Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-08
ECLI:NL:RBAMS:2026:4723
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,130 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4723 text/xml public 2026-05-18T10:07:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-08 11751203 \ CV EXPL 25-8387 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4723 text/html public 2026-05-18T10:06:44 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4723 Rechtbank Amsterdam , 08-05-2026 / 11751203 \ CV EXPL 25-8387 Overheidsaansprakelijkheid. Geschil tussen belastingplichtige en de Ontvanger (de Belastingdienst) over al dan niet te veel betaalde invorderingsrente. De hoogte van de in rekening gebrachte invorderingsrente kan in deze civiele procedure niet worden beoordeeld, omdat dat uitsluitend via de bestuursrechtelijke weg kan worden getoetst. Ook geen onrechtmatig handelen door de Ontvanger, omdat niet is komen vast te staan dat eiser behoort tot een groep aan wie door een softwarefout te veel invorderingsrente in rekening is gebracht. Niet-ontvankelijkverklaring en afwijzing vorderingen. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11751203 \ CV EXPL 25-8387 Vonnis van 8 mei 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , procederend in persoon, tegen DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: de Ontvanger, procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 juni 2025 met producties, - de conclusie van antwoord van 14 augustus 2025 met producties, - het tussenvonnis van 4 september 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 december 2025 en de daarin genoemde stukken, - de schriftelijke reactie van de Ontvanger van 16 januari 2026, - het nadere verweerschrift van [eiser] van 27 februari 2026 met twee producties, - de nadere reactie van de Ontvanger van 10 april 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten De aan [eiser] opgelegde aanslag erfbelasting 2.1. [eiser] is erfgenaam van zijn op [overlijdensdatum] 2013 overleden moeder. Op 8 maart 2016 is aan [eiser] een aanslag erfbelasting opgelegd. De hoogte van deze aanslag is (na vermindering) vastgesteld op € 120.657,-. De uiterste betaaldag van deze aanslag was 19 april 2016. In 2016 heeft [eiser] € 44.823,- betaald ter zake van de aanslag erfbelasting. De correspondentie over de aanslag erfbelasting en de getroffen betalingsregeling 2.2. Vanaf februari 2022 behartigde mr. [naam 1] de belangen van [eiser] . 2.3. In een e-mail van 18 augustus 2022 heeft de Ontvanger aan mr. [naam 1] het volgende geschreven: “(…) Op dit moment bedraagt het saldo van de aanslag erfbelasting 2013 (…) ten name van [eiser] inclusief invorderingsrente: Belasting € 75.834,-- Invorderingsrente € 11.828,-- (periode 20-04-2016 t/m 18-08-2022) ------------ € 87.662,-- (…) Na uw overleg met de heer [eiser] hoop ik op korte termijn een voorstel te ontvangen hoe de aanslag zal worden voldaan. (…)” 2.4. In reactie hierop heeft mr. [naam 1] op 19 augustus 2022 aan de Ontvanger laten weten dat [eiser] maandelijks € 4.500,- kan overmaken ter aflossing van de belastingschuld. 2.5. Op 8 september 2022 heeft een medewerker van de Ontvanger aan mr. [naam 1] het volgende laten weten: “(…) is in dit geval besloten akkoord te gaan met een regeling van € 4500 per maand. Ingaande 30-09-2022 dient de heer [eiser] € 4500 per maand over te maken (…) Gezien de bijkomende invorderingsrente zal de regeling lopen tot ongeveer 31-03-2024 lopen. Graag ontvang ik van u een akkoord en zal ik hierna de officiële uitstelbeschikking versturen. (…)” 2.6. In een brief van 12 september 2022 heeft de Ontvanger de beslissing op het verzoek om uitstel van betaling kenbaar gemaakt. In die brief staat, voor zover hier van belang, het volgende: “(..) U hebt namens [eiser] uitstel van betaling gevraagd voor de volgende aanslag: Aanslag Jaar/tijdvak Aanslagnummer Openstaand Openstaande bedrag kosten Erfbelasting 2013 (..) € 71.942,00 € 0,00 Ik heb besloten dat uw cliënt uitstel van betaling krijgt. Ik verbind aan dit uitstel de volgende voorwaarden: Uw cliënt betaalt € 4.500,00 per maand. De uiterste betaaldatum van de eerste termijn is 1 september 2022. ( deze eerste termijn is reeds ontvangen)Elke volgende termijn vervalt telkens een maand later. Het totale bedrag (inclusief rente en vervolgingskosten) moet op 1 maart 2024 zijn betaald. (..) Bij betaling na afloop van de enige of laatste betalingstermijn van een aanslag is rente verschuldigd. Het maakt daarbij niet uit of uitstel van betaling is gekregen. (..)” 2.7. Na elke (maandelijkse) betaling door [eiser] heeft de Ontvanger een brief aan [eiser] gestuurd. Daarin staat telkens welk bedrag is ontvangen, dat dat bedrag is verrekend met het bedrag dat nog openstaat en welk bedrag er na de verrekening nog overblijft om te betalen. In een kort overzicht is telkens vermeld welk deel van de ontvangen aflossing is verrekend met de hoofdsom en welk deel is verrekend met de openstaande invorderingsrente. De invorderingsrente is steeds berekend vanaf 20 april 2016 tot de ontvangstdatum van de bewuste aflossingstermijn. Verder wordt in elke brief onder het kopje ‘ Bezwaar tegen de invorderingsrente ’ vermeld hoe en voor welke datum [eiser] bezwaar kan maken tegen het bedrag van de invorderingsrente. 2.8. In een brief van 15 februari 2024 heeft de Ontvanger aan mr. [naam 1] het volgende laten weten over de betalingsregeling van [eiser] voor de aanslag erfbelasting 2013: “(…) De maandelijkse termijnen van € 4500 zijn keurig voldaan, de laatste termijn bedraagt bij voldoening op 22-02-2024 € 4928. Ik verzoek u dit bedrag te laten voldoen (…) Hiermee zal de gehele aanslag zijn voldaan. (…)” 2.9. In reactie op een herinnering van de Ontvanger van 25 april 2024 heeft mr. [naam 1] dezelfde dag laten weten dat zijn kantoor is verhuisd, dat hij de brief van 15 februari 2024 niet had ontvangen en dat hij contact zal opnemen met [eiser] . Na een nader bericht van mr. [naam 1] van 5 juni 2024 heeft de Ontvanger geen verdere reactie van mr. [naam 1] of [eiser] ontvangen. Evenmin is daarna nog een betaling van [eiser] ontvangen. Derdenbeslag 2.10. De Ontvanger heeft op 22 juli 2024 derdenbeslag onder de ABN Amro Bank N.V. gelegd ten laste van [eiser] . Daarna is een bedrag van € 4.998,- aan de Ontvanger afgedragen. De eerdere procedure 2.11. Op 22 augustus 2024 heeft [eiser] de Ontvanger gedagvaard voor de kantonrechter van deze rechtbank. In die zaak (met zaaknummer 11281045 / CV 24-11153) vorderde [eiser] onder meer (terug)betaling van € 19.982,42 aan te veel geïncasseerde invorderingsrente over de aanslag erfbelasting en betaling van een schadevergoeding vanwege onterecht gelegd beslag. Bij vonnis van 20 maart 20215 heeft de kantonrechter de vordering van [eiser] op grond van onrechtmatige daad afgewezen en [eiser] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. Daartoe heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat [eiser] zijn vordering voor te veel betaalde invorderingsrente uitsluitend aan de belastingrechter kan voorleggen. Softwarefout bij berekening van invorderingsrente 2.12. In een artikel in het FD van 19 december 2024 met de kop “Bijna €30 mln compensatie na fout invorderingsrente Belastingdienst” staat, voor zover van belang, het volgende: “Een rekenfout in de software van de Belastingdienst leidde er tussen 2013 en 2021 toe dat tienduizenden mensen te veel invorderingsrente betaalden. Het gaat om 155.500 gedupeerden en een totaalbedrag van €30 mln aan compensatiekosten, bevestigt de Belastingdienst na eerdere berichtgeving van RTL Nieuws. De hersteloperatie is inmiddels bijna afgerond. (…) Dat er te veel was betaald, was al langer bekend bij de fiscus en de Tweede Kamer. (…) In 2021 informeerde toenmalig staatssecretaris Fiscaliteit Hans Vijlbrief de Kamer over het aantal belastingaanslagen dat ermee was gemoeid.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4723 text/xml public 2026-05-18T10:07:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-08 11751203 \ CV EXPL 25-8387 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4723 text/html public 2026-05-18T10:06:44 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4723 Rechtbank Amsterdam , 08-05-2026 / 11751203 \ CV EXPL 25-8387 Overheidsaansprakelijkheid. Geschil tussen belastingplichtige en de Ontvanger (de Belastingdienst) over al dan niet te veel betaalde invorderingsrente. De hoogte van de in rekening gebrachte invorderingsrente kan in deze civiele procedure niet worden beoordeeld, omdat dat uitsluitend via de bestuursrechtelijke weg kan worden getoetst. Ook geen onrechtmatig handelen door de Ontvanger, omdat niet is komen vast te staan dat eiser behoort tot een groep aan wie door een softwarefout te veel invorderingsrente in rekening is gebracht. Niet-ontvankelijkverklaring en afwijzing vorderingen. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11751203 \ CV EXPL 25-8387 Vonnis van 8 mei 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , procederend in persoon, tegen DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: de Ontvanger, procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 juni 2025 met producties, - de conclusie van antwoord van 14 augustus 2025 met producties, - het tussenvonnis van 4 september 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 december 2025 en de daarin genoemde stukken, - de schriftelijke reactie van de Ontvanger van 16 januari 2026, - het nadere verweerschrift van [eiser] van 27 februari 2026 met twee producties, - de nadere reactie van de Ontvanger van 10 april 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten De aan [eiser] opgelegde aanslag erfbelasting 2.1. [eiser] is erfgenaam van zijn op [overlijdensdatum] 2013 overleden moeder. Op 8 maart 2016 is aan [eiser] een aanslag erfbelasting opgelegd. De hoogte van deze aanslag is (na vermindering) vastgesteld op € 120.657,-. De uiterste betaaldag van deze aanslag was 19 april 2016. In 2016 heeft [eiser] € 44.823,- betaald ter zake van de aanslag erfbelasting. De correspondentie over de aanslag erfbelasting en de getroffen betalingsregeling 2.2. Vanaf februari 2022 behartigde mr. [naam 1] de belangen van [eiser] . 2.3. In een e-mail van 18 augustus 2022 heeft de Ontvanger aan mr. [naam 1] het volgende geschreven: “(…) Op dit moment bedraagt het saldo van de aanslag erfbelasting 2013 (…) ten name van [eiser] inclusief invorderingsrente: Belasting € 75.834,-- Invorderingsrente € 11.828,-- (periode 20-04-2016 t/m 18-08-2022) ------------ € 87.662,-- (…) Na uw overleg met de heer [eiser] hoop ik op korte termijn een voorstel te ontvangen hoe de aanslag zal worden voldaan. (…)” 2.4. In reactie hierop heeft mr. [naam 1] op 19 augustus 2022 aan de Ontvanger laten weten dat [eiser] maandelijks € 4.500,- kan overmaken ter aflossing van de belastingschuld. 2.5. Op 8 september 2022 heeft een medewerker van de Ontvanger aan mr. [naam 1] het volgende laten weten: “(…) is in dit geval besloten akkoord te gaan met een regeling van € 4500 per maand. Ingaande 30-09-2022 dient de heer [eiser] € 4500 per maand over te maken (…) Gezien de bijkomende invorderingsrente zal de regeling lopen tot ongeveer 31-03-2024 lopen. Graag ontvang ik van u een akkoord en zal ik hierna de officiële uitstelbeschikking versturen. (…)” 2.6. In een brief van 12 september 2022 heeft de Ontvanger de beslissing op het verzoek om uitstel van betaling kenbaar gemaakt. In die brief staat, voor zover hier van belang, het volgende: “(..) U hebt namens [eiser] uitstel van betaling gevraagd voor de volgende aanslag: Aanslag Jaar/tijdvak Aanslagnummer Openstaand Openstaande bedrag kosten Erfbelasting 2013 (..) € 71.942,00 € 0,00 Ik heb besloten dat uw cliënt uitstel van betaling krijgt. Ik verbind aan dit uitstel de volgende voorwaarden: Uw cliënt betaalt € 4.500,00 per maand. De uiterste betaaldatum van de eerste termijn is 1 september 2022. ( deze eerste termijn is reeds ontvangen)Elke volgende termijn vervalt telkens een maand later. Het totale bedrag (inclusief rente en vervolgingskosten) moet op 1 maart 2024 zijn betaald. (..) Bij betaling na afloop van de enige of laatste betalingstermijn van een aanslag is rente verschuldigd. Het maakt daarbij niet uit of uitstel van betaling is gekregen. (..)” 2.7. Na elke (maandelijkse) betaling door [eiser] heeft de Ontvanger een brief aan [eiser] gestuurd. Daarin staat telkens welk bedrag is ontvangen, dat dat bedrag is verrekend met het bedrag dat nog openstaat en welk bedrag er na de verrekening nog overblijft om te betalen. In een kort overzicht is telkens vermeld welk deel van de ontvangen aflossing is verrekend met de hoofdsom en welk deel is verrekend met de openstaande invorderingsrente. De invorderingsrente is steeds berekend vanaf 20 april 2016 tot de ontvangstdatum van de bewuste aflossingstermijn. Verder wordt in elke brief onder het kopje ‘ Bezwaar tegen de invorderingsrente ’ vermeld hoe en voor welke datum [eiser] bezwaar kan maken tegen het bedrag van de invorderingsrente. 2.8. In een brief van 15 februari 2024 heeft de Ontvanger aan mr. [naam 1] het volgende laten weten over de betalingsregeling van [eiser] voor de aanslag erfbelasting 2013: “(…) De maandelijkse termijnen van € 4500 zijn keurig voldaan, de laatste termijn bedraagt bij voldoening op 22-02-2024 € 4928. Ik verzoek u dit bedrag te laten voldoen (…) Hiermee zal de gehele aanslag zijn voldaan. (…)” 2.9. In reactie op een herinnering van de Ontvanger van 25 april 2024 heeft mr. [naam 1] dezelfde dag laten weten dat zijn kantoor is verhuisd, dat hij de brief van 15 februari 2024 niet had ontvangen en dat hij contact zal opnemen met [eiser] . Na een nader bericht van mr. [naam 1] van 5 juni 2024 heeft de Ontvanger geen verdere reactie van mr. [naam 1] of [eiser] ontvangen. Evenmin is daarna nog een betaling van [eiser] ontvangen. Derdenbeslag 2.10. De Ontvanger heeft op 22 juli 2024 derdenbeslag onder de ABN Amro Bank N.V. gelegd ten laste van [eiser] . Daarna is een bedrag van € 4.998,- aan de Ontvanger afgedragen. De eerdere procedure 2.11. Op 22 augustus 2024 heeft [eiser] de Ontvanger gedagvaard voor de kantonrechter van deze rechtbank. In die zaak (met zaaknummer 11281045 / CV 24-11153) vorderde [eiser] onder meer (terug)betaling van € 19.982,42 aan te veel geïncasseerde invorderingsrente over de aanslag erfbelasting en betaling van een schadevergoeding vanwege onterecht gelegd beslag. Bij vonnis van 20 maart 20215 heeft de kantonrechter de vordering van [eiser] op grond van onrechtmatige daad afgewezen en [eiser] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. Daartoe heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat [eiser] zijn vordering voor te veel betaalde invorderingsrente uitsluitend aan de belastingrechter kan voorleggen. Softwarefout bij berekening van invorderingsrente 2.12. In een artikel in het FD van 19 december 2024 met de kop “Bijna €30 mln compensatie na fout invorderingsrente Belastingdienst” staat, voor zover van belang, het volgende: “Een rekenfout in de software van de Belastingdienst leidde er tussen 2013 en 2021 toe dat tienduizenden mensen te veel invorderingsrente betaalden. Het gaat om 155.500 gedupeerden en een totaalbedrag van €30 mln aan compensatiekosten, bevestigt de Belastingdienst na eerdere berichtgeving van RTL Nieuws. De hersteloperatie is inmiddels bijna afgerond. (…) Dat er te veel was betaald, was al langer bekend bij de fiscus en de Tweede Kamer. (…) In 2021 informeerde toenmalig staatssecretaris Fiscaliteit Hans Vijlbrief de Kamer over het aantal belastingaanslagen dat ermee was gemoeid.
Volledig
(…) Destijds was de brief gebaseerd op twee situaties van onjuist toegepaste regels voor de invorderingsrente. (…) In 2023 kregen gedupeerden van de te hoge invorderingsrente per brief te horen dat fouten zouden worden hersteld. (…)” 3 Het geschil 3.1. Na eiswijziging vordert [eiser] dat de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad: I. de Belastingdienst c.q. de heer drs. [naam 2] ontvanger van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen c.q. [naam 3] te veroordeelt tot het vergoeden van alle kosten, dit in de ruimste zin des woords, aan [eiser] a. Het geld bedrag wat de Belastingdienst c.q. drs. [naam 2] c.q. [naam 3] onder zich heeft, nog steeds, is € 17.704,00 b. Alle rente vergoedingen vanaf de dag van het onterecht onder zich nemen van eigendom van [eiser] tot de dag van de finale kwijting. c. Alle kosten die [eiser] moet maken om weer vrijelijk over zijn financieel eigendom bij de Belastingdienst c.q. de heer drs. [naam 2] ontvanger van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen c.q. [naam 3] kan beslissen. d. Hieronder vallen onder andere ook deurwaarders kosten, griffierechten en incassokosten II. Met veroordeling van de Belastingdienst c.q. de heer drs. [naam 2] ontvanger van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen c.q. [naam 3] in alle kosten van deze procedure. 3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. De Belastingdienst heeft een software-rekenfout gemaakt voor de invorderingsrente in de kalenderjaren 2013 tot en met 2021. Dat kwam in 2021 aan het licht en toen heeft de staatssecretaris de Kamer hierover geïnformeerd. Pas in december 2024 is in de media gepubliceerd over de softwarefout. Door de softwarefout hebben meer dan 155.000 mensen te veel invorderingsrente betaald. [eiser] behoort ook tot die groep gedupeerden. De Belastingdienst heeft invorderingsrente in rekening gebracht vanaf 2016. Dat is niet terecht, want op 12 september 2022 is met [eiser] een betalingsregeling afgesproken. [eiser] heeft zich aan die betalingsregeling gehouden. Dat betekent dat de Belastingdienst geen invorderingsrente in rekening mocht brengen. Op 3 oktober 2023 had [eiser] zijn hele belastingschuld van € 71.942,- voldaan. De daarna door de Belastingdienst ontvangen bedragen zijn onterecht ontvangen en behouden door de Belastingdienst. [eiser] heeft recht op terugbetaling van de te veel betaalde invorderingsrente. Die bedraagt € 17.704,-. De Belastingdienst heeft ook ten onrechte derdenbeslag gelegd. Daardoor heeft [eiser] kosten aan ABN Amro moeten betalen. 3.3. De Ontvanger is in deze procedure verschenen en voert verweer. De Ontvanger concludeert tot nietigheid van de dagvaarding, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. De Ontvanger voert onder meer het volgende aan: Uit de dagvaarding wordt begrepen dat [eiser] de Ontvanger heeft bedoeld te dagvaarden. De dagvaarding is nietig want is niet ondertekend door de deurwaarder. Het in rekening brengen van invorderingsrente is een exclusieve overheidstaak. Het oordeel daarover valt daarom onder het exclusieve domein van de bestuursrechter (de belastingrechter). De burgerlijke rechter komt hierbij niet in aanmerking als restrechter omdat het bestuursrecht afdoende rechtsbescherming biedt. Er is invorderingsrente in rekening gebracht vanaf 20 april 2016, omdat 19 april 2016 de uiterste betaaldatum voor de aanslag erfbelasting was. Ook als uitstel van betaling is verleend of als een betalingsregeling is afgesproken, is invorderingsrente verschuldigd. Er is niet te veel invorderingsrente in rekening gebracht. [eiser] behoort niet tot de groep gedupeerden die door een rekenfout in de software van de belastingdienst te veel invorderingsrente hebben betaald. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling De Ontvanger als gedaagde partij 4.1. De Ontvanger is in deze procedure verschenen en heeft aangevoerd dat de in de dagvaarding gedagvaarde partij, “de publiek rechtelijke rechtspersoon Belastingdienst”, als zodanig niet bestaat als rechtspersoon, maar dat uit de dagvaarding is af te leiden dat [eiser] kennelijk heeft bedoeld om de Ontvanger te dagvaarden. 4.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter met instemming van partijen de Ontvanger aangemerkt als de gedaagde partij in deze procedure. Reden daarvoor is dat in de dagvaarding sprake is van een kennelijke vergissing in de partij-aanduiding van de gedaagde partij en dat die kennelijke vergissing zich eenvoudig leent voor herstel. De kantonrechter verwijst op dit punt ook naar het vonnis van 20 maart 2025, waarin hetzelfde aan de orde was. De dagvaarding is niet nietig 4.3. Tijdens de mondelinge behandeling is geconstateerd dat op het afschrift van het exploot van dagvaarding, zoals de deurwaarder dat aan het adres van de Ontvanger heeft gelaten, een handtekening van de deurwaarder ontbreekt. Tijdens de mondelinge behandeling is verder geconstateerd dat het originele exploot van dagvaarding, zoals dat is uitgebracht door de deurwaarder en vervolgens door de deurwaarder bij de griffie is aangebracht, wel is ondertekend door de deurwaarder. 4.4. In artikel 45 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat het exploot en de afschriften daarvan door de deurwaarder worden ondertekend. Het ontbreken van een handtekening van de deurwaarder op het afschrift van het exploot van dagvaarding leidt in dit geval niet tot nietigheid van de dagvaarding. De redenen daarvoor zijn dat de Ontvanger in deze procedure is verschenen, tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij het ontbreken van een handtekening geen probleem vindt en dat niet is gebleken dat de Ontvanger door de niet-ondertekening in zijn belangen is geschaad. Het vonnis van 20 maart 2015 tussen partijen staat niet in de weg aan de beoordeling 4.5. Wat [eiser] in deze procedure voorlegt aan de kantonrechter is deels hetzelfde als wat [eiser] heeft voorgelegd in de eerdere procedure tussen dezelfde partijen die is geëindigd met het vonnis van 20 maart 2025 (zie 2.11). Desgevraagd heeft de Ontvanger tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat dat niet betekent dat [eiser] dezelfde kwestie nu niet opnieuw kan voorleggen. Hieruit begrijpt de kantonrechter dat de Ontvanger geen beroep doet op het gezag van gewijsde (artikel 236 lid 1 Rv) van de beslissingen in het vonnis van 20 maart 2025. Dat betekent dat de kantonrechter de door [eiser] in deze procedure ingenomen stellingen (opnieuw) zal beoordelen. De twee verwijten die [eiser] in deze procedure heeft aangevoerd 4.6. In de kern stelt [eiser] dat 1) ten onrechte vanaf 20 april 2016 invorderingsrente in rekening is gebracht en 2) dat door een sofwarefout te veel invorderingsrente aan hem in rekening is gebracht. Op beide standpunten zal de kantonrechter hierna ingaan. Is ten onrechte invorderingsrente in rekening gebracht vanaf 20 april 2016? 4.7. De vraag of de Ontvanger terecht vanaf 20 april 2016 invorderingsrente in rekening heeft gebracht, kan niet inhoudelijk in deze procedure worden beoordeeld. De reden daarvoor is dat het bedrag van de in rekening te brengen invorderingsrente op grond van artikel 30 van de Invorderingswet 1990 wordt vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake die beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing. Dit betekent dat [eiser] uitsluitend met bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kan opkomen tegen de (hoogte van de) vastgestelde invorderingsrente en dat hij dit niet in een civiele procedure kan doen. Nu de beschikkingen over de invorderingsrente niet zijn vernietigd in een bestuursrechtelijke procedure, moet de kantonrechter uitgaan van de juistheid van die beschikkingen. [eiser] is daarom in deze procedure niet-ontvankelijk voor zover hij de hoogte van de bij beschikking vastgestelde invorderingsrente bestrijdt. Is door een softwarefout te veel invorderingsrente in rekening gebracht aan [eiser] ? 4.8.
Volledig
(…) Destijds was de brief gebaseerd op twee situaties van onjuist toegepaste regels voor de invorderingsrente. (…) In 2023 kregen gedupeerden van de te hoge invorderingsrente per brief te horen dat fouten zouden worden hersteld. (…)” 3 Het geschil 3.1. Na eiswijziging vordert [eiser] dat de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad: I. de Belastingdienst c.q. de heer drs. [naam 2] ontvanger van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen c.q. [naam 3] te veroordeelt tot het vergoeden van alle kosten, dit in de ruimste zin des woords, aan [eiser] a. Het geld bedrag wat de Belastingdienst c.q. drs. [naam 2] c.q. [naam 3] onder zich heeft, nog steeds, is € 17.704,00 b. Alle rente vergoedingen vanaf de dag van het onterecht onder zich nemen van eigendom van [eiser] tot de dag van de finale kwijting. c. Alle kosten die [eiser] moet maken om weer vrijelijk over zijn financieel eigendom bij de Belastingdienst c.q. de heer drs. [naam 2] ontvanger van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen c.q. [naam 3] kan beslissen. d. Hieronder vallen onder andere ook deurwaarders kosten, griffierechten en incassokosten II. Met veroordeling van de Belastingdienst c.q. de heer drs. [naam 2] ontvanger van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen c.q. [naam 3] in alle kosten van deze procedure. 3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. De Belastingdienst heeft een software-rekenfout gemaakt voor de invorderingsrente in de kalenderjaren 2013 tot en met 2021. Dat kwam in 2021 aan het licht en toen heeft de staatssecretaris de Kamer hierover geïnformeerd. Pas in december 2024 is in de media gepubliceerd over de softwarefout. Door de softwarefout hebben meer dan 155.000 mensen te veel invorderingsrente betaald. [eiser] behoort ook tot die groep gedupeerden. De Belastingdienst heeft invorderingsrente in rekening gebracht vanaf 2016. Dat is niet terecht, want op 12 september 2022 is met [eiser] een betalingsregeling afgesproken. [eiser] heeft zich aan die betalingsregeling gehouden. Dat betekent dat de Belastingdienst geen invorderingsrente in rekening mocht brengen. Op 3 oktober 2023 had [eiser] zijn hele belastingschuld van € 71.942,- voldaan. De daarna door de Belastingdienst ontvangen bedragen zijn onterecht ontvangen en behouden door de Belastingdienst. [eiser] heeft recht op terugbetaling van de te veel betaalde invorderingsrente. Die bedraagt € 17.704,-. De Belastingdienst heeft ook ten onrechte derdenbeslag gelegd. Daardoor heeft [eiser] kosten aan ABN Amro moeten betalen. 3.3. De Ontvanger is in deze procedure verschenen en voert verweer. De Ontvanger concludeert tot nietigheid van de dagvaarding, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. De Ontvanger voert onder meer het volgende aan: Uit de dagvaarding wordt begrepen dat [eiser] de Ontvanger heeft bedoeld te dagvaarden. De dagvaarding is nietig want is niet ondertekend door de deurwaarder. Het in rekening brengen van invorderingsrente is een exclusieve overheidstaak. Het oordeel daarover valt daarom onder het exclusieve domein van de bestuursrechter (de belastingrechter). De burgerlijke rechter komt hierbij niet in aanmerking als restrechter omdat het bestuursrecht afdoende rechtsbescherming biedt. Er is invorderingsrente in rekening gebracht vanaf 20 april 2016, omdat 19 april 2016 de uiterste betaaldatum voor de aanslag erfbelasting was. Ook als uitstel van betaling is verleend of als een betalingsregeling is afgesproken, is invorderingsrente verschuldigd. Er is niet te veel invorderingsrente in rekening gebracht. [eiser] behoort niet tot de groep gedupeerden die door een rekenfout in de software van de belastingdienst te veel invorderingsrente hebben betaald. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling De Ontvanger als gedaagde partij 4.1. De Ontvanger is in deze procedure verschenen en heeft aangevoerd dat de in de dagvaarding gedagvaarde partij, “de publiek rechtelijke rechtspersoon Belastingdienst”, als zodanig niet bestaat als rechtspersoon, maar dat uit de dagvaarding is af te leiden dat [eiser] kennelijk heeft bedoeld om de Ontvanger te dagvaarden. 4.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter met instemming van partijen de Ontvanger aangemerkt als de gedaagde partij in deze procedure. Reden daarvoor is dat in de dagvaarding sprake is van een kennelijke vergissing in de partij-aanduiding van de gedaagde partij en dat die kennelijke vergissing zich eenvoudig leent voor herstel. De kantonrechter verwijst op dit punt ook naar het vonnis van 20 maart 2025, waarin hetzelfde aan de orde was. De dagvaarding is niet nietig 4.3. Tijdens de mondelinge behandeling is geconstateerd dat op het afschrift van het exploot van dagvaarding, zoals de deurwaarder dat aan het adres van de Ontvanger heeft gelaten, een handtekening van de deurwaarder ontbreekt. Tijdens de mondelinge behandeling is verder geconstateerd dat het originele exploot van dagvaarding, zoals dat is uitgebracht door de deurwaarder en vervolgens door de deurwaarder bij de griffie is aangebracht, wel is ondertekend door de deurwaarder. 4.4. In artikel 45 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat het exploot en de afschriften daarvan door de deurwaarder worden ondertekend. Het ontbreken van een handtekening van de deurwaarder op het afschrift van het exploot van dagvaarding leidt in dit geval niet tot nietigheid van de dagvaarding. De redenen daarvoor zijn dat de Ontvanger in deze procedure is verschenen, tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij het ontbreken van een handtekening geen probleem vindt en dat niet is gebleken dat de Ontvanger door de niet-ondertekening in zijn belangen is geschaad. Het vonnis van 20 maart 2015 tussen partijen staat niet in de weg aan de beoordeling 4.5. Wat [eiser] in deze procedure voorlegt aan de kantonrechter is deels hetzelfde als wat [eiser] heeft voorgelegd in de eerdere procedure tussen dezelfde partijen die is geëindigd met het vonnis van 20 maart 2025 (zie 2.11). Desgevraagd heeft de Ontvanger tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat dat niet betekent dat [eiser] dezelfde kwestie nu niet opnieuw kan voorleggen. Hieruit begrijpt de kantonrechter dat de Ontvanger geen beroep doet op het gezag van gewijsde (artikel 236 lid 1 Rv) van de beslissingen in het vonnis van 20 maart 2025. Dat betekent dat de kantonrechter de door [eiser] in deze procedure ingenomen stellingen (opnieuw) zal beoordelen. De twee verwijten die [eiser] in deze procedure heeft aangevoerd 4.6. In de kern stelt [eiser] dat 1) ten onrechte vanaf 20 april 2016 invorderingsrente in rekening is gebracht en 2) dat door een sofwarefout te veel invorderingsrente aan hem in rekening is gebracht. Op beide standpunten zal de kantonrechter hierna ingaan. Is ten onrechte invorderingsrente in rekening gebracht vanaf 20 april 2016? 4.7. De vraag of de Ontvanger terecht vanaf 20 april 2016 invorderingsrente in rekening heeft gebracht, kan niet inhoudelijk in deze procedure worden beoordeeld. De reden daarvoor is dat het bedrag van de in rekening te brengen invorderingsrente op grond van artikel 30 van de Invorderingswet 1990 wordt vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake die beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing. Dit betekent dat [eiser] uitsluitend met bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kan opkomen tegen de (hoogte van de) vastgestelde invorderingsrente en dat hij dit niet in een civiele procedure kan doen. Nu de beschikkingen over de invorderingsrente niet zijn vernietigd in een bestuursrechtelijke procedure, moet de kantonrechter uitgaan van de juistheid van die beschikkingen. [eiser] is daarom in deze procedure niet-ontvankelijk voor zover hij de hoogte van de bij beschikking vastgestelde invorderingsrente bestrijdt. Is door een softwarefout te veel invorderingsrente in rekening gebracht aan [eiser] ? 4.8.