Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2026:4690
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
8,175 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4690 text/xml public 2026-05-19T13:19:17 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 13-037340-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4690 text/html public 2026-05-19T09:03:05 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4690 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 13-037340-26 Tussenuitspraak in executie-EAB uit België. Interneringsmaatregel. Aanhouding om nadere vragen te stellen om het aangenomen algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-037340-26 Datum uitspraak: 30 april 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 25 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 februari 2026 door het parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, OM bij de strafuitvoeringsrechtbank, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] (België), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.G. Vos, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt voor uitvoering vatbare vonnissen van: de Rechtbank van eerste aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Veurne, Raadkamer van 28 oktober 2014 (hierna vonnis I); de Rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 27 april 2015 (hierna vonnis II), en de Rechtbank van eerste aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Veurne, van 9 oktober 2015 (hierna vonnis III). Het EAB vermeldt verder een arrestatiebevel: vonnis KBM Gent van 25 februari 2025 tot plaatsing in penitentiair milieu (ABM Turnhout), met referentie GEINT.61/15. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een interneringsmaatregel van onbeperkte duur, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat De vonnissen betreffen de feiten zoals deze zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Ten aanzien van vonnis I en III Uit de aanvullende informatie van 13 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van vonnis II De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing. 5 Strafbaarheid 5.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten ten aanzien van vonnis I en vonnis II aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit waarvoor de overlevering ten aanzien van vonnis III wordt gevraagd niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: oplichting. 6 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden De rechtbank heeft in een uitspraak van 14 december 2022 geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Daarnaast heeft de rechtbank in een uitspraak van 5 september 2024 een algemeen gevaar aangenomen voor geïnterneerden die in afwachting zijn van een plek in een psychiatrische kliniek. Geïnterneerden die overgeleverd worden naar België verblijven in die periode (na eventueel eerst nog geplaatst te worden in een reguliere psychiatrische afdeling van een detentie-instelling) in een Afdeling tot Bescherming van de Maatschappij (hierna: ABM) die onderdeel vormen van Belgische detentie-instellingen. In zijn algemeenheid is voor die geïnterneerden onvoldoende gewaarborgd dat zij op die reguliere afdeling of ABM-afdeling een geschikte verblijfplaats krijgen die nauw aansluit bij de individuele zorgbehoeften van de geïnterneerde. De rechtbank stelt vast dat bij brief van 16 maart 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken – Centrale autoriteit, de volgende detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden geïnterneerd in de gevangenis van Turnhout. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4690 text/xml public 2026-05-19T13:19:17 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 13-037340-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4690 text/html public 2026-05-19T09:03:05 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4690 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 13-037340-26 Tussenuitspraak in executie-EAB uit België. Interneringsmaatregel. Aanhouding om nadere vragen te stellen om het aangenomen algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-037340-26 Datum uitspraak: 30 april 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 25 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 februari 2026 door het parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, OM bij de strafuitvoeringsrechtbank, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] (België), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.G. Vos, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt voor uitvoering vatbare vonnissen van: de Rechtbank van eerste aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Veurne, Raadkamer van 28 oktober 2014 (hierna vonnis I); de Rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 27 april 2015 (hierna vonnis II), en de Rechtbank van eerste aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Veurne, van 9 oktober 2015 (hierna vonnis III). Het EAB vermeldt verder een arrestatiebevel: vonnis KBM Gent van 25 februari 2025 tot plaatsing in penitentiair milieu (ABM Turnhout), met referentie GEINT.61/15. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een interneringsmaatregel van onbeperkte duur, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat De vonnissen betreffen de feiten zoals deze zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Ten aanzien van vonnis I en III Uit de aanvullende informatie van 13 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van vonnis II De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing. 5 Strafbaarheid 5.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten ten aanzien van vonnis I en vonnis II aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit waarvoor de overlevering ten aanzien van vonnis III wordt gevraagd niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: oplichting. 6 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden De rechtbank heeft in een uitspraak van 14 december 2022 geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Daarnaast heeft de rechtbank in een uitspraak van 5 september 2024 een algemeen gevaar aangenomen voor geïnterneerden die in afwachting zijn van een plek in een psychiatrische kliniek. Geïnterneerden die overgeleverd worden naar België verblijven in die periode (na eventueel eerst nog geplaatst te worden in een reguliere psychiatrische afdeling van een detentie-instelling) in een Afdeling tot Bescherming van de Maatschappij (hierna: ABM) die onderdeel vormen van Belgische detentie-instellingen. In zijn algemeenheid is voor die geïnterneerden onvoldoende gewaarborgd dat zij op die reguliere afdeling of ABM-afdeling een geschikte verblijfplaats krijgen die nauw aansluit bij de individuele zorgbehoeften van de geïnterneerde. De rechtbank stelt vast dat bij brief van 16 maart 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken – Centrale autoriteit, de volgende detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden geïnterneerd in de gevangenis van Turnhout. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
Volledig
3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Omdat de overlevering strekt tot tenuitvoerlegging van een interneringsmaatregel zijn door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 27 maart 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld, waarop op 10 april 2026 onderstaande antwoorden zijn ontvangen van de uitvaardigende justitiële autoriteit: “1. Kunt u bevestigen dat, in afwachting van plaatsing in een klinische instelling voor behandeling, [opgeëiste persoon] geplaatst zal worden in de ABM afdeling in Turnhout? a. Normaliter wordt de geïnterneerde na vatting opnieuw overgebracht naar de voorziening waar hij geplaatst was ten tijde van zijn ontvluchting. Enkel in het uitzonderlijke geval dat er geen plaats zou zijn, kan er eventueel een plaatsing worden voorzien in een andere ABM. 2. Indien een geïnterneerde in afwachting van plaatsing in een kliniek wordt gedetineerd in ABM Turnhout, welk therapeutisch aanbod staat hem daar dan ter beschikking en op welke wijze wordt daar in de praktijk uitvoering aan gegeven? a. Sinds 2007 beschikt de gevangenis over een zorgteam dat instaat voor de begeleiding van deze geïnterneerden. Zij voorzien en begeleiden activiteiten voor deze specifieke groep, zoals kooklessen, muziek-, ergo- en arbeidstherapie. Zo worden zij op hun reclassering buiten de gevangenismuren voorbereid in een aangepaste omgeving. 3. Bestaat voor geïnterneerden in België de mogelijkheid om via de rechter een behandeling in het kader van de aan hen opgelegde interneringsmaatregel af te dwingen, dan wel te bespoedigen? a. Neen. 4. De overlevering wordt gevraagd voor een interneringsmaatregel van onbepaalde duur. Zou u sectie h) van het EAB kunnen invullen en terugsturen?” Een internering is niet per definitie een levenslange straf, maar is wel onbepaald in tijd. Tijdens de internering wordt de zaak periodiek terug op zitting gebracht waarbij er beslist wordt over het vervolg van de maatregel of over een al dan niet definitieve invrijheidsstelling, hetgeen een einde maakt aan de internering.” In reactie hierop is door het IRC op 13 april 2026 nog de volgende aanvullende vraag gesteld: “In uw mail van 10 april 2026 (…) geeft u ontkennend antwoord op vraag 3. In een andere zaak, https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5466, is eenzelfde vraag gesteld. Hierin is een ander antwoord gekomen. Is hier sprake van een gewijzigd beleid?” Hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende medegedeeld: “Wat uw vraag betreft betreffende de detentieomstandigheden, heb ik daar inderdaad ontkennend op geantwoord in het kader van de strafrechterlijke procedure/interneringsprocedure. De burgerlijke procedure waar u naar verwijst, blijft een mogelijkheid. Er is dus geen veranderd beleid.” Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd en geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Voor de opgeëiste persoon bestaat namelijk een individueel gevaar van schending van grondrechten in detentie in België in afwachting van behandeling in het kader van de interneringsmaatregel in een kliniek, nu onvoldoende is gewaarborgd dat hij een geschikte verblijfplaats krijgt die nauw aansluit bij zijn individuele zorgbehoeften. De opgeëiste persoon, tegen en over wie is gezegd dat hij is uitbehandeld, zal worden geplaatst in een ABM in een penitentiaire inrichting, zal daar geen behandeling krijgen en dus enkel gedetineerd zijn, terwijl de wachttijd op de behandeling een vrijheidsbeneming inhoudt die niet is opgelegd en waarvan de duur ongewis is. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de raadsman aangehaalde informatie het algemeen gevaar onderstreept, maar dat met de aanvullende informatie, waaruit therapeutisch aanbod voor de opgeëiste persoon blijkt, het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De stelling dat de opgeëiste persoon is uitbehandeld, zodat het therapeutisch aanbod niet voor hem zou gelden, is niet onderbouwd. Verder blijkt dat tussentijdse toetsing van de interneringsmaatregel plaatsvindt. De detentieomstandigheden vormen daarom geen belemmering voor overlevering. Het oordeel van de rechtbank In deze zaak beschikt de rechtbank over voornoemde detentiegarantie die ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt en de aanvullende informatie van 10 en 13 april 2026. De rechtbank is van oordeel dat die informatie niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat het eerder vastgestelde algemene gevaar is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Hiervoor is het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in de ABM van Turnhout zal worden geplaatst. Op grond van de aanvullende informatie van 10 april 2026 stelt de rechtbank vast dat in de ABM in Turnhout een zorgteam aanwezig is dat kooklessen, muziek-, ergo- en arbeidstherapie aanbiedt. Uit deze zeer summiere omschrijving van het zorgaanbod kan de rechtbank niet afleiden of in de ABM Turnhout kan worden voorzien in de behandeling ten aanzien van specifiek bij de opgeëiste persoon spelende psychi(atri)sche problematiek. De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak de overlevering toegestaan ten behoeve van een opgeëiste persoon die na overlevering in de ABM in Turnhout zou worden gedetineerd. In die zaak zijn uitgebreide, concrete garanties gegeven ten aanzien van het therapeutisch aanbod dat daadwerkelijk aan de opgeëiste persoon ter beschikking zou komen te staan, met inachtneming van de specifieke psychiatrische- en/of persoonlijkheidsproblematiek. Die garanties zijn vervolgens door de rechtbank als afdoende beoordeeld. Nu dergelijke garanties in deze zaak ontbreken zal de rechtbank de behandeling van onderhavige zaak heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om na te gaan of het omschreven therapeutisch aanbod in de zaak waarin de rechtbank de overlevering eerder heeft toegestaan, ook voor de opgeëiste persoon beschikbaar is voor zover zijn specifieke problematiek daarom zou vragen. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging op zitting af op 5 mei 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn verlengen met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen te stellen zoals hiervoor onder 6 is overwogen en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland uiterlijk 2 weken voor 4 juni 2026, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn; VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet over de verzochte overlevering met 30 dagen (eindigend op 4 juni 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen, onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier voorzitter, mrs. E. de Rooij en C.M.S.
Volledig
3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Omdat de overlevering strekt tot tenuitvoerlegging van een interneringsmaatregel zijn door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 27 maart 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld, waarop op 10 april 2026 onderstaande antwoorden zijn ontvangen van de uitvaardigende justitiële autoriteit: “1. Kunt u bevestigen dat, in afwachting van plaatsing in een klinische instelling voor behandeling, [opgeëiste persoon] geplaatst zal worden in de ABM afdeling in Turnhout? a. Normaliter wordt de geïnterneerde na vatting opnieuw overgebracht naar de voorziening waar hij geplaatst was ten tijde van zijn ontvluchting. Enkel in het uitzonderlijke geval dat er geen plaats zou zijn, kan er eventueel een plaatsing worden voorzien in een andere ABM. 2. Indien een geïnterneerde in afwachting van plaatsing in een kliniek wordt gedetineerd in ABM Turnhout, welk therapeutisch aanbod staat hem daar dan ter beschikking en op welke wijze wordt daar in de praktijk uitvoering aan gegeven? a. Sinds 2007 beschikt de gevangenis over een zorgteam dat instaat voor de begeleiding van deze geïnterneerden. Zij voorzien en begeleiden activiteiten voor deze specifieke groep, zoals kooklessen, muziek-, ergo- en arbeidstherapie. Zo worden zij op hun reclassering buiten de gevangenismuren voorbereid in een aangepaste omgeving. 3. Bestaat voor geïnterneerden in België de mogelijkheid om via de rechter een behandeling in het kader van de aan hen opgelegde interneringsmaatregel af te dwingen, dan wel te bespoedigen? a. Neen. 4. De overlevering wordt gevraagd voor een interneringsmaatregel van onbepaalde duur. Zou u sectie h) van het EAB kunnen invullen en terugsturen?” Een internering is niet per definitie een levenslange straf, maar is wel onbepaald in tijd. Tijdens de internering wordt de zaak periodiek terug op zitting gebracht waarbij er beslist wordt over het vervolg van de maatregel of over een al dan niet definitieve invrijheidsstelling, hetgeen een einde maakt aan de internering.” In reactie hierop is door het IRC op 13 april 2026 nog de volgende aanvullende vraag gesteld: “In uw mail van 10 april 2026 (…) geeft u ontkennend antwoord op vraag 3. In een andere zaak, https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5466, is eenzelfde vraag gesteld. Hierin is een ander antwoord gekomen. Is hier sprake van een gewijzigd beleid?” Hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende medegedeeld: “Wat uw vraag betreft betreffende de detentieomstandigheden, heb ik daar inderdaad ontkennend op geantwoord in het kader van de strafrechterlijke procedure/interneringsprocedure. De burgerlijke procedure waar u naar verwijst, blijft een mogelijkheid. Er is dus geen veranderd beleid.” Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd en geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Voor de opgeëiste persoon bestaat namelijk een individueel gevaar van schending van grondrechten in detentie in België in afwachting van behandeling in het kader van de interneringsmaatregel in een kliniek, nu onvoldoende is gewaarborgd dat hij een geschikte verblijfplaats krijgt die nauw aansluit bij zijn individuele zorgbehoeften. De opgeëiste persoon, tegen en over wie is gezegd dat hij is uitbehandeld, zal worden geplaatst in een ABM in een penitentiaire inrichting, zal daar geen behandeling krijgen en dus enkel gedetineerd zijn, terwijl de wachttijd op de behandeling een vrijheidsbeneming inhoudt die niet is opgelegd en waarvan de duur ongewis is. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de raadsman aangehaalde informatie het algemeen gevaar onderstreept, maar dat met de aanvullende informatie, waaruit therapeutisch aanbod voor de opgeëiste persoon blijkt, het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De stelling dat de opgeëiste persoon is uitbehandeld, zodat het therapeutisch aanbod niet voor hem zou gelden, is niet onderbouwd. Verder blijkt dat tussentijdse toetsing van de interneringsmaatregel plaatsvindt. De detentieomstandigheden vormen daarom geen belemmering voor overlevering. Het oordeel van de rechtbank In deze zaak beschikt de rechtbank over voornoemde detentiegarantie die ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt en de aanvullende informatie van 10 en 13 april 2026. De rechtbank is van oordeel dat die informatie niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat het eerder vastgestelde algemene gevaar is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Hiervoor is het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in de ABM van Turnhout zal worden geplaatst. Op grond van de aanvullende informatie van 10 april 2026 stelt de rechtbank vast dat in de ABM in Turnhout een zorgteam aanwezig is dat kooklessen, muziek-, ergo- en arbeidstherapie aanbiedt. Uit deze zeer summiere omschrijving van het zorgaanbod kan de rechtbank niet afleiden of in de ABM Turnhout kan worden voorzien in de behandeling ten aanzien van specifiek bij de opgeëiste persoon spelende psychi(atri)sche problematiek. De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak de overlevering toegestaan ten behoeve van een opgeëiste persoon die na overlevering in de ABM in Turnhout zou worden gedetineerd. In die zaak zijn uitgebreide, concrete garanties gegeven ten aanzien van het therapeutisch aanbod dat daadwerkelijk aan de opgeëiste persoon ter beschikking zou komen te staan, met inachtneming van de specifieke psychiatrische- en/of persoonlijkheidsproblematiek. Die garanties zijn vervolgens door de rechtbank als afdoende beoordeeld. Nu dergelijke garanties in deze zaak ontbreken zal de rechtbank de behandeling van onderhavige zaak heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om na te gaan of het omschreven therapeutisch aanbod in de zaak waarin de rechtbank de overlevering eerder heeft toegestaan, ook voor de opgeëiste persoon beschikbaar is voor zover zijn specifieke problematiek daarom zou vragen. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging op zitting af op 5 mei 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn verlengen met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen te stellen zoals hiervoor onder 6 is overwogen en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland uiterlijk 2 weken voor 4 juni 2026, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn; VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet over de verzochte overlevering met 30 dagen (eindigend op 4 juni 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen, onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier voorzitter, mrs. E. de Rooij en C.M.S.