Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-01
ECLI:NL:RBAMS:2026:4684
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,169 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4684 text/xml public 2026-05-19T08:47:10 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-01 13/222243-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4684 text/html public 2026-05-15T14:09:32 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4684 Rechtbank Amsterdam , 01-05-2026 / 13/222243-25 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. Sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. TBS-maatregel met voorwaarden en een gevangenisstraf voor de duur van 265 dagen. Rechtbank is van oordeel dat de nadruk van de straf moet liggen op de behandleing van verdachte ter voorkoming van recidive. Ongemaximeerde TBS in geval van omzetting. Dadelijke uitvoerbaarheid. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, afgewogen tegen de ernst van het bewezenverklaarde feit, beveelt de rechtbank niet dat verdachte na afloop van het bij deze uitspraak opgelegde intensieve (gedwongen) behandelingstraject van de tbs met voorwaarden ook nog de GVM maatregel zal worden opgelegd. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/222243-25 Datum uitspraak: 1 mei 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2004, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres]. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, als deskundige gehoord. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 10 augustus 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. 4.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen (bewijs) verweer gevoerd. 4.3. Oordeel van de rechtbank Aangezien verdachte het feit heeft bekend en door de raadsman geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank - met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering - met een opsomming van de bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 17 april 2026; een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2025199061-2 van 10 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1], doorgenummerde pag. 014-016; een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict met nummer PL1300-2025199061-13 van 15 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4], doorgenummerde pag. 41-45. 4.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: op 10 augustus 2025 te Amsterdam, opzettelijk brand heeft gesticht, door een voorwerp in een algemene ruimte (de comfort room) van [GGZ-instelling] (locatie [adres]) in brand te steken, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten de goederen in [GGZ-instelling] (locatie [adres]), te duchten was, en - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners en medewerkers van [GGZ-instelling] (locatie [adres]) te duchten was. 5 De strafbaarheid van het feit en van verdachte Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn Pro Justitia-rapportages opgemaakt over verdachte die hierna onder rubriek 6 behandeld worden. Uit die rapportages volgt dat verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de delicten. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 6 De op te leggen straf en maatregel 6.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast moet aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden worden opgelegd met dadelijke uitvoerbaarheid. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (hierna: GVM) zoals bedoeld in artikel 38z van het wetboek van strafrecht (Sr) op te leggen. 6.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich niet verzet tegen de oplegging van een tbs met voorwaarden. Hij heeft verzocht om aan verdachte daarnaast een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overschrijdt, zodat verdachte zo snel mogelijk behandeld kan worden. De raadsman heeft verzocht om de GVM niet op te leggen. 6.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van het feit Verdachte heeft brand gesticht in een algemene kamer van [GGZ-instelling], waar hij op dat moment verbleef. Daarmee heeft verdachte schade aangericht en is ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor medepatiënten en het aanwezige personeel van [GGZ-instelling] te duchten geweest. De brandstichting heeft voor grote onrust en overlast voor het personeel en de patiënten gezorgd. Het personeel was genoodzaakt om alle aanwezigen te evacueren. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 9 maart 2026, opgesteld door drs. S. Lemmens, orthopedagoog generalist, onder supervisie van drs. M.J.E. van Kempen, NRGD-geregistreerd psycholoog en een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 2 maart 2026, opgesteld door Dr. J. van der Meer, psychiater. De psycholoog komt – kort gezegd – tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van ernstige psychiatrische problematiek binnen het schizofreniespectrum, in combinatie met middelenproblematiek en persoonlijkheidskenmerken met externaliserende en normoverschrijdende trekken. De invloed van de psychiatrische problematiek manifesteerde zich ten tijde van het ten laste gelegde in een combinatie van beperkte emotieregulatie, verhoogde prikkelgevoeligheid en een verminderd vermogen tot overzicht en gedragssturing. Daarnaast speelden antisociale trekken een rol, waaronder een lage frustratietolerantie, externaliseren van verantwoordelijkheid en een beperkte gevoeligheid voor sociale normen en gevolgen voor anderen.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4684 text/xml public 2026-05-19T08:47:10 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-01 13/222243-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4684 text/html public 2026-05-15T14:09:32 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4684 Rechtbank Amsterdam , 01-05-2026 / 13/222243-25 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. Sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. TBS-maatregel met voorwaarden en een gevangenisstraf voor de duur van 265 dagen. Rechtbank is van oordeel dat de nadruk van de straf moet liggen op de behandleing van verdachte ter voorkoming van recidive. Ongemaximeerde TBS in geval van omzetting. Dadelijke uitvoerbaarheid. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, afgewogen tegen de ernst van het bewezenverklaarde feit, beveelt de rechtbank niet dat verdachte na afloop van het bij deze uitspraak opgelegde intensieve (gedwongen) behandelingstraject van de tbs met voorwaarden ook nog de GVM maatregel zal worden opgelegd. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/222243-25 Datum uitspraak: 1 mei 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2004, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres]. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, als deskundige gehoord. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 10 augustus 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. 4.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen (bewijs) verweer gevoerd. 4.3. Oordeel van de rechtbank Aangezien verdachte het feit heeft bekend en door de raadsman geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank - met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering - met een opsomming van de bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 17 april 2026; een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2025199061-2 van 10 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1], doorgenummerde pag. 014-016; een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict met nummer PL1300-2025199061-13 van 15 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4], doorgenummerde pag. 41-45. 4.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: op 10 augustus 2025 te Amsterdam, opzettelijk brand heeft gesticht, door een voorwerp in een algemene ruimte (de comfort room) van [GGZ-instelling] (locatie [adres]) in brand te steken, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten de goederen in [GGZ-instelling] (locatie [adres]), te duchten was, en - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners en medewerkers van [GGZ-instelling] (locatie [adres]) te duchten was. 5 De strafbaarheid van het feit en van verdachte Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn Pro Justitia-rapportages opgemaakt over verdachte die hierna onder rubriek 6 behandeld worden. Uit die rapportages volgt dat verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de delicten. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 6 De op te leggen straf en maatregel 6.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast moet aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden worden opgelegd met dadelijke uitvoerbaarheid. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (hierna: GVM) zoals bedoeld in artikel 38z van het wetboek van strafrecht (Sr) op te leggen. 6.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich niet verzet tegen de oplegging van een tbs met voorwaarden. Hij heeft verzocht om aan verdachte daarnaast een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overschrijdt, zodat verdachte zo snel mogelijk behandeld kan worden. De raadsman heeft verzocht om de GVM niet op te leggen. 6.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van het feit Verdachte heeft brand gesticht in een algemene kamer van [GGZ-instelling], waar hij op dat moment verbleef. Daarmee heeft verdachte schade aangericht en is ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor medepatiënten en het aanwezige personeel van [GGZ-instelling] te duchten geweest. De brandstichting heeft voor grote onrust en overlast voor het personeel en de patiënten gezorgd. Het personeel was genoodzaakt om alle aanwezigen te evacueren. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 9 maart 2026, opgesteld door drs. S. Lemmens, orthopedagoog generalist, onder supervisie van drs. M.J.E. van Kempen, NRGD-geregistreerd psycholoog en een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 2 maart 2026, opgesteld door Dr. J. van der Meer, psychiater. De psycholoog komt – kort gezegd – tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van ernstige psychiatrische problematiek binnen het schizofreniespectrum, in combinatie met middelenproblematiek en persoonlijkheidskenmerken met externaliserende en normoverschrijdende trekken. De invloed van de psychiatrische problematiek manifesteerde zich ten tijde van het ten laste gelegde in een combinatie van beperkte emotieregulatie, verhoogde prikkelgevoeligheid en een verminderd vermogen tot overzicht en gedragssturing. Daarnaast speelden antisociale trekken een rol, waaronder een lage frustratietolerantie, externaliseren van verantwoordelijkheid en een beperkte gevoeligheid voor sociale normen en gevolgen voor anderen.
Volledig
De psycholoog adviseert om het bewezenverklaarde in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psychiater heeft – kort gezegd – vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie en van stoornissen in het gebruik van cannabis en XTC. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van genoemde stoornissen. Er zijn aanwijzingen dat bij verdachte sprake was van denkstoornissen doordat de dosering van zijn medicatie was verlaagd tijdens een opname in het KIB en er (mogelijk) verhoogd associatief denken was. Daarnaast waren er negatieve verschijnselen van schizofrenie, waardoor verdachte minder goed kon omgaan met de frustraties als gevolg van zijn chronische psychiatrische stoornis en het vooruitzicht om langdurig klinisch te worden behandeld. Dit zal zijn versterkt door het gebruik van XTC en de hierop volgende ‘XTC-dip’ die door verdachte wordt beschreven. De psychiater adviseert om het bewezenverklaarde in verminderde mate (op een driepuntschaal) aan verdachte toe te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de rapporten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies over de toerekenbaarheid van het feit aan de verdachte gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt gelet hierop de conclusies van de gedragsdeskundigen over en maakt die tot de hare, met dien verstande dat de rechtbank - alles in onderling verband en samenhang bezien - tot het oordeel komt dat het feit in sterk verminderde mate aan de verdachte dient te worden toegerekend. TBS met voorwaarden Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat het risico op hernieuwd ontregelend gedrag met veiligheidsrisico’s als hoog wordt ingeschat, gelet op de vastgestelde psychiatrische problematiek in combinatie met beperkte emotieregulatie, cognitieve kwetsbaarheden en een voorgeschiedenis van middelengebruik en herhaalde psychiatrische ontregelingen. Verdachte heeft beperkt ziekte- en probleeminzicht en heeft moeite om zich zelfstandig aan afspraken, behandeling en middelenabstinentie te houden. Bij afname van externe structuur en toezicht ontstaat een verhoogd risico op psychiatrische ontregeling, middelengebruik en risicovol gedrag. Gezien de ernstige psychiatrische kwetsbaarheid en de beperkte zelfregulatie is behandeling nodig die niet alleen gericht is op psychiatrische stabilisatie en herstel, maar ook op bescherming en risicobeheersing. De behandeling dient zich te richten op het bevorderen van medicatietrouw, middelenabstinentie en het versterken van emotieregulatie en gedragscontrole. Daarbij zijn langdurige externe structuur, intensieve begeleiding, duidelijke begrenzing en monitoring van middelengebruik en medicatie noodzakelijk. Gezien de complexiteit van de problematiek en de beperkte mogelijkheden van verdachte om het eigen gedrag zelfstandig te reguleren en zich aan afspraken en voorwaarden te houden, is een klinische behandeling binnen een forensisch psychiatrische kliniek met een hoger beveiligingsniveau dan de reguliere GGZ aangewezen. De interventies kunnen het best worden gerealiseerd binnen het kader van een TBS met voorwaarden, met opname in een forensisch psychiatrische kliniek (FPK). De psychiater heeft gerapporteerd dat het risico op recidive laag tot matig wordt ingeschat als verdachte zijn mediatie in de huidige dosering blijft gebruiken, abstinent is van middelengebruik en in een kliniek wordt behandeld. Het risico wordt hoog als de medicatie wordt veranderd, als het drugsgebruik wordt hervat of als de behandeling volledig wordt gestaakt. Om het risico op recidive te verlagen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen is het nodig dat de positieve symptomen van schizofrenie volledig in remissie blijven en hiervoor is behandeling met medicatie nodig. Dit behandeldoel is in detentie al bereikt, maar het is noodzakelijk dat verdachte de medicatie blijft gebruiken. Verder is het nodig dat het middelengebruik gestaakt blijft, omdat dit psychotische verschijnselen kan versterken. Voor de negatieve verschijnselen van schizofrenie bestaat geen effectieve behandeling, maar het richten op structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid kan helpen om ervoor te zorgen dat verdachte minder last heeft van de negatieve verschijnselen van schizofrenie. Verdachte werkt inmiddels gemotiveerd aan zijn behandeling mee en neemt in detentie het depot zonder problemen. Behandeling kan moeilijk zijn als er onvrede en frustratie is over de sombere toekomstvooruitzichten. Er is een langdurige behandeling nodig, waar recidivepreventie een onderdeel van moet zijn. Gelet op het feit dat er tijdens de behandeling in de GGZ gedragsproblemen waren, het moeilijk was om het drugsgebruik gestaakt te houden en het bewezenverklaarde niet kon voorkomen is het niet realistisch dat behandeling op basis van een zorgmachtiging afdoende zal zijn om recidive te voorkomen. Het advies is om de tbs maatregel met voorwaarden op te leggen. De reclassering heeft naar aanleiding van de Pro Justitia-rapportages gerapporteerd over de uitvoerbaarheid van de geadviseerde maatregel. Uit het rapport van GGZ Verslavingsreclassering Nederland van 3 april 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker], blijkt dat de reclassering voorzichtig positief adviseert over TBS met voorwaarden. Die voorzichtigheid zit met name in de zorgen (op basis van ervaringen uit het verleden) of verdachte in staat zal zijn zich langdurig aan voorwaarden te houden, zoals abstinentie van middelen en of hij medicatietrouw zal blijven, met name wanneer hij meer bewegingsvrijheid zal krijgen en in minder gestructureerde settingen zal verblijven. De reclassering heeft bijzondere voorwaarden opgesteld, waarvan verdachte heeft gezegd zich daaraan te willen houden. Daarnaast heeft de reclassering geadviseerd om de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de GVM van artikel 38z Sr aan verdachte op te leggen. Middels de GVM kunnen na de beëindiging van de tbs-maatregel gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast worden. Ter terechtzitting is reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] als deskundige gehoord. Zij heeft de informatie uit het rapport bevestigd en waar nodig nader toegelicht. De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts vereist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de oplegging van deze maatregel. De rechtbank heeft overwogen of een bevel als bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht (verpleging van overheidswege) moet worden gegeven, of dat kan worden volstaan met het stellen van voorwaarden. De psychiater heeft gerapporteerd dat tbs met dwangverpleging niet geïndiceerd is, omdat verdachte bereid is om mee te werken aan behandeling en dit momenteel in detentie ook doet. Daarnaast wordt het beveiligingsniveau van een FPK voldoende geacht en is de verwachting dat de klinische behandeling ook weer niet langdurig klinisch op het niveau van een FPK hoeft plaats te vinden. De psychose is momenteel immers in remissie en het drugsgebruik is gestaakt. Ook de psycholoog vindt dat een tbs met voorwaarden het meest passende kader voor verdachte is. Dwangverpleging wordt onder de omstandigheden niet proportioneel geacht en een FPK wordt op dit moment als voldoende beschermend ingeschat. Bijkomend voordeel is dat verdachte, anders dan bij een tbs met dwangverpleging, niet eerst een aanzienlijke periode in detentie moet overbruggen voordat daadwerkelijke behandeling kan starten. Gezien de ernstige psychiatrische kwetsbaarheid van verdachte wordt een dergelijke situatie onwenselijk geacht. Alles overwegende, is de rechtbank van oordeel dat tbs met voorwaarden passend en geboden is en zal zij dit opleggen.
Volledig
De psycholoog adviseert om het bewezenverklaarde in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psychiater heeft – kort gezegd – vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie en van stoornissen in het gebruik van cannabis en XTC. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van genoemde stoornissen. Er zijn aanwijzingen dat bij verdachte sprake was van denkstoornissen doordat de dosering van zijn medicatie was verlaagd tijdens een opname in het KIB en er (mogelijk) verhoogd associatief denken was. Daarnaast waren er negatieve verschijnselen van schizofrenie, waardoor verdachte minder goed kon omgaan met de frustraties als gevolg van zijn chronische psychiatrische stoornis en het vooruitzicht om langdurig klinisch te worden behandeld. Dit zal zijn versterkt door het gebruik van XTC en de hierop volgende ‘XTC-dip’ die door verdachte wordt beschreven. De psychiater adviseert om het bewezenverklaarde in verminderde mate (op een driepuntschaal) aan verdachte toe te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de rapporten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies over de toerekenbaarheid van het feit aan de verdachte gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt gelet hierop de conclusies van de gedragsdeskundigen over en maakt die tot de hare, met dien verstande dat de rechtbank - alles in onderling verband en samenhang bezien - tot het oordeel komt dat het feit in sterk verminderde mate aan de verdachte dient te worden toegerekend. TBS met voorwaarden Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat het risico op hernieuwd ontregelend gedrag met veiligheidsrisico’s als hoog wordt ingeschat, gelet op de vastgestelde psychiatrische problematiek in combinatie met beperkte emotieregulatie, cognitieve kwetsbaarheden en een voorgeschiedenis van middelengebruik en herhaalde psychiatrische ontregelingen. Verdachte heeft beperkt ziekte- en probleeminzicht en heeft moeite om zich zelfstandig aan afspraken, behandeling en middelenabstinentie te houden. Bij afname van externe structuur en toezicht ontstaat een verhoogd risico op psychiatrische ontregeling, middelengebruik en risicovol gedrag. Gezien de ernstige psychiatrische kwetsbaarheid en de beperkte zelfregulatie is behandeling nodig die niet alleen gericht is op psychiatrische stabilisatie en herstel, maar ook op bescherming en risicobeheersing. De behandeling dient zich te richten op het bevorderen van medicatietrouw, middelenabstinentie en het versterken van emotieregulatie en gedragscontrole. Daarbij zijn langdurige externe structuur, intensieve begeleiding, duidelijke begrenzing en monitoring van middelengebruik en medicatie noodzakelijk. Gezien de complexiteit van de problematiek en de beperkte mogelijkheden van verdachte om het eigen gedrag zelfstandig te reguleren en zich aan afspraken en voorwaarden te houden, is een klinische behandeling binnen een forensisch psychiatrische kliniek met een hoger beveiligingsniveau dan de reguliere GGZ aangewezen. De interventies kunnen het best worden gerealiseerd binnen het kader van een TBS met voorwaarden, met opname in een forensisch psychiatrische kliniek (FPK). De psychiater heeft gerapporteerd dat het risico op recidive laag tot matig wordt ingeschat als verdachte zijn mediatie in de huidige dosering blijft gebruiken, abstinent is van middelengebruik en in een kliniek wordt behandeld. Het risico wordt hoog als de medicatie wordt veranderd, als het drugsgebruik wordt hervat of als de behandeling volledig wordt gestaakt. Om het risico op recidive te verlagen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen is het nodig dat de positieve symptomen van schizofrenie volledig in remissie blijven en hiervoor is behandeling met medicatie nodig. Dit behandeldoel is in detentie al bereikt, maar het is noodzakelijk dat verdachte de medicatie blijft gebruiken. Verder is het nodig dat het middelengebruik gestaakt blijft, omdat dit psychotische verschijnselen kan versterken. Voor de negatieve verschijnselen van schizofrenie bestaat geen effectieve behandeling, maar het richten op structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid kan helpen om ervoor te zorgen dat verdachte minder last heeft van de negatieve verschijnselen van schizofrenie. Verdachte werkt inmiddels gemotiveerd aan zijn behandeling mee en neemt in detentie het depot zonder problemen. Behandeling kan moeilijk zijn als er onvrede en frustratie is over de sombere toekomstvooruitzichten. Er is een langdurige behandeling nodig, waar recidivepreventie een onderdeel van moet zijn. Gelet op het feit dat er tijdens de behandeling in de GGZ gedragsproblemen waren, het moeilijk was om het drugsgebruik gestaakt te houden en het bewezenverklaarde niet kon voorkomen is het niet realistisch dat behandeling op basis van een zorgmachtiging afdoende zal zijn om recidive te voorkomen. Het advies is om de tbs maatregel met voorwaarden op te leggen. De reclassering heeft naar aanleiding van de Pro Justitia-rapportages gerapporteerd over de uitvoerbaarheid van de geadviseerde maatregel. Uit het rapport van GGZ Verslavingsreclassering Nederland van 3 april 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker], blijkt dat de reclassering voorzichtig positief adviseert over TBS met voorwaarden. Die voorzichtigheid zit met name in de zorgen (op basis van ervaringen uit het verleden) of verdachte in staat zal zijn zich langdurig aan voorwaarden te houden, zoals abstinentie van middelen en of hij medicatietrouw zal blijven, met name wanneer hij meer bewegingsvrijheid zal krijgen en in minder gestructureerde settingen zal verblijven. De reclassering heeft bijzondere voorwaarden opgesteld, waarvan verdachte heeft gezegd zich daaraan te willen houden. Daarnaast heeft de reclassering geadviseerd om de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de GVM van artikel 38z Sr aan verdachte op te leggen. Middels de GVM kunnen na de beëindiging van de tbs-maatregel gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast worden. Ter terechtzitting is reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] als deskundige gehoord. Zij heeft de informatie uit het rapport bevestigd en waar nodig nader toegelicht. De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts vereist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de oplegging van deze maatregel. De rechtbank heeft overwogen of een bevel als bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht (verpleging van overheidswege) moet worden gegeven, of dat kan worden volstaan met het stellen van voorwaarden. De psychiater heeft gerapporteerd dat tbs met dwangverpleging niet geïndiceerd is, omdat verdachte bereid is om mee te werken aan behandeling en dit momenteel in detentie ook doet. Daarnaast wordt het beveiligingsniveau van een FPK voldoende geacht en is de verwachting dat de klinische behandeling ook weer niet langdurig klinisch op het niveau van een FPK hoeft plaats te vinden. De psychose is momenteel immers in remissie en het drugsgebruik is gestaakt. Ook de psycholoog vindt dat een tbs met voorwaarden het meest passende kader voor verdachte is. Dwangverpleging wordt onder de omstandigheden niet proportioneel geacht en een FPK wordt op dit moment als voldoende beschermend ingeschat. Bijkomend voordeel is dat verdachte, anders dan bij een tbs met dwangverpleging, niet eerst een aanzienlijke periode in detentie moet overbruggen voordat daadwerkelijke behandeling kan starten. Gezien de ernstige psychiatrische kwetsbaarheid van verdachte wordt een dergelijke situatie onwenselijk geacht. Alles overwegende, is de rechtbank van oordeel dat tbs met voorwaarden passend en geboden is en zal zij dit opleggen.
Volledig
De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met voorwaarden. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling. Ook de verdachte heeft aangegeven de noodzaak van behandeling in te zien. Straf Naast voornoemde maatregel veroordeelt de rechtbank verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 265 dagen, met aftrek van voorarrest. De gevangenisstraf is daarmee gelijk aan het al ondergane voorarrest. De rechtbank wijkt hierbij af van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de nadruk van de straf moet liggen op de behandeling van verdachte ter voorkoming van recidive. Bij deze beslissing weegt de rechtbank mee dat het feit in sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend en de verwachting is dat verdachte een intensieve en langdurige behandelperiode tegemoet gaat. Ongemaximeerde tbs in geval van omzetting De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten brandstichting. De maatregel kan daarom bij omzetting naar tbs met dwangverpleging langer duren dan vier jaar. Dadelijke uitvoerbaarheid Er moet rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, indien hij niet behandeld wordt. De rechtbank zal om die reden de maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren op grond van artikel 38 lid 6 van het Wetboek van Strafrecht. Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr) Op grond van artikel 38z Sr kan de rechtbank ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, aan verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen indien die verdachte bij die rechterlijke uitspraak ter beschikking wordt gesteld (lid 1 onder a) dan wel wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een gevangenisstraf waarvan een gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd, wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (lid 1 onder b). De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een dergelijke GVM wordt opgelegd. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen GVM moet worden opgelegd. Tbs met voorwaarden is al een zeer ingrijpende maatregel en het na afloop daarvan opleggen van een GVM is, mede gezien de jonge leeftijd van verdachte, disproportioneel en niet noodzakelijk. Indien na afloop van de maatregel aanleiding bestaat om op enige wijze toezicht te blijven houden op verdachte, dan bestaat er immers de mogelijkheid van de zorgmachtiging. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, afgewogen tegen de ernst van het bewezenverklaarde feit, zal de rechtbank niet bevelen dat verdachte na afloop van het bij deze uitspraak opgelegde intensieve (gedwongen) behandelingstraject van de tbs met voorwaarden ook nog de GVM maatregel wordt opgelegd. De verwachting dat daartoe nog een noodzaak aanwezig zal zijn, is niet concreet geworden. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal, conform het verzoek van de raadsman, bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling binnen een forensische kliniek zal worden opgenomen. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de tbs-maatregel zijn verbonden. Die schorsing houdt verband met de tevens op te leggen dadelijk uitvoerbare tbs-maatregel met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.4.3 en 6.5. 7 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38, 38a en 157 van het Wetboek van Strafrecht. 8 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 265 dagen . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Gelast dat veroordeelde ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden: 1) Geen strafbaar feit plegen Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit. 2) Meewerken aan reclasseringstoezicht Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in: a. Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is. b. Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen. c. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden. d. Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid. e. Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken. f. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners. g. Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering. h. Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht. 3)Meewerken aan time-out Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar. 4) Niet naar het buitenland Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering. 5) Opneming in een zorginstelling Veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door een nader te bepalen forensische kliniek (FPK) of andere zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals door de gedragsdeskundigen en/of behandelaar nodig wordt bevonden.
Volledig
De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met voorwaarden. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling. Ook de verdachte heeft aangegeven de noodzaak van behandeling in te zien. Straf Naast voornoemde maatregel veroordeelt de rechtbank verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 265 dagen, met aftrek van voorarrest. De gevangenisstraf is daarmee gelijk aan het al ondergane voorarrest. De rechtbank wijkt hierbij af van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de nadruk van de straf moet liggen op de behandeling van verdachte ter voorkoming van recidive. Bij deze beslissing weegt de rechtbank mee dat het feit in sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend en de verwachting is dat verdachte een intensieve en langdurige behandelperiode tegemoet gaat. Ongemaximeerde tbs in geval van omzetting De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten brandstichting. De maatregel kan daarom bij omzetting naar tbs met dwangverpleging langer duren dan vier jaar. Dadelijke uitvoerbaarheid Er moet rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, indien hij niet behandeld wordt. De rechtbank zal om die reden de maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren op grond van artikel 38 lid 6 van het Wetboek van Strafrecht. Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr) Op grond van artikel 38z Sr kan de rechtbank ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, aan verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen indien die verdachte bij die rechterlijke uitspraak ter beschikking wordt gesteld (lid 1 onder a) dan wel wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een gevangenisstraf waarvan een gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd, wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (lid 1 onder b). De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een dergelijke GVM wordt opgelegd. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen GVM moet worden opgelegd. Tbs met voorwaarden is al een zeer ingrijpende maatregel en het na afloop daarvan opleggen van een GVM is, mede gezien de jonge leeftijd van verdachte, disproportioneel en niet noodzakelijk. Indien na afloop van de maatregel aanleiding bestaat om op enige wijze toezicht te blijven houden op verdachte, dan bestaat er immers de mogelijkheid van de zorgmachtiging. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, afgewogen tegen de ernst van het bewezenverklaarde feit, zal de rechtbank niet bevelen dat verdachte na afloop van het bij deze uitspraak opgelegde intensieve (gedwongen) behandelingstraject van de tbs met voorwaarden ook nog de GVM maatregel wordt opgelegd. De verwachting dat daartoe nog een noodzaak aanwezig zal zijn, is niet concreet geworden. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal, conform het verzoek van de raadsman, bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling binnen een forensische kliniek zal worden opgenomen. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de tbs-maatregel zijn verbonden. Die schorsing houdt verband met de tevens op te leggen dadelijk uitvoerbare tbs-maatregel met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.4.3 en 6.5. 7 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38, 38a en 157 van het Wetboek van Strafrecht. 8 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 265 dagen . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Gelast dat veroordeelde ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden: 1) Geen strafbaar feit plegen Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit. 2) Meewerken aan reclasseringstoezicht Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in: a. Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is. b. Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen. c. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden. d. Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid. e. Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken. f. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners. g. Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering. h. Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht. 3)Meewerken aan time-out Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar. 4) Niet naar het buitenland Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering. 5) Opneming in een zorginstelling Veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door een nader te bepalen forensische kliniek (FPK) of andere zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals door de gedragsdeskundigen en/of behandelaar nodig wordt bevonden.