Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-26
ECLI:NL:RBAMS:2026:4619
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,538 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:4619 text/xml public 2026-05-12T11:59:17 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-26 11219697 \ CV EXPL 24-9023 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4619 text/html public 2026-05-12T11:58:33 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4619 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2026 / 11219697 \ CV EXPL 24-9023 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Meerdere oneerlijke bedingen. Uitleg over oneerlijkheidstoets en doel Richtlijn 93/13 EG. Alleen hoofdsom toegewezen. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11219697 \ CV EXPL 24-9023 Vonnis van 26 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LEKKERLEASEN.NL B.V. , gevestigd te Rotterdam, eisende partij, gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 29 januari 2026, - de akte van eisende partij, met producties. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld om twee ontbrekende facturen te overleggen, zich uit te laten over de inhoud van die facturen en de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan die onderdelen van de vordering ten grondslag liggen, zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen die ten grondslag liggen aan de hogere leaseprijs die maandelijks in rekening wordt gebracht, de gestelde schades aan de auto te onderbouwen met een schaderapport en zich uit te laten over de door de kantonrechter als oneerlijk aangemerkte bedingen over rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, alsmede over de gevolgen van het buiten toepassing laten daarvan. 2.2. Eisende partij heeft de ontbrekende twee facturen overgelegd. Eén daarvan is een maandfactuur en de andere een kilometerafrekening. 2.3. Aan de verhoging van de maandelijkse leaseprijs ligt artikel 5.2 en 5.4 van de algemene voorwaarden ten grondslag. Het beding dat aan de verhoging van de leaseprijs ten grondslag ligt is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wijzigingen in de houderschapsbelasting buiten de invloedsfeer van eisende partij liggen en niet vooraf voorzienbaar waren of konden worden verdisconteerd in de leaseprijs. Het beding zorgt niet voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen. Nu de gevorderde onbetaald gelaten leasetermijnen met inachtneming van het tussenvonnis overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zijn deze toewijsbaar. 2.4. De schade heeft eisende partij genoegzaam onderbouwd met een schaderapport, voorzien van foto’s. 2.5. Over de bedingen die de kantonrechter als oneerlijk heeft aangemerkt, heeft eisende partij aangevoerd dat van oneerlijkheid geen sprake is. Voor wat betreft het in rekening brengen van rente heeft eisende partij zich altijd gebaseerd op de wet. Wat in de algemene voorwaarden is bepaald over de incassokosten wijkt niet af van de wet. Het is ook niet redelijk als de incassokosten voor rekening van eisende partij blijven. Over het beding over de gerechtelijke kosten (proceskosten) heeft eisende partij zich bij akte niet uitgelaten. 2.6. Wat eisende partij heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel dan verwoord in overwegingen 2.12 t/m 2.16 van het tussenvonnis. Niet relevant is hoe eisende partij een beding in de praktijk toepast. Dat eisende partij zich in de praktijk altijd houdt aan de wet, is dan ook niet van belang. Van belang is hoe het beding kán uitwerken, waarbij het toetsingsmoment het moment van contractsluiting is. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis al overwogen dat de bedingen afwijken van de wettelijke regelingen, waarom dat tot oneerlijkheid leidt en welke gevolgen dat heeft. Over de incassokosten voert eisende partij, zonder verdere toelichting, enkel aan dat het beding niet afwijkt van de wet. Dat is onvoldoende concreet in het licht van overweging 2.15 van het tussenvonnis. Weliswaar vindt eisende partij het niet redelijk dat zij met incassokosten blijft zitten, maar daarmee miskent zij dat zij zelf gebruiker is van een oneerlijk beding. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie kan niet worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (NAPTA) beginsel). Het doel van de richtlijn is oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten te laten verdwijnen en eerlijke concurrentie tussen handelaren te bevorderen. Om dat doel te bereiken dienen sancties onder meer afschrikkend te zijn. Verwacht wordt dat daardoor de handelaar wordt aangezet zijn onjuiste werkwijze, opzettelijk of onopzettelijk gehanteerd, aan te passen. 2.7. De bedingen worden dan ook buiten toepassing gelaten. Gevolg hiervan is dat de gevorderde wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en gerechtelijke kosten worden afgewezen (vgl. overweging 2.6 van het tussenvonnis). 2.8. Het voorgaande leidt tot toewijzing van uitsluitend de hoofdsom van € 2.558,26. Hierop strekt in mindering de betaling door gedaagde partij van € 100,00. Toegewezen wordt daarom € 2.458,26 aan hoofdsom. Alle nevenvorderingen, waaronder de gevorderde proceskostenveroordeling ten laste van gedaagde partij, worden afgewezen. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van € 2.458,26 aan hoofdsom, 3.2. verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 3.3. wijst het meer of anders gevorderde af, waaronder een proceskostenveroordeling ten laste van gedaagde partij. Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026. 991