Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-31
ECLI:NL:RBAMS:2026:4618
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,793 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:4618 text/xml public 2026-05-12T12:00:37 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-31 10789366 \ CV EXPL 23-14424 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4618 text/html public 2026-05-12T10:32:20 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4618 Rechtbank Amsterdam , 31-03-2026 / 10789366 \ CV EXPL 23-14424 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Operational lease. Gevraagde toelichting gegeven en stukken overgelegd. Oneerlijk beding ontbinding en oneerlijk rentebeding. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10789366 \ CV EXPL 23-14424 Vonnis van 31 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V. , gevestigd te Amersfoort, eisende partij, gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 3 februari 2026, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hogere leaseprijs die maandelijks in rekening wordt gebracht dan in de overeenkomst staat en de (on)eerlijkheid van het beding of de bedingen die daaraan ten grondslag liggen. Verder is eisende partij in de gelegenheid gesteld het Innameprotocol te overleggen en de gestelde schades aan de auto te onderbouwen. Daarnaast mocht eisende partij zich uitlaten over de gevolgen van het buiten toepassing laten van het rentebeding in de algemene voorwaarden, dat door de kantonrechter als oneerlijk is aangemerkt. 2.2. Eisende partij heeft toegelicht waarom en op grond waarvan zij een hogere leaseprijs in rekening heeft gebracht. Het beding, vervat in artikel 14 van de algemene voorwaarden, dat aan de verhoging ten grondslag ligt is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wijzigingen in de belastingen buiten de invloedsfeer van eisende partij liggen en niet vooraf voorzienbaar waren of konden worden verdisconteerd in de leaseprijs. Het beding zorgt niet voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen. Nu de gevorderde onbetaald gelaten leasetermijnen verder niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zijn deze toewijsbaar. 2.3. Eisende partij heeft het op de overeenkomst van toepassing verklaarde Innameprotocol XL Easy overgelegd. Hierin staat duidelijk aan de hand van voorbeelden en foto’s welke (typen) schades wel en niet acceptabel zijn. 2.4. De schades heeft eisende partij bij akte genoegzaam onderbouwd. 2.5. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat zij geen aanleiding ziet om terug te komen op overwegingen 2.10 t/m 2.13 van het tussenvonnis, over het oneerlijke beding met betrekking tot ontbinding en de gevolgen die daaraan zijn verbonden, ondanks de reactie van eisende partij op dit punt. Dat de algemene voorwaarden (Keurmerkvoorwaarden) niet door eisende partij zelf zijn opgesteld, maar door onder andere de ANWB en de Consumentenbond, betekent niet dat daarin geen oneerlijke bedingen kunnen staan. Bovendien kunnen consumentenorganisaties ook op grond van andere overwegingen besluiten om in te stemmen met bepaalde bedingen. In het tussenvonnis is uiteengezet waarom het beding met betrekking tot ontbinding als oneerlijk is aan te merken. Afgezien daarvan, neemt eisende partij in de akte een andere stelling in dan in de dagvaarding. In de dagvaarding schrijft zij dat zij de leaseovereenkomst heeft ontbonden vanwege wanbetaling, terwijl zij in de akte schrijft dat de leaseovereenkomst is geëxpireerd door het aflopen van de overeengekomen periode. Eisende partij heeft overigens ook niet gesteld of onderbouwd dat zij gedaagde partij heeft verzocht om teruggave van de auto (op vrijwillige basis), bij gebreke waarvan kosten voor een recherchebureau in rekening zullen worden gebracht. 2.6. Op grond van het tussenvonnis en het voorgaande wordt aan hoofdsom toegewezen een bedrag van € 1.762,60 (€ 2.093,21 minus de kosten voor inname en transport van € 330,61). Dat gedeelte van de gevorderde hoofdsom komt niet onrechtmatig of ongegrond voor. 2.7. De gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen, vanwege het oneerlijke beding over de rente in de algemene voorwaarden. Eisende partij verwijst ook op dit punt naar de omstandigheid dat de Keurmerkvoorwaarden zijn opgesteld door consumentenorganisaties, zodat het volgens haar niet voor de hand ligt dat het beding oneerlijk is. Hiervoor geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen. Dat eisende partij heeft bedoeld om aan te sluiten bij de wettelijke rente en ook nooit méér dan de wettelijke rente in rekening brengt, is niet van belang bij de beoordeling van het oneerlijke karakter. Het gaat erom hoe het beding toegepast zou kunnen worden. Het rentebeding, zoals geformuleerd in artikel 22 van de algemene voorwaarden, maakt het mogelijk om méér dan de wettelijke rente in rekening te brengen. 2.8. In artikel 21 van de algemene voorwaarden staat een beding dat gaat over de mogelijkheid tot het in rekening brengen van incassokosten. Dat beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke regeling. Eisende partij kan zich dan ook rechtsgeldig beroepen op de wettelijke regeling. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Wel is het gevorderde bedrag hoger dan het bedrag dat uit het Besluit voortvloeit bij een hoofdsom van € 1.762,60. Daarom wordt een bedrag van € 264,39 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. 2.9. Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 107,84 - griffierecht € 365,00 - salaris gemachtigde € 217,00 (1 punt × € 217,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 761,84 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 1.762,60, 3.2. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 264,39 aan buitengerechtelijke kosten, 3.3. veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 761,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026. 991