Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-12
ECLI:NL:RBAMS:2026:4691
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
7,532 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4691 text/xml public 2026-05-18T16:08:37 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-12 13-009139-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4691 text/html public 2026-05-18T16:05:36 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4691 Rechtbank Amsterdam , 12-05-2026 / 13-009139-26 Executie-EAB uit Italie. Onduidelijk of de vrijheidsstraf, opgelegd bij arrest van 18 maart 2013 door het hof van Cagliari, op zichzelf nog voor tenuitvoerlegging vatbaar is en daarom kan worden aangemerkt als een beslissing zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid onder c, OLW. Overlevering geweigerd RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-009139-26 Datum uitspraak: 12 mei 2026 UITSPRAAK op de vordering van 22 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2015 door de Procura Generale Della Repubblica Presso La Corte Di Appello Cagliari [Office of the General Prosecutor of the Republic at the Court of Appeal in Cagliari] , Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1964, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 10 maart 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.E. Toxopeus, advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor schorsing van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering nogmaals met 60 dagen verlengd, omdat sprake is van een uitzonderlijk geval. De rechtspraak, de verdediging en de officier van justitie zijn namelijk geconfronteerd met de gevolgen van het arrest C.J. en de wetgever heeft artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet gewijzigd. Een vertaling van het certificaat is nog niet toegestuurd, ondanks de kennelijke welwillendheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank heeft het onderzoek daarom voor bepaalde tijd geschorst, om, in het kader van artikel 6a OLW, de verstrekking van (de vertaling van) het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het veroordelende vonnis af te wachten. Bovendien heeft de rechtbank de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, nu de verstrekte informatie vragen heeft opgeroepen over de grondslag van het EAB. Zitting 21 april 2026 De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat op de zitting van 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.E. Toxopeus. De rechtbank heeft de behandeling onderbroken tot de zitting van 12 mei 2026. Zitting 12 mei 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank het onderzoek – met instemming van partijen – enkelvoudig gesloten en direct uitspraak gedaan. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Italiaanse en de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest van the Court of Appeal in Cagliari delivered on 18.3.2013, final on 9.7.2013, partly amending judgement by the Monocratic Court of Cagliari delivered on 10.2.2010, met kenmerk 407.12013 N. Reg. Gen. 974/2010 R.N.R.67/1997. Het EAB vermeldt verder een ORDER OF ENFORCEMENT FOR IMPRISONMENT N. 176/2013 issued on 23.12.2014 . In de Italiaanse versie van het EAB wordt als kenmerk van deze beslissing vermeld: N. SIEP 176/2013. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het A-formulier nog één jaar, één maand en vijftien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemd arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Inleiding Op 6 maart 2026 is door de Italiaanse autoriteiten het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ toegezonden in de Italiaanse taal, evenals het veroordelende vonnis van 18 maart 2013. Op 6 maart 2026 is in reactie hierop door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) kortgezegd verzocht om een vertaling van het certificaat en de ontbrekende pagina’s van het toegestuurde vonnis. Op 10 maart 2026 is door de Italiaanse autoriteiten vervolgens het volgende meegedeeld: “ (…)I inform you that Attorney General Office in Cagliari issued against the condemned person [opgeëiste persoon] the attached second execution order for the cumulative sentence of 4 years, 1 month and 15 days of imprisonment having to execute also the sentence of 3 years of imprisonment imposed on [opgeëiste persoon] by the Preliminary Hearing Judge of the First instance Court in Bari on 5 July 2012, which became irrevocable on 16 November 2012 . The Attorney General Office in Cagliari is issuing the updated certificate indicating the crimes convicted with the aforementioned Bari Preliminary Hearing Judge ruling and the complete judgment to be served in the Netherlands Kingdom. For this reason, I ask you to consider whether it’s possible to defer the decision on transferring the execution of the sentence in the Netherlands Kingdom, in order to obtain the new certificate and aforementioned judgment, translated into Englisch (or Dutch, if possible).” Bij dit bericht is een zogenoemde SIEP-beslissing in de Italiaanse taal van 20 januari 2016 gevoegd, kennelijk zijnde de second execution order van de Attorney General Office in Cagliari . Vervolgens zijn op 13 maart 2026 door het IRC de volgende vragen gesteld: “The hearing in the case of [opgeëiste persoon] took place on 11 March 2026 and the court of Amsterdam has adjourned the case until 21 April 2026. In your email you have mentioned that there is a second execution order for a cumulative sentence of 4 years, 1 month and 15 days of imprisonment having to execute also the sentence of 3 years of imprisonment imposed on [opgeëiste persoon] by the First instance Court in Bari on 5 July 2012. I would like to ask additional information. 1. Could you confirm that the SIEP order of 20 January 2016 (176/2013) replaced the SIEP order of 23 December 2014 meaning that the SIEP of 23 December 2014 is no longer enforceable? If yes: 2. Could you please provide us a new EAW with the SIEP order of 20 January 2016 as the basis for the EAW? 3. Could you please fill in and return the model form of section D as included as an annex to this email with regard to the judgment of the Court in Bari on 5 July 2012 and inform us on the reference number and the issuing authority of this judgment? 4. Could you please provide us information regarding the offences for which [opgeëiste persoon] was convicted by the Court of Bari on 5 July 2012? This is necessary in order to assess whether the sentence imposed on [opgeëiste persoon] can be executed in the Netherlands.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4691 text/xml public 2026-05-18T16:08:37 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-12 13-009139-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4691 text/html public 2026-05-18T16:05:36 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4691 Rechtbank Amsterdam , 12-05-2026 / 13-009139-26 Executie-EAB uit Italie. Onduidelijk of de vrijheidsstraf, opgelegd bij arrest van 18 maart 2013 door het hof van Cagliari, op zichzelf nog voor tenuitvoerlegging vatbaar is en daarom kan worden aangemerkt als een beslissing zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid onder c, OLW. Overlevering geweigerd RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-009139-26 Datum uitspraak: 12 mei 2026 UITSPRAAK op de vordering van 22 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2015 door de Procura Generale Della Repubblica Presso La Corte Di Appello Cagliari [Office of the General Prosecutor of the Republic at the Court of Appeal in Cagliari] , Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1964, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 10 maart 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.E. Toxopeus, advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor schorsing van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering nogmaals met 60 dagen verlengd, omdat sprake is van een uitzonderlijk geval. De rechtspraak, de verdediging en de officier van justitie zijn namelijk geconfronteerd met de gevolgen van het arrest C.J. en de wetgever heeft artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet gewijzigd. Een vertaling van het certificaat is nog niet toegestuurd, ondanks de kennelijke welwillendheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank heeft het onderzoek daarom voor bepaalde tijd geschorst, om, in het kader van artikel 6a OLW, de verstrekking van (de vertaling van) het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het veroordelende vonnis af te wachten. Bovendien heeft de rechtbank de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, nu de verstrekte informatie vragen heeft opgeroepen over de grondslag van het EAB. Zitting 21 april 2026 De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat op de zitting van 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.E. Toxopeus. De rechtbank heeft de behandeling onderbroken tot de zitting van 12 mei 2026. Zitting 12 mei 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank het onderzoek – met instemming van partijen – enkelvoudig gesloten en direct uitspraak gedaan. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Italiaanse en de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest van the Court of Appeal in Cagliari delivered on 18.3.2013, final on 9.7.2013, partly amending judgement by the Monocratic Court of Cagliari delivered on 10.2.2010, met kenmerk 407.12013 N. Reg. Gen. 974/2010 R.N.R.67/1997. Het EAB vermeldt verder een ORDER OF ENFORCEMENT FOR IMPRISONMENT N. 176/2013 issued on 23.12.2014 . In de Italiaanse versie van het EAB wordt als kenmerk van deze beslissing vermeld: N. SIEP 176/2013. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het A-formulier nog één jaar, één maand en vijftien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemd arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Inleiding Op 6 maart 2026 is door de Italiaanse autoriteiten het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ toegezonden in de Italiaanse taal, evenals het veroordelende vonnis van 18 maart 2013. Op 6 maart 2026 is in reactie hierop door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) kortgezegd verzocht om een vertaling van het certificaat en de ontbrekende pagina’s van het toegestuurde vonnis. Op 10 maart 2026 is door de Italiaanse autoriteiten vervolgens het volgende meegedeeld: “ (…)I inform you that Attorney General Office in Cagliari issued against the condemned person [opgeëiste persoon] the attached second execution order for the cumulative sentence of 4 years, 1 month and 15 days of imprisonment having to execute also the sentence of 3 years of imprisonment imposed on [opgeëiste persoon] by the Preliminary Hearing Judge of the First instance Court in Bari on 5 July 2012, which became irrevocable on 16 November 2012 . The Attorney General Office in Cagliari is issuing the updated certificate indicating the crimes convicted with the aforementioned Bari Preliminary Hearing Judge ruling and the complete judgment to be served in the Netherlands Kingdom. For this reason, I ask you to consider whether it’s possible to defer the decision on transferring the execution of the sentence in the Netherlands Kingdom, in order to obtain the new certificate and aforementioned judgment, translated into Englisch (or Dutch, if possible).” Bij dit bericht is een zogenoemde SIEP-beslissing in de Italiaanse taal van 20 januari 2016 gevoegd, kennelijk zijnde de second execution order van de Attorney General Office in Cagliari . Vervolgens zijn op 13 maart 2026 door het IRC de volgende vragen gesteld: “The hearing in the case of [opgeëiste persoon] took place on 11 March 2026 and the court of Amsterdam has adjourned the case until 21 April 2026. In your email you have mentioned that there is a second execution order for a cumulative sentence of 4 years, 1 month and 15 days of imprisonment having to execute also the sentence of 3 years of imprisonment imposed on [opgeëiste persoon] by the First instance Court in Bari on 5 July 2012. I would like to ask additional information. 1. Could you confirm that the SIEP order of 20 January 2016 (176/2013) replaced the SIEP order of 23 December 2014 meaning that the SIEP of 23 December 2014 is no longer enforceable? If yes: 2. Could you please provide us a new EAW with the SIEP order of 20 January 2016 as the basis for the EAW? 3. Could you please fill in and return the model form of section D as included as an annex to this email with regard to the judgment of the Court in Bari on 5 July 2012 and inform us on the reference number and the issuing authority of this judgment? 4. Could you please provide us information regarding the offences for which [opgeëiste persoon] was convicted by the Court of Bari on 5 July 2012? This is necessary in order to assess whether the sentence imposed on [opgeëiste persoon] can be executed in the Netherlands.
Volledig
With regard to judgement of the Court in Bari of 5 July 2012: In case the requested person did not appear in person at the trial, was not summoned in person (personally in his hands), and did not give a mandate to a lawyer who actually represented him at trial, could you please answer the following questions as well? 1. Did [opgeëiste persoon] provide the Italian authorities with his address during the (pre-trial) proceedings in the criminal case that led to the judgment of the Court in Bari of 5 July 2012. If yes: 2. Have the summons for the Court hearing been sent to the address that [opgeëiste persoon] provided? 3. Did [opgeëiste persoon] , during the (pre-trial) proceedings, receive instructions about: a. the duty to inform the Polish authorities about address changes, and b. the consequences of not complying with this obligation (including that, in case of [opgeëiste persoon] absence at trial, the proceedings could take place in absentia)? 4. Are there other indications that he was aware of the appeal process?” Op 26 maart 2026 en 3 april 2026 is hierop gerappelleerd door het IRC. Op 21 april 2026 is een brief van 10 april 2026 van the Ministry of Justice, Department for Judicial Affairs, gericht aan het Nederlandse ministerie van Justitie en Veiligheid, aan het dossier toegevoegd. In deze brief wordt de Minister verzocht, kort gezegd, het bij de brief gevoegde certificaat als bedoeld in het Kaderbesluit 2008/909/JBZ te erkennen en over te gaan tot tenuitvoerlegging van de daarin genoemde gevangenisstraf. Het certificaat (met bijlagen) ziet op de hiervoor genoemde SIEP-beslissing van 20 januari 2016. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is omdat, gelet op de aanvullende informatie, onduidelijk is welk vonnis aan het EAB ten grondslag ligt. Blijkens de aanvullende informatie van 10 maart 2026 is er een SIEP-beslissing uit 2016. Bij die beslissing zijn de beslissing van het hof Cagliari van 2013 en een beslissing van de rechtbank in Bari uit 2012 samengevoegd. Het is daarom de vraag of de beslissing die aan het EAB ten grondslag ligt is ingehaald door een beslissing van een latere datum, zodat een nieuw EAB zou moeten worden uitgevaardigd. Door deze onduidelijkheid kan ook niet worden vastgesteld welke beslissing(en) aan artikel 12 OLW moet(en) worden getoetst, nog los van het feit dat informatie ontbreekt over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW. Door het IRC zijn tevergeefs pogingen gedaan om duidelijkheid te verkrijgen. Wat betreft de conclusie die hieraan moet worden verbonden, heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat het EAB op basis van de huidige informatie ongenoegzaam is. De overlevering moet daarom worden geweigerd. De uitvaardigende justitiële autoriteit is ook reeds meermalen in de gelegenheid gesteld om opheldering te verschaffen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Onderhavig EAB ziet, zo begrijpt de rechtbank, op een SIEP-beslissing van 23 december 2013 die strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf die is opgelegd bij arrest van 18 maart 2013 van het hof van Cagliari. Bij de aanvullende informatie is een SIEP-beslissing van 20 januari 2016 gevoegd, die strekt tot tenuitvoerlegging van de samengevoegde vrijheidsbenemende straffen die zijn opgelegd bij het voornoemde arrest van het hof van Cagliari van 18 maart 2013 en een vonnis van de rechtbank in Bari van 5 juli 2012. De rechtbank overweegt dat naar Italiaans recht ter nakoming van het beginsel van samenvallende straffen één straf moet worden vastgesteld die daadwerkelijk door de veroordeelde moet worden uitgezeten. Gelet op voornoemde aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat de SIEP-beslissing die aan het EAB ten grondslag ligt is ingehaald door een (samenvoegings)beslissing van een latere datum. Die samenvoegingsbeslissing is echter niet onder rubriek (b) van het EAB genoemd. Onderhavig EAB vermeldt niet de meest recente SIEP-beslissing noch het vonnis van de rechtbank van Bari. Verder heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit niet gereageerd op het verzoek om ten aanzien van het vonnis van de rechtbank van Bari alsnog een EAB uit te vaardigen. Zoals hierboven is weergegeven zijn hierover, onder andere nadat de rechtbank de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd heeft aangehouden, meermalen vragen gesteld aan de Italiaanse autoriteiten. Die vragen zijn niet beantwoord. In plaats daarvan hebben de Italiaanse autoriteiten onder verwijzing naar Kaderbesluit 2008/909/JBZ een verzoek tot erkenning van de meest recente SIEP-beslissing gestuurd aan het Nederlandse ministerie van Justitie en Veiligheid. Dit roept nieuwe vragen op nu voornoemd verzoek mede op de tenuitvoerlegging van de straf ziet waarop dit EAB ook ziet. In het licht van het voorgaande is het naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk of de vrijheidsstraf, opgelegd bij arrest van 18 maart 2013 door het hof van Cagliari, op zichzelf nog voor tenuitvoerlegging vatbaar is en daarom kan worden aangemerkt als een beslissing zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid onder c, OLW. In dit geval ziet de rechtbank geen ruimte meer om de behandeling van het EAB nogmaals aan te houden om hierover nadere vragen te stellen aan de Italiaanse autoriteiten. Er zijn immers al meermalen aanvullende vragen gesteld, zonder dat daar een antwoord op is gekomen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de overlevering moet worden geweigerd, nu niet kan worden vastgesteld of nog sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. 4 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 5 Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 2 OLW. 6 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procura Generale Della Repubblica Presso La Corte Di Appello Cagliari [Office of the General Prosecutor of the Republic at the Court of Appeal in Cagliari] , Italië. HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van opgeëiste persoon. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier voorzitter, mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 mei 2026 Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Op grond van artikel 22, eerste en vierde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Bijvoorbeeld: rb. Amsterdam 2 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3304, en rb. Amsterdam 29 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1329.
Volledig
With regard to judgement of the Court in Bari of 5 July 2012: In case the requested person did not appear in person at the trial, was not summoned in person (personally in his hands), and did not give a mandate to a lawyer who actually represented him at trial, could you please answer the following questions as well? 1. Did [opgeëiste persoon] provide the Italian authorities with his address during the (pre-trial) proceedings in the criminal case that led to the judgment of the Court in Bari of 5 July 2012. If yes: 2. Have the summons for the Court hearing been sent to the address that [opgeëiste persoon] provided? 3. Did [opgeëiste persoon] , during the (pre-trial) proceedings, receive instructions about: a. the duty to inform the Polish authorities about address changes, and b. the consequences of not complying with this obligation (including that, in case of [opgeëiste persoon] absence at trial, the proceedings could take place in absentia)? 4. Are there other indications that he was aware of the appeal process?” Op 26 maart 2026 en 3 april 2026 is hierop gerappelleerd door het IRC. Op 21 april 2026 is een brief van 10 april 2026 van the Ministry of Justice, Department for Judicial Affairs, gericht aan het Nederlandse ministerie van Justitie en Veiligheid, aan het dossier toegevoegd. In deze brief wordt de Minister verzocht, kort gezegd, het bij de brief gevoegde certificaat als bedoeld in het Kaderbesluit 2008/909/JBZ te erkennen en over te gaan tot tenuitvoerlegging van de daarin genoemde gevangenisstraf. Het certificaat (met bijlagen) ziet op de hiervoor genoemde SIEP-beslissing van 20 januari 2016. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is omdat, gelet op de aanvullende informatie, onduidelijk is welk vonnis aan het EAB ten grondslag ligt. Blijkens de aanvullende informatie van 10 maart 2026 is er een SIEP-beslissing uit 2016. Bij die beslissing zijn de beslissing van het hof Cagliari van 2013 en een beslissing van de rechtbank in Bari uit 2012 samengevoegd. Het is daarom de vraag of de beslissing die aan het EAB ten grondslag ligt is ingehaald door een beslissing van een latere datum, zodat een nieuw EAB zou moeten worden uitgevaardigd. Door deze onduidelijkheid kan ook niet worden vastgesteld welke beslissing(en) aan artikel 12 OLW moet(en) worden getoetst, nog los van het feit dat informatie ontbreekt over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW. Door het IRC zijn tevergeefs pogingen gedaan om duidelijkheid te verkrijgen. Wat betreft de conclusie die hieraan moet worden verbonden, heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat het EAB op basis van de huidige informatie ongenoegzaam is. De overlevering moet daarom worden geweigerd. De uitvaardigende justitiële autoriteit is ook reeds meermalen in de gelegenheid gesteld om opheldering te verschaffen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Onderhavig EAB ziet, zo begrijpt de rechtbank, op een SIEP-beslissing van 23 december 2013 die strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf die is opgelegd bij arrest van 18 maart 2013 van het hof van Cagliari. Bij de aanvullende informatie is een SIEP-beslissing van 20 januari 2016 gevoegd, die strekt tot tenuitvoerlegging van de samengevoegde vrijheidsbenemende straffen die zijn opgelegd bij het voornoemde arrest van het hof van Cagliari van 18 maart 2013 en een vonnis van de rechtbank in Bari van 5 juli 2012. De rechtbank overweegt dat naar Italiaans recht ter nakoming van het beginsel van samenvallende straffen één straf moet worden vastgesteld die daadwerkelijk door de veroordeelde moet worden uitgezeten. Gelet op voornoemde aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat de SIEP-beslissing die aan het EAB ten grondslag ligt is ingehaald door een (samenvoegings)beslissing van een latere datum. Die samenvoegingsbeslissing is echter niet onder rubriek (b) van het EAB genoemd. Onderhavig EAB vermeldt niet de meest recente SIEP-beslissing noch het vonnis van de rechtbank van Bari. Verder heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit niet gereageerd op het verzoek om ten aanzien van het vonnis van de rechtbank van Bari alsnog een EAB uit te vaardigen. Zoals hierboven is weergegeven zijn hierover, onder andere nadat de rechtbank de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd heeft aangehouden, meermalen vragen gesteld aan de Italiaanse autoriteiten. Die vragen zijn niet beantwoord. In plaats daarvan hebben de Italiaanse autoriteiten onder verwijzing naar Kaderbesluit 2008/909/JBZ een verzoek tot erkenning van de meest recente SIEP-beslissing gestuurd aan het Nederlandse ministerie van Justitie en Veiligheid. Dit roept nieuwe vragen op nu voornoemd verzoek mede op de tenuitvoerlegging van de straf ziet waarop dit EAB ook ziet. In het licht van het voorgaande is het naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk of de vrijheidsstraf, opgelegd bij arrest van 18 maart 2013 door het hof van Cagliari, op zichzelf nog voor tenuitvoerlegging vatbaar is en daarom kan worden aangemerkt als een beslissing zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid onder c, OLW. In dit geval ziet de rechtbank geen ruimte meer om de behandeling van het EAB nogmaals aan te houden om hierover nadere vragen te stellen aan de Italiaanse autoriteiten. Er zijn immers al meermalen aanvullende vragen gesteld, zonder dat daar een antwoord op is gekomen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de overlevering moet worden geweigerd, nu niet kan worden vastgesteld of nog sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. 4 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 5 Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 2 OLW. 6 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procura Generale Della Repubblica Presso La Corte Di Appello Cagliari [Office of the General Prosecutor of the Republic at the Court of Appeal in Cagliari] , Italië. HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van opgeëiste persoon. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier voorzitter, mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 mei 2026 Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Op grond van artikel 22, eerste en vierde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Bijvoorbeeld: rb. Amsterdam 2 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3304, en rb. Amsterdam 29 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1329.