Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-13
ECLI:NL:RBAMS:2026:4772
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
49,992 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4772 text/xml public 2026-05-21T11:02:31 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-13 13.1666875.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4772 text/html public 2026-05-20T16:08:18 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4772 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 13.1666875.25 Jeugdstrafrecht. 15 mnd jedet en PIJ-maatregel ter zake van onder meer gijzeling, afpersing, poging opzetverkachting. Verdachte heeft het minderjarige slachtoffer samen met zijn halfbroer en een ander onder dwang meegenomen en urenlang gegijzeld gehouden, vernederd en losgeld afgedwongen. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummers: 13.166875.25 (A) 13.094186.25 (B) 13.338898.24 (C) 13.246408.24 (D) 13.149494.24 (E) Parketnummers vorderingen TUL: 13.052494.22 en 13.198144.23 Datum uitspraak: 13 mei 2026 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009, woonachtig in [woonplaats] , op dit moment gedetineerd in de [JJI] en tevens ingeschreven op dat adres. 1 Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2026 en 21 april 2026. Op 13 mei 2026 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De zaken met bovenvermelde parketnummers zijn ter terechtzitting van 21 april 2026 gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C, zaak D en zaak E aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Modder en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R. Pothast, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer naar voren is gebracht door: - mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad); - mevrouw [naam 2] , reclasseringswerker bij de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA); - mevrouw A.X. Rutten, kinder- en jeugdpsychiater; - mevrouw T.J. van Vrijaldenhoven, GZ-psycholoog; - de moeder van de verdachte. Verder zijn benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , bijgestaan door mr. W. van Egmond, verschenen. Namens de benadeelde partij [slachtoffer 4] zijn diens moeder en mr. M. Rafik verschenen. 2 Tenlastelegging De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Aan de verdachte is – verkort en zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat hij: Zaak A 1. op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd door hem op te sluiten in een opbergruimte, onder meer met bedreiging van een vuurwapen en gebruik van geweld, waaronder slaan (met riem en wapen) en gebod zich uit te kleden, met het oogmerk de ouders van die [slachtoffer 1] te dwingen tot het betalen van een geldbedrag; (art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht) 2. op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] met (bedreiging van) geweld heeft gedwongen tot afgifte van goederen; (art 312 lid 2 ahf/sub 2, art 317 lid 1, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht) 3. op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, door middel van een valse sleutel, onbevoegd Tikkie-gebruik en onbevoegd pinnen met pinpas, 350 euro van [slachtoffer 1] heeft gestolen; (art 311 lid 1 ahf/sub 4, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht) 4. op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem te slaan (met vuist, riem en vuurwapen) en te schoppen tegen gezicht en lichaam; (art 302 lid 1, art 45 lid 1, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) subsidiair op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen. [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te slaan (onder meer met riem en vuurwapen) en te schoppen tegen gezicht en lichaam. (art 300 lid 1, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 5. op 29 mei 2025 te Amsterdam, een of meer seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer 1] , die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de verdachte wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging; (art 243 lid 2, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht) subsidiair op 29 mei 2025 te Amsterdam, met [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het pogen de onderbroek van die [slachtoffer 1] uit te trekken en/of - het brengen van zijn, de verdachtes, met kleding bedekte geslachtsdeel naar/bij het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of - het met snelheid brengen van een deurklink in de richting van de billen en/of anus van die [slachtoffer 1] , terwijl de verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging; (art 241 lid 2 Wetboek van Strafrecht) 6. In de periode van 28 - 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen voorhanden heeft gehad, te weten een (getransformeerd) pistool, van het merk Blow, type TR14 D, kaliber 7,65mm Browning, geschikt om automatisch mee te vuren; (art 26 lid 1 Wet wapens en munitie) Zaak B op 25 maart 2025 te Amsterdam, [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hem in zijn gezicht te slaan; (art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht) Zaak C op 23 oktober 2024 te Amsterdam een fatbike voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dan wel had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; (art 416 lid 1 ahf/ond a, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht) Zaak D 1. op 29 juli 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een personenauto van het merk Renault van MyWheels heeft gestolen door met behulp van bijbehorende sleutel de auto te starten en weg te rijden, terwijl hij tot het gebruik van deze sleutel niet gerechtigd was; (art 311 lid 1 ahf/sub 4, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht) 2. op 29 juli 2024 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 6] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding, werd toegebracht; (art 175 lid 3, art 6 Wegenverkeerswet 1994) subsidiair op 29 juli 2024 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd. (art 5 Wegenverkeerswet 1994) 3. op 29 juli 2024 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden. (art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994) 4. op 29 juli 2024 te Amsterdam de plaatsen van ongevallen heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongevallen, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een of meer anderen (te weten [slachtoffer 6] en/of een personenauto voorzien van kenteken [kenteken 1] en/of een Audi Q7 voorzien van kenteken [kenteken 2] en/of een Peugeot 107 voorzien van kenteken [kenteken 3] en/of Toyota Yaris voorzien van kenteken [kenteken 4] en/of een Mercedes Vito voorzien van kenteken [kenteken 5] ) letsel en/of schade was toegebracht en/of een ander (te weten [slachtoffer 6] )in hulpeloze toestand werd achtergelaten; (art 7 lid 1 ahf/ond a, art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994) 5.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4772 text/xml public 2026-05-21T11:02:31 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-13 13.1666875.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4772 text/html public 2026-05-20T16:08:18 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4772 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 13.1666875.25 Jeugdstrafrecht. 15 mnd jedet en PIJ-maatregel ter zake van onder meer gijzeling, afpersing, poging opzetverkachting. Verdachte heeft het minderjarige slachtoffer samen met zijn halfbroer en een ander onder dwang meegenomen en urenlang gegijzeld gehouden, vernederd en losgeld afgedwongen. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummers: 13.166875.25 (A) 13.094186.25 (B) 13.338898.24 (C) 13.246408.24 (D) 13.149494.24 (E) Parketnummers vorderingen TUL: 13.052494.22 en 13.198144.23 Datum uitspraak: 13 mei 2026 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009, woonachtig in [woonplaats] , op dit moment gedetineerd in de [JJI] en tevens ingeschreven op dat adres. 1 Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2026 en 21 april 2026. Op 13 mei 2026 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De zaken met bovenvermelde parketnummers zijn ter terechtzitting van 21 april 2026 gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C, zaak D en zaak E aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Modder en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R. Pothast, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer naar voren is gebracht door: - mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad); - mevrouw [naam 2] , reclasseringswerker bij de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA); - mevrouw A.X. Rutten, kinder- en jeugdpsychiater; - mevrouw T.J. van Vrijaldenhoven, GZ-psycholoog; - de moeder van de verdachte. Verder zijn benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , bijgestaan door mr. W. van Egmond, verschenen. Namens de benadeelde partij [slachtoffer 4] zijn diens moeder en mr. M. Rafik verschenen. 2 Tenlastelegging De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Aan de verdachte is – verkort en zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat hij: Zaak A 1. op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd door hem op te sluiten in een opbergruimte, onder meer met bedreiging van een vuurwapen en gebruik van geweld, waaronder slaan (met riem en wapen) en gebod zich uit te kleden, met het oogmerk de ouders van die [slachtoffer 1] te dwingen tot het betalen van een geldbedrag; (art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht) 2. op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] met (bedreiging van) geweld heeft gedwongen tot afgifte van goederen; (art 312 lid 2 ahf/sub 2, art 317 lid 1, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht) 3. op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, door middel van een valse sleutel, onbevoegd Tikkie-gebruik en onbevoegd pinnen met pinpas, 350 euro van [slachtoffer 1] heeft gestolen; (art 311 lid 1 ahf/sub 4, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht) 4. op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem te slaan (met vuist, riem en vuurwapen) en te schoppen tegen gezicht en lichaam; (art 302 lid 1, art 45 lid 1, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) subsidiair op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen. [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te slaan (onder meer met riem en vuurwapen) en te schoppen tegen gezicht en lichaam. (art 300 lid 1, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 5. op 29 mei 2025 te Amsterdam, een of meer seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer 1] , die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de verdachte wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging; (art 243 lid 2, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht) subsidiair op 29 mei 2025 te Amsterdam, met [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het pogen de onderbroek van die [slachtoffer 1] uit te trekken en/of - het brengen van zijn, de verdachtes, met kleding bedekte geslachtsdeel naar/bij het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of - het met snelheid brengen van een deurklink in de richting van de billen en/of anus van die [slachtoffer 1] , terwijl de verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging; (art 241 lid 2 Wetboek van Strafrecht) 6. In de periode van 28 - 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen voorhanden heeft gehad, te weten een (getransformeerd) pistool, van het merk Blow, type TR14 D, kaliber 7,65mm Browning, geschikt om automatisch mee te vuren; (art 26 lid 1 Wet wapens en munitie) Zaak B op 25 maart 2025 te Amsterdam, [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hem in zijn gezicht te slaan; (art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht) Zaak C op 23 oktober 2024 te Amsterdam een fatbike voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dan wel had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; (art 416 lid 1 ahf/ond a, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht) Zaak D 1. op 29 juli 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een personenauto van het merk Renault van MyWheels heeft gestolen door met behulp van bijbehorende sleutel de auto te starten en weg te rijden, terwijl hij tot het gebruik van deze sleutel niet gerechtigd was; (art 311 lid 1 ahf/sub 4, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht) 2. op 29 juli 2024 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 6] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding, werd toegebracht; (art 175 lid 3, art 6 Wegenverkeerswet 1994) subsidiair op 29 juli 2024 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd. (art 5 Wegenverkeerswet 1994) 3. op 29 juli 2024 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden. (art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994) 4. op 29 juli 2024 te Amsterdam de plaatsen van ongevallen heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongevallen, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een of meer anderen (te weten [slachtoffer 6] en/of een personenauto voorzien van kenteken [kenteken 1] en/of een Audi Q7 voorzien van kenteken [kenteken 2] en/of een Peugeot 107 voorzien van kenteken [kenteken 3] en/of Toyota Yaris voorzien van kenteken [kenteken 4] en/of een Mercedes Vito voorzien van kenteken [kenteken 5] ) letsel en/of schade was toegebracht en/of een ander (te weten [slachtoffer 6] )in hulpeloze toestand werd achtergelaten; (art 7 lid 1 ahf/ond a, art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994) 5.
Volledig
op 29 juli 2024 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht; (art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994) 6. op 29 juli 2024 te Amsterdam, op de weg, een motorrijtuig van de rijbewijscategorie A1 of B of E bij B of C1 of E bij C1, een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij de minimumleeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt; (art 110 Wegenverkeerswet 1994) Zaak E 1. op 2 oktober 2023 te Amsterdam openlijk tezamen en in vereniging met anderen geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] door hem bij de kraag te pakken, tegen de muur te duwen en te slaan; (art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht) 2. op 2 oktober 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 4] met (bedreiging van) geweld heeft gedwongen om op zijn knieën te gaan en sorry te zeggen. (art 284 lid 1 ahf/sub 1, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 3 Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Zaak A : Gijzeling [slachtoffer 1] Vaststaande feiten De volgende feiten hebben ter zitting niet ter discussie gestaan. Op donderdag 29 mei 2025 was de aangever [slachtoffer 1] op weg om een pakketje op te halen. Ter hoogte van metrostation [metrostation] werd hij aangesproken door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] , de halfbroer van de verdachte, en werd hij onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen om zijn iPhone en een zilveren ketting af te staan. Hij moest ook met zijn telefoon een Tikkie van 150,- euro overmaken naar het rekeningnummer van [medeverdachte 1] en daarna zijn telefoon resetten. Omdat de batterij van de iPhone bijna leeg was, lukte het niet om de telefoon te resetten. De aangever werd daarom meegenomen naar de Albert Heijn en vervolgens naar de Media Markt om op zoek te gaan naar een oplader die de aangever zelf moest afrekenen. Hierna namen de verdachten de aangever mee met de metro richting [straatnaam] om daar naar het flatgebouw [naam flatgebouw] te gaan. Op camerabeelden is te zien dat zij daar om 17:10 uur aankomen. Ze zijn vervolgens naar de 18e verdieping van de flat gegaan; daar bevond zich een smalle opbergruimte. De aangever moest naar binnen in deze opbergruimte. Vervolgens werd eerst de iPhone opgeladen en werd opnieuw geprobeerd de iPhone te resetten. Toen dit niet lukte, werd de verdachte boos en agressief. De aangever werd in zijn gezicht en tegen zijn benen en armen geslagen en geschopt. De verdachte pakte ook het vuurwapen uit zijn tasje en heeft dit naar het hoofd van de aangever gericht. Daarna sloeg de verdachte een aantal keren met het vuurwapen op het hoofd van de aangever en hebben de verdachten gezegd dat ze hem zouden doodschieten. Vervolgens moest de aangever op de grond zitten en zijn kleren uitdoen. Omdat hij dit in eerste instantie weigerde, deed de verdachte het vuurwapen in de mond van de aangever en begon hij het wapen hardhandig heen en weer te duwen. Uiteindelijk heeft de aangever ook zijn onderbroek uitgedaan, waardoor hij geheel naakt was. Hij is daarbij ook veelvuldig geslagen met zijn eigen riem. Nadat een derde persoon, de medeverdachte [medeverdachte 2] , binnenkwam, is het geweld gestopt. Wel is de aangever toen opnieuw bedreigd met het vuurwapen. De verdachten dwongen de aangever om te videobellen met zijn vader en hem om 1.000,- euro te vragen. Tijdens het videobellen richtte de verdachte het vuurwapen met laser op het hoofd van de aangever. De vader van de aangever heeft hierna 1.000,- euro overgemaakt naar de rekening van de aangever. De medeverdachte [medeverdachte 1] is naar een pinautomaat gegaan en heeft met de pinpas van de aangever en de afgedwongen pincode een bedrag van 200,- euro van de rekening van de aangever gepind. Vervolgens hebben de verdachten opnieuw een videogesprek met de ouders van aangever gevoerd en een bedrag van 5.000,- euro geëist. Daarbij werd gedreigd dat ze de aangever dood zouden schieten als de ouders het bedrag niet zouden betalen. Als er politie bij zou worden gehaald, zouden ze de aangever wat aandoen. Het is de ouders uiteindelijk gelukt om in totaal aan 3.000,- euro contant geld te komen. De ouders hebben geld geleend van de buurman en geld gepind bij de Albert Heijn aan het [adres] . Op verzoek van de verdachten hebben de ouders het geld neergelegd op een plek in de buurt van de flat. De aangever werd kort daarna, nadat hij zijn schoenen moest uitdoen en afgeven, vrijgelaten. Hij liep met de verdachten naar buiten. Dit was blijkens de camerabeelden van de [naam flatgebouw] flat om 19:36 uur. Eenmaal buiten werd zijn telefoon kapotgetrapt en werden zijn sleutels in de sloot gegooid. De aangever zag de auto van zijn ouders staan, is ingestapt en met hen naar huis gereden. Tijdens het pinnen in de Albert Heijn, had de moeder van de aangever een daar aanwezige politieagent aangesproken voor hulp. Vervolgens was zij echter vertrokken en weggebleven. Nadat de politieagent de camerabeelden van de Albert Heijn en de pintransacties had bekeken, is de moeder geïdentificeerd en is de politie naar de woning gegaan. Daar troffen zij de aangever met zijn ouders. De politie zag dat de aangever behoorlijk letsel had. Later heeft de forensisch arts bij de aangever letsel vastgesteld op zijn hoofd, romp, rug, armen en benen, welk letsel verklaard kan worden door uitwendig geweld. Na de aanhouding van de verdachten, een dag later, zijn bij hen telefoons in beslag genomen. Uit onderzoek aan de telefoons is gebleken dat een deel van de mishandelingen is gefilmd en gefotografeerd met de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] . Een aantal van deze fragmenten is door de politie ook op de telefoon van de verdachte aangetroffen. Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van: de onder feit 1 tenlastegelegde gijzeling van de aangever [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] door hem onder andere met een vuurwapen te bedreigen, vast te houden in de bergruimte van een flatgebouw en hem te bedreigen, fysiek te mishandelen en zijn ouders te bedreigen hem iets aan te doen zodat zij een geldbedrag zouden betalen; de onder feit 2 tenlastegelegde afpersing ook onder dreiging met vuurwapen en fysiek geweld; de onder feit 3 tenlastegelegde diefstal met valse sleutel door middel van onbevoegd betalen met een tikkie en te pinnen met gestolen pinpas; de onder feit 4 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling; de onder feit 5 primair tenlastegelegde poging tot opzetverkrachting; het onder feit 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van een vuurwapen in de periode van 28 – 29 mei 2025. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 en feit 2 verzocht de verdachte vrij te spreken van het slaan met riem op het hoofd en het schoppen (tegen hoofd). Dit ontkent de verdachte. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 4 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verdachte niet hard met het wapen heeft geslagen en dat het slaan met de riem tegen het hoofd en het schoppen (tegen hoofd) niet heeft plaatsgevonden. Voorts verwijst de raadsman naar jurisprudentie waaruit blijkt dat de lat voor het beoordelen of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel hoog ligt. De raadsman heeft ten aanzien van feit 5 vrijspraak betoogd. De verdachte ontkent deze handelingen stellig. Het is daarin het woord van de aangever tegenover die van de verdachte. Er is geen steunbewijs voor de bewering dat de verdachte heeft geprobeerd om de deurklink in de anus van de aangever te duwen. De verdachte heeft de deurklink wel vastgehad maar wilde de aangever daarmee op zijn rug slaan. Het kan goed zijn dat het in de gegeven omstandigheden een beleving is geweest van de aangever. Er zijn in tegenstelling tot de andere handelingen geen beelden van deze verrichtingen.
Volledig
op 29 juli 2024 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht; (art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994) 6. op 29 juli 2024 te Amsterdam, op de weg, een motorrijtuig van de rijbewijscategorie A1 of B of E bij B of C1 of E bij C1, een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij de minimumleeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt; (art 110 Wegenverkeerswet 1994) Zaak E 1. op 2 oktober 2023 te Amsterdam openlijk tezamen en in vereniging met anderen geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] door hem bij de kraag te pakken, tegen de muur te duwen en te slaan; (art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht) 2. op 2 oktober 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 4] met (bedreiging van) geweld heeft gedwongen om op zijn knieën te gaan en sorry te zeggen. (art 284 lid 1 ahf/sub 1, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 3 Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Zaak A : Gijzeling [slachtoffer 1] Vaststaande feiten De volgende feiten hebben ter zitting niet ter discussie gestaan. Op donderdag 29 mei 2025 was de aangever [slachtoffer 1] op weg om een pakketje op te halen. Ter hoogte van metrostation [metrostation] werd hij aangesproken door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] , de halfbroer van de verdachte, en werd hij onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen om zijn iPhone en een zilveren ketting af te staan. Hij moest ook met zijn telefoon een Tikkie van 150,- euro overmaken naar het rekeningnummer van [medeverdachte 1] en daarna zijn telefoon resetten. Omdat de batterij van de iPhone bijna leeg was, lukte het niet om de telefoon te resetten. De aangever werd daarom meegenomen naar de Albert Heijn en vervolgens naar de Media Markt om op zoek te gaan naar een oplader die de aangever zelf moest afrekenen. Hierna namen de verdachten de aangever mee met de metro richting [straatnaam] om daar naar het flatgebouw [naam flatgebouw] te gaan. Op camerabeelden is te zien dat zij daar om 17:10 uur aankomen. Ze zijn vervolgens naar de 18e verdieping van de flat gegaan; daar bevond zich een smalle opbergruimte. De aangever moest naar binnen in deze opbergruimte. Vervolgens werd eerst de iPhone opgeladen en werd opnieuw geprobeerd de iPhone te resetten. Toen dit niet lukte, werd de verdachte boos en agressief. De aangever werd in zijn gezicht en tegen zijn benen en armen geslagen en geschopt. De verdachte pakte ook het vuurwapen uit zijn tasje en heeft dit naar het hoofd van de aangever gericht. Daarna sloeg de verdachte een aantal keren met het vuurwapen op het hoofd van de aangever en hebben de verdachten gezegd dat ze hem zouden doodschieten. Vervolgens moest de aangever op de grond zitten en zijn kleren uitdoen. Omdat hij dit in eerste instantie weigerde, deed de verdachte het vuurwapen in de mond van de aangever en begon hij het wapen hardhandig heen en weer te duwen. Uiteindelijk heeft de aangever ook zijn onderbroek uitgedaan, waardoor hij geheel naakt was. Hij is daarbij ook veelvuldig geslagen met zijn eigen riem. Nadat een derde persoon, de medeverdachte [medeverdachte 2] , binnenkwam, is het geweld gestopt. Wel is de aangever toen opnieuw bedreigd met het vuurwapen. De verdachten dwongen de aangever om te videobellen met zijn vader en hem om 1.000,- euro te vragen. Tijdens het videobellen richtte de verdachte het vuurwapen met laser op het hoofd van de aangever. De vader van de aangever heeft hierna 1.000,- euro overgemaakt naar de rekening van de aangever. De medeverdachte [medeverdachte 1] is naar een pinautomaat gegaan en heeft met de pinpas van de aangever en de afgedwongen pincode een bedrag van 200,- euro van de rekening van de aangever gepind. Vervolgens hebben de verdachten opnieuw een videogesprek met de ouders van aangever gevoerd en een bedrag van 5.000,- euro geëist. Daarbij werd gedreigd dat ze de aangever dood zouden schieten als de ouders het bedrag niet zouden betalen. Als er politie bij zou worden gehaald, zouden ze de aangever wat aandoen. Het is de ouders uiteindelijk gelukt om in totaal aan 3.000,- euro contant geld te komen. De ouders hebben geld geleend van de buurman en geld gepind bij de Albert Heijn aan het [adres] . Op verzoek van de verdachten hebben de ouders het geld neergelegd op een plek in de buurt van de flat. De aangever werd kort daarna, nadat hij zijn schoenen moest uitdoen en afgeven, vrijgelaten. Hij liep met de verdachten naar buiten. Dit was blijkens de camerabeelden van de [naam flatgebouw] flat om 19:36 uur. Eenmaal buiten werd zijn telefoon kapotgetrapt en werden zijn sleutels in de sloot gegooid. De aangever zag de auto van zijn ouders staan, is ingestapt en met hen naar huis gereden. Tijdens het pinnen in de Albert Heijn, had de moeder van de aangever een daar aanwezige politieagent aangesproken voor hulp. Vervolgens was zij echter vertrokken en weggebleven. Nadat de politieagent de camerabeelden van de Albert Heijn en de pintransacties had bekeken, is de moeder geïdentificeerd en is de politie naar de woning gegaan. Daar troffen zij de aangever met zijn ouders. De politie zag dat de aangever behoorlijk letsel had. Later heeft de forensisch arts bij de aangever letsel vastgesteld op zijn hoofd, romp, rug, armen en benen, welk letsel verklaard kan worden door uitwendig geweld. Na de aanhouding van de verdachten, een dag later, zijn bij hen telefoons in beslag genomen. Uit onderzoek aan de telefoons is gebleken dat een deel van de mishandelingen is gefilmd en gefotografeerd met de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] . Een aantal van deze fragmenten is door de politie ook op de telefoon van de verdachte aangetroffen. Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van: de onder feit 1 tenlastegelegde gijzeling van de aangever [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] door hem onder andere met een vuurwapen te bedreigen, vast te houden in de bergruimte van een flatgebouw en hem te bedreigen, fysiek te mishandelen en zijn ouders te bedreigen hem iets aan te doen zodat zij een geldbedrag zouden betalen; de onder feit 2 tenlastegelegde afpersing ook onder dreiging met vuurwapen en fysiek geweld; de onder feit 3 tenlastegelegde diefstal met valse sleutel door middel van onbevoegd betalen met een tikkie en te pinnen met gestolen pinpas; de onder feit 4 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling; de onder feit 5 primair tenlastegelegde poging tot opzetverkrachting; het onder feit 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van een vuurwapen in de periode van 28 – 29 mei 2025. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 en feit 2 verzocht de verdachte vrij te spreken van het slaan met riem op het hoofd en het schoppen (tegen hoofd). Dit ontkent de verdachte. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 4 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verdachte niet hard met het wapen heeft geslagen en dat het slaan met de riem tegen het hoofd en het schoppen (tegen hoofd) niet heeft plaatsgevonden. Voorts verwijst de raadsman naar jurisprudentie waaruit blijkt dat de lat voor het beoordelen of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel hoog ligt. De raadsman heeft ten aanzien van feit 5 vrijspraak betoogd. De verdachte ontkent deze handelingen stellig. Het is daarin het woord van de aangever tegenover die van de verdachte. Er is geen steunbewijs voor de bewering dat de verdachte heeft geprobeerd om de deurklink in de anus van de aangever te duwen. De verdachte heeft de deurklink wel vastgehad maar wilde de aangever daarmee op zijn rug slaan. Het kan goed zijn dat het in de gegeven omstandigheden een beleving is geweest van de aangever. Er zijn in tegenstelling tot de andere handelingen geen beelden van deze verrichtingen.
Volledig
Ook heeft de aangever lichamelijk onderzoek van dit gedeelte van het onderlichaam tegengehouden. De raadsman heeft ten aanzien van feit 6 opgemerkt dat het wapen niet geladen was en dat het niet geschikt was om automatisch mee te vuren. Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 en feit 2 De rechtbank acht de tenlastegelegde gijzeling en afpersing in vereniging wettig en overtuigend bewezen. Anders dan de raadsman acht de rechtbank ook bewezen dat de aangever daarbij met de riem op zijn hoofd is geslagen en geschopt. De aangever heeft gedetailleerd verklaard over het slaan en de rechtbank heeft geen reden om aan de verklaring van de aangever te twijfelen. De aangifte wordt ook ondersteund door het letsel dat bij de aangever is geconstateerd. Naast blauwe plekken en forse striemen op het lichaam heeft de forensisch arts immers ook een zwelling op het voorhoofd, schaafwonden in het gelaat en drukpijn op achterhoofd vastgesteld. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van feit 3 De rechtbank acht de tenlastegelegde diefstal met valse sleutel en in vereniging wettig en overtuigend bewezen. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben onbevoegd met de telefoon van de aangever een Tikkie van 150,- euro betaald aan [medeverdachte 1] . Ook hebben zij met de afgenomen pinpas en afgedwongen pincode van de aangever een bedrag van 200,- euro gepind. Ten aanzien van feit 4 De rechtbank acht de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De aangever heeft verklaard dat hij twee a drie keer hard op de bovenkant van zijn hoofd is geslagen met het vuurwapen. Dit deed heel veel pijn. Door met een ijzeren slagwapen, te weten een vuurwapen, roekeloos op het hoofd te slaan is het risico op het raken van een kwetsbare plek van het hoofd, zoals bijvoorbeeld de slaap, en dus zwaar lichamelijk letsel aanwezig. De verdachte heeft door zijn handelen dit risico bewust aanvaard. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van feit 5 De aangever verklaart dat hij op enig moment alleen was met de verdachte in de opbergruimte. De medeverdachte [medeverdachte 1] stond op het balkon. De verdachte heeft de aangever toen onder dreiging van het vuurwapen gedwongen om zijn kleding uit te doen. Vervolgens heeft de verdachte gezegd: ‘Beter ga je me nu pijpen’. Het hoofd van de aangever werd naar verdachtes kruis geduwd en de verdachte zei: ‘dit ga je zo bij mij doen’. Daarna moest de aangever zich omdraaien en vooroverbuigen. Hij zag dat de verdachte een deurhendel pakte die op de grond bij de aangevers voeten lag en hoorde de verdachte zeggen: ‘ik ga deze in je kont steken’. De aangever heeft de hendel weg kunnen duwen, terwijl hij deed alsof het raak was door te schreeuwen. Hierna moest de aangever op zijn knieën zitten en kreeg hij een knietje tegen zijn rug. Daarna kwam de medeverdachte [medeverdachte 2] voor het eerst de ruimte binnen en die pakte het vuurwapen uit de handen van de verdachte en zorgde ervoor dat de aangever zijn kleren weer aan mocht doen. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaring van de aangever te twijfelen. Gebleken is dat het overgrote deel van de beschuldigingen van de aangever door de verdachte wordt erkend. Ook worden gedeeltes van de verklaring van de aangever door de beschikbare video- en fotofragmenten, tot op detailniveau, bevestigd. Dat maakt de verklaring van de aangever betrouwbaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de aangever dan op dit specifieke punt niet de waarheid zou hebben gesproken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat de aangever zich erg schaamde voor deze onzedelijke handelingen en hier eigenlijk liever niet over wilde praten. Dat betekent dat ook vanuit dat oogpunt niet voor de hand ligt dat hij dit zou verzinnen. Bovendien wordt de verklaring van de aangever over de poging verkrachting bevestigd door een beeldfragment waarop is te zien dat de aangever naakt is en is de deurklink waar de aangever over spreekt ook daadwerkelijk door de politie aangetroffen. Uitgaand van de verklaring van de aangever is de feitelijke positie waarin de verdachte de aangever heeft gebracht (naakt, omgedraaid en voorovergebogen) en de uitspraken die de verdachte heeft gedaan voldoende om aan te nemen dat de verdachte daadwerkelijk de intentie heeft gehad om de deurklink in de anus van de aangever te steken en dit ook heeft geprobeerd. Het is alleen niet gelukt omdat de aangever de klink kon tegenhouden met zijn hand. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van feit 6 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op de dag van de gijzeling te weten 29 mei 2025 een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het wapen automatisch kon vuren zodat hiervoor partieel vrijspraak zal volgen. 4.2 Zaak B : mishandeling [slachtoffer 5] Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling gevorderd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daarbij heeft de raadsman primair aangevoerd dat de verdachte de aangever niet bewust heeft geslagen maar bij het loskomen per ongeluk heeft geraakt. Er was geen sprake van een opzettelijk slaande beweging om iemand pijn te doen en dus geen opzet op de tenlastegelegde mishandeling. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er sprake is geweest van een noodweersituatie waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte werd namelijk vals beschuldigd en door drie volwassen mannen omsingeld, vastgegrepen en hem werd pijn gedaan. Hij kon zich niet onttrekken aan de situatie en probeerde weg te komen. Eén beweging met open hand om los te komen en de pijn te stoppen voldoet wat de raadsman betreft bovendien aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden. De aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige] en [getuige] . Deze getuigen verklaren te hebben gezien dat de verdachte de aangever een gerichte en harde klap in het gezicht gaf. De klap was volgens de getuigen ook goed hoorbaar. Getuige [getuige] heeft het over een harde klap, alsof je iemand een zogenoemde ‘bitch slap’ geeft. Dit past niet in het door de verdachte geschetste scenario dat hij door het loswurmen per ongeluk de aangever in zijn gezicht zou hebben geraakt. Het beroep op noodweer wordt verworpen, nu niet is gebleken van een wederrechtelijke aanval gericht tegen de verdachte. Uit de verklaringen van de aangever en de eerder genoemde getuigen blijkt dat zij samen met de verdachte wilde wachten op de komst van de politie omdat zij vermoedden dat de verdachte betrokken was bij een poging diefstal van een fiets aldaar. Omdat de verdachte probeerde weg te komen, hebben zij de verdachte vast gepakt. Gelet op hun vermoeden, mochten zij dat doen. Van een wederrechtelijke aanval tegen de verdachte is dan ook geen sprake. 4.3 Zaak C: heling fatbike Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring van de tenlastegelegde schuldheling gevorderd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. In de eerste plaats omdat op basis van het dossier niet goed kan worden vastgesteld/gecontroleerd dat de aangetroffen fatbike in de kamer van de verdachte de gestolen fatbike betreft. Er is geen foto van het framenummer van de inbeslaggenomen fatbike gemaakt. Ook is de foto van het trackapparaat niet goed te lezen. In de tweede plaats omdat de verdachte niet wist en redelijkerwijs kon vermoeden dat de fatbike gestolen was. Een goede vriend van de verdachte heeft aan de verdachte gevraagd of hij de fatbike even bij hem kon stallen zodat hij een slot kon kopen. Er was geen schade of iets anders opvallends aan de fiets te zien waardoor de verdachte wellicht iets had moeten navragen.
Volledig
Ook heeft de aangever lichamelijk onderzoek van dit gedeelte van het onderlichaam tegengehouden. De raadsman heeft ten aanzien van feit 6 opgemerkt dat het wapen niet geladen was en dat het niet geschikt was om automatisch mee te vuren. Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 en feit 2 De rechtbank acht de tenlastegelegde gijzeling en afpersing in vereniging wettig en overtuigend bewezen. Anders dan de raadsman acht de rechtbank ook bewezen dat de aangever daarbij met de riem op zijn hoofd is geslagen en geschopt. De aangever heeft gedetailleerd verklaard over het slaan en de rechtbank heeft geen reden om aan de verklaring van de aangever te twijfelen. De aangifte wordt ook ondersteund door het letsel dat bij de aangever is geconstateerd. Naast blauwe plekken en forse striemen op het lichaam heeft de forensisch arts immers ook een zwelling op het voorhoofd, schaafwonden in het gelaat en drukpijn op achterhoofd vastgesteld. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van feit 3 De rechtbank acht de tenlastegelegde diefstal met valse sleutel en in vereniging wettig en overtuigend bewezen. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben onbevoegd met de telefoon van de aangever een Tikkie van 150,- euro betaald aan [medeverdachte 1] . Ook hebben zij met de afgenomen pinpas en afgedwongen pincode van de aangever een bedrag van 200,- euro gepind. Ten aanzien van feit 4 De rechtbank acht de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De aangever heeft verklaard dat hij twee a drie keer hard op de bovenkant van zijn hoofd is geslagen met het vuurwapen. Dit deed heel veel pijn. Door met een ijzeren slagwapen, te weten een vuurwapen, roekeloos op het hoofd te slaan is het risico op het raken van een kwetsbare plek van het hoofd, zoals bijvoorbeeld de slaap, en dus zwaar lichamelijk letsel aanwezig. De verdachte heeft door zijn handelen dit risico bewust aanvaard. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van feit 5 De aangever verklaart dat hij op enig moment alleen was met de verdachte in de opbergruimte. De medeverdachte [medeverdachte 1] stond op het balkon. De verdachte heeft de aangever toen onder dreiging van het vuurwapen gedwongen om zijn kleding uit te doen. Vervolgens heeft de verdachte gezegd: ‘Beter ga je me nu pijpen’. Het hoofd van de aangever werd naar verdachtes kruis geduwd en de verdachte zei: ‘dit ga je zo bij mij doen’. Daarna moest de aangever zich omdraaien en vooroverbuigen. Hij zag dat de verdachte een deurhendel pakte die op de grond bij de aangevers voeten lag en hoorde de verdachte zeggen: ‘ik ga deze in je kont steken’. De aangever heeft de hendel weg kunnen duwen, terwijl hij deed alsof het raak was door te schreeuwen. Hierna moest de aangever op zijn knieën zitten en kreeg hij een knietje tegen zijn rug. Daarna kwam de medeverdachte [medeverdachte 2] voor het eerst de ruimte binnen en die pakte het vuurwapen uit de handen van de verdachte en zorgde ervoor dat de aangever zijn kleren weer aan mocht doen. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaring van de aangever te twijfelen. Gebleken is dat het overgrote deel van de beschuldigingen van de aangever door de verdachte wordt erkend. Ook worden gedeeltes van de verklaring van de aangever door de beschikbare video- en fotofragmenten, tot op detailniveau, bevestigd. Dat maakt de verklaring van de aangever betrouwbaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de aangever dan op dit specifieke punt niet de waarheid zou hebben gesproken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat de aangever zich erg schaamde voor deze onzedelijke handelingen en hier eigenlijk liever niet over wilde praten. Dat betekent dat ook vanuit dat oogpunt niet voor de hand ligt dat hij dit zou verzinnen. Bovendien wordt de verklaring van de aangever over de poging verkrachting bevestigd door een beeldfragment waarop is te zien dat de aangever naakt is en is de deurklink waar de aangever over spreekt ook daadwerkelijk door de politie aangetroffen. Uitgaand van de verklaring van de aangever is de feitelijke positie waarin de verdachte de aangever heeft gebracht (naakt, omgedraaid en voorovergebogen) en de uitspraken die de verdachte heeft gedaan voldoende om aan te nemen dat de verdachte daadwerkelijk de intentie heeft gehad om de deurklink in de anus van de aangever te steken en dit ook heeft geprobeerd. Het is alleen niet gelukt omdat de aangever de klink kon tegenhouden met zijn hand. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van feit 6 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op de dag van de gijzeling te weten 29 mei 2025 een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het wapen automatisch kon vuren zodat hiervoor partieel vrijspraak zal volgen. 4.2 Zaak B : mishandeling [slachtoffer 5] Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling gevorderd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daarbij heeft de raadsman primair aangevoerd dat de verdachte de aangever niet bewust heeft geslagen maar bij het loskomen per ongeluk heeft geraakt. Er was geen sprake van een opzettelijk slaande beweging om iemand pijn te doen en dus geen opzet op de tenlastegelegde mishandeling. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er sprake is geweest van een noodweersituatie waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte werd namelijk vals beschuldigd en door drie volwassen mannen omsingeld, vastgegrepen en hem werd pijn gedaan. Hij kon zich niet onttrekken aan de situatie en probeerde weg te komen. Eén beweging met open hand om los te komen en de pijn te stoppen voldoet wat de raadsman betreft bovendien aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden. De aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige] en [getuige] . Deze getuigen verklaren te hebben gezien dat de verdachte de aangever een gerichte en harde klap in het gezicht gaf. De klap was volgens de getuigen ook goed hoorbaar. Getuige [getuige] heeft het over een harde klap, alsof je iemand een zogenoemde ‘bitch slap’ geeft. Dit past niet in het door de verdachte geschetste scenario dat hij door het loswurmen per ongeluk de aangever in zijn gezicht zou hebben geraakt. Het beroep op noodweer wordt verworpen, nu niet is gebleken van een wederrechtelijke aanval gericht tegen de verdachte. Uit de verklaringen van de aangever en de eerder genoemde getuigen blijkt dat zij samen met de verdachte wilde wachten op de komst van de politie omdat zij vermoedden dat de verdachte betrokken was bij een poging diefstal van een fiets aldaar. Omdat de verdachte probeerde weg te komen, hebben zij de verdachte vast gepakt. Gelet op hun vermoeden, mochten zij dat doen. Van een wederrechtelijke aanval tegen de verdachte is dan ook geen sprake. 4.3 Zaak C: heling fatbike Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring van de tenlastegelegde schuldheling gevorderd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. In de eerste plaats omdat op basis van het dossier niet goed kan worden vastgesteld/gecontroleerd dat de aangetroffen fatbike in de kamer van de verdachte de gestolen fatbike betreft. Er is geen foto van het framenummer van de inbeslaggenomen fatbike gemaakt. Ook is de foto van het trackapparaat niet goed te lezen. In de tweede plaats omdat de verdachte niet wist en redelijkerwijs kon vermoeden dat de fatbike gestolen was. Een goede vriend van de verdachte heeft aan de verdachte gevraagd of hij de fatbike even bij hem kon stallen zodat hij een slot kon kopen. Er was geen schade of iets anders opvallends aan de fiets te zien waardoor de verdachte wellicht iets had moeten navragen.
Volledig
Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde schuldheling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op 21 oktober 2024 is aangifte gedaan van diefstal van een fatbike, merk La Souris met framenummer [framenummer] . In deze fatbike zat een tracker zodat men kon achterhalen waar de fatbike zich bevond. De tracker van de fatbike peilde uit op de [straat] te Amsterdam, het toenmalige adres van de verdachte, en op de slaapkamer van de verdachte werd op 22 oktober 2024 de voornoemde fatbike aangetroffen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de politie waaruit blijkt dat zij constateren dat de aangetroffen fatbike de gestolen fatbike betreft. De verdachte had ook kunnen vermoeden dat de fatbike van diefstal afkomstig was. Het feit dat een vriend vraagt om zijn nieuw aangekochte fatbike bij hem in de slaapkamer te stallen wegens het ontbreken van een slot, is dusdanig merkwaardig dat de verdachte had moeten twijfelen aan de legale herkomst van deze fatbike. Het is immers volstrekt onlogisch dat deze vriend een nieuwe fatbike koopt, maar daar kennelijk geen slot bij koopt. Ook is het niet logisch om in dat geval de fatbike bij iemand anders in huis te stallen, maar ligt het veel meer voor de hand om met de fatbike naar een van vele fietszaken te rijden voor een slot. Al met al had de verdachte kunnen vermoeden dat het niet in de haak was met deze fatbike en had hij de fatbike niet in zijn kamer moeten stallen. Nu hij dit wel heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan heling. Het verweer wordt verworpen. 4.4. Zaak D : Dollemansrit Vaststaande feiten De volgende feiten hebben ter zitting niet ter discussie gestaan. Op 28 juli 2024 ontdekten de verdachte en zijn medeverdachte dat het portier van een geparkeerde auto van MyWheels open stond en zij toegang tot deze auto konden krijgen. Zij zijn in de auto gaan zitten en hebben daar een aantal uren verbleven. De medeverdachte heeft bij het verlaten van de auto de daar aangetroffen sleutel meegenomen. De verdachte en zijn medeverdachte zijn op 29 juli 2024 samen teruggekeerd naar deze auto. Zij zijn vervolgens gaan rondrijden zonder dat zij de auto hadden gehuurd of anderszins toestemming hadden om die auto mee te nemen. De verdachte bestuurde de auto terwijl hij geen rijbewijs had en zelfs de minimum leeftijd voor rijden in een personenauto nog niet had bereikt. De verdachte heeft als bestuurder een groot aantal verkeersovertredingen en verkeersmisdrijven begaan. Er heeft daarbij onder meer een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsgevonden waarbij hij het slachtoffer [slachtoffer 6] is aangereden. Zij is gelanceerd van haar fiets en met haar hoofd op het asfalt terecht gekomen. Daarbij heeft zij onder meer een fractuur in haar schedel en een hersenkneuzing opgelopen. Ook heeft hij andere aanrijdingen veroorzaakt waarbij schade aan voertuigen is ontstaan. De verdachte is steeds doorgereden zonder zich rekenschap te geven of verantwoording af te leggen ten aanzien van het ongeval en de andere aanrijdingen. De verdachte heeft toegegeven voorafgaand aan het rijden te hebben geblowd; uit bloedonderzoek is gebleken dat hij de auto ook daadwerkelijk onder invloed van THC heeft bestuurd. Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van: de onder feit 1 tenlastegelegde medeplegen van diefstal met valse sleutel van een MyWheels auto; de onder feit 2 primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet waarbij de verdachte zich gelet op de overtredingen die hij voorafgaand aan het ongeval heeft gemaakt als bestuurder in ieder geval zeer aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen waardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden waarbij in ieder geval zodanig lichamelijk letsel is opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; de onder feit 3 tenlastegelegde overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet; de onder feit 4 tenlastegelegde overtreding van artikel 7 Wegenverkeerswet doordat de verdachte is doorgereden na het ongeval en na de aanrijdingen en het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten; de onder feit 5 tenlastegelegde overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet door te rijden onder invloed van THC. de onder feit 6 tenlastegelegde overtreding van artikel 110 Wegenverkeerswet door te rijden terwijl de verdachte daarvoor de minimumleeftijd nog niet had bereikt. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 bepleit. Hij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake was van diefstal maar van joyriding. Het opzet van de verdachte was gericht op tijdelijke heerschappij en niet op toe-eigening van de auto. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de diefstal door middel van een valse sleutel heeft plaatsgevonden zodat vrijspraak moet volgen. Uit het dossier volgt dat de auto open was en de sleutel is dus niet gebruikt om de toegang tot te auto te verschaffen. Onduidelijk is gebleven of de sleutel is gebruikt voor het starten van de auto en vervolgens wegrijden met de auto. De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 en de mate van schuld aan het ongeval opgemerkt dat geen sprake was van roekeloosheid maar van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 geldt dat gelet op de zeer geringe snelheidsovertreding ten tijde van de aanrijding het nog maar de vraag is of de verdachte echt te hard heeft gereden. Ook is de verdachte niet over het slachtoffer heengereden. De raadsman verzoekt de verdachte van deze tenlastegelegde gedachtestreepjes vrij te spreken. Ten aanzien van het lichamelijk letsel bij het slachtoffer is de raadsman van mening dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel maar van zodanig lichamelijk letsel waardoor tijdelijke ziekte of verhindering uitoefening van normale bezigheden ontstaat. De raadsman heeft ten aanzien van feit 5 opgemerkt dat de grenswaarde zeer beperkt is overgeschreden. Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van diefstal of joyriding. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte al een dag eerder de auto van MyWheels zien staan en opmerken dat de auto geopend is. Zij zijn in de auto gaan chillen en hebben toen de autosleutel in de auto aangetroffen en meegenomen. De volgende dag zijn zij samen teruggekeerd en zijn zij met de auto gaan rijden. Uit het systeem van MyWheels blijkt dat de auto op 29 juli 2024 om 14:26 uur wordt geopend met de sleutel en dat de auto (anders dan de dag daarvoor) wordt gestart. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte zich met hun gedragingen op 28 en 29 juli 2024 als heer en meester over de auto zijn gaan gedragen en dat niet kan worden gezegd dat zij alleen maar stiekem een ritje wilden maken met de auto. Zij hebben zich de auto daadwerkelijk toegeëigend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal met een valse sleutel. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van feit 2 Vastgesteld kan worden dat een aan de schuld van de verdachte te wijten ongeval heeft plaatsgevonden, te weten de aanrijding met het slachtoffer [slachtoffer 6] . De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat, kijkend naar de gedragingen en overtredingen die voorafgaand en tijdens het ongeval hebben plaatsgevonden, geen sprake was van roekeloosheid maar van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte geen voorrang heeft verleend, harder heeft gereden dan de toegestane snelheid, onder invloed van verdovende middelen verkeerde, een stopteken heeft genegeerd en hij de auto gelet op zijn leeftijd nog niet mocht besturen. Het slachtoffer heeft ernstig letsel opgelopen, waarvoor zij is opgenomen geweest in het ziekenhuis.
Volledig
Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde schuldheling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op 21 oktober 2024 is aangifte gedaan van diefstal van een fatbike, merk La Souris met framenummer [framenummer] . In deze fatbike zat een tracker zodat men kon achterhalen waar de fatbike zich bevond. De tracker van de fatbike peilde uit op de [straat] te Amsterdam, het toenmalige adres van de verdachte, en op de slaapkamer van de verdachte werd op 22 oktober 2024 de voornoemde fatbike aangetroffen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de politie waaruit blijkt dat zij constateren dat de aangetroffen fatbike de gestolen fatbike betreft. De verdachte had ook kunnen vermoeden dat de fatbike van diefstal afkomstig was. Het feit dat een vriend vraagt om zijn nieuw aangekochte fatbike bij hem in de slaapkamer te stallen wegens het ontbreken van een slot, is dusdanig merkwaardig dat de verdachte had moeten twijfelen aan de legale herkomst van deze fatbike. Het is immers volstrekt onlogisch dat deze vriend een nieuwe fatbike koopt, maar daar kennelijk geen slot bij koopt. Ook is het niet logisch om in dat geval de fatbike bij iemand anders in huis te stallen, maar ligt het veel meer voor de hand om met de fatbike naar een van vele fietszaken te rijden voor een slot. Al met al had de verdachte kunnen vermoeden dat het niet in de haak was met deze fatbike en had hij de fatbike niet in zijn kamer moeten stallen. Nu hij dit wel heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan heling. Het verweer wordt verworpen. 4.4. Zaak D : Dollemansrit Vaststaande feiten De volgende feiten hebben ter zitting niet ter discussie gestaan. Op 28 juli 2024 ontdekten de verdachte en zijn medeverdachte dat het portier van een geparkeerde auto van MyWheels open stond en zij toegang tot deze auto konden krijgen. Zij zijn in de auto gaan zitten en hebben daar een aantal uren verbleven. De medeverdachte heeft bij het verlaten van de auto de daar aangetroffen sleutel meegenomen. De verdachte en zijn medeverdachte zijn op 29 juli 2024 samen teruggekeerd naar deze auto. Zij zijn vervolgens gaan rondrijden zonder dat zij de auto hadden gehuurd of anderszins toestemming hadden om die auto mee te nemen. De verdachte bestuurde de auto terwijl hij geen rijbewijs had en zelfs de minimum leeftijd voor rijden in een personenauto nog niet had bereikt. De verdachte heeft als bestuurder een groot aantal verkeersovertredingen en verkeersmisdrijven begaan. Er heeft daarbij onder meer een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsgevonden waarbij hij het slachtoffer [slachtoffer 6] is aangereden. Zij is gelanceerd van haar fiets en met haar hoofd op het asfalt terecht gekomen. Daarbij heeft zij onder meer een fractuur in haar schedel en een hersenkneuzing opgelopen. Ook heeft hij andere aanrijdingen veroorzaakt waarbij schade aan voertuigen is ontstaan. De verdachte is steeds doorgereden zonder zich rekenschap te geven of verantwoording af te leggen ten aanzien van het ongeval en de andere aanrijdingen. De verdachte heeft toegegeven voorafgaand aan het rijden te hebben geblowd; uit bloedonderzoek is gebleken dat hij de auto ook daadwerkelijk onder invloed van THC heeft bestuurd. Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van: de onder feit 1 tenlastegelegde medeplegen van diefstal met valse sleutel van een MyWheels auto; de onder feit 2 primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet waarbij de verdachte zich gelet op de overtredingen die hij voorafgaand aan het ongeval heeft gemaakt als bestuurder in ieder geval zeer aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen waardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden waarbij in ieder geval zodanig lichamelijk letsel is opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; de onder feit 3 tenlastegelegde overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet; de onder feit 4 tenlastegelegde overtreding van artikel 7 Wegenverkeerswet doordat de verdachte is doorgereden na het ongeval en na de aanrijdingen en het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten; de onder feit 5 tenlastegelegde overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet door te rijden onder invloed van THC. de onder feit 6 tenlastegelegde overtreding van artikel 110 Wegenverkeerswet door te rijden terwijl de verdachte daarvoor de minimumleeftijd nog niet had bereikt. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 bepleit. Hij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake was van diefstal maar van joyriding. Het opzet van de verdachte was gericht op tijdelijke heerschappij en niet op toe-eigening van de auto. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de diefstal door middel van een valse sleutel heeft plaatsgevonden zodat vrijspraak moet volgen. Uit het dossier volgt dat de auto open was en de sleutel is dus niet gebruikt om de toegang tot te auto te verschaffen. Onduidelijk is gebleven of de sleutel is gebruikt voor het starten van de auto en vervolgens wegrijden met de auto. De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 en de mate van schuld aan het ongeval opgemerkt dat geen sprake was van roekeloosheid maar van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 geldt dat gelet op de zeer geringe snelheidsovertreding ten tijde van de aanrijding het nog maar de vraag is of de verdachte echt te hard heeft gereden. Ook is de verdachte niet over het slachtoffer heengereden. De raadsman verzoekt de verdachte van deze tenlastegelegde gedachtestreepjes vrij te spreken. Ten aanzien van het lichamelijk letsel bij het slachtoffer is de raadsman van mening dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel maar van zodanig lichamelijk letsel waardoor tijdelijke ziekte of verhindering uitoefening van normale bezigheden ontstaat. De raadsman heeft ten aanzien van feit 5 opgemerkt dat de grenswaarde zeer beperkt is overgeschreden. Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van diefstal of joyriding. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte al een dag eerder de auto van MyWheels zien staan en opmerken dat de auto geopend is. Zij zijn in de auto gaan chillen en hebben toen de autosleutel in de auto aangetroffen en meegenomen. De volgende dag zijn zij samen teruggekeerd en zijn zij met de auto gaan rijden. Uit het systeem van MyWheels blijkt dat de auto op 29 juli 2024 om 14:26 uur wordt geopend met de sleutel en dat de auto (anders dan de dag daarvoor) wordt gestart. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte zich met hun gedragingen op 28 en 29 juli 2024 als heer en meester over de auto zijn gaan gedragen en dat niet kan worden gezegd dat zij alleen maar stiekem een ritje wilden maken met de auto. Zij hebben zich de auto daadwerkelijk toegeëigend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal met een valse sleutel. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van feit 2 Vastgesteld kan worden dat een aan de schuld van de verdachte te wijten ongeval heeft plaatsgevonden, te weten de aanrijding met het slachtoffer [slachtoffer 6] . De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat, kijkend naar de gedragingen en overtredingen die voorafgaand en tijdens het ongeval hebben plaatsgevonden, geen sprake was van roekeloosheid maar van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte geen voorrang heeft verleend, harder heeft gereden dan de toegestane snelheid, onder invloed van verdovende middelen verkeerde, een stopteken heeft genegeerd en hij de auto gelet op zijn leeftijd nog niet mocht besturen. Het slachtoffer heeft ernstig letsel opgelopen, waarvoor zij is opgenomen geweest in het ziekenhuis.
Volledig
Uit contact van de politie met het slachtoffer, ongeveer een half jaar na het ongeval, blijkt dat zij dan nog steeds niet volledig is hersteld en haar werk haar meer energie kost dan voorheen. Ook het reukvermogen is beschadigd waarvan de herstelduur onbekend is. De rechtbank is van oordeel dat hiermee bewezen is dat het slachtoffer zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat hierdoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is ontstaan. Ten aanzien van feit 3 Niet ter discussie staat dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen gedragingen heeft gepleegd en daarmee de verkeersregels heeft overtreden. Daarmee is dit feit wettig en overtuigend te bewijzen. Ten aanzien van feit 4, feit 5 en feit 6 De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen de artikelen 7, 8 en 110 Wegenverkeerswet heeft overtreden. Hij is immers doorgereden nadat hij het slachtoffer [slachtoffer 6] had aangereden en is daarna telkens doorgereden terwijl hij aanrijdingen met en schade aan andere voertuigen veroorzaakte. Uit het bloedonderzoek blijkt dat de verdachte onder invloed van THC heeft gereden. De mate waarin de grenswaarde is overschreden doet voor de bewezenverklaring niet ter zake. Voorts staat vast dat de verdachte de auto heeft bestuurd terwijl hij daarvoor de minimumleeftijd nog niet had bereikt. 4.5. Zaak E : openlijk geweld en dwang [slachtoffer 4] Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten gevorderd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van de onder feit 1 tenlastegelegde openlijke geweldspleging bepleit omdat niet kan worden vastgesteld dat het geweld in vereniging is gepleegd. De verdachte heeft bekend dat hij de aangever bij de kraag heeft gepakt, tegen de muur heeft geduwd en heeft geslagen. Het dossier, waaronder ook de beelden, geeft geen blijk van een significante bijdrage van een ander ten aanzien van het geweld. Het enkel filmen door een ander levert geen bijdrage op ten aanzien van het geweld. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de tenlastegelegde dwang in vereniging heeft plaatsgevonden zodat de verdachte daarvan partieel moet worden vrijgesproken. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en dwang in vereniging gericht tegen de aangever [slachtoffer 4] . Het verweer dat geen sprake is van het plegen van geweld in vereniging verwerpt de rechtbank gelet op het navolgende. De aangever verklaart dat hij van zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte 3] meerdere rake klappen in zijn gezicht kreeg. Ook verklaart hij dat hij bang was dat hij in elkaar zou worden geslagen als hij niet zou doen wat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] zeiden. Hij is daarom op zijn knieën gegaan en heeft zijn excuses aangeboden. De aangever verklaart voorts dat hij hierna nog enkele klappen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] kreeg. De beelden bevestigen de verklaring van de aangever op vele punten terwijl op de beelden slechts een aantal momenten van het openlijk geweld zijn vastgelegd. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangever en concludeert daarmee, anders dan de raadsman, dat er geweld is gepleegd door meerdere personen en niet alleen door de verdachte. Het verweer wordt verworpen. 5 Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 6 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte: Zaak A Feit 1: op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door - die [slachtoffer 1] een vuurwapen, te tonen en daarbij de woorden toe te voegen: "je moet gewoon meewerken" en - die [slachtoffer 1] te gebieden mee te gaan naar winkels en - die [slachtoffer 1] te gebieden mee te gaan naar een flatgebouw en dat flatgebouw in te gaan en - met die [slachtoffer 1] een op bergruimte te betreden en die [slachtoffer 1] in die opbergruimte te houden en - die [slachtoffer 1] meermalen te slaan en schoppen in het gezicht en tegen de benen en armen en - meermalen, een vuurwapen op het gezicht van die [slachtoffer 1] te richten en daarbij de woorden toe te voegen: "ik ga je dood schieten" en "je gaat zometeen je vader bellen. Je vader gaat nu duizend euro overmaken" en - die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd te slaan en - die [slachtoffer 1] te gebieden op de grond te gaan zitten en diens kleren uit te trekken en - een foto van die (ontklede) [slachtoffer 1] te maken en - een vuurwapen in de mond van die [slachtoffer 1] te plaatsen en heen en weer te bewegen en - die [slachtoffer 1] te gebieden diens onderbroek uit te trekken en - die [slachtoffer 1] meermalen met een riem te slaan op het hoofd en de arm en schouder en rug en - die [slachtoffer 1] te gebieden tegen de muur te staan, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] met de rug naar de verdachte en zijn mededader(s) stond gericht en - met de telefoon van die [slachtoffer 1] de ouders van die [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , te videobellen en te gebieden contact geld te komen brengen en - de ouders van die [slachtoffer 1] hun zoon te tonen met een laser op zijn hoofd en - tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] te zeggen: "kanker je moet dat geld nu overmaken, anders krijg je je zoon niet terug" en "we weten waar jullie wonen en we gaan jullie alle drie door jullie hoofd schieten" en "laat maar want hij ligt al in de kofferbak, het is al te laat" en - de ouders van die [slachtoffer 1] een foto te sturen met een locatie met het bericht: "leg het daar op het gras en loop weer weg" met het oogmerk een ander, te weten de ouders van die [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen te weten het betalen/overhandigen van een geldbedrag. Feit 2: op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van: - een ketting en - een telefoon en - een oplaadkabel en - sleutels en - schoenen, aan die [slachtoffer 1] toebehoorden door - die [slachtoffer 1] een vuurwapen te tonen en daarbij de woorden toe te voegen: “wat een mooie ketting heb jij en wat voor telefoon heb je?” en “oké, maakt niet uit, geef maar” en "nee, beter geef je hem nu” en “je moet gewoon meewerken” en “reset je telefoon en log uit bij je Apple-account” en - die [slachtoffer 1] meermalen, te slaan en schoppen in het gezicht en tegen de benen en armen en - meermalen een vuurwapen op het gezicht van die [slachtoffer 1] te richten en daarbij de woorden toe te voegen: "ik ga je dood schieten" en - die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd te slaan en - een vuurwapen, in de mond van die [slachtoffer 1] te plaatsen en heen en weer te bewegen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een riem te slaan op het hoofd en de arm en schouder en rug en - die [slachtoffer 1] te gebieden zijn schoenen uit te trekken.
Volledig
Uit contact van de politie met het slachtoffer, ongeveer een half jaar na het ongeval, blijkt dat zij dan nog steeds niet volledig is hersteld en haar werk haar meer energie kost dan voorheen. Ook het reukvermogen is beschadigd waarvan de herstelduur onbekend is. De rechtbank is van oordeel dat hiermee bewezen is dat het slachtoffer zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat hierdoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is ontstaan. Ten aanzien van feit 3 Niet ter discussie staat dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen gedragingen heeft gepleegd en daarmee de verkeersregels heeft overtreden. Daarmee is dit feit wettig en overtuigend te bewijzen. Ten aanzien van feit 4, feit 5 en feit 6 De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen de artikelen 7, 8 en 110 Wegenverkeerswet heeft overtreden. Hij is immers doorgereden nadat hij het slachtoffer [slachtoffer 6] had aangereden en is daarna telkens doorgereden terwijl hij aanrijdingen met en schade aan andere voertuigen veroorzaakte. Uit het bloedonderzoek blijkt dat de verdachte onder invloed van THC heeft gereden. De mate waarin de grenswaarde is overschreden doet voor de bewezenverklaring niet ter zake. Voorts staat vast dat de verdachte de auto heeft bestuurd terwijl hij daarvoor de minimumleeftijd nog niet had bereikt. 4.5. Zaak E : openlijk geweld en dwang [slachtoffer 4] Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten gevorderd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van de onder feit 1 tenlastegelegde openlijke geweldspleging bepleit omdat niet kan worden vastgesteld dat het geweld in vereniging is gepleegd. De verdachte heeft bekend dat hij de aangever bij de kraag heeft gepakt, tegen de muur heeft geduwd en heeft geslagen. Het dossier, waaronder ook de beelden, geeft geen blijk van een significante bijdrage van een ander ten aanzien van het geweld. Het enkel filmen door een ander levert geen bijdrage op ten aanzien van het geweld. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de tenlastegelegde dwang in vereniging heeft plaatsgevonden zodat de verdachte daarvan partieel moet worden vrijgesproken. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en dwang in vereniging gericht tegen de aangever [slachtoffer 4] . Het verweer dat geen sprake is van het plegen van geweld in vereniging verwerpt de rechtbank gelet op het navolgende. De aangever verklaart dat hij van zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte 3] meerdere rake klappen in zijn gezicht kreeg. Ook verklaart hij dat hij bang was dat hij in elkaar zou worden geslagen als hij niet zou doen wat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] zeiden. Hij is daarom op zijn knieën gegaan en heeft zijn excuses aangeboden. De aangever verklaart voorts dat hij hierna nog enkele klappen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] kreeg. De beelden bevestigen de verklaring van de aangever op vele punten terwijl op de beelden slechts een aantal momenten van het openlijk geweld zijn vastgelegd. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangever en concludeert daarmee, anders dan de raadsman, dat er geweld is gepleegd door meerdere personen en niet alleen door de verdachte. Het verweer wordt verworpen. 5 Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 6 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte: Zaak A Feit 1: op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door - die [slachtoffer 1] een vuurwapen, te tonen en daarbij de woorden toe te voegen: "je moet gewoon meewerken" en - die [slachtoffer 1] te gebieden mee te gaan naar winkels en - die [slachtoffer 1] te gebieden mee te gaan naar een flatgebouw en dat flatgebouw in te gaan en - met die [slachtoffer 1] een op bergruimte te betreden en die [slachtoffer 1] in die opbergruimte te houden en - die [slachtoffer 1] meermalen te slaan en schoppen in het gezicht en tegen de benen en armen en - meermalen, een vuurwapen op het gezicht van die [slachtoffer 1] te richten en daarbij de woorden toe te voegen: "ik ga je dood schieten" en "je gaat zometeen je vader bellen. Je vader gaat nu duizend euro overmaken" en - die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd te slaan en - die [slachtoffer 1] te gebieden op de grond te gaan zitten en diens kleren uit te trekken en - een foto van die (ontklede) [slachtoffer 1] te maken en - een vuurwapen in de mond van die [slachtoffer 1] te plaatsen en heen en weer te bewegen en - die [slachtoffer 1] te gebieden diens onderbroek uit te trekken en - die [slachtoffer 1] meermalen met een riem te slaan op het hoofd en de arm en schouder en rug en - die [slachtoffer 1] te gebieden tegen de muur te staan, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] met de rug naar de verdachte en zijn mededader(s) stond gericht en - met de telefoon van die [slachtoffer 1] de ouders van die [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , te videobellen en te gebieden contact geld te komen brengen en - de ouders van die [slachtoffer 1] hun zoon te tonen met een laser op zijn hoofd en - tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] te zeggen: "kanker je moet dat geld nu overmaken, anders krijg je je zoon niet terug" en "we weten waar jullie wonen en we gaan jullie alle drie door jullie hoofd schieten" en "laat maar want hij ligt al in de kofferbak, het is al te laat" en - de ouders van die [slachtoffer 1] een foto te sturen met een locatie met het bericht: "leg het daar op het gras en loop weer weg" met het oogmerk een ander, te weten de ouders van die [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen te weten het betalen/overhandigen van een geldbedrag. Feit 2: op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van: - een ketting en - een telefoon en - een oplaadkabel en - sleutels en - schoenen, aan die [slachtoffer 1] toebehoorden door - die [slachtoffer 1] een vuurwapen te tonen en daarbij de woorden toe te voegen: “wat een mooie ketting heb jij en wat voor telefoon heb je?” en “oké, maakt niet uit, geef maar” en "nee, beter geef je hem nu” en “je moet gewoon meewerken” en “reset je telefoon en log uit bij je Apple-account” en - die [slachtoffer 1] meermalen, te slaan en schoppen in het gezicht en tegen de benen en armen en - meermalen een vuurwapen op het gezicht van die [slachtoffer 1] te richten en daarbij de woorden toe te voegen: "ik ga je dood schieten" en - die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd te slaan en - een vuurwapen, in de mond van die [slachtoffer 1] te plaatsen en heen en weer te bewegen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een riem te slaan op het hoofd en de arm en schouder en rug en - die [slachtoffer 1] te gebieden zijn schoenen uit te trekken.
Volledig
Feit 3: op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, geldbedragen (met een totale waarde van 350 euro), die aan [slachtoffer 1] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, de verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door: - onbevoegdelijk middels de telefoon en betaalrekening van die [slachtoffer 1] een zogenaamd Tikkie, ter waarde van 150 euro, te betalen, ten gevolge waarvan genoemd geldbedrag is overgemaakt van de betaalrekening van die [slachtoffer 1] naar de betaalrekening van de verdachte en een van zijn mededaders en - onbevoegdelijk met een bankpas van die [slachtoffer 1] 200 euro te pinnen, ten gevolge waarvan genoemd geldbedrag van de rekening van die [slachtoffer 1] is afgeschreven. Feit 4: op mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen: - die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen en geschopt in het gezicht en tegen de benen en armen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd heeft geslagen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een riem heeft geslagen op het hoofd en de arm en schouder en rug, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Feit 5 : op 29 mei 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , seksuele die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, de verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en volgen door dwang, geweld en bedreiging, - die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen en geschopt in het gezicht en tegen de benen en armen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd heeft geslagen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een riem heeft geslagen op het hoofd en de arm en schouder en rug en - een vuurwapen in de mond van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en heen en weer heeft bewogen en - heeft gepoogd de onderbroek van die [slachtoffer 1] uit te trekken en - een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gericht en - zijn, de verdachtes, met kleding bedekte geslachtsdeel naar het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en - die [slachtoffer 1] heeft omgedraaid, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] met de rug naar de verdachte stond gericht en - een deurklink met snelheid in de richting van de billen en/of anus van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en - daarbij die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: “ik ga je doodschieten” en “doe je kleren uit” en “doe je onderbroek uit” en “beter ga je nu pijpen” en “ik ga deze in je kont steken” en “buig voorover” terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Feit 6: op 29 mei 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen een wapen van categorie III, onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) pistool, van het merk Blow, type TR14 D, kaliber 7,65mm Browning, voorhanden heeft gehad. Zaak B op 25 maart 2025 te Amsterdam [slachtoffer 5] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 5] met kracht tegen zijn gezicht te slaan. Zaak C op of omstreeks 23 oktober 2024 te Amsterdam, een fatbike, voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Zaak D Feit 1: omstreeks 29 juli 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een personenauto van het merk Renault dat aan MyWheels toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met behulp van bijbehorende sleutel de auto te starten en weg te rijden, terwijl hij tot het gebruik van deze sleutel niet gerechtigd was. Feit 2: op 29 juli 2024 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over onder meer de Kinkerbrug en de Jan Evertsenstraat en de Haarlemmerweg en de Witte de Withstraat en de Jan Tooropstraat, zich zodanig, te weten zeer aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 6] , zwaar lichamelijk letsel, te weten zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, bestaande dat gedrag hieruit: de verdachte heeft gereden over de Kinkerbrug in de richting van de Witte de Withstraat, de verdachte is vervolgens rechts afgeslagen naar de Witte de Withstraat, de verdachte heeft (vervolgens) in strijd met artikel 54 RVV 1990, [slachtoffer 6] , die het verplichte (brom)fietspad van de Kinkerbrug bereed – komende uit de richting van de Tweede Kostverlorenkade en gaande in de richting van de Postjesweg-, geen voorrang verleend en heeft de verdachte (vervolgens) niet tijdig en voldoende afgeremd en is de verdachte niet tijdig en voldoende uitgeweken voor deze [slachtoffer 6] , de verdachte heeft gereden met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane maximale snelheid, de verdachte is (vervolgens) tegen [slachtoffer 6] , aangereden ten gevolge waarvan die [slachtoffer 6] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl de verdachte onder invloed van verdovende middelen verkeerde, terwijl aan de verdachte nimmer enig rijbewijs was afgegeven, terwijl de verdachte nog niet de minimumleeftijd voor het besturen van een personenauto heeft bereikt, terwijl de verdachte een stopteken als bedoeld in artikel 83 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 had genegeerd.
Volledig
Feit 3: op 29 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, geldbedragen (met een totale waarde van 350 euro), die aan [slachtoffer 1] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, de verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door: - onbevoegdelijk middels de telefoon en betaalrekening van die [slachtoffer 1] een zogenaamd Tikkie, ter waarde van 150 euro, te betalen, ten gevolge waarvan genoemd geldbedrag is overgemaakt van de betaalrekening van die [slachtoffer 1] naar de betaalrekening van de verdachte en een van zijn mededaders en - onbevoegdelijk met een bankpas van die [slachtoffer 1] 200 euro te pinnen, ten gevolge waarvan genoemd geldbedrag van de rekening van die [slachtoffer 1] is afgeschreven. Feit 4: op mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen: - die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen en geschopt in het gezicht en tegen de benen en armen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd heeft geslagen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een riem heeft geslagen op het hoofd en de arm en schouder en rug, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Feit 5 : op 29 mei 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , seksuele die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, de verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en volgen door dwang, geweld en bedreiging, - die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen en geschopt in het gezicht en tegen de benen en armen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd heeft geslagen en - die [slachtoffer 1] meermalen met een riem heeft geslagen op het hoofd en de arm en schouder en rug en - een vuurwapen in de mond van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en heen en weer heeft bewogen en - heeft gepoogd de onderbroek van die [slachtoffer 1] uit te trekken en - een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gericht en - zijn, de verdachtes, met kleding bedekte geslachtsdeel naar het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en - die [slachtoffer 1] heeft omgedraaid, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] met de rug naar de verdachte stond gericht en - een deurklink met snelheid in de richting van de billen en/of anus van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en - daarbij die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: “ik ga je doodschieten” en “doe je kleren uit” en “doe je onderbroek uit” en “beter ga je nu pijpen” en “ik ga deze in je kont steken” en “buig voorover” terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Feit 6: op 29 mei 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen een wapen van categorie III, onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) pistool, van het merk Blow, type TR14 D, kaliber 7,65mm Browning, voorhanden heeft gehad. Zaak B op 25 maart 2025 te Amsterdam [slachtoffer 5] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 5] met kracht tegen zijn gezicht te slaan. Zaak C op of omstreeks 23 oktober 2024 te Amsterdam, een fatbike, voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Zaak D Feit 1: omstreeks 29 juli 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een personenauto van het merk Renault dat aan MyWheels toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met behulp van bijbehorende sleutel de auto te starten en weg te rijden, terwijl hij tot het gebruik van deze sleutel niet gerechtigd was. Feit 2: op 29 juli 2024 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over onder meer de Kinkerbrug en de Jan Evertsenstraat en de Haarlemmerweg en de Witte de Withstraat en de Jan Tooropstraat, zich zodanig, te weten zeer aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 6] , zwaar lichamelijk letsel, te weten zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, bestaande dat gedrag hieruit: de verdachte heeft gereden over de Kinkerbrug in de richting van de Witte de Withstraat, de verdachte is vervolgens rechts afgeslagen naar de Witte de Withstraat, de verdachte heeft (vervolgens) in strijd met artikel 54 RVV 1990, [slachtoffer 6] , die het verplichte (brom)fietspad van de Kinkerbrug bereed – komende uit de richting van de Tweede Kostverlorenkade en gaande in de richting van de Postjesweg-, geen voorrang verleend en heeft de verdachte (vervolgens) niet tijdig en voldoende afgeremd en is de verdachte niet tijdig en voldoende uitgeweken voor deze [slachtoffer 6] , de verdachte heeft gereden met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane maximale snelheid, de verdachte is (vervolgens) tegen [slachtoffer 6] , aangereden ten gevolge waarvan die [slachtoffer 6] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl de verdachte onder invloed van verdovende middelen verkeerde, terwijl aan de verdachte nimmer enig rijbewijs was afgegeven, terwijl de verdachte nog niet de minimumleeftijd voor het besturen van een personenauto heeft bereikt, terwijl de verdachte een stopteken als bedoeld in artikel 83 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 had genegeerd.
Volledig
Feit 3: op 29 juli 2024 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over onder meer de Kinkerbrug en de Jan Evertsenstraat en de Haarlemmerweg en de Witte de Withstraat en de Jan Tooropstraat, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, bestaande het gedrag hieruit: de verdachte heeft gereden over de Kinkerbrug in de richting van de Witte de Withstraat, de verdachte is vervolgens rechts afgeslagen naar de Witte de Withstraat, de verdachte heeft (vervolgens) in strijd met artikel 54 RVV 1990, [slachtoffer 6] , die het verplichte (brom)fietspad van de Kinkerbrug bereed – komende uit de richting van de Tweede Kostverlorenkade en gaande in de richting van de Postjesweg-, geen voorrang verleend en heeft de verdachte vervolgens niet tijdig en voldoende afgeremd en is de verdachte niet tijdig en voldoende uitgeweken voor deze [slachtoffer 6] , de verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer 6] , aangereden, de verdachte heeft vervolgens gereden over de Jan Evertsenstraat, komende uit de richting van Amsterdam Centrum en gaande in de richting van Amsterdam West, de verdachte is vervolgens de rotonde die de Jan Tooropstraat verbindt met de Jan Evertsenstraat opgereden, en heeft hierbij het verkeer op de rotonde geen voorrang verleend, de verdachte is vervolgens tegen een personenauto voorzien van kenteken [kenteken 1] , aangereden, de verdachte heeft vervolgens gereden over de Haarlemmerweg in de richting van de Radarweg, de verdachte is, aangekomen bij de verkeerslichten op het kruispunt met de Radarweg, tussen de stilstaande voertuigen door gereden, de verdachte is hierbij tegen meerdere personenauto’s aangereden te weten een Audi Q7 ( [kenteken 2] , Zweeds) en een Peugeot 107 ( [kenteken 3] ) en Toyota Yaris ( [kenteken 4] ) en een Mercedes Vito ( [kenteken 5] ), de verdachte heeft een route door Amsterdam gereden vanaf de Stadionweg en is tot stilstand gekomen op de Haarlemmerweg, terwijl de verdachte telkens op de vlucht was voor de politie en deze in achtervolging waren, waarbij hij meermalen een rood verkeerslicht heeft genegeerd, en meermalen over de trambaan en de busbaan heeft gereden, en reed met een snelheid die telkens hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 en 50 kilometer per uur, terwijl de verdachte onder invloed van verdovende middelen verkeerde, terwijl aan de verdachte nimmer enig rijbewijs was afgegeven, terwijl de verdachte nog niet de minimumleeftijd voor het besturen van een personenauto heeft bereikt, terwijl de verdachte een stopteken als bedoeld in artikel 83 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 had genegeerd. Feit 4: als degene door wiens gedraging een of meer verkeersongevallen was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welke verkeersongevallen hadden plaatsgevonden in op 29 juli 2024 te Amsterdam, op de Kinkerbrug en de Witte de Withstraat, en de Jan Tooropstraat en de Haarlemmerweg, de plaatsen van vorenbedoelde ongevallen heeft verlaten, terwijl bij die ongevallen, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan anderen (te weten [slachtoffer 6] en een personenauto voorzien van kenteken [kenteken 1] en een Audi Q7 voorzien van kenteken [kenteken 2] , (Zweeds) en een Peugeot 107 voorzien van kenteken [kenteken 3] en Toyota Yaris voorzien van kenteken [kenteken 4] en een Mercedes Vito voorzien van kenteken [kenteken 5] ) letsel en schade was toegebracht en een ander (te weten [slachtoffer 6] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten. Feit 5: op 29 juli 2024 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Feit 6: op 29 juli 2024 te Amsterdam, op de weg, de Haarlemmerweg, de Rijksweg A10, de Witte de Withstraat, en de Postjesweg, een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B, te weten een personenauto, heeft bestuurd, terwijl hij de minimumleeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt. Zaak E Feit 1: op 2 oktober 2023 te Amsterdam openlijk, te weten, op metrostation Weesperplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer 4] door die [slachtoffer 4] bij de kraag te pakken, tegen de muur te duwen en te slaan. Feit 2: op 2 oktober 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen , [slachtoffer 4] , door geweld en door bedreiging met enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, te weten die [slachtoffer 4] wederrechtelijk hebben gedwongen iets te doen te weten sorry te zeggen, door die [slachtoffer 4] meerdere malen te slaan, te zeggen dat hij hem uit ging kleden en op zijn knieën te dwingen. Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 7 Strafbaarheid van de feiten Zaak D feit 3 De rechtbank begrijpt dat de officier van justitie heeft bedoeld om overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet aan de verdachte ten laste te leggen. Dit wetsartikel is bedoeld om verkeersgedrag strafbaar te stellen voor zover en indien het overtreden van verkeersregels er toe leidt dat er risico bestaat op levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van anderen. De rechtbank constateert dat uit de inhoud (tekst) van de tenlastelegging blijkt dat hierin de tekst ‘ indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is’ ontbreekt. Dit gebrek in de tenlastelegging leidt ertoe dat het bewezenverklaarde niet onder een delictsomschrijving valt. De verdachte wordt daarom voor dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8 Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 9 Motivering van de straf en maatregel 9.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ten aanzien van de door haar bewezen geachte feiten een jeugddetentie voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, en de maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna ook te noemen: PIJ-maatregel) gevorderd zoals ook door alle deskundigen is geadviseerd. 9.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft een aantal strafmaatverweren gevoerd. Daarbij heeft hij ten aanzien van de verschillende zaken het volgende aangevoerd en verzocht daar bij de strafmaat rekening mee te houden. Zaak A Het wapen was niet van de verdachte, het was niet geladen en er bestond dus geen risico dat het wapen zou afgaan. Het lichamelijk letsel van slachtoffer [slachtoffer 1] zal zonder blijvende schade genezen. Uit andere zaken blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] , de meerderjarige stiefbroer van de verdachte, vaak de leidende rol heeft en de verdachte het vuile werk laat opknappen. De verdachte heeft spijt en staat open voor mediation op het moment dat het slachtoffer daaraantoe is. De verdachte was 16 jaar oud en heeft bijna 11 maanden in voorarrest verbleven. Er is sprake van samenloop van feiten. Artikel 63 is van toepassing Er wordt geadviseerd de feiten licht verminderd toe te rekenen. Zaak B De beweging was met vlakke hand en er is geen letsel bij de aangever [slachtoffer 5] . De aangever en getuigen hebben de verdachte vastgepakt en pijn gedaan. De verdachte was 15 jaar en heeft 3 dagen in voorarrest verbleven. Er wordt geadviseerd het feit in verminderde mate toe rekenen. Zaak C De verdachte was 15 jaar en heeft 2 dagen in voorarrest verbleven. De redelijke termijn van 16 maanden is geschonden. Er wordt geadviseerd het feit in verminderde mate toe te rekenen. Zaak D De redelijke termijn van 16 maanden is aanzienlijk geschonden.
Volledig
Feit 3: op 29 juli 2024 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over onder meer de Kinkerbrug en de Jan Evertsenstraat en de Haarlemmerweg en de Witte de Withstraat en de Jan Tooropstraat, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, bestaande het gedrag hieruit: de verdachte heeft gereden over de Kinkerbrug in de richting van de Witte de Withstraat, de verdachte is vervolgens rechts afgeslagen naar de Witte de Withstraat, de verdachte heeft (vervolgens) in strijd met artikel 54 RVV 1990, [slachtoffer 6] , die het verplichte (brom)fietspad van de Kinkerbrug bereed – komende uit de richting van de Tweede Kostverlorenkade en gaande in de richting van de Postjesweg-, geen voorrang verleend en heeft de verdachte vervolgens niet tijdig en voldoende afgeremd en is de verdachte niet tijdig en voldoende uitgeweken voor deze [slachtoffer 6] , de verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer 6] , aangereden, de verdachte heeft vervolgens gereden over de Jan Evertsenstraat, komende uit de richting van Amsterdam Centrum en gaande in de richting van Amsterdam West, de verdachte is vervolgens de rotonde die de Jan Tooropstraat verbindt met de Jan Evertsenstraat opgereden, en heeft hierbij het verkeer op de rotonde geen voorrang verleend, de verdachte is vervolgens tegen een personenauto voorzien van kenteken [kenteken 1] , aangereden, de verdachte heeft vervolgens gereden over de Haarlemmerweg in de richting van de Radarweg, de verdachte is, aangekomen bij de verkeerslichten op het kruispunt met de Radarweg, tussen de stilstaande voertuigen door gereden, de verdachte is hierbij tegen meerdere personenauto’s aangereden te weten een Audi Q7 ( [kenteken 2] , Zweeds) en een Peugeot 107 ( [kenteken 3] ) en Toyota Yaris ( [kenteken 4] ) en een Mercedes Vito ( [kenteken 5] ), de verdachte heeft een route door Amsterdam gereden vanaf de Stadionweg en is tot stilstand gekomen op de Haarlemmerweg, terwijl de verdachte telkens op de vlucht was voor de politie en deze in achtervolging waren, waarbij hij meermalen een rood verkeerslicht heeft genegeerd, en meermalen over de trambaan en de busbaan heeft gereden, en reed met een snelheid die telkens hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 en 50 kilometer per uur, terwijl de verdachte onder invloed van verdovende middelen verkeerde, terwijl aan de verdachte nimmer enig rijbewijs was afgegeven, terwijl de verdachte nog niet de minimumleeftijd voor het besturen van een personenauto heeft bereikt, terwijl de verdachte een stopteken als bedoeld in artikel 83 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 had genegeerd. Feit 4: als degene door wiens gedraging een of meer verkeersongevallen was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welke verkeersongevallen hadden plaatsgevonden in op 29 juli 2024 te Amsterdam, op de Kinkerbrug en de Witte de Withstraat, en de Jan Tooropstraat en de Haarlemmerweg, de plaatsen van vorenbedoelde ongevallen heeft verlaten, terwijl bij die ongevallen, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan anderen (te weten [slachtoffer 6] en een personenauto voorzien van kenteken [kenteken 1] en een Audi Q7 voorzien van kenteken [kenteken 2] , (Zweeds) en een Peugeot 107 voorzien van kenteken [kenteken 3] en Toyota Yaris voorzien van kenteken [kenteken 4] en een Mercedes Vito voorzien van kenteken [kenteken 5] ) letsel en schade was toegebracht en een ander (te weten [slachtoffer 6] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten. Feit 5: op 29 juli 2024 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Feit 6: op 29 juli 2024 te Amsterdam, op de weg, de Haarlemmerweg, de Rijksweg A10, de Witte de Withstraat, en de Postjesweg, een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B, te weten een personenauto, heeft bestuurd, terwijl hij de minimumleeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt. Zaak E Feit 1: op 2 oktober 2023 te Amsterdam openlijk, te weten, op metrostation Weesperplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer 4] door die [slachtoffer 4] bij de kraag te pakken, tegen de muur te duwen en te slaan. Feit 2: op 2 oktober 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen , [slachtoffer 4] , door geweld en door bedreiging met enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, te weten die [slachtoffer 4] wederrechtelijk hebben gedwongen iets te doen te weten sorry te zeggen, door die [slachtoffer 4] meerdere malen te slaan, te zeggen dat hij hem uit ging kleden en op zijn knieën te dwingen. Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 7 Strafbaarheid van de feiten Zaak D feit 3 De rechtbank begrijpt dat de officier van justitie heeft bedoeld om overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet aan de verdachte ten laste te leggen. Dit wetsartikel is bedoeld om verkeersgedrag strafbaar te stellen voor zover en indien het overtreden van verkeersregels er toe leidt dat er risico bestaat op levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van anderen. De rechtbank constateert dat uit de inhoud (tekst) van de tenlastelegging blijkt dat hierin de tekst ‘ indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is’ ontbreekt. Dit gebrek in de tenlastelegging leidt ertoe dat het bewezenverklaarde niet onder een delictsomschrijving valt. De verdachte wordt daarom voor dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8 Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 9 Motivering van de straf en maatregel 9.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ten aanzien van de door haar bewezen geachte feiten een jeugddetentie voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, en de maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna ook te noemen: PIJ-maatregel) gevorderd zoals ook door alle deskundigen is geadviseerd. 9.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft een aantal strafmaatverweren gevoerd. Daarbij heeft hij ten aanzien van de verschillende zaken het volgende aangevoerd en verzocht daar bij de strafmaat rekening mee te houden. Zaak A Het wapen was niet van de verdachte, het was niet geladen en er bestond dus geen risico dat het wapen zou afgaan. Het lichamelijk letsel van slachtoffer [slachtoffer 1] zal zonder blijvende schade genezen. Uit andere zaken blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] , de meerderjarige stiefbroer van de verdachte, vaak de leidende rol heeft en de verdachte het vuile werk laat opknappen. De verdachte heeft spijt en staat open voor mediation op het moment dat het slachtoffer daaraantoe is. De verdachte was 16 jaar oud en heeft bijna 11 maanden in voorarrest verbleven. Er is sprake van samenloop van feiten. Artikel 63 is van toepassing Er wordt geadviseerd de feiten licht verminderd toe te rekenen. Zaak B De beweging was met vlakke hand en er is geen letsel bij de aangever [slachtoffer 5] . De aangever en getuigen hebben de verdachte vastgepakt en pijn gedaan. De verdachte was 15 jaar en heeft 3 dagen in voorarrest verbleven. Er wordt geadviseerd het feit in verminderde mate toe rekenen. Zaak C De verdachte was 15 jaar en heeft 2 dagen in voorarrest verbleven. De redelijke termijn van 16 maanden is geschonden. Er wordt geadviseerd het feit in verminderde mate toe te rekenen. Zaak D De redelijke termijn van 16 maanden is aanzienlijk geschonden.
Volledig
Er is sprake van samenloop van feiten De verdachte was 15 jaar en heeft 3,5 maand in voorarrest verbleven. De verdachte heeft spijt en staat open voor contact met het slachtoffer. Er wordt geadviseerd om de feiten in verminderde mate toe te rekenen. Zaak E Er is geen sprake van letsel bij de aangever [slachtoffer 4] , de geweldshandelingen waren gering. Het is heel vervelend dat de beelden van de mishandeling zijn verspreid. De verdachte heeft dat echter niet gedaan en kan daar niet verantwoordelijk voor worden gehouden. De verdachte was 14 jaar De redelijke termijn van 16 maanden is aanzienlijk geschonden. Er is sprake van samenloop van feiten. Er wordt geadviseerd de feiten in verminderde mate toe te rekenen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, ondanks de adviezen van de deskundigen, geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De wetgever heeft bij de invoering van de PIJ expliciet overwogen en benadrukt dat de PIJ als ultimum remedium moet worden toegepast. Lichtere interventies moeten zijn geprobeerd en hebben gefaald. De raadsman is van mening dat de stap naar een onvoorwaardelijke PIJ gelet op de eerder opgelegde geringe straffen en bijzondere voorwaarden te groot is. Hoewel de verdachte al geruime tijd geleden is gediagnosticeerd met stoornissen is hij nooit daadwerkelijk in behandeling geweest. De raadsman stelt zich op het standpunt dat er wel degelijk alternatieven zijn, zoals een civiele gesloten plaatsing, behandeling in een polikliniek of een klinische opname bij de [zorginstelling] als bijzondere voorwaarde in het kader van een voorwaardelijke straf. De verdachte is gemotiveerd voor een behandeling. De rechtbank is niet gebonden aan de adviezen en kan hier een eigen afweging maken. De raadsman verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij de rechtbank ondanks het advies tot een onvoorwaardelijke PIJ, toch een voorwaardelijke PIJ oplegt omdat niet alle behandelmogelijkheden in een voorwaardelijk kader zijn uitgeput. Bij een voorwaardelijke PIJ zal er bovendien meer stimulans en prikkel tot gedragsbeïnvloeding zijn. Er staat dan immers nog iets op het spel. De verdachte zal wel mee moeten en ook echt mee willen werken. Het kader van een voorwaardelijke PIJ is een veel strenger kader dan die de verdachte ooit eerder opgelegd heeft gekregen; dat betrof slechts het kader van een voorwaardelijke werkstraf. Gelet op voornoemde strafmaatverweren heeft de raadsman de rechtbank voorgesteld om, een straf gelijk aan voorarrest (of met een periode voor overdracht aan een kliniek) en een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Gedacht kan worden aan het hieraan verbinden van bijzondere voorwaarden als een klinische opname (zoals bij de [zorginstelling] ), meewerken aan behandeling, elektronische controle, meewerken aan medicatie voor ADHD. De verdachte zou daarmee een laatste kans krijgen met het strakste kader dat mogelijk is. De proeftijd kan bovendien op langer dan twee jaar worden gesteld, hetgeen voor de verdediging acceptabel zou zijn. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. De ernst van de feiten De verdachte heeft zich in een periode van twee en half jaar schuldig gemaakt aan een hele reeks ernstige strafbare feiten. Zaak A De verdachte heeft samen met een ander het 16 jarige-slachtoffer [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend door Amsterdam Zuid-Oost liep, onder dwang meegenomen naar een flat en daar meerdere uren vastgehouden in een krappe opbergruimte. Daar werd hij onder schot gehouden van een vuurwapen en werd hij (met het vuurwapen en zijn eigen riem) geslagen en geschopt. Ook werd het wapen in zijn mond geplaatst en hard heen en weer bewogen. Intussen werd het slachtoffer met de dood bedreigd. Het slachtoffer werd gedwongen om zich uit te kleden. Hij werd daarbij ook gefilmd. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens gesommeerd ook zijn onderbroek uit te trekken, zich met zijn rug naar hem om te draaien en heeft daarna geprobeerd om een deurklink in de anus van het slachtoffer te steken. Na aankomst van de derde verdachte, hebben de verdachten de ouders van het slachtoffer via videoverbinding gebeld terwijl het slachtoffer de laser van het vuurwapen op zich gericht had. Daarbij is aan de ouders gezegd dat ze het geld snel moesten overmaken, omdat ze anders hun zoon niet meer terug zouden zien. Onder deze uitermate gewelddadige en bedreigende omstandigheden zijn de ouders gedwongen om zogenaamd losgeld te brengen, waarna het slachtoffer is vrijgelaten. Een groot deel van de gijzeling is op beeld vastgelegd. Deze beelden getuigen van een gewelddadige, bedreigende, vernederende en mensonterende situatie. De mate van het uitgeoefende geweld is schrikbarend en zorgelijk en de machtscomponent zeer verontrustend. In gesprek met de verdachte heeft de rechtbank geprobeerd om te achterhalen wat de verdachte bezielde en wat er in zijn hoofd omging. De verdachte heeft hier beperkt over verklaard en steeds herhaald dat het enkel om geld was te doen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte een leidende rol heeft gehad en dat hij de grootste agressor is geweest. Ook op momenten dat hij alleen met het slachtoffer is geweest, heeft hij naar het slachtoffer uitgehaald en hij is ook degene die de seksuele (getinte) handelingen heeft verricht. Het behoeft geen uitleg dat de situatie voor het slachtoffer uitermate intimiderend is geweest en dat hij in doodsangst heeft verkeerd. Het is daarbij niet relevant of het vuurwapen al dan niet doorgeladen was, nu dit voor de vrees bij het slachtoffer geen verschil heeft uitgemaakt. Niet alleen het slachtoffer zelf, maar ook diens ouders hebben voor zijn leven gevreesd. Zij werden via een live videoverbinding geconfronteerd met hun zoon terwijl deze zichtbaar onder schot werd gehouden. De ouders zijn in blinde paniek het gevraagde geldbedrag gaan regelen. Zij dachten dat zij hun zoon niet meer levend zouden terugzien. Het incident is een buitengewoon traumatische ervaring voor het slachtoffer en zijn ouders geweest en zij zullen met de gevolgen hiervan moeten leren leven. Eenieder kan zich voorstellen dat zij hiervan nog lang psychische klachten zullen ondervinden. Dit blijkt ook uit de vorderingen tot schadevergoeding en de spreekrechtverklaringen die ter zitting zijn voorgehouden. De rechtbank is onder de indruk van de wijze waarop het slachtoffer woorden heeft kunnen geven aan hetgeen hem is overkomen. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf rekening houden met de samenloop van de feiten van zaak A. Zaak B De verdachte heeft zich in maart 2025 schuldig gemaakt aan mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 5] . Uit het dossier blijkt dat dit een gerichte en harde klap is geweest en de aangever heeft hier pijn van gehad. Anders dan de raadsman vindt de rechtbank dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie waardoor de verdachte niet gerechtigd was dit te doen. Zaak C De verdachte heeft zich in oktober 2024 schuldig gemaakt aan schuldheling van een fatbike. Hij faciliteerde de pleger van de diefstal door de fatbike te verstoppen op zijn slaapkamer. Het slachtoffer van de diefstal is hiervan de dupe, maar het is ook een zeer ergerlijk feit voor de samenleving in het algemeen. Zaak D De verdachte heeft als 15-jarige in juli 2024 een zogenaamde dollemansrit gemaakt met een auto van MyWheels. Hij heeft de auto samen met een ander gestolen door er in te gaan zitten en ermee weg te rijden, terwijl hij geen rijbewijs had en net had geblowd. Door verschillende verbalisanten en getuigen is beschreven hoe onbezonnen en wild de verdachte heeft gereden. De rit is de halve stad doorgegaan, waarbij de verdachte grote snelheden heeft behaald.
Volledig
Er is sprake van samenloop van feiten De verdachte was 15 jaar en heeft 3,5 maand in voorarrest verbleven. De verdachte heeft spijt en staat open voor contact met het slachtoffer. Er wordt geadviseerd om de feiten in verminderde mate toe te rekenen. Zaak E Er is geen sprake van letsel bij de aangever [slachtoffer 4] , de geweldshandelingen waren gering. Het is heel vervelend dat de beelden van de mishandeling zijn verspreid. De verdachte heeft dat echter niet gedaan en kan daar niet verantwoordelijk voor worden gehouden. De verdachte was 14 jaar De redelijke termijn van 16 maanden is aanzienlijk geschonden. Er is sprake van samenloop van feiten. Er wordt geadviseerd de feiten in verminderde mate toe te rekenen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, ondanks de adviezen van de deskundigen, geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De wetgever heeft bij de invoering van de PIJ expliciet overwogen en benadrukt dat de PIJ als ultimum remedium moet worden toegepast. Lichtere interventies moeten zijn geprobeerd en hebben gefaald. De raadsman is van mening dat de stap naar een onvoorwaardelijke PIJ gelet op de eerder opgelegde geringe straffen en bijzondere voorwaarden te groot is. Hoewel de verdachte al geruime tijd geleden is gediagnosticeerd met stoornissen is hij nooit daadwerkelijk in behandeling geweest. De raadsman stelt zich op het standpunt dat er wel degelijk alternatieven zijn, zoals een civiele gesloten plaatsing, behandeling in een polikliniek of een klinische opname bij de [zorginstelling] als bijzondere voorwaarde in het kader van een voorwaardelijke straf. De verdachte is gemotiveerd voor een behandeling. De rechtbank is niet gebonden aan de adviezen en kan hier een eigen afweging maken. De raadsman verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij de rechtbank ondanks het advies tot een onvoorwaardelijke PIJ, toch een voorwaardelijke PIJ oplegt omdat niet alle behandelmogelijkheden in een voorwaardelijk kader zijn uitgeput. Bij een voorwaardelijke PIJ zal er bovendien meer stimulans en prikkel tot gedragsbeïnvloeding zijn. Er staat dan immers nog iets op het spel. De verdachte zal wel mee moeten en ook echt mee willen werken. Het kader van een voorwaardelijke PIJ is een veel strenger kader dan die de verdachte ooit eerder opgelegd heeft gekregen; dat betrof slechts het kader van een voorwaardelijke werkstraf. Gelet op voornoemde strafmaatverweren heeft de raadsman de rechtbank voorgesteld om, een straf gelijk aan voorarrest (of met een periode voor overdracht aan een kliniek) en een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Gedacht kan worden aan het hieraan verbinden van bijzondere voorwaarden als een klinische opname (zoals bij de [zorginstelling] ), meewerken aan behandeling, elektronische controle, meewerken aan medicatie voor ADHD. De verdachte zou daarmee een laatste kans krijgen met het strakste kader dat mogelijk is. De proeftijd kan bovendien op langer dan twee jaar worden gesteld, hetgeen voor de verdediging acceptabel zou zijn. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. De ernst van de feiten De verdachte heeft zich in een periode van twee en half jaar schuldig gemaakt aan een hele reeks ernstige strafbare feiten. Zaak A De verdachte heeft samen met een ander het 16 jarige-slachtoffer [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend door Amsterdam Zuid-Oost liep, onder dwang meegenomen naar een flat en daar meerdere uren vastgehouden in een krappe opbergruimte. Daar werd hij onder schot gehouden van een vuurwapen en werd hij (met het vuurwapen en zijn eigen riem) geslagen en geschopt. Ook werd het wapen in zijn mond geplaatst en hard heen en weer bewogen. Intussen werd het slachtoffer met de dood bedreigd. Het slachtoffer werd gedwongen om zich uit te kleden. Hij werd daarbij ook gefilmd. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens gesommeerd ook zijn onderbroek uit te trekken, zich met zijn rug naar hem om te draaien en heeft daarna geprobeerd om een deurklink in de anus van het slachtoffer te steken. Na aankomst van de derde verdachte, hebben de verdachten de ouders van het slachtoffer via videoverbinding gebeld terwijl het slachtoffer de laser van het vuurwapen op zich gericht had. Daarbij is aan de ouders gezegd dat ze het geld snel moesten overmaken, omdat ze anders hun zoon niet meer terug zouden zien. Onder deze uitermate gewelddadige en bedreigende omstandigheden zijn de ouders gedwongen om zogenaamd losgeld te brengen, waarna het slachtoffer is vrijgelaten. Een groot deel van de gijzeling is op beeld vastgelegd. Deze beelden getuigen van een gewelddadige, bedreigende, vernederende en mensonterende situatie. De mate van het uitgeoefende geweld is schrikbarend en zorgelijk en de machtscomponent zeer verontrustend. In gesprek met de verdachte heeft de rechtbank geprobeerd om te achterhalen wat de verdachte bezielde en wat er in zijn hoofd omging. De verdachte heeft hier beperkt over verklaard en steeds herhaald dat het enkel om geld was te doen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte een leidende rol heeft gehad en dat hij de grootste agressor is geweest. Ook op momenten dat hij alleen met het slachtoffer is geweest, heeft hij naar het slachtoffer uitgehaald en hij is ook degene die de seksuele (getinte) handelingen heeft verricht. Het behoeft geen uitleg dat de situatie voor het slachtoffer uitermate intimiderend is geweest en dat hij in doodsangst heeft verkeerd. Het is daarbij niet relevant of het vuurwapen al dan niet doorgeladen was, nu dit voor de vrees bij het slachtoffer geen verschil heeft uitgemaakt. Niet alleen het slachtoffer zelf, maar ook diens ouders hebben voor zijn leven gevreesd. Zij werden via een live videoverbinding geconfronteerd met hun zoon terwijl deze zichtbaar onder schot werd gehouden. De ouders zijn in blinde paniek het gevraagde geldbedrag gaan regelen. Zij dachten dat zij hun zoon niet meer levend zouden terugzien. Het incident is een buitengewoon traumatische ervaring voor het slachtoffer en zijn ouders geweest en zij zullen met de gevolgen hiervan moeten leren leven. Eenieder kan zich voorstellen dat zij hiervan nog lang psychische klachten zullen ondervinden. Dit blijkt ook uit de vorderingen tot schadevergoeding en de spreekrechtverklaringen die ter zitting zijn voorgehouden. De rechtbank is onder de indruk van de wijze waarop het slachtoffer woorden heeft kunnen geven aan hetgeen hem is overkomen. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf rekening houden met de samenloop van de feiten van zaak A. Zaak B De verdachte heeft zich in maart 2025 schuldig gemaakt aan mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 5] . Uit het dossier blijkt dat dit een gerichte en harde klap is geweest en de aangever heeft hier pijn van gehad. Anders dan de raadsman vindt de rechtbank dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie waardoor de verdachte niet gerechtigd was dit te doen. Zaak C De verdachte heeft zich in oktober 2024 schuldig gemaakt aan schuldheling van een fatbike. Hij faciliteerde de pleger van de diefstal door de fatbike te verstoppen op zijn slaapkamer. Het slachtoffer van de diefstal is hiervan de dupe, maar het is ook een zeer ergerlijk feit voor de samenleving in het algemeen. Zaak D De verdachte heeft als 15-jarige in juli 2024 een zogenaamde dollemansrit gemaakt met een auto van MyWheels. Hij heeft de auto samen met een ander gestolen door er in te gaan zitten en ermee weg te rijden, terwijl hij geen rijbewijs had en net had geblowd. Door verschillende verbalisanten en getuigen is beschreven hoe onbezonnen en wild de verdachte heeft gereden. De rit is de halve stad doorgegaan, waarbij de verdachte grote snelheden heeft behaald.
Volledig
Uit de registratie van snelheidsovertredingen blijkt onder meer een overschrijding van snelheid met 63 km/uur op een weg waar 30 km/uur mag worden gereden. De verdachts is meermaals door rood gereden, is tegen (stilstaande en rijdende) auto’s aangebotst en andere verkeersdeelnemers moesten voor de verdachte snel opzij gaan om te voorkomen dat zij werden geraakt. Het baart de rechtbank zorgen dat het zelfs na de verschrikkelijke aanrijding van het slachtoffer [slachtoffer 6] niet in het hoofd van de verdachte is opgekomen om de auto tot stilstand te brengen. In plaats daarvan is hij als een dolle doorgereden en heeft hij nog veel meer schade veroorzaakt. Hij mag van geluk spreken dat deze schade (op dit moment) niet op hem wordt verhaald, maar hij mag van nog groter geluk spreken dat er niet meer gewonden of zelfs doden zijn gevallen. De rechtbank zal bij de strafbepaling ook in deze zaak rekening houden met de samenloop van de feiten. Zaak E Tot slot heeft de verdachte in oktober 2023 openlijk geweld gepleegd en dwang uitgeoefend tegen het slachtoffer [slachtoffer 4] . Hij heeft door zijn handelen gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer, die toen pas 13 jaar oud was. Het voorval is bovendien gefilmd en de beelden zijn via sociale media gedeeld. Dit is extra kwalijk omdat eenmaal op het internet verspreid materiaal vaak niet (volledig) verwijderd en vernietigd kan worden, zodat slachtoffers hiermee nog gedurende lange tijd en via verschillende (sociale media) kanalen geconfronteerd kunnen worden. Dat de verdachte feitelijk niet verantwoordelijk is voor het maken en verspreiden van deze beelden doet daar niet aan af. Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer sinds het incident kampt met gevoelens van angst en schaamte en dat dat in grote mate van invloed is (geweest) op zijn dagelijks leven. De rechtbank zal bij de strafbepaling ook in deze zaak rekening houden met de samenloop van de feiten. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al vaker is veroordeeld onder meer ter zake van (diefstal)diefstal, openlijke geweldpleging, mishandeling, bedreiging. Dit werkt strafverhogend. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapportages en adviezen, te weten: het Pro Justitia psychologisch onderzoek van 17 december 2024 opgesteld door T.J. van Vrijaldenhoven, GZ-psycholoog; het Pro Justitia psychologisch onderzoek van 9 december 2025 opgesteld door T.J. van Vrijaldenhoven, GZ-psycholoog; het Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 17 december 2025 opgesteld door A.X. Rutten, kinder- en jeugdpsychiater; het rapport en advies van de Raad van 30 maart 2026; het evaluatieverslag van JBRA van 27 maart 2026. Uit de Pro Justitia onderzoeken uit 2025 blijkt dat de verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft. Hij is opgegroeid in (emotionele) onveiligheid en onrust. De chronische onveiligheid en instabiliteit hebben invloed gehad op zijn ontwikkeling. Onderzoekers concluderen dat er bij de verdachte sprake is van ADHD, psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis, een normoverschrijdende gedragsstoornis en cannabisafhankelijkheid. De genoemde stoornissen en problematiek waren aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Geadviseerd wordt om de zaken B, C, D en E in een verminderde mate toe te rekenen omdat er duidelijk uit de aanwezige stoornissen voorkomende symptomen een rol hebben gespeeld bij het komen tot die ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van zaak A wordt geadviseerd om de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen omdat er toen veel minder sprake was van impulsiviteit en er gelet op de duur veel momenten zijn geweest dat de verdachte andere keuzes kon maken. Op basis van de klinische indrukken en de risico-taxatie-instrumenten wordt de kans op recidive van geweldsdelicten en andere delicten als hoog ingeschat. In de afgelopen jaren zijn veel hulpverleners betrokken geweest. De hulpverlening is niet goed van de grond gekomen of heeft tot onvoldoende resultaat geleid door gebrekkige motivatie van de verdachte. Het is niet gelukt om de verdachte te doen houden aan stevige voorwaarden, zoals een enkelband en een avondklok, die hem waren opgelegd. Het heeft hem er niet van weerhouden om ernstige strafbare feiten te plegen. De verdachte heeft zich meermaals aan behandeling en begeleiding onttrokken. Hij werd aangemeld bij de Jellinek maar was niet gemotiveerd om te minderen met middelengebruik. Ook was de verdachte niet bereid om de noodzakelijke medicatie tegen ADHD-symptomen te slikken. Onderzoekers concluderen dat het eerder in december 2024 opgestelde advies tot een gedragsbeïnvloedende maatregel niet meer toereikend en passend is gelet op het hoge recidive risico, de weinig beschermende factoren, de zorgen over het functioneren en de ontwikkeling van de verdachte en de ernstige verdenkingen in zaak A. Op dit moment worden geen mogelijkheden meer gezien om de benodigde behandeling van de verdachte op een ambulante wijze vorm te geven. Een ambulant kader biedt onvoldoende holding, structuur en begrenzing. De enige mogelijkheid die nu wordt gezien om het verder plegen van delicten te voorkomen is langdurige, intensieve behandeling binnen een residentieel kader met een hoog beveiligingsniveau. De behandeling van de verdachte dient dan ook vorm te krijgen in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De nadelen die in 2024 werden gezien in een PIJ-maatregel wegen momenteel niet meer op tegen de ontwikkelingsbedreiging en het recidive risico, mede doordat de mogelijkheden buiten een PIJ-maatregel uitgeput lijken. Daarbij speelt ook mee dat de duur van een ander kader als te kort wordt beschouwd. Een langdurige en diverse behandeling is geïndiceerd gezien de complexiteit van de aanwezige problematiek en het niveau waarop de verdachte functioneert. Zo is het belangrijk dat de verdachte wordt ingesteld op medicatie tegen ADHD-symptomen. Dan ontstaat er ruimte voor andere essentiële therapie, zoals delictanalyse. Psycho-educatie is belangrijk voor het leren over de aanwezige psychiatrische stoornissen. Het onder controle krijgen en houden van middelengebruik door middel van een training zoals bijvoorbeeld Brains4use. De agressieve manier van omgaan met situaties verdient aandacht in de behandeling, bijvoorbeeld in de vorm van een TACT-training met daarbij aandacht voor zowel agressieregulatie als moreel redeneren en sociale vaardigheden. Psychomotorische therapie kan helpend zijn om de verdachte te leren zijn negatieve emoties te beheersen en meer oog te krijgen voor de eigen gerezen die van anderen. Nader onderzoek naar de verdachte zijn seksuele ontwikkeling is nodig waarbij basale seksuele voorlichting eveneens belangrijk is. Voornoemde onderzoekers zijn op de zitting nader gehoord. Desgevraagd hebben zij hun adviezen gehandhaafd. Daarbij heeft de psychiater desgevraagd verklaard dat een eventuele behandeling bij [zorginstelling] , zoals van de zijde van de verdachte wordt voorgesteld, haar gezien de problematiek en persoon van de verdachte als ongeschikt voorkomt en zij een behandeling aldaar ook niet haalbaar acht vanwege het gebrek aan behandelmotivatie bij de verdachte. De Raad kan zich vinden in het advies om aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Er is geen woonplek die op dit moment kan aansluiten bij de verdachte gezien de zeer hoge kans op recidive van een mogelijk nieuw ernstig feit en een terugkeer naar de moeder is niet mogelijk gezien de verdachte haar gezag niet accepteert. In de afgelopen jaren is op diverse manieren geprobeerd ambulante hulpverlening aan de verdachte te bieden vanuit verschillende woonvoorzieningen en zijn hem verschillende vormen van behandeling geboden. Geen enkel traject heeft geleid tot een blijvende gedragsverandering of verminderde recidive.
Volledig
Uit de registratie van snelheidsovertredingen blijkt onder meer een overschrijding van snelheid met 63 km/uur op een weg waar 30 km/uur mag worden gereden. De verdachts is meermaals door rood gereden, is tegen (stilstaande en rijdende) auto’s aangebotst en andere verkeersdeelnemers moesten voor de verdachte snel opzij gaan om te voorkomen dat zij werden geraakt. Het baart de rechtbank zorgen dat het zelfs na de verschrikkelijke aanrijding van het slachtoffer [slachtoffer 6] niet in het hoofd van de verdachte is opgekomen om de auto tot stilstand te brengen. In plaats daarvan is hij als een dolle doorgereden en heeft hij nog veel meer schade veroorzaakt. Hij mag van geluk spreken dat deze schade (op dit moment) niet op hem wordt verhaald, maar hij mag van nog groter geluk spreken dat er niet meer gewonden of zelfs doden zijn gevallen. De rechtbank zal bij de strafbepaling ook in deze zaak rekening houden met de samenloop van de feiten. Zaak E Tot slot heeft de verdachte in oktober 2023 openlijk geweld gepleegd en dwang uitgeoefend tegen het slachtoffer [slachtoffer 4] . Hij heeft door zijn handelen gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer, die toen pas 13 jaar oud was. Het voorval is bovendien gefilmd en de beelden zijn via sociale media gedeeld. Dit is extra kwalijk omdat eenmaal op het internet verspreid materiaal vaak niet (volledig) verwijderd en vernietigd kan worden, zodat slachtoffers hiermee nog gedurende lange tijd en via verschillende (sociale media) kanalen geconfronteerd kunnen worden. Dat de verdachte feitelijk niet verantwoordelijk is voor het maken en verspreiden van deze beelden doet daar niet aan af. Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer sinds het incident kampt met gevoelens van angst en schaamte en dat dat in grote mate van invloed is (geweest) op zijn dagelijks leven. De rechtbank zal bij de strafbepaling ook in deze zaak rekening houden met de samenloop van de feiten. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al vaker is veroordeeld onder meer ter zake van (diefstal)diefstal, openlijke geweldpleging, mishandeling, bedreiging. Dit werkt strafverhogend. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapportages en adviezen, te weten: het Pro Justitia psychologisch onderzoek van 17 december 2024 opgesteld door T.J. van Vrijaldenhoven, GZ-psycholoog; het Pro Justitia psychologisch onderzoek van 9 december 2025 opgesteld door T.J. van Vrijaldenhoven, GZ-psycholoog; het Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 17 december 2025 opgesteld door A.X. Rutten, kinder- en jeugdpsychiater; het rapport en advies van de Raad van 30 maart 2026; het evaluatieverslag van JBRA van 27 maart 2026. Uit de Pro Justitia onderzoeken uit 2025 blijkt dat de verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft. Hij is opgegroeid in (emotionele) onveiligheid en onrust. De chronische onveiligheid en instabiliteit hebben invloed gehad op zijn ontwikkeling. Onderzoekers concluderen dat er bij de verdachte sprake is van ADHD, psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis, een normoverschrijdende gedragsstoornis en cannabisafhankelijkheid. De genoemde stoornissen en problematiek waren aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Geadviseerd wordt om de zaken B, C, D en E in een verminderde mate toe te rekenen omdat er duidelijk uit de aanwezige stoornissen voorkomende symptomen een rol hebben gespeeld bij het komen tot die ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van zaak A wordt geadviseerd om de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen omdat er toen veel minder sprake was van impulsiviteit en er gelet op de duur veel momenten zijn geweest dat de verdachte andere keuzes kon maken. Op basis van de klinische indrukken en de risico-taxatie-instrumenten wordt de kans op recidive van geweldsdelicten en andere delicten als hoog ingeschat. In de afgelopen jaren zijn veel hulpverleners betrokken geweest. De hulpverlening is niet goed van de grond gekomen of heeft tot onvoldoende resultaat geleid door gebrekkige motivatie van de verdachte. Het is niet gelukt om de verdachte te doen houden aan stevige voorwaarden, zoals een enkelband en een avondklok, die hem waren opgelegd. Het heeft hem er niet van weerhouden om ernstige strafbare feiten te plegen. De verdachte heeft zich meermaals aan behandeling en begeleiding onttrokken. Hij werd aangemeld bij de Jellinek maar was niet gemotiveerd om te minderen met middelengebruik. Ook was de verdachte niet bereid om de noodzakelijke medicatie tegen ADHD-symptomen te slikken. Onderzoekers concluderen dat het eerder in december 2024 opgestelde advies tot een gedragsbeïnvloedende maatregel niet meer toereikend en passend is gelet op het hoge recidive risico, de weinig beschermende factoren, de zorgen over het functioneren en de ontwikkeling van de verdachte en de ernstige verdenkingen in zaak A. Op dit moment worden geen mogelijkheden meer gezien om de benodigde behandeling van de verdachte op een ambulante wijze vorm te geven. Een ambulant kader biedt onvoldoende holding, structuur en begrenzing. De enige mogelijkheid die nu wordt gezien om het verder plegen van delicten te voorkomen is langdurige, intensieve behandeling binnen een residentieel kader met een hoog beveiligingsniveau. De behandeling van de verdachte dient dan ook vorm te krijgen in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De nadelen die in 2024 werden gezien in een PIJ-maatregel wegen momenteel niet meer op tegen de ontwikkelingsbedreiging en het recidive risico, mede doordat de mogelijkheden buiten een PIJ-maatregel uitgeput lijken. Daarbij speelt ook mee dat de duur van een ander kader als te kort wordt beschouwd. Een langdurige en diverse behandeling is geïndiceerd gezien de complexiteit van de aanwezige problematiek en het niveau waarop de verdachte functioneert. Zo is het belangrijk dat de verdachte wordt ingesteld op medicatie tegen ADHD-symptomen. Dan ontstaat er ruimte voor andere essentiële therapie, zoals delictanalyse. Psycho-educatie is belangrijk voor het leren over de aanwezige psychiatrische stoornissen. Het onder controle krijgen en houden van middelengebruik door middel van een training zoals bijvoorbeeld Brains4use. De agressieve manier van omgaan met situaties verdient aandacht in de behandeling, bijvoorbeeld in de vorm van een TACT-training met daarbij aandacht voor zowel agressieregulatie als moreel redeneren en sociale vaardigheden. Psychomotorische therapie kan helpend zijn om de verdachte te leren zijn negatieve emoties te beheersen en meer oog te krijgen voor de eigen gerezen die van anderen. Nader onderzoek naar de verdachte zijn seksuele ontwikkeling is nodig waarbij basale seksuele voorlichting eveneens belangrijk is. Voornoemde onderzoekers zijn op de zitting nader gehoord. Desgevraagd hebben zij hun adviezen gehandhaafd. Daarbij heeft de psychiater desgevraagd verklaard dat een eventuele behandeling bij [zorginstelling] , zoals van de zijde van de verdachte wordt voorgesteld, haar gezien de problematiek en persoon van de verdachte als ongeschikt voorkomt en zij een behandeling aldaar ook niet haalbaar acht vanwege het gebrek aan behandelmotivatie bij de verdachte. De Raad kan zich vinden in het advies om aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Er is geen woonplek die op dit moment kan aansluiten bij de verdachte gezien de zeer hoge kans op recidive van een mogelijk nieuw ernstig feit en een terugkeer naar de moeder is niet mogelijk gezien de verdachte haar gezag niet accepteert. In de afgelopen jaren is op diverse manieren geprobeerd ambulante hulpverlening aan de verdachte te bieden vanuit verschillende woonvoorzieningen en zijn hem verschillende vormen van behandeling geboden. Geen enkel traject heeft geleid tot een blijvende gedragsverandering of verminderde recidive.
Volledig
Ook is meermaals gekeken of er een aanpassing gedaan kon worden in het type medicatie of de hoeveelheid medicatie voor de behandeling van verdachtes ADHD, zodat dit zijn medicatie trouwheid zou verhogen. Dit is helaas niet gelukt. In de afgelopen jaren is gezien dat de momenten waarop de verdachte zijn medicatie niet heeft ingenomen er vrijwel altijd sprake is geweest van recidive. Het lukt hem op die momenten onvoldoende om zijn impulsen onder controle te houden en hij kan de consequenties van zijn handelen niet overzien. De Raad kan zich vinden in het beeld dat de onderzoekers schetsen dat een andere vorm van behandeling dan het onvoorwaardelijke PIJ-kader het gevaar voor andere personen of voor de verdachte zelf niet kan worden weggenomen, met name in het licht dat er volstrekt willekeurige personen slachtoffer zijn geworden. Daarnaast is er bij de laatste verdenking ook sprake geweest van een seksuele component. Om de verdachte zijn sociaal-emotionele ontwikkeling vooruit te helpen heeft hij een duidelijke, veilige en gestructureerde behandelsetting nodig waarbinnen er met hem intensief gewerkt kan worden aan zijn een delict analyse, psycho-educatie met betrekking tot zijn stoornissen en dat hij zijn middelengebruik onder controle gaat krijgen. Ook is het van belang dat hij hulp krijgt om zijn agressie te reguleren en sociale vaardigheden opdoet en er seksuele voorlichting aan hem geboden gaat worden. Om dit goed van de grond te krijgen en de verdachte hierin zo goed mogelijk te ondersteunen is het van belang dat er opnieuw gekeken gaat worden naar zijn medicatiegebruik. De verdachte zit op dit moment al langere tijd in de JJI en sindsdien lijkt het beter met hem te gaan. Hij lijkt baat te hebben bij deze gestructureerde omgeving waarin de kaders en grenzen heel duidelijk voor hem zijn. Behandeling lijkt daarom ook meer slagingskans te hebben vanuit deze setting dan het nu opnieuw ambulant proberen terwijl eerder al gezien is dat de verdachte onvoldoende om kan gaan met de impulsen die de buitenwereld met zich brengt. Een onvoorwaardelijke PIJ biedt de mogelijkheid voor de verdachte om verder te komen in zijn sociale ontwikkeling en maatschappelijk functioneren. Doel is dat de verdachte minder afhankelijk zal zijn van structuur en ‘controle’ van buitenaf, hij zogezegd als persoon sterker wordt en zijn plek kan vinden en zijn impulsen kan beheersen in de maatschappij en relaties met mensen. JBRA JBRA sluit zich aan bij het advies om de verdachte een behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ op te leggen. Gezien de grote mate van problemen, de ernst van de verdenkingen, de verhoogde kans op recidive, de uitgeputte mogelijkheden in andere kaders en de noodzakelijk geachte behandeling, acht JBRA dit het enige passende kader. Hierin krijgt de verdachte, bij behalen van de gestelde doelen, de beste kans op een betere en veilige toekomst. De overweging van de rechtbank ten aanzien van de PIJ-maatregel De rechtbank stelt vast dat de in zaak A, zaak D en zaak E bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen waarvoor volgens artikel 77s lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht een PIJ-maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank komt, op grond van de gemotiveerde conclusies die de deskundigen in de Pro Justitie rapporten vermelden, tot het oordeel dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast komt de rechtbank, op grond van de adviezen van de verschillende deskundigen, tot de conclusie dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. De verdachte heeft een belast verleden, hij pleegt al jarenlang delicten die in ernst en omvang toenemen. Hij is ook al lange tijd bekend bij de jeugdhulpverlening waarbij verschillende interventies in zowel het civiele- als strafrechtelijk kader zijn uitgezet. Tijdens eerdere schorsingen is de verdachte meermalen gerecidiveerd; het recidive risico (op geweldsdelicten) wordt dan ook hoog ingeschat. Gelet op de aard van de voornoemde problematiek van de verdachte en het hoge recidiverisico is langdurige intensieve behandeling noodzakelijk. Een PIJ-kader is daarom aangewezen. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de noodzakelijke behandeling niet in een voorwaardelijk kader kan worden gegeven. De verdachte heeft een langdurige klinische en gesloten behandeling nodig. Een klinische behandeling in een gesloten setting als bijzondere voorwaarde is volgens de deskundigen niet passend voor de verdachte vanwege de te korte duur en het ontbreken van motivatie voor behandeling. Een behandeling in ambulant kader is evenmin passend. Er zijn namelijk geen verblijfsvoorzieningen beschikbaar waar de verdachte de benodigde sturing, holding en begrenzing kan worden geboden vanuit waar die behandeling kan plaatsvinden. Een open woonvorm is geen optie. Het risico dat de verdachte vanuit daar weer impulsieve acties onderneemt en willekeurige slachtoffers maakt is veel te groot. Zelfs het dragen van een enkelband heeft de verdachte er niet van kunnen weerhouden laatstelijk, in mei 2025, een zeer ernstig strafbaar feit te plegen. De samenleving moet hiertegen worden beschermd. Tegelijk moet de verdachte ook tegen zichzelf worden beschermd. Bij schorsingen van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte steeds beterschap beloofd. Ondanks alle hulp, steun en verplichte kaders die hem geboden zijn, is het hem steeds niet gelukt geen nieuwe strafbare feiten te plegen. Ook kwam de aanvankelijke motivatie om aan zichzelf te werken door het aangaan van een behandeling voor zijn blow-verslaving, het slikken van ADHD-medicatie, het behouden van school of het vinden van een bijbaan, tijdens de schorsingen vrij snel weer te ontbreken. De rechtbank verwacht dan ook niet dat het de verdachte nu wel zal lukken gemotiveerd te blijven voor de voorgestelde behandelingen. De rechtbank gunt de verdachte dat de scheefgroei van zijn ontwikkeling ten goede wordt gekeerd. Daarvoor zal tijd nodig zijn. Oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is de enige mogelijkheid om de juiste en langdurige behandeling aan de verdachte te kunnen bieden. Deze maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. Bij onvoldoende progressie in de behandeling dan wel onvoldoende terugdringing van het recidivegevaar binnen de PIJ-maatregel kan bovendien omzetting naar een Tbs-maatregel plaatsvinden, hetgeen de samenleving maximale bescherming biedt. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat er naast oplegging van een PIJ-maatregel ook een straf moet volgen. Voornoemde reeks aan (buitengewoon) ernstige feiten rechtvaardigen immers vanuit punitief oogpunt een forse jeugddetentie. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten enerzijds maar ook rekening gehouden met de redelijke termijn die in een aantal zaken (fors) is overgeschreden en het advies om de feiten in (enigszins) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Ook vindt de rechtbank het belangrijk dat de verdachte op korte termijn met zijn PIJ-behandeling kan beginnen. De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat de eis van de officier van justitie een passende eis is. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook een jeugddetentie voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest opleggen. 10 Beslag Onder de verdachte is het volgende voorwerp inbeslaggenomen: 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025131858-G6663713, Zwart, merk: Apple) Het voorwerp behoort aan de verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder Zaak A bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
Volledig
Ook is meermaals gekeken of er een aanpassing gedaan kon worden in het type medicatie of de hoeveelheid medicatie voor de behandeling van verdachtes ADHD, zodat dit zijn medicatie trouwheid zou verhogen. Dit is helaas niet gelukt. In de afgelopen jaren is gezien dat de momenten waarop de verdachte zijn medicatie niet heeft ingenomen er vrijwel altijd sprake is geweest van recidive. Het lukt hem op die momenten onvoldoende om zijn impulsen onder controle te houden en hij kan de consequenties van zijn handelen niet overzien. De Raad kan zich vinden in het beeld dat de onderzoekers schetsen dat een andere vorm van behandeling dan het onvoorwaardelijke PIJ-kader het gevaar voor andere personen of voor de verdachte zelf niet kan worden weggenomen, met name in het licht dat er volstrekt willekeurige personen slachtoffer zijn geworden. Daarnaast is er bij de laatste verdenking ook sprake geweest van een seksuele component. Om de verdachte zijn sociaal-emotionele ontwikkeling vooruit te helpen heeft hij een duidelijke, veilige en gestructureerde behandelsetting nodig waarbinnen er met hem intensief gewerkt kan worden aan zijn een delict analyse, psycho-educatie met betrekking tot zijn stoornissen en dat hij zijn middelengebruik onder controle gaat krijgen. Ook is het van belang dat hij hulp krijgt om zijn agressie te reguleren en sociale vaardigheden opdoet en er seksuele voorlichting aan hem geboden gaat worden. Om dit goed van de grond te krijgen en de verdachte hierin zo goed mogelijk te ondersteunen is het van belang dat er opnieuw gekeken gaat worden naar zijn medicatiegebruik. De verdachte zit op dit moment al langere tijd in de JJI en sindsdien lijkt het beter met hem te gaan. Hij lijkt baat te hebben bij deze gestructureerde omgeving waarin de kaders en grenzen heel duidelijk voor hem zijn. Behandeling lijkt daarom ook meer slagingskans te hebben vanuit deze setting dan het nu opnieuw ambulant proberen terwijl eerder al gezien is dat de verdachte onvoldoende om kan gaan met de impulsen die de buitenwereld met zich brengt. Een onvoorwaardelijke PIJ biedt de mogelijkheid voor de verdachte om verder te komen in zijn sociale ontwikkeling en maatschappelijk functioneren. Doel is dat de verdachte minder afhankelijk zal zijn van structuur en ‘controle’ van buitenaf, hij zogezegd als persoon sterker wordt en zijn plek kan vinden en zijn impulsen kan beheersen in de maatschappij en relaties met mensen. JBRA JBRA sluit zich aan bij het advies om de verdachte een behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ op te leggen. Gezien de grote mate van problemen, de ernst van de verdenkingen, de verhoogde kans op recidive, de uitgeputte mogelijkheden in andere kaders en de noodzakelijk geachte behandeling, acht JBRA dit het enige passende kader. Hierin krijgt de verdachte, bij behalen van de gestelde doelen, de beste kans op een betere en veilige toekomst. De overweging van de rechtbank ten aanzien van de PIJ-maatregel De rechtbank stelt vast dat de in zaak A, zaak D en zaak E bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen waarvoor volgens artikel 77s lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht een PIJ-maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank komt, op grond van de gemotiveerde conclusies die de deskundigen in de Pro Justitie rapporten vermelden, tot het oordeel dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast komt de rechtbank, op grond van de adviezen van de verschillende deskundigen, tot de conclusie dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. De verdachte heeft een belast verleden, hij pleegt al jarenlang delicten die in ernst en omvang toenemen. Hij is ook al lange tijd bekend bij de jeugdhulpverlening waarbij verschillende interventies in zowel het civiele- als strafrechtelijk kader zijn uitgezet. Tijdens eerdere schorsingen is de verdachte meermalen gerecidiveerd; het recidive risico (op geweldsdelicten) wordt dan ook hoog ingeschat. Gelet op de aard van de voornoemde problematiek van de verdachte en het hoge recidiverisico is langdurige intensieve behandeling noodzakelijk. Een PIJ-kader is daarom aangewezen. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de noodzakelijke behandeling niet in een voorwaardelijk kader kan worden gegeven. De verdachte heeft een langdurige klinische en gesloten behandeling nodig. Een klinische behandeling in een gesloten setting als bijzondere voorwaarde is volgens de deskundigen niet passend voor de verdachte vanwege de te korte duur en het ontbreken van motivatie voor behandeling. Een behandeling in ambulant kader is evenmin passend. Er zijn namelijk geen verblijfsvoorzieningen beschikbaar waar de verdachte de benodigde sturing, holding en begrenzing kan worden geboden vanuit waar die behandeling kan plaatsvinden. Een open woonvorm is geen optie. Het risico dat de verdachte vanuit daar weer impulsieve acties onderneemt en willekeurige slachtoffers maakt is veel te groot. Zelfs het dragen van een enkelband heeft de verdachte er niet van kunnen weerhouden laatstelijk, in mei 2025, een zeer ernstig strafbaar feit te plegen. De samenleving moet hiertegen worden beschermd. Tegelijk moet de verdachte ook tegen zichzelf worden beschermd. Bij schorsingen van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte steeds beterschap beloofd. Ondanks alle hulp, steun en verplichte kaders die hem geboden zijn, is het hem steeds niet gelukt geen nieuwe strafbare feiten te plegen. Ook kwam de aanvankelijke motivatie om aan zichzelf te werken door het aangaan van een behandeling voor zijn blow-verslaving, het slikken van ADHD-medicatie, het behouden van school of het vinden van een bijbaan, tijdens de schorsingen vrij snel weer te ontbreken. De rechtbank verwacht dan ook niet dat het de verdachte nu wel zal lukken gemotiveerd te blijven voor de voorgestelde behandelingen. De rechtbank gunt de verdachte dat de scheefgroei van zijn ontwikkeling ten goede wordt gekeerd. Daarvoor zal tijd nodig zijn. Oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is de enige mogelijkheid om de juiste en langdurige behandeling aan de verdachte te kunnen bieden. Deze maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. Bij onvoldoende progressie in de behandeling dan wel onvoldoende terugdringing van het recidivegevaar binnen de PIJ-maatregel kan bovendien omzetting naar een Tbs-maatregel plaatsvinden, hetgeen de samenleving maximale bescherming biedt. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat er naast oplegging van een PIJ-maatregel ook een straf moet volgen. Voornoemde reeks aan (buitengewoon) ernstige feiten rechtvaardigen immers vanuit punitief oogpunt een forse jeugddetentie. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten enerzijds maar ook rekening gehouden met de redelijke termijn die in een aantal zaken (fors) is overgeschreden en het advies om de feiten in (enigszins) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Ook vindt de rechtbank het belangrijk dat de verdachte op korte termijn met zijn PIJ-behandeling kan beginnen. De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat de eis van de officier van justitie een passende eis is. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook een jeugddetentie voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest opleggen. 10 Beslag Onder de verdachte is het volgende voorwerp inbeslaggenomen: 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025131858-G6663713, Zwart, merk: Apple) Het voorwerp behoort aan de verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder Zaak A bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
Volledig
11 Benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 11.1. De benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 1.659,92 aan materiële schadevergoeding en € 11.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen, hoofdelijk, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de vordering betwist. Ten aanzien van de materiële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat de schadeposten AirPods en de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. De gevorderde kosten voor nieuwe sloten en een camera staan volgens de raadsman in een te ver verwijderd verband en betreft geen rechtstreekse schade door het strafbare feit waardoor deze post ook niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat de hoogte van de vordering moet worden gematigd aangezien niet goed kan worden vastgesteld dat de psychische klachten uitsluitend zijn ontstaan door het bewezenverklaarde. Gelet op het dossier dragen mogelijk andere stressvolle gebeurtenissen (verkeersongeluk vader, pestervaringen, verlies oma, spanningen tussen ouders) bij aan de klachten. Ook worden er geen PTSS-klachten meer ondervonden op dit moment. De raadsman verzoekt de rechtbank aansluiting te vinden bij de zaak ECLI:NL:GHSHE:2025:2480 en de vordering te matigen tot € 5.000,- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder zaak A bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de aangifte van 29 mei 2025 voldoende blijkt dat de benadeelde zijn AirPods heeft moeten afgeven. Ook de gevorderde kosten ten aanzien van de nieuwe sloten en camera komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat bij de benadeelde een enorme angst leefde dat de daders bij zijn huis en ouders zouden kunnen terugkomen. Deze angst was ook terecht gelet op het feit dat de sleutels van de benadeelde zijn afgenomen en hij in de notities van de telefoon van NN3 zijn huisadres en naam had moeten noteren. Ook de telefoon van de benadeelde is afgenomen en daarop hebben de daders de profielfoto’s van de ouders van de benadeelde bekeken en daar foto’s van gemaakt. De rechtbank is evenwel met de raadsman van oordeel dat de gederfde inkomsten niet eenvoudig zijn vast te stellen en een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Deze schadepost zal niet ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van €1.199,03 (duizend honderdnegenennegentig euro en drie eurocent), (oplader, afname geld, schade vernieling telefoon, AirPods, sneakers, beveiliging woning, reiskosten) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Tevens staat vast dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. Met de gijzeling, mishandeling, bedreiging, poging hem te dwingen tot seksuele handelingen en hem met woorden en daden seksueel te vernederen is er een ernstige inbreuk gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. Uit de vordering en de spreekrechtverklaring blijkt hoe deze feiten de benadeelde in extreme paniek, doodsangst, hebben gebracht. Hij voelde zich volledig machteloos en vernederd. Ook zijn er gevoelens van schaamte en angst en onveiligheid die tot op heden doorwerken. Na het incident had de benadeelde fysieke pijn door de mishandelingen. Met name de mentale gevolgen waren zeer ingrijpend. Er is bij de benadeelde PTSS vastgesteld. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het bedrag van €11.500,- (elfduizend vijfhonderd euro) zoals is gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat de verdachte het bewezen verklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. 11.2. De benadeelde partij [slachtoffer 2] De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert, na wijziging, € 6.200,- aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen, hoofdelijk, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de vordering betwist. Ten aanzien van de materiële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat de schadepost kosten psycholoog onvoldoende is onderbouwd. Er is geen diagnose gesteld. De brief van de psycholoog is een toelichting op een offerte van een voorgesteld behandeltraject. Dit traject is nog niet gestart. De kosten zijn nog niet gemaakt en onduidelijk is of deze kosten nog gemaakt gaan worden. Ook is onduidelijk waar de voorgestelde 24 sessies op toezien. Deze schadepost moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat geestelijk letsel volgens objectieve maatstaven onvoldoende is onderbouwd. De aard en ernst van de normschendingen brengen evenwel mee dat nadelige gevolgen voor de hand liggen. De raadsman verzoekt de rechtbank de vordering te matigen naar € 2.500,- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder zaak A bewezen verklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vergoeding van het losgeld (€3.000 – €1.000 dat reeds is teruggeven) van €2.000,- is toewijsbaar. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de schadepost kosten psycholoog onvoldoende onderbouwd is. Op grond van enkel een offerte van de kosten van een behandeltraject kan niet worden vastgesteld dat deze kosten zijn gemaakt of, inmiddels een jaar later, nog gemaakt zullen gaan worden. Deze schadepost zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van €2.000,- (tweeduizend euro), (losgeld) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Tevens staat vast dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Volledig
11 Benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 11.1. De benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 1.659,92 aan materiële schadevergoeding en € 11.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen, hoofdelijk, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de vordering betwist. Ten aanzien van de materiële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat de schadeposten AirPods en de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. De gevorderde kosten voor nieuwe sloten en een camera staan volgens de raadsman in een te ver verwijderd verband en betreft geen rechtstreekse schade door het strafbare feit waardoor deze post ook niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat de hoogte van de vordering moet worden gematigd aangezien niet goed kan worden vastgesteld dat de psychische klachten uitsluitend zijn ontstaan door het bewezenverklaarde. Gelet op het dossier dragen mogelijk andere stressvolle gebeurtenissen (verkeersongeluk vader, pestervaringen, verlies oma, spanningen tussen ouders) bij aan de klachten. Ook worden er geen PTSS-klachten meer ondervonden op dit moment. De raadsman verzoekt de rechtbank aansluiting te vinden bij de zaak ECLI:NL:GHSHE:2025:2480 en de vordering te matigen tot € 5.000,- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder zaak A bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de aangifte van 29 mei 2025 voldoende blijkt dat de benadeelde zijn AirPods heeft moeten afgeven. Ook de gevorderde kosten ten aanzien van de nieuwe sloten en camera komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat bij de benadeelde een enorme angst leefde dat de daders bij zijn huis en ouders zouden kunnen terugkomen. Deze angst was ook terecht gelet op het feit dat de sleutels van de benadeelde zijn afgenomen en hij in de notities van de telefoon van NN3 zijn huisadres en naam had moeten noteren. Ook de telefoon van de benadeelde is afgenomen en daarop hebben de daders de profielfoto’s van de ouders van de benadeelde bekeken en daar foto’s van gemaakt. De rechtbank is evenwel met de raadsman van oordeel dat de gederfde inkomsten niet eenvoudig zijn vast te stellen en een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Deze schadepost zal niet ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van €1.199,03 (duizend honderdnegenennegentig euro en drie eurocent), (oplader, afname geld, schade vernieling telefoon, AirPods, sneakers, beveiliging woning, reiskosten) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Tevens staat vast dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. Met de gijzeling, mishandeling, bedreiging, poging hem te dwingen tot seksuele handelingen en hem met woorden en daden seksueel te vernederen is er een ernstige inbreuk gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. Uit de vordering en de spreekrechtverklaring blijkt hoe deze feiten de benadeelde in extreme paniek, doodsangst, hebben gebracht. Hij voelde zich volledig machteloos en vernederd. Ook zijn er gevoelens van schaamte en angst en onveiligheid die tot op heden doorwerken. Na het incident had de benadeelde fysieke pijn door de mishandelingen. Met name de mentale gevolgen waren zeer ingrijpend. Er is bij de benadeelde PTSS vastgesteld. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het bedrag van €11.500,- (elfduizend vijfhonderd euro) zoals is gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat de verdachte het bewezen verklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. 11.2. De benadeelde partij [slachtoffer 2] De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert, na wijziging, € 6.200,- aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen, hoofdelijk, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de vordering betwist. Ten aanzien van de materiële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat de schadepost kosten psycholoog onvoldoende is onderbouwd. Er is geen diagnose gesteld. De brief van de psycholoog is een toelichting op een offerte van een voorgesteld behandeltraject. Dit traject is nog niet gestart. De kosten zijn nog niet gemaakt en onduidelijk is of deze kosten nog gemaakt gaan worden. Ook is onduidelijk waar de voorgestelde 24 sessies op toezien. Deze schadepost moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat geestelijk letsel volgens objectieve maatstaven onvoldoende is onderbouwd. De aard en ernst van de normschendingen brengen evenwel mee dat nadelige gevolgen voor de hand liggen. De raadsman verzoekt de rechtbank de vordering te matigen naar € 2.500,- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder zaak A bewezen verklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vergoeding van het losgeld (€3.000 – €1.000 dat reeds is teruggeven) van €2.000,- is toewijsbaar. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de schadepost kosten psycholoog onvoldoende onderbouwd is. Op grond van enkel een offerte van de kosten van een behandeltraject kan niet worden vastgesteld dat deze kosten zijn gemaakt of, inmiddels een jaar later, nog gemaakt zullen gaan worden. Deze schadepost zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van €2.000,- (tweeduizend euro), (losgeld) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Tevens staat vast dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Volledig
In sommige gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon, in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat de benadeelde tijdens de gijzeling van zijn zoon door de verdachte en zijn mededaders rechtstreeks geconfronteerd werd met de driegende en levensgevaarlijke situatie waarin zijn zoon verkeerde. Hij werd via videobellen geconfronteerd met zijn zoon terwijl een laser op diens hoofd werd gericht en kreeg herhaaldelijk te horen dat zijn zoon zou worden doodgeschoten als niet onmiddellijk geld zou worden betaald. Hij verkeerde in de veronderstelling dat zijn zoon ieder moment om het leven kon worden gebracht. Uit de vordering en de spreekrechtverklaring blijkt hoe deze confrontatie bij de benadeelde extreme angst, paniek, machteloosheid en gevoelens van doodsangst hebben veroorzaakt. Dit heeft een onuitwisbare indruk gemaakt en diepe sporen achtergelaten. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het bedrag van €2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat de verdachte het bewezenverklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. 11.3. De benadeelde partij [slachtoffer 3] De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 6.300,- aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen, hoofdelijk, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de vordering betwist. Ten aanzien van de materiele schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat de schadepost kosten psycholoog onvoldoende is onderbouwd. Er is geen diagnose gesteld. De brief van de psycholoog is een toelichting op een offerte van een voorgesteld behandeltraject. Onduidelijk is waar de voorgestelde 36 sessies op toezien en of deze allemaal nodig zijn. Het traject is gestart maar de kosten zijn nog niet (volledig) gemaakt en onduidelijk is of deze kosten nog gemaakt gaan worden. Deze schadepost moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat geestelijk letsel volgens objectieve maatstaven onvoldoende is onderbouwd. De aard en ernst van de normschendingen brengen evenwel mee dat nadelige gevolgen voor de hand liggen. De raadsman verzoekt de rechtbank de vordering te matigen naar € 2.500,- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder zaak A bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Uit de vordering blijkt dat benadeelde al 23 (van de voorgestelde 36) sessies bij de psycholoog heeft gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor deze 23 sessies ( 23 x 175,- = € 4.025,- ) voldoende onderbouwd is en voor toewijzing vatbaar is. Voor de overige sessies is op dit moment onduidelijk of deze kosten nog gemaakt zullen worden. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van €4.025,- (vierduizend vijfentwintig euro), (23 sessie psycholoog) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Tevens staat vast dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. In sommige gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon, in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat de benadeelde tijdens de gijzeling van haar zoon door de verdachte en zijn mededaders rechtstreeks geconfronteerd werd met de dreigende en levensgevaarlijke situatie waarin haar zoon verkeerde. Zij werd via videobellen geconfronteerd met haar zoon terwijl een laser op diens hoofd werd gericht en zij kreeg herhaaldelijk te horen dat hij zou worden doodgeschoten als niet onmiddellijk geld zou worden betaald. Zij verkeerde in de veronderstelling dat haar zoon ieder moment om het leven kon worden gebracht. Uit de vordering en de spreekrechtverklaring blijkt hoe deze confrontatie bij benadeelde extreme angst, paniek, machteloosheid en gevoelens van doodsangst hebben veroorzaakt. Dit heeft een onuitwisbare indruk gemaakt en diepe sporen achtergelaten. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het bedrag van €2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat de verdachte het bewezen verklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. 11.4. De benadeelde partij [slachtoffer 4] De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen, hoofdelijk, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de hoogte van de vordering naar voren gebracht dat er geen stukken van een psycholoog zijn ingebracht. In de vordering wordt het verspreiden van de beelden via social media meerdere malen genoemd terwijl de verdachte dit niet heeft gedaan en daar ook niet voor is vervolgd, zodat dit component buiten beschouwing moet worden gelaten. De aangehaalde jurisprudentie betreffen volgens de raadsman veel zwaardere zaken waarbij ernstig geweld is toegepast en ernstig letsel is toegebracht.
Volledig
In sommige gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon, in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat de benadeelde tijdens de gijzeling van zijn zoon door de verdachte en zijn mededaders rechtstreeks geconfronteerd werd met de driegende en levensgevaarlijke situatie waarin zijn zoon verkeerde. Hij werd via videobellen geconfronteerd met zijn zoon terwijl een laser op diens hoofd werd gericht en kreeg herhaaldelijk te horen dat zijn zoon zou worden doodgeschoten als niet onmiddellijk geld zou worden betaald. Hij verkeerde in de veronderstelling dat zijn zoon ieder moment om het leven kon worden gebracht. Uit de vordering en de spreekrechtverklaring blijkt hoe deze confrontatie bij de benadeelde extreme angst, paniek, machteloosheid en gevoelens van doodsangst hebben veroorzaakt. Dit heeft een onuitwisbare indruk gemaakt en diepe sporen achtergelaten. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het bedrag van €2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat de verdachte het bewezenverklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. 11.3. De benadeelde partij [slachtoffer 3] De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 6.300,- aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen, hoofdelijk, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de vordering betwist. Ten aanzien van de materiele schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat de schadepost kosten psycholoog onvoldoende is onderbouwd. Er is geen diagnose gesteld. De brief van de psycholoog is een toelichting op een offerte van een voorgesteld behandeltraject. Onduidelijk is waar de voorgestelde 36 sessies op toezien en of deze allemaal nodig zijn. Het traject is gestart maar de kosten zijn nog niet (volledig) gemaakt en onduidelijk is of deze kosten nog gemaakt gaan worden. Deze schadepost moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat geestelijk letsel volgens objectieve maatstaven onvoldoende is onderbouwd. De aard en ernst van de normschendingen brengen evenwel mee dat nadelige gevolgen voor de hand liggen. De raadsman verzoekt de rechtbank de vordering te matigen naar € 2.500,- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder zaak A bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Uit de vordering blijkt dat benadeelde al 23 (van de voorgestelde 36) sessies bij de psycholoog heeft gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor deze 23 sessies ( 23 x 175,- = € 4.025,- ) voldoende onderbouwd is en voor toewijzing vatbaar is. Voor de overige sessies is op dit moment onduidelijk of deze kosten nog gemaakt zullen worden. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van €4.025,- (vierduizend vijfentwintig euro), (23 sessie psycholoog) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Tevens staat vast dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. In sommige gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon, in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat de benadeelde tijdens de gijzeling van haar zoon door de verdachte en zijn mededaders rechtstreeks geconfronteerd werd met de dreigende en levensgevaarlijke situatie waarin haar zoon verkeerde. Zij werd via videobellen geconfronteerd met haar zoon terwijl een laser op diens hoofd werd gericht en zij kreeg herhaaldelijk te horen dat hij zou worden doodgeschoten als niet onmiddellijk geld zou worden betaald. Zij verkeerde in de veronderstelling dat haar zoon ieder moment om het leven kon worden gebracht. Uit de vordering en de spreekrechtverklaring blijkt hoe deze confrontatie bij benadeelde extreme angst, paniek, machteloosheid en gevoelens van doodsangst hebben veroorzaakt. Dit heeft een onuitwisbare indruk gemaakt en diepe sporen achtergelaten. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het bedrag van €2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat de verdachte het bewezen verklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. 11.4. De benadeelde partij [slachtoffer 4] De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen, hoofdelijk, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de hoogte van de vordering naar voren gebracht dat er geen stukken van een psycholoog zijn ingebracht. In de vordering wordt het verspreiden van de beelden via social media meerdere malen genoemd terwijl de verdachte dit niet heeft gedaan en daar ook niet voor is vervolgd, zodat dit component buiten beschouwing moet worden gelaten. De aangehaalde jurisprudentie betreffen volgens de raadsman veel zwaardere zaken waarbij ernstig geweld is toegepast en ernstig letsel is toegebracht.
Volledig
De raadsman heeft verzocht de hoogte van de vordering te matigen tot €500,- Het oordeel van de rechtbank Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak E bewezenverklaarde, openlijke geweldpleging en dwang, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen en in zijn eer of goede naam is geschaad. De verdachte heeft samen met anderen de benadeelde partij geïntimideerd en bedreigd door hem tegen de muur te duwen en te slaan en hem te dwingen op de knieën te gaan zitten en sorry te zeggen. Dit voorval werd gefilmd en hoewel dit filmen niet aan de verdachte verweten wordt, heeft dit wel bijgedragen aan een voor het slachtoffer dwingende en onveilige sfeer en heeft dit mogelijk ook nog later gevolgen doordat het filmpje via internet kan zijn verspreid. Uit de aard van deze normschending kan op zichzelf al worden afgeleid dat dit een negatieve impact heeft op het leven van het jonge slachtoffer (toen 13 jaar). Daarnaast heeft de benadeelde partij ook stukken overgelegd waaruit blijkt dat hem enorme schrik is aangejaagd en hij met een zeer onveilig gevoel is achtergelaten. De benadeelde partij is sinds het incident angstig en voelt zich niet meer veilig op straat. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het bedrag van €500,- (vijfhonderd euro) , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat de verdachte het bewezen verklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. 12 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken bevinden zich de op 13 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vorderingen van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaken met parketnummers 13.052494.22 en 13.198144.23, betreffende de onherroepelijk geworden vonnissen d.d. 23 november 2022 en 22 mei 2024 van de kinderrechter respectievelijk de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam. De verdachte is in 13.052494.22 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voornoemde voorwaardelijke straf is bij vonnis van 22 mei 2024 voor een deel van 50 uren reeds tenuitvoergelegd. De verdachte is in 13.198144.23 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevinden zich bij de stukken de aktes waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan de verdachte is uitgereikt. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbar feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de tenuitvoerlegging van deze vorderingen moet worden afgewezen en dat de bijzondere voorwaarden dienen te vervallen gelet op de op te leggen PIJ-maatregel. 13 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen; 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 56, 63, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 243, 282a, 300, 302, 311, 317, 417bis van het Wetboek van Strafrecht; 26 en 55 Wet wapens en munitie; 6,7,8,110, 175, 176 en 177 Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 14 Beslissing Bewezenverklaarde feiten Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde in zaak A onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 primair, feit 5 primair en feit 6; onder zaak B; onder zaak C; onder zaak D onder feit 1, feit 2 primair, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6; in zaak E onder feit 1 en feit 2; heeft begaan zoals
Volledig
De raadsman heeft verzocht de hoogte van de vordering te matigen tot €500,- Het oordeel van de rechtbank Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak E bewezenverklaarde, openlijke geweldpleging en dwang, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen en in zijn eer of goede naam is geschaad. De verdachte heeft samen met anderen de benadeelde partij geïntimideerd en bedreigd door hem tegen de muur te duwen en te slaan en hem te dwingen op de knieën te gaan zitten en sorry te zeggen. Dit voorval werd gefilmd en hoewel dit filmen niet aan de verdachte verweten wordt, heeft dit wel bijgedragen aan een voor het slachtoffer dwingende en onveilige sfeer en heeft dit mogelijk ook nog later gevolgen doordat het filmpje via internet kan zijn verspreid. Uit de aard van deze normschending kan op zichzelf al worden afgeleid dat dit een negatieve impact heeft op het leven van het jonge slachtoffer (toen 13 jaar). Daarnaast heeft de benadeelde partij ook stukken overgelegd waaruit blijkt dat hem enorme schrik is aangejaagd en hij met een zeer onveilig gevoel is achtergelaten. De benadeelde partij is sinds het incident angstig en voelt zich niet meer veilig op straat. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het bedrag van €500,- (vijfhonderd euro) , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat de verdachte het bewezen verklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. 12 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken bevinden zich de op 13 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vorderingen van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaken met parketnummers 13.052494.22 en 13.198144.23, betreffende de onherroepelijk geworden vonnissen d.d. 23 november 2022 en 22 mei 2024 van de kinderrechter respectievelijk de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam. De verdachte is in 13.052494.22 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voornoemde voorwaardelijke straf is bij vonnis van 22 mei 2024 voor een deel van 50 uren reeds tenuitvoergelegd. De verdachte is in 13.198144.23 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevinden zich bij de stukken de aktes waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan de verdachte is uitgereikt. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbar feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de tenuitvoerlegging van deze vorderingen moet worden afgewezen en dat de bijzondere voorwaarden dienen te vervallen gelet op de op te leggen PIJ-maatregel. 13 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen; 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 56, 63, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 243, 282a, 300, 302, 311, 317, 417bis van het Wetboek van Strafrecht; 26 en 55 Wet wapens en munitie; 6,7,8,110, 175, 176 en 177 Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 14 Beslissing Bewezenverklaarde feiten Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde in zaak A onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 primair, feit 5 primair en feit 6; onder zaak B; onder zaak C; onder zaak D onder feit 1, feit 2 primair, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6; in zaak E onder feit 1 en feit 2; heeft begaan zoals