aanvraag voor een wapenvergunning naar de gezinsmanager gestuurd. Verder heeft verdachte op 4 juni 2025 een gesprek gehad met de praktijkondersteuner van [huisartsenpraktijk] . Tegen de praktijkondersteuner heeft verdachte dezelfde bedreigingen geuit. Op 11 juni 2025 heeft verdachte vervolgens ook tegen haar huisarts gezegd dat ze [benadeelde partij 1] wat aan wil doen. De rechtbank stelt vast dat in het procesdossier niet onomstotelijk is geverbaliseerd dat aangever [benadeelde partij 1] op de hoogte is geraakt van de geuite bedreigingen. Aangever spreekt in zijn aangifte namelijk enkel over leugens die over hem worden verspreid richting verschillende hulpverleningsinstanties. Ook uit de gesprekken met de gezinsmanager van jeugdbescherming, de huisarts of de praktijkondersteuner blijkt niet dat aangever van de bedreigingen afweet. Echter, in het procesdossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen waarin geverbaliseerd staat dat aangever op 30 mei 2025 heeft laten weten ook aangifte te willen doen van bedreigingen door verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kan het daarom niet anders dan dat aangever in ieder geval van de bedreigingen op 26 mei 2025 op de hoogte is geraakt. Om die reden stelt de rechtbank vast dat [benadeelde partij 1] afwist van de geuite bedreigingen door verdachte. Feit 1 kan daarom bewezen worden verklaard.
Volledig
5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: feit 1: op 26 mei 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] dreigend – via een gezinsmanager van jeugdbescherming Amsterdam – de woorden toegevoegd: “dat zij iemand zou vragen of inhuren om [benadeelde partij 1] iets aan te doen en dat zij bezig was met het regelen van een wapenvergunning”. feit 2: in de periode van 3 maart 2025 tot en met 27 maart 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 2] dreigend – via whatsapp – de woorden toegevoegd: “Uit de buurt van [benadeelde partij 3] ” of “ik ga je kinderen afmaken en ik heb hele Nederland versteld als jullie in de buurt van [benadeelde partij 3] komen maak ik jullie dood” en “Als er iets met [benadeelde partij 3] gebeurt weet ik iemand stuur die jouw hele familie wat gaat doen”. feit 3: op 6 januari 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een band van een auto toebehorende aan [benadeelde partij 2] , heeft vernield. feit 4: in de periode van 26 februari 2025 tot en met 18 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk, door middel van geschriften en afbeeldingen te verspreiden en openlijk ten toon te stellen de eer en goede naam van [benadeelde partij 1] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door een poster te maken en te verspreiden, inhoudende dat een mishandeling van [benadeelde partij 3] in verband wordt gebracht met handelingen van [benadeelde partij 1] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 De strafbaarheid van de feiten Hoewel verdachte zich in haar laatste woord heeft beroepen op noodweer, omdat zij naar eigen zeggen handelde vanuit een moederplicht die haar handelen rechtvaardigde, is volgens de rechtbank het bestaan van een dergelijke rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk geworden. De bewezen geachte feiten zijn daarom strafbaar. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straf en maatregelen 8.1 Strafeis van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren. Hij heeft daarbij gevorderd dat de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals door de reclassering geadviseerd en dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod en locatieverbod met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voor de duur van drie jaren met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van veertien dagen per overtreding. Ook is gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, wordt opgelegd. 8.2. Het strafmaatverweer van de verdediging De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest met een voorwaardelijk strafgedeelte waaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld kunnen worden. De verdediging refereert zich aan de te stellen voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het locatieverbod. De verdediging heeft primair verzocht geen locatieverbod op te leggen en subsidiair om het locatieverbod te beperken tot de directe woonomgeving van aangevers. Tot slot heeft de verdediging verzocht geen maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen daarvan en bij de vaststelling van de duur en de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift en bedreiging van haar ex-man. Na de geboorte van hun zoon zijn verdachte en aangever uit elkaar gegaan en is een voortdurend conflict ontstaan. De situatie is dusdanig geëscaleerd dat verdachte – ondanks een stopgesprek – is overgegaan tot de tenlastegelegde feiten. Hiermee heeft zij een grote impact op het privéleven van aangever gehad. Niet alleen heeft verdachte de eer en de goede naam van aangever aangetast, ook heeft zij de veiligheid van hem en hun zoontje in gevaar gebracht. Door posters in de buurt van aangever zijn woning te verspreiden met een foto en personalia van hem daarop met de tekst dat hij hun zoontje zou hebben mishandeld, heeft aangever zich zeer angstig gevoeld en was hij genoodzaakt om te verhuizen. Aangever leefde constant in angst dat zijn naam bij hulpverleningsinstanties met onjuiste teksten werd verspreid en heeft de bedreigingen als zeer ernstig ervaren. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van de zus van haar ex-man en vernieling van haar autoband. Uit de vordering van de benadeelde partij en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring komt naar voren dat het handelen van verdachte ook grote impact op het leven van aangeefster heeft gehad. Zij beschrijft een gevoel van angst en kent geen gevoel van veiligheid meer. Aangeefster is in behandeling bij een psycholoog en de feiten hebben veel invloed op haar familieleven gehad. Zo durft zij zelfs haar adres niet meer met familieleden te delen. De rechtbank vindt het zorgwekkend dat verdachte haar bedreigingen kracht heeft bijgezet door de autoband van aangeefster lek te steken. Verdachte heeft hiermee laten zien dat zij geen respect voor andermans goederen heeft en dat de angst die aangeefster heeft ervaren terecht was. Daarbij tilt de rechtbank er zwaar aan dat verdachte haar zoontje bij deze vernieling aanwezig was. De persoon van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 31 januari 2026, opgesteld door psychiater P.L.L. Hoefnagel. De bevindingen en conclusies van de psychiater zien op de feiten waarvan verdachte ten tijde van de gesprekken met de deskundige (in de maanden januari tot en met juli 2026) werd verdacht. De psychiater heeft, kort weergegeven, geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een verstandelijke beperking en dwangmatige en antisociale persoonlijkheidstrekken. Volgens de psychiater waren deze stoornissen ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezig en werden de gedragskeuzes van verdachte daardoor beïnvloed. Bij een bewezenverklaring wordt ten aanzien van alle vier de feiten geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank volgt de conclusie van de psychiater voor wat betreft de stoornissen en is van oordeel dat het bewezenverklaarde onder alle vier de feiten in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Uit de Pro Justitia rapportage komt naar voren dat verdachte een onvermogen ervaart om met lichamelijke of stressklachten van haar zoon om te gaan. Zij geeft hiervan aangevers de schuld en voelt zich niet begrepen of gehoord door hulpverlenende instanties. Volgens de psychiater is verdachte vanuit haar beperkte vaardigheden en antisociale cognities gaan escaleren wat geresulteerd heeft in obsessief gedrag en bedreigingen. Verdachte lijkt daarbij de ernst van haar handelen maar beperkt in te zien.
Volledig
5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: feit 1: op 26 mei 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] dreigend – via een gezinsmanager van jeugdbescherming Amsterdam – de woorden toegevoegd: “dat zij iemand zou vragen of inhuren om [benadeelde partij 1] iets aan te doen en dat zij bezig was met het regelen van een wapenvergunning”. feit 2: in de periode van 3 maart 2025 tot en met 27 maart 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 2] dreigend – via whatsapp – de woorden toegevoegd: “Uit de buurt van [benadeelde partij 3] ” of “ik ga je kinderen afmaken en ik heb hele Nederland versteld als jullie in de buurt van [benadeelde partij 3] komen maak ik jullie dood” en “Als er iets met [benadeelde partij 3] gebeurt weet ik iemand stuur die jouw hele familie wat gaat doen”. feit 3: op 6 januari 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een band van een auto toebehorende aan [benadeelde partij 2] , heeft vernield. feit 4: in de periode van 26 februari 2025 tot en met 18 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk, door middel van geschriften en afbeeldingen te verspreiden en openlijk ten toon te stellen de eer en goede naam van [benadeelde partij 1] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door een poster te maken en te verspreiden, inhoudende dat een mishandeling van [benadeelde partij 3] in verband wordt gebracht met handelingen van [benadeelde partij 1] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 De strafbaarheid van de feiten Hoewel verdachte zich in haar laatste woord heeft beroepen op noodweer, omdat zij naar eigen zeggen handelde vanuit een moederplicht die haar handelen rechtvaardigde, is volgens de rechtbank het bestaan van een dergelijke rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk geworden. De bewezen geachte feiten zijn daarom strafbaar. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straf en maatregelen 8.1 Strafeis van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren. Hij heeft daarbij gevorderd dat de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals door de reclassering geadviseerd en dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod en locatieverbod met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voor de duur van drie jaren met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van veertien dagen per overtreding. Ook is gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, wordt opgelegd. 8.2. Het strafmaatverweer van de verdediging De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest met een voorwaardelijk strafgedeelte waaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld kunnen worden. De verdediging refereert zich aan de te stellen voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het locatieverbod. De verdediging heeft primair verzocht geen locatieverbod op te leggen en subsidiair om het locatieverbod te beperken tot de directe woonomgeving van aangevers. Tot slot heeft de verdediging verzocht geen maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen daarvan en bij de vaststelling van de duur en de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift en bedreiging van haar ex-man. Na de geboorte van hun zoon zijn verdachte en aangever uit elkaar gegaan en is een voortdurend conflict ontstaan. De situatie is dusdanig geëscaleerd dat verdachte – ondanks een stopgesprek – is overgegaan tot de tenlastegelegde feiten. Hiermee heeft zij een grote impact op het privéleven van aangever gehad. Niet alleen heeft verdachte de eer en de goede naam van aangever aangetast, ook heeft zij de veiligheid van hem en hun zoontje in gevaar gebracht. Door posters in de buurt van aangever zijn woning te verspreiden met een foto en personalia van hem daarop met de tekst dat hij hun zoontje zou hebben mishandeld, heeft aangever zich zeer angstig gevoeld en was hij genoodzaakt om te verhuizen. Aangever leefde constant in angst dat zijn naam bij hulpverleningsinstanties met onjuiste teksten werd verspreid en heeft de bedreigingen als zeer ernstig ervaren. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van de zus van haar ex-man en vernieling van haar autoband. Uit de vordering van de benadeelde partij en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring komt naar voren dat het handelen van verdachte ook grote impact op het leven van aangeefster heeft gehad. Zij beschrijft een gevoel van angst en kent geen gevoel van veiligheid meer. Aangeefster is in behandeling bij een psycholoog en de feiten hebben veel invloed op haar familieleven gehad. Zo durft zij zelfs haar adres niet meer met familieleden te delen. De rechtbank vindt het zorgwekkend dat verdachte haar bedreigingen kracht heeft bijgezet door de autoband van aangeefster lek te steken. Verdachte heeft hiermee laten zien dat zij geen respect voor andermans goederen heeft en dat de angst die aangeefster heeft ervaren terecht was. Daarbij tilt de rechtbank er zwaar aan dat verdachte haar zoontje bij deze vernieling aanwezig was. De persoon van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 31 januari 2026, opgesteld door psychiater P.L.L. Hoefnagel. De bevindingen en conclusies van de psychiater zien op de feiten waarvan verdachte ten tijde van de gesprekken met de deskundige (in de maanden januari tot en met juli 2026) werd verdacht. De psychiater heeft, kort weergegeven, geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een verstandelijke beperking en dwangmatige en antisociale persoonlijkheidstrekken. Volgens de psychiater waren deze stoornissen ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezig en werden de gedragskeuzes van verdachte daardoor beïnvloed. Bij een bewezenverklaring wordt ten aanzien van alle vier de feiten geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank volgt de conclusie van de psychiater voor wat betreft de stoornissen en is van oordeel dat het bewezenverklaarde onder alle vier de feiten in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Uit de Pro Justitia rapportage komt naar voren dat verdachte een onvermogen ervaart om met lichamelijke of stressklachten van haar zoon om te gaan. Zij geeft hiervan aangevers de schuld en voelt zich niet begrepen of gehoord door hulpverlenende instanties. Volgens de psychiater is verdachte vanuit haar beperkte vaardigheden en antisociale cognities gaan escaleren wat geresulteerd heeft in obsessief gedrag en bedreigingen. Verdachte lijkt daarbij de ernst van haar handelen maar beperkt in te zien.
Volledig
Sinds kort is verdachte gediagnosticeerd met een verstandelijke beperking wat verklarend lijkt te zijn voor haar instabiliteit in gedrag en beperkte inzicht in consequenties. Het risico op gewelddadig gedrag wordt laag ingeschat, maar het risico op aanhoudend niet gewelddadig crimineel gedrag, zoals belaging, smaad en laster, hoog. De psychiater acht een behandeling die aansluit bij het sociale, emotionele en cognitieve functioneren van verdachte van belang. Verdachte heeft behandeling nodig gericht op het herkennen van stressvolle situaties en hoe zij in deze situaties stress op een gezonde manier kan uiten. Naast psychotherapeutische behandeling kan medicamenteuze toevoeging zinvol zijn in de behandeling van haar obsessieve gedrag. Daarnaast acht de psychiater woonbegeleiding voor ondersteuning in haar dagelijkse functioneren en financiële ondersteuning in de vorm van bewind van belang. Daarbij benoemt hij dat verdachte moet onderzoeken waar zij zingeving in het leven uithaalt. Dit kan bijvoorbeeld door ondersteuning in haar dagbesteding. De psychiater schrijft dat het voor verdachte over het algemeen van belang is dat de hulpverlenende instanties samenwerken, zodat zij een duidelijk kader krijgt en weet bij wie zij terecht kan. Gelet op bovenstaande heeft de psychiater bij een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten geadviseerd tot oplegging van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] heeft in het door hem opgestelde rapport van 7 april 2026 geadviseerd om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod en locatieverbod met aangevers (zonder elektronisch toezicht), dagbesteding en ambulante woonbegeleiding. Verdachte heeft zich tijdens haar schorsing van de voorlopige hechtenis en ter terechtzitting bereid getoond zich aan deze voorwaarden te houden. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De op te leggen straf Gelet op de ernst van de feiten en de persoon van verdachte waaronder het gegeven dat de feiten haar in verminderde maten kunnen worden toegerekend, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarbij wordt het locatieverbod niet verder ingeperkt, zoals door de verdediging is verzocht. De rechtbank is van mening dat het locatieverbod niet onevenredig belastend is voor verdachte of voor haar zoontje. Het is voor de aangevers van belang dat verdachte een locatieverbod krijgt, waarbij de directe woonomgeving van de aangevers niet voor verdachte te achterhalen is. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren. Om bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, dient te kunnen worden geconcludeerd dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op het blanco strafblad van verdachte en de aard van de onderhavige feiten kan de rechtbank die conclusie niet trekken. Verder ziet de rechtbank geen ruimte om naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden ook nog een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen. Gelet op de bij verdachte geconstateerde stoornissen zal het voldoen aan de bijzondere voorwaarden naar de verwachting van de rechtbank veel van haar vragen en bestaat het risico dat een taakstraf verdachte zal overvragen, hetgeen de rechtbank onwenselijk acht. Een taakstraf zal daarom niet worden opgelegd. Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid (artikel 38v Sr) Omdat verdachte de ernst van haar handelen niet geheel in lijkt te zien en het risico op herhaling als hoog wordt ingeschat, is het niet ondenkbaar dat verdachte in de toekomst contact zal willen opnemen met de aangevers. Om de aangevers te beschermen en ter voorkoming dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens de aangevers, zal de rechtbank daarom ook aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr opleggen. De maatregel houdt in dat verdachte gedurende drie jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en niet in de woonomgeving van aangevers mag komen. De rechtbank zal bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van veertien dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank zal voorts bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar zal zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte - zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens de aangevers. De rechtbank heeft bij haar keuze om het contactverbod en het locatieverbod niet alleen als bijzondere voorwaarden maar ook als vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, het volgende meegewogen. In het geval dat verdachte de maatregel overtreedt kan er direct gereageerd worden en wordt niet, zoals bij overtreding van de bijzondere voorwaarden, het risico gelopen dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel wordt gevorderd met als gevolg dat de overige voorwaarden en de behandeling van verdachte daarmee zouden komen te vervallen. Voorlopige hechtenis Gelet op de opgelegde straf heft de rechtbank het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op. 9. Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 9.1 De vorderingen De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] De benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , heeft ten aanzien van feit 1 en feit 4 € 17.673,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 7.673,- aan materiële schade en voor € 10.000,- uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] De benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , heeft ten aanzien van feit 2 en feit 3 € 2.170,85 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 170,85 aan materiële schade en voor € 2.000,- uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 9.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen in zijn geheel kunnen worden toegewezen. 9.3 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft in het algemeen aangevoerd dat de immateriële schadevergoedingen gestoeld lijken te zijn op belaging, maar dat hiervan geen sprake is nu een dergelijk feit niet ten laste is gelegd. De immateriële schadeposten zouden daarom sterk gematigd moeten worden. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Ten aanzien van [benadeelde partij 1] heeft de verdediging betoogd dat de materiële kosten het rechtstreeks verband missen met de tenlastegelegde feiten. Primair wordt daarom verzocht de kosten af te wijzen. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering is onderbouwd met een forfaitaire kostenregeling van de Rijksoverheid die in casu niet van toepassing is en dat een onderbouwing met stukken van de verhuizing in zijn volledigheid ontbreekt. De benadeelde partij zou daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Volledig
Sinds kort is verdachte gediagnosticeerd met een verstandelijke beperking wat verklarend lijkt te zijn voor haar instabiliteit in gedrag en beperkte inzicht in consequenties. Het risico op gewelddadig gedrag wordt laag ingeschat, maar het risico op aanhoudend niet gewelddadig crimineel gedrag, zoals belaging, smaad en laster, hoog. De psychiater acht een behandeling die aansluit bij het sociale, emotionele en cognitieve functioneren van verdachte van belang. Verdachte heeft behandeling nodig gericht op het herkennen van stressvolle situaties en hoe zij in deze situaties stress op een gezonde manier kan uiten. Naast psychotherapeutische behandeling kan medicamenteuze toevoeging zinvol zijn in de behandeling van haar obsessieve gedrag. Daarnaast acht de psychiater woonbegeleiding voor ondersteuning in haar dagelijkse functioneren en financiële ondersteuning in de vorm van bewind van belang. Daarbij benoemt hij dat verdachte moet onderzoeken waar zij zingeving in het leven uithaalt. Dit kan bijvoorbeeld door ondersteuning in haar dagbesteding. De psychiater schrijft dat het voor verdachte over het algemeen van belang is dat de hulpverlenende instanties samenwerken, zodat zij een duidelijk kader krijgt en weet bij wie zij terecht kan. Gelet op bovenstaande heeft de psychiater bij een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten geadviseerd tot oplegging van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] heeft in het door hem opgestelde rapport van 7 april 2026 geadviseerd om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod en locatieverbod met aangevers (zonder elektronisch toezicht), dagbesteding en ambulante woonbegeleiding. Verdachte heeft zich tijdens haar schorsing van de voorlopige hechtenis en ter terechtzitting bereid getoond zich aan deze voorwaarden te houden. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De op te leggen straf Gelet op de ernst van de feiten en de persoon van verdachte waaronder het gegeven dat de feiten haar in verminderde maten kunnen worden toegerekend, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarbij wordt het locatieverbod niet verder ingeperkt, zoals door de verdediging is verzocht. De rechtbank is van mening dat het locatieverbod niet onevenredig belastend is voor verdachte of voor haar zoontje. Het is voor de aangevers van belang dat verdachte een locatieverbod krijgt, waarbij de directe woonomgeving van de aangevers niet voor verdachte te achterhalen is. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren. Om bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, dient te kunnen worden geconcludeerd dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op het blanco strafblad van verdachte en de aard van de onderhavige feiten kan de rechtbank die conclusie niet trekken. Verder ziet de rechtbank geen ruimte om naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden ook nog een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen. Gelet op de bij verdachte geconstateerde stoornissen zal het voldoen aan de bijzondere voorwaarden naar de verwachting van de rechtbank veel van haar vragen en bestaat het risico dat een taakstraf verdachte zal overvragen, hetgeen de rechtbank onwenselijk acht. Een taakstraf zal daarom niet worden opgelegd. Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid (artikel 38v Sr) Omdat verdachte de ernst van haar handelen niet geheel in lijkt te zien en het risico op herhaling als hoog wordt ingeschat, is het niet ondenkbaar dat verdachte in de toekomst contact zal willen opnemen met de aangevers. Om de aangevers te beschermen en ter voorkoming dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens de aangevers, zal de rechtbank daarom ook aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr opleggen. De maatregel houdt in dat verdachte gedurende drie jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en niet in de woonomgeving van aangevers mag komen. De rechtbank zal bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van veertien dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank zal voorts bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar zal zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte - zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens de aangevers. De rechtbank heeft bij haar keuze om het contactverbod en het locatieverbod niet alleen als bijzondere voorwaarden maar ook als vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, het volgende meegewogen. In het geval dat verdachte de maatregel overtreedt kan er direct gereageerd worden en wordt niet, zoals bij overtreding van de bijzondere voorwaarden, het risico gelopen dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel wordt gevorderd met als gevolg dat de overige voorwaarden en de behandeling van verdachte daarmee zouden komen te vervallen. Voorlopige hechtenis Gelet op de opgelegde straf heft de rechtbank het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op. 9. Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 9.1 De vorderingen De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] De benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , heeft ten aanzien van feit 1 en feit 4 € 17.673,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 7.673,- aan materiële schade en voor € 10.000,- uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] De benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , heeft ten aanzien van feit 2 en feit 3 € 2.170,85 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 170,85 aan materiële schade en voor € 2.000,- uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 9.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen in zijn geheel kunnen worden toegewezen. 9.3 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft in het algemeen aangevoerd dat de immateriële schadevergoedingen gestoeld lijken te zijn op belaging, maar dat hiervan geen sprake is nu een dergelijk feit niet ten laste is gelegd. De immateriële schadeposten zouden daarom sterk gematigd moeten worden. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Ten aanzien van [benadeelde partij 1] heeft de verdediging betoogd dat de materiële kosten het rechtstreeks verband missen met de tenlastegelegde feiten. Primair wordt daarom verzocht de kosten af te wijzen. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering is onderbouwd met een forfaitaire kostenregeling van de Rijksoverheid die in casu niet van toepassing is en dat een onderbouwing met stukken van de verhuizing in zijn volledigheid ontbreekt. De benadeelde partij zou daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Volledig
Wat betreft de immateriële kosten heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren vanwege het langlopende conflict tussen de partijen. De benadeelde partij zou daarom niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard. Subsidiair verzoekt de verdediging dat de vordering wordt gematigd tot een lager geldbedrag passend bij smaad en bedreiging. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] Ten aanzien van [benadeelde partij 2] heeft de verdediging geen verweren gevoerd die zien op de materiële kosten. Wat betreft de immateriële kosten stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft aangeleverd waaruit blijkt dat er sprake is van aantasting in de persoon op ‘andere wijze’ (artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De benadeelde partij zou daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair verzoekt de verdediging dat de vordering wordt gematigd tot een lager geldbedrag, passend bij bedreiging. 9.4 Oordeel van de rechtbank 9.4.1 De vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 1] Materiële schade Hoewel de rechtbank anders dan de verdediging aanneemt dat de benadeelde partij heeft moeten verhuizen vanwege het bewezenverklaarde onder 4, blijft het onduidelijk welke kosten de benadeelde partij (al dan niet bij benadering) heeft gemaakt voor deze verhuizing. De benadeelde partij heeft geen stukken overgelegd die de schadepost onderbouwen en de forfaitaire kostenregeling waar de benadeelde partij zich op beroept is in zijn geval niet van toepassing. De rechtbank acht zich daarom onvoldoende voorgelicht om een schatting te maken van de omvang van de geleden schade. Gelet op bovenstaande levert een behandeling van de vordering voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij zal daarom in zijn verzoek tot materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 4 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten in zijn eer en goede naam is aangetast. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, zoals ook weergegeven in paragraaf 8.3, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 3.000,-. Dit bedrag zal vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2025 worden toegewezen. Voor het overige zal de rechtbank de vordering afwijzen. 9.4.2 De vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 2] Materiële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De hoogte van de schade van de vernielde autoband (€ 170,85) is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 6 januari 2025. Immateriële schade Het verzoek tot immateriële schadevergoeding zal worden afgewezen, omdat een grondslag voor toewijzing van dergelijke schade niet is komen vast te staan. Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van letsel, aantasting van de eer en goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze. Dat er sprake zou zijn van letsel of een aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde partij is niet gesteld of gebleken. De benadeelde partij heeft gesteld dat zij angstig is, geen gevoel van veiligheid meer heeft en spanning ervaart waarvoor zij een psycholoog bezoekt. De benadeelde partij heeft naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van de strafbare feiten psychisch letsel bij de benadeelde partij is ontstaan. De enkele wetenschap dat er een niet overgelegde brief van een psycholoog bestaat van 31 oktober 2024 waaruit zou blijken dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft, is onvoldoende. Deze brief is immers gedateerd voor het tenlastegelegde. Ook blijkt uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan niet dat de benadeelde partij evident op andere wijze in haar persoon is aangetast. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag bestaat voor de toekenning van een immateriële schadevergoeding en dat dit deel van de vordering zal worden afgewezen. 9.5 Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal ten aanzien van beide benadeelde partijen, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel in de zin van artikel 36f Sr opleggen. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen (€ 3.000,- voor [benadeelde partij 1] en € 170,85 voor [benadeelde partij 2] ) worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, namelijk op 26 februari 2025 ten aanzien van [benadeelde partij 1] en op 6 januari 2025 ten aanzien van [benadeelde partij 2] . Bij gebreke van betaling en verhaal kan ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] gijzeling worden toegepast van maximaal 30 dagen. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] kan gijzeling worden toegepast van maximaal 1 dag. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 261, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 11 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1 en 2: telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Ten aanzien van feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. Ten aanzien van feit 4: Smaadschrift. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 (tachtig) dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 40 (veertig) dagen , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Daarbij gelden de volgende bijzondere voorwaarden: Meldplicht - Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Ambulante behandeling - Veroordeelde laat zich behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Volledig
Wat betreft de immateriële kosten heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren vanwege het langlopende conflict tussen de partijen. De benadeelde partij zou daarom niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard. Subsidiair verzoekt de verdediging dat de vordering wordt gematigd tot een lager geldbedrag passend bij smaad en bedreiging. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] Ten aanzien van [benadeelde partij 2] heeft de verdediging geen verweren gevoerd die zien op de materiële kosten. Wat betreft de immateriële kosten stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft aangeleverd waaruit blijkt dat er sprake is van aantasting in de persoon op ‘andere wijze’ (artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De benadeelde partij zou daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair verzoekt de verdediging dat de vordering wordt gematigd tot een lager geldbedrag, passend bij bedreiging. 9.4 Oordeel van de rechtbank 9.4.1 De vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 1] Materiële schade Hoewel de rechtbank anders dan de verdediging aanneemt dat de benadeelde partij heeft moeten verhuizen vanwege het bewezenverklaarde onder 4, blijft het onduidelijk welke kosten de benadeelde partij (al dan niet bij benadering) heeft gemaakt voor deze verhuizing. De benadeelde partij heeft geen stukken overgelegd die de schadepost onderbouwen en de forfaitaire kostenregeling waar de benadeelde partij zich op beroept is in zijn geval niet van toepassing. De rechtbank acht zich daarom onvoldoende voorgelicht om een schatting te maken van de omvang van de geleden schade. Gelet op bovenstaande levert een behandeling van de vordering voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij zal daarom in zijn verzoek tot materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 4 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten in zijn eer en goede naam is aangetast. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, zoals ook weergegeven in paragraaf 8.3, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 3.000,-. Dit bedrag zal vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2025 worden toegewezen. Voor het overige zal de rechtbank de vordering afwijzen. 9.4.2 De vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 2] Materiële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De hoogte van de schade van de vernielde autoband (€ 170,85) is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 6 januari 2025. Immateriële schade Het verzoek tot immateriële schadevergoeding zal worden afgewezen, omdat een grondslag voor toewijzing van dergelijke schade niet is komen vast te staan. Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van letsel, aantasting van de eer en goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze. Dat er sprake zou zijn van letsel of een aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde partij is niet gesteld of gebleken. De benadeelde partij heeft gesteld dat zij angstig is, geen gevoel van veiligheid meer heeft en spanning ervaart waarvoor zij een psycholoog bezoekt. De benadeelde partij heeft naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van de strafbare feiten psychisch letsel bij de benadeelde partij is ontstaan. De enkele wetenschap dat er een niet overgelegde brief van een psycholoog bestaat van 31 oktober 2024 waaruit zou blijken dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft, is onvoldoende. Deze brief is immers gedateerd voor het tenlastegelegde. Ook blijkt uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan niet dat de benadeelde partij evident op andere wijze in haar persoon is aangetast. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag bestaat voor de toekenning van een immateriële schadevergoeding en dat dit deel van de vordering zal worden afgewezen. 9.5 Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal ten aanzien van beide benadeelde partijen, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel in de zin van artikel 36f Sr opleggen. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen (€ 3.000,- voor [benadeelde partij 1] en € 170,85 voor [benadeelde partij 2] ) worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, namelijk op 26 februari 2025 ten aanzien van [benadeelde partij 1] en op 6 januari 2025 ten aanzien van [benadeelde partij 2] . Bij gebreke van betaling en verhaal kan ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] gijzeling worden toegepast van maximaal 30 dagen. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] kan gijzeling worden toegepast van maximaal 1 dag. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 261, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 11 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1 en 2: telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Ten aanzien van feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. Ten aanzien van feit 4: Smaadschrift. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 (tachtig) dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 40 (veertig) dagen , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Daarbij gelden de volgende bijzondere voorwaarden: Meldplicht - Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Ambulante behandeling - Veroordeelde laat zich behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Volledig
Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Contactverbod - Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [benadeelde partij 1] geboren op [geboortedatum 1] en [benadeelde partij 2] geboren op [geboortedatum 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Locatieverbod - Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet in delen van Amsterdam Osdorp en Amsterdam Nieuw-West. Voor een gedetailleerde beschrijving van het locatieverbod wordt verwezen naar bijlage II waar de gebieden per illustratie zijn aangeduid. Dagbesteding - Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag. Ambulante woonbegeleiding - Veroordeelde werkt mee aan een vorm van (praktische) ambulante woonbegeleiding ter ondersteuning in de dagelijkse praktijk. Deze vorm van woonbegeleiding zou gedaan kunnen worden door organisaties als MEE of Cordaan. De toezichthouder bepaalt wanneer en door welke partij de begeleiding geboden zal worden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Geeft aan de reclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De politie zal toezicht houden op de naleving van het contact- en locatieverbod. Maatregel artikel 38v Sr: Legt op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect –contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedatum 1] ) en met [benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedatum 2] ). Legt op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren zich niet bevindt in delen van Amsterdam Osdorp en Amsterdam Nieuw-west . Voor een gedetailleerde beschrijving van het locatieverbod wordt verwezen naar bijlage II waar de gebieden per illustratie zijn aangeduid. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van maximaal 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. De rechter beveelt, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] : Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering tot materiele schadevergoeding ter hoogte van € 7.673, -. Wijst het overige deel van de vordering af . Beslissing op de schadevergoedingsmaatregel: Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat € 3.000,- (drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 februari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] : Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 170,85 (honderdzeventig euro en vijfentachtig cent) aan vergoeding van materiële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 januari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Wijst het overige deel van de vordering af . Beslissing op de schadevergoedingsmaatregel: Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat € 170,85 (honderdzeventig euro en vijfentachtig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 januari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Voorlopige hechtenis: Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Overbosch, voorzitter, mrs. L.F. Bögemann en A.L. op ‘t Hoog, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. K.M.S. Kamp en M.H.G. Brinkman, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2026. […]
Volledig
Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Contactverbod - Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [benadeelde partij 1] geboren op [geboortedatum 1] en [benadeelde partij 2] geboren op [geboortedatum 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Locatieverbod - Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet in delen van Amsterdam Osdorp en Amsterdam Nieuw-West. Voor een gedetailleerde beschrijving van het locatieverbod wordt verwezen naar bijlage II waar de gebieden per illustratie zijn aangeduid. Dagbesteding - Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag. Ambulante woonbegeleiding - Veroordeelde werkt mee aan een vorm van (praktische) ambulante woonbegeleiding ter ondersteuning in de dagelijkse praktijk. Deze vorm van woonbegeleiding zou gedaan kunnen worden door organisaties als MEE of Cordaan. De toezichthouder bepaalt wanneer en door welke partij de begeleiding geboden zal worden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Geeft aan de reclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De politie zal toezicht houden op de naleving van het contact- en locatieverbod. Maatregel artikel 38v Sr: Legt op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect –contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedatum 1] ) en met [benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedatum 2] ). Legt op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren zich niet bevindt in delen van Amsterdam Osdorp en Amsterdam Nieuw-west . Voor een gedetailleerde beschrijving van het locatieverbod wordt verwezen naar bijlage II waar de gebieden per illustratie zijn aangeduid. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van maximaal 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. De rechter beveelt, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] : Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering tot materiele schadevergoeding ter hoogte van € 7.673, -. Wijst het overige deel van de vordering af . Beslissing op de schadevergoedingsmaatregel: Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat € 3.000,- (drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 februari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] : Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 170,85 (honderdzeventig euro en vijfentachtig cent) aan vergoeding van materiële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 januari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Wijst het overige deel van de vordering af . Beslissing op de schadevergoedingsmaatregel: Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat € 170,85 (honderdzeventig euro en vijfentachtig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 januari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Voorlopige hechtenis: Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Overbosch, voorzitter, mrs. L.F. Bögemann en A.L. op ‘t Hoog, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. K.M.S. Kamp en M.H.G. Brinkman, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2026. […]