Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-16
ECLI:NL:RBAMS:2026:4767
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
6,134 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4767 text/xml public 2026-05-19T12:14:16 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-16 11229512 \ CV EXPL 24-9474 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4767 text/html public 2026-05-19T10:18:34 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4767 Rechtbank Amsterdam , 16-04-2026 / 11229512 \ CV EXPL 24-9474 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Medische behandeling ziekenhuis. Niet vooraf geïnformeerd over de (bij benadering) te verwachten prijs. Prijsbeding niet transparant en oneerlijk. Afwijzing vordering. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11229512 \ CV EXPL 24-9474 Vonnis van 16 april 2026 in de zaak van de stichting STICHTING NOORDWEST ZIEKENHUISGROEP , gevestigd te Alkmaar, eisende partij, gemachtigde: De Ruijter & Willemsen Gerechtsdeurwaarders en Incasso, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 13 november 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de transparantie en (on)eerlijkheid van het beding over de prijs. Daarnaast is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich over de oneerlijkheid van het beding met betrekking tot buitengerechtelijke kosten uit te laten en over de gevolgen van het buiten toepassing laten van deze bedingen. 2.2. Eisende partij heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat het prijsbeding transparant is en daarom niet op oneerlijkheid kan worden getoetst. Als al sprake is van intransparantie, dan is het beding niet oneerlijk. Bij ziekenhuiszorg is het onmogelijk om voorafgaand aan de behandeling een exacte prijsopgave te doen. Eisende partij werkt binnen de kaders van het Nederlandse zorgbekostigingssysteem. De passantentarieven van eisende partij, gebaseerd op de NZa-prestaties, zijn publiekelijk beschikbaar. Het noemen van een absolute totaalprijs vooraf is objectief onmogelijk. Eisende partij heeft gedaagde partij vooraf volledig geïnformeerd over de financiële risico’s die voortvloeien uit zijn zorgverzekeringspolis. Daarnaast is de systematiek van de kosten aan gedaagde partij uitgelegd. Als het beding over de prijs als oneerlijk wordt aangemerkt, heeft dat verstrekkende gevolgen en zorgt voor een onwenselijke precedentwerking. De financiële lasten komen in dat geval bij de ziekenhuizen te liggen en dat leidt tot minder toegankelijke zorg. Bovendien moeten deze kosten dan worden doorberekend in de passantentarieven. Over het beding met betrekking tot buitengerechtelijke kosten heeft eisende partij aangevoerd dat het beding een open norm bevat, die moet worden ingevuld door de wettelijke regeling, die voldoende bescherming biedt aan de consument. Het beding is daarom niet oneerlijk, aldus – steeds – eisende partij. 2.3. Wat eisende partij in haar akte heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel dan uiteengezet in overweging 2.7 van het tussenvonnis. Nu gedaagde partij voorafgaand aan de medische behandelingen niet is geïnformeerd over de (bij benadering) te verwachten prijs, is het beding over de prijs niet transparant. Weliswaar verwijst eisende partij naar de passantentarieven op haar website, maar gesteld noch gebleken is dat eisende partij vóór de behandeling naar die tarieven verwijst. Bovendien informeert eisende partij de patiënt niet over de NZa-code(s) van zijn behandelingen, waardoor het voor de patiënt ondoenlijk is om het toepasselijke tarief in die lijst te vinden. Daarbij geldt, zoals eisende partij ook aanvoert, dat vaak pas gedurende of na de behandeling precies wordt vastgesteld welke NZa-codes in rekening worden gebracht. Dat maakt dat het prijsbeding niet transparant is en daarom moet worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn. 2.4. Dat een prijsbeding niet transparant is, leidt niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. Volgens artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren. 2.5. Eisende partij voert aan dat zij werkt binnen de kaders van het Nederlandse zorgbekostigingssysteem. Ingevolge artikel 38 lid 1 van de Wet marktordening gezondheidszorg was eisende partij verplicht om gedaagde partij tijdig en zorgvuldig te informeren over het voor de prestatie in rekening te brengen tarief. Dit artikel is door de NZa nader uitgewerkt in artikel 4 en 5 van de Regeling transparantie zorgaanbieders TH/NR-018, waaruit volgt dat eisende partij gedaagde partij had moeten informeren over datgene dat voor hem van belang was om een weloverwogen keuze te maken om zorg te vergelijken en te ontvangen, over tarieven die voor hem van belang waren, of de te leveren prestaties of diensten verzekerd waren en of gedaagde partij zelf een bedrag moest betalen. 2.6. Eisende partij heeft aangevoerd dat het niet mogelijk is om de exacte totaalprijs voorafgaand aan de medische behandeling te verstrekken, omdat die afhankelijk is van de omvang van het behandeltraject en de noodzaak en het verloop van de diagnose en de behandeling. Het geven van een exact totaalbedrag wordt echter niet verlangd, zo overweegt de kantonrechter. Het gaat erom dat de patiënt de financiële gevolgen van het sluiten van de overeenkomst bij benadering kan inschatten. Zoals een indicatie van de prijs, gelet op de naar verwachting te verlenen zorg. Anders dan waar eisende partij vanuit lijkt te gaan, is het niet de verantwoordelijkheid van de consument om zelf zijn verzekering te controleren, maar van de zorgverlener om actief te voorzien in informatieverstrekking over de prijs voorafgaand aan de behandeling. Voor zover dat op dat moment niet of in mindere mate mogelijk is, zoals bijvoorbeeld bij een spoedopname, dient deze informatieverstrekking direct zodra dit redelijkerwijs wel mogelijk is plaats te vinden. 2.7. Nu niet is gebleken dat eisende partij aan deze verplichtingen heeft voldaan, wordt geconcludeerd dat het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen die voor partijen uit de overeenkomst voortvloeien, ten nadele van gedaagde partij aanzienlijk is verstoord. Het prijsbeding wordt dan ook oneerlijk bevonden. 2.8. Nu het prijsbeding oneerlijk is, is gedaagde partij daaraan niet gebonden. Dat volgt uit artikel 6 lid 1 van de richtlijn. Als gevolg daarvan kan de onderhavige overeenkomst niet blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954). 2.9. Nu eisende partij haar diensten heeft verricht, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62). 2.10. In dat wetsartikel is bepaald dat de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4767 text/xml public 2026-05-19T12:14:16 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-16 11229512 \ CV EXPL 24-9474 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4767 text/html public 2026-05-19T10:18:34 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4767 Rechtbank Amsterdam , 16-04-2026 / 11229512 \ CV EXPL 24-9474 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Medische behandeling ziekenhuis. Niet vooraf geïnformeerd over de (bij benadering) te verwachten prijs. Prijsbeding niet transparant en oneerlijk. Afwijzing vordering. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11229512 \ CV EXPL 24-9474 Vonnis van 16 april 2026 in de zaak van de stichting STICHTING NOORDWEST ZIEKENHUISGROEP , gevestigd te Alkmaar, eisende partij, gemachtigde: De Ruijter & Willemsen Gerechtsdeurwaarders en Incasso, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 13 november 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de transparantie en (on)eerlijkheid van het beding over de prijs. Daarnaast is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich over de oneerlijkheid van het beding met betrekking tot buitengerechtelijke kosten uit te laten en over de gevolgen van het buiten toepassing laten van deze bedingen. 2.2. Eisende partij heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat het prijsbeding transparant is en daarom niet op oneerlijkheid kan worden getoetst. Als al sprake is van intransparantie, dan is het beding niet oneerlijk. Bij ziekenhuiszorg is het onmogelijk om voorafgaand aan de behandeling een exacte prijsopgave te doen. Eisende partij werkt binnen de kaders van het Nederlandse zorgbekostigingssysteem. De passantentarieven van eisende partij, gebaseerd op de NZa-prestaties, zijn publiekelijk beschikbaar. Het noemen van een absolute totaalprijs vooraf is objectief onmogelijk. Eisende partij heeft gedaagde partij vooraf volledig geïnformeerd over de financiële risico’s die voortvloeien uit zijn zorgverzekeringspolis. Daarnaast is de systematiek van de kosten aan gedaagde partij uitgelegd. Als het beding over de prijs als oneerlijk wordt aangemerkt, heeft dat verstrekkende gevolgen en zorgt voor een onwenselijke precedentwerking. De financiële lasten komen in dat geval bij de ziekenhuizen te liggen en dat leidt tot minder toegankelijke zorg. Bovendien moeten deze kosten dan worden doorberekend in de passantentarieven. Over het beding met betrekking tot buitengerechtelijke kosten heeft eisende partij aangevoerd dat het beding een open norm bevat, die moet worden ingevuld door de wettelijke regeling, die voldoende bescherming biedt aan de consument. Het beding is daarom niet oneerlijk, aldus – steeds – eisende partij. 2.3. Wat eisende partij in haar akte heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel dan uiteengezet in overweging 2.7 van het tussenvonnis. Nu gedaagde partij voorafgaand aan de medische behandelingen niet is geïnformeerd over de (bij benadering) te verwachten prijs, is het beding over de prijs niet transparant. Weliswaar verwijst eisende partij naar de passantentarieven op haar website, maar gesteld noch gebleken is dat eisende partij vóór de behandeling naar die tarieven verwijst. Bovendien informeert eisende partij de patiënt niet over de NZa-code(s) van zijn behandelingen, waardoor het voor de patiënt ondoenlijk is om het toepasselijke tarief in die lijst te vinden. Daarbij geldt, zoals eisende partij ook aanvoert, dat vaak pas gedurende of na de behandeling precies wordt vastgesteld welke NZa-codes in rekening worden gebracht. Dat maakt dat het prijsbeding niet transparant is en daarom moet worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn. 2.4. Dat een prijsbeding niet transparant is, leidt niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. Volgens artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren. 2.5. Eisende partij voert aan dat zij werkt binnen de kaders van het Nederlandse zorgbekostigingssysteem. Ingevolge artikel 38 lid 1 van de Wet marktordening gezondheidszorg was eisende partij verplicht om gedaagde partij tijdig en zorgvuldig te informeren over het voor de prestatie in rekening te brengen tarief. Dit artikel is door de NZa nader uitgewerkt in artikel 4 en 5 van de Regeling transparantie zorgaanbieders TH/NR-018, waaruit volgt dat eisende partij gedaagde partij had moeten informeren over datgene dat voor hem van belang was om een weloverwogen keuze te maken om zorg te vergelijken en te ontvangen, over tarieven die voor hem van belang waren, of de te leveren prestaties of diensten verzekerd waren en of gedaagde partij zelf een bedrag moest betalen. 2.6. Eisende partij heeft aangevoerd dat het niet mogelijk is om de exacte totaalprijs voorafgaand aan de medische behandeling te verstrekken, omdat die afhankelijk is van de omvang van het behandeltraject en de noodzaak en het verloop van de diagnose en de behandeling. Het geven van een exact totaalbedrag wordt echter niet verlangd, zo overweegt de kantonrechter. Het gaat erom dat de patiënt de financiële gevolgen van het sluiten van de overeenkomst bij benadering kan inschatten. Zoals een indicatie van de prijs, gelet op de naar verwachting te verlenen zorg. Anders dan waar eisende partij vanuit lijkt te gaan, is het niet de verantwoordelijkheid van de consument om zelf zijn verzekering te controleren, maar van de zorgverlener om actief te voorzien in informatieverstrekking over de prijs voorafgaand aan de behandeling. Voor zover dat op dat moment niet of in mindere mate mogelijk is, zoals bijvoorbeeld bij een spoedopname, dient deze informatieverstrekking direct zodra dit redelijkerwijs wel mogelijk is plaats te vinden. 2.7. Nu niet is gebleken dat eisende partij aan deze verplichtingen heeft voldaan, wordt geconcludeerd dat het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen die voor partijen uit de overeenkomst voortvloeien, ten nadele van gedaagde partij aanzienlijk is verstoord. Het prijsbeding wordt dan ook oneerlijk bevonden. 2.8. Nu het prijsbeding oneerlijk is, is gedaagde partij daaraan niet gebonden. Dat volgt uit artikel 6 lid 1 van de richtlijn. Als gevolg daarvan kan de onderhavige overeenkomst niet blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954). 2.9. Nu eisende partij haar diensten heeft verricht, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62). 2.10. In dat wetsartikel is bepaald dat de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is.
Volledig
In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde partij die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Ook zou de langetermijndoelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eisende partij alsnog een vergoeding voor de diensten zou kunnen krijgen terwijl een oneerlijk prijsbeding wordt gehanteerd. 2.11. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is. 2.12. De kantonrechter begrijpt dat het voorgaande verstrekkende gevolgen heeft voor eisende partij. Het doel van de richtlijn is echter om oneerlijke bedingen uit consumentenovereenkomsten te laten verdwijnen en eerlijke concurrentie tussen handelaren te bevorderen. Om dat doel te bereiken dienen sancties onder meer afschrikkend te zijn, zoals door het Hof van Justitie van de Europese Unie al herhaaldelijk is bevestigd. Verwacht wordt dat daardoor de handelaar ertoe wordt aangezet zijn onjuiste werkwijze, opzettelijk of onopzettelijk gehanteerd, aan te passen. 2.13. Tot slot wordt nog het volgende opgemerkt. Eisende partij schrijft in haar laatste akte dat gedaagde partij een budgetpolis had bij Zilveren Kruis, waarvoor eisende partij geen contract heeft. Zij schrijft verder dat gedaagde partij in de periode 18 januari 2022 tot 10 februari 2023 onverzekerd was en daarom het passantentarief in rekening is gebracht. Deze stellingen zijn in strijd met de stellingen in de akte van 21 november 2024. In die akte schrijft eisende partij dat het passantentarief uitsluitend geldt voor onverzekerden of voor patiënten die verzekerd zijn bij een zorgverzekeraar waarmee eisende partij geen contract heeft afgesloten, maar dat die situaties hier niet aan de orde zijn. In één van de aktes heeft eisende partij de kantonrechter dan ook onjuist voorgelicht. Bovendien heeft eisende partij gesteld dat zij gedaagde partij op de hoogte heeft gesteld over de gedeeltelijke vergoeding door de zorgverzekeraar van gedaagde partij, maar niet is toegelicht op welke wijze de door gedaagde partij te betalen vergoeding wordt bepaald. Evenmin kan dat uit de overgelegde facturen worden afgeleid, nu het te betalen bedrag in verhouding tot het factuurbedrag niet een gelijk percentage is. Verder is niet duidelijk of met de eigen bijdrage zoals genoemd in de facturen (ook) het verschuldigde eigen risico wordt bedoeld. 2.14. Ook los van het oneerlijke prijsbeding, bestaat dan ook aanleiding de vordering af te wijzen, doordat eisende partij de kantonrechter onjuist, althans tegenstrijdig heeft voorgelicht, niet duidelijk is hoe de hoogte van het door gedaagde partij verschuldigde gedeelte van de facturen is bepaald en mede daardoor de gegrondheid van de vordering niet goed kan worden beoordeeld. 2.15. De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen. Met afwijzing van de hoofdvordering, bestaat geen grond voor de nevenvorderingen. Een (verdere) beoordeling daarvan kan daarom achterwege blijven, waarbij de kantonrechter opmerkt dat het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten oneerlijk is. Daaraan kan het standpunt van eisende partij, zoals verwoord in haar akte (zie 2.2), niet afdoen. Van belang is hoe het beding toegepast zou kunnen worden (zie 2.8 van het tussenvonnis). 2.16. Eisende partij wordt bij deze uitkomst als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. wijst de vordering af, 3.2. veroordeelt eisende partij in de proceskosten, begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026. 991
Volledig
In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde partij die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Ook zou de langetermijndoelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eisende partij alsnog een vergoeding voor de diensten zou kunnen krijgen terwijl een oneerlijk prijsbeding wordt gehanteerd. 2.11. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is. 2.12. De kantonrechter begrijpt dat het voorgaande verstrekkende gevolgen heeft voor eisende partij. Het doel van de richtlijn is echter om oneerlijke bedingen uit consumentenovereenkomsten te laten verdwijnen en eerlijke concurrentie tussen handelaren te bevorderen. Om dat doel te bereiken dienen sancties onder meer afschrikkend te zijn, zoals door het Hof van Justitie van de Europese Unie al herhaaldelijk is bevestigd. Verwacht wordt dat daardoor de handelaar ertoe wordt aangezet zijn onjuiste werkwijze, opzettelijk of onopzettelijk gehanteerd, aan te passen. 2.13. Tot slot wordt nog het volgende opgemerkt. Eisende partij schrijft in haar laatste akte dat gedaagde partij een budgetpolis had bij Zilveren Kruis, waarvoor eisende partij geen contract heeft. Zij schrijft verder dat gedaagde partij in de periode 18 januari 2022 tot 10 februari 2023 onverzekerd was en daarom het passantentarief in rekening is gebracht. Deze stellingen zijn in strijd met de stellingen in de akte van 21 november 2024. In die akte schrijft eisende partij dat het passantentarief uitsluitend geldt voor onverzekerden of voor patiënten die verzekerd zijn bij een zorgverzekeraar waarmee eisende partij geen contract heeft afgesloten, maar dat die situaties hier niet aan de orde zijn. In één van de aktes heeft eisende partij de kantonrechter dan ook onjuist voorgelicht. Bovendien heeft eisende partij gesteld dat zij gedaagde partij op de hoogte heeft gesteld over de gedeeltelijke vergoeding door de zorgverzekeraar van gedaagde partij, maar niet is toegelicht op welke wijze de door gedaagde partij te betalen vergoeding wordt bepaald. Evenmin kan dat uit de overgelegde facturen worden afgeleid, nu het te betalen bedrag in verhouding tot het factuurbedrag niet een gelijk percentage is. Verder is niet duidelijk of met de eigen bijdrage zoals genoemd in de facturen (ook) het verschuldigde eigen risico wordt bedoeld. 2.14. Ook los van het oneerlijke prijsbeding, bestaat dan ook aanleiding de vordering af te wijzen, doordat eisende partij de kantonrechter onjuist, althans tegenstrijdig heeft voorgelicht, niet duidelijk is hoe de hoogte van het door gedaagde partij verschuldigde gedeelte van de facturen is bepaald en mede daardoor de gegrondheid van de vordering niet goed kan worden beoordeeld. 2.15. De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen. Met afwijzing van de hoofdvordering, bestaat geen grond voor de nevenvorderingen. Een (verdere) beoordeling daarvan kan daarom achterwege blijven, waarbij de kantonrechter opmerkt dat het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten oneerlijk is. Daaraan kan het standpunt van eisende partij, zoals verwoord in haar akte (zie 2.2), niet afdoen. Van belang is hoe het beding toegepast zou kunnen worden (zie 2.8 van het tussenvonnis). 2.16. Eisende partij wordt bij deze uitkomst als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. wijst de vordering af, 3.2. veroordeelt eisende partij in de proceskosten, begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026. 991