Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-13
ECLI:NL:RBAMS:2026:4509
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bodemzaak
18,560 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4509 text/xml public 2026-05-19T16:00:07 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-13 757828 / HA ZA 24-1124 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4509 text/html public 2026-05-12T15:20:42 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4509 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 757828 / HA ZA 24-1124 Verdeling nalatenschap; spoorboekje verkoop woning RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/757828 / HA ZA 24-1124 Vonnis van 13 mei 2026 in de zaak van [eiser] , wonend in [woonplaats] , eiser, verweerder van de tegenvordering (in reconventie), advocaat: mr. C.M. Oomes, tegen [gedaagde] , voor zichzelf en (voorheen) als executeur wonend in [woonplaats] , gedaagde, eiseres van de tegenvordering (in reconventie) advocaat: mr. F.C. Schirmeister. De rechtbank noemt partijen hierna [eiser] en [gedaagde] . 1 De procedure 1.1. In het dossier zitten: - de dagvaarding van 27 september 2024, met producties, - de (beperkte) conclusie van antwoord van 22 januari 2025, met producties, - het tussenvonnis van 12 maart 2025 waarin de rechtbank de mondelinge behandeling heeft bepaald, - de incidentele conclusie (tot aanhouding) van 23 april 2025 van [eiser] , met producties, - het bezwaar tegen de aanhouding van 30 april 2025 van [gedaagde] , - de rolbeslissing van 12 mei 2025 waarin de rechtbank het aanhoudingsverzoek afwijst, - de akte overlegging producties van 3 juli 2025 van [eiser] , met producties, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2025, - de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van de griffier, - de e-mailberichten van partijen na aanleiding van het verkorte proces-verbaal, - de aktes met producties van beide partijen van 15 oktober 2025, - de akte houdende verzoek tot onttrekking en verzoek tot openstellen hoger beroep van [gedaagde] van 3 december 2025, - de antwoordakte van [eiser] van 3 december 2025, - de rolbeslissing van 10 december 2025, waarbij de rechtbank de verzoeken van [gedaagde] afwijst, - de nadere conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in de tegenvordering (reconventie), van 31 december 2025 van [gedaagde] , met producties, - het bezwaar van 7 januari 2026 van [eiser] tegen de tegenvordering, - de rolbeslissing van 14 januari 2026 waarbij de rechtbank bepaalt dat zij de tegenvordering toelaat, - de conclusie van antwoord op de tegenvordering, alsmede akte wijziging eis in conventie van 11 februari 2026 van [eiser] , met productie, - de akte uitlating tevens inbreng productie van [gedaagde] van 25 februari 2026, met het verzoek om een conclusie van dupliek over de vordering en een conclusie van repliek over de tegenvordering te nemen, met productie, - het bezwaar van [eiser] tegen het verzoek van [gedaagde] . 1.2. De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag uitspraak doet. 2 De feiten 2.1. [eiser] en [gedaagde] zijn de kinderen van [erflaatster] (hierna: erflaatster ). Erflaastster is overleden op 18 april 2022. Zij heeft op 25 januari 2021 een testament opgemaakt. Daarin zijn [eiser] en [gedaagde] gezamenlijk en voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd; [gedaagde] is daarin ook tot executeur benoemd. Beide partijen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard; [gedaagde] heeft haar benoeming tot executeur ook aanvaard. In het testament waren legaten aan de kleinkinderen van erflaatster opgenomen, die overeenkomstig zijn uitgekeerd. 2.2. Erflaatster had de volledige eigendom van de onroerende zaak aan [locatie] , kadastraal bekend “ [sectie+nummer] ” (hierna: het pand ). Op 28 december 2015 heeft zij het 25/57e onverdeeld aandeel van de juridische eigendom van het pand geleverd aan [gedaagde] en tevens de economische eigendom van de bovenwoning van het pand, tegen een koopsom van € 250.000,-. De koopsom is omgezet in een (hypothecaire) geldlening. De koopsom is gebaseerd op een taxatierapport van 18 december 2015. Erflaatster was op het moment van haar overlijden dus eigenaar van 32/57e aandeel in het pand en [gedaagde] van 25/57e aandeel in het pand. 2.3. Het pand heeft twee adressen: [adres 1] en [adres 2] , maar is juridisch niet gesplitst. Erflater woonde op het adres [adres 1] . Na het overlijden van erflater is [gedaagde] verhuisd van [adres 2] naar de woning op het adres [adres 1] . De woning met het adres [adres 2] staat sindsdien leeg. 2.4. Het pand valt voor 32/57e in de nalatenschap. [eiser] en [gedaagde] zijn als erfgenaam ieder gerechtigd tot een onverdeeld aandeel van 16/57e in het pand. Verder bestaat de nalatenschap in ieder geval uit: - banksaldi, - vordering op [gedaagde] in verband met de lening voor de aankoop van 25/57e deel in het pand, - inboedel en persoonlijke bezittingen van erflaatster (met name een fotoarchief), - een hypotheekschuld, die ten tijde van de aangifte erfbelasting (omstreeks januari 2024) € 20.100,- bedroeg. 2.5. [eiser] heeft in kort geding, samengevat, onder andere gevorderd dat [gedaagde] hem financiële inzage geeft in de financiële administratie van erflater, dat zij aflossingstermijnen van haar lening voldoet en een vergoeding betaalt voor het bewonen van de woning op [adres 1] . De gevorderde voorzieningen zijn door de rechtbank afgewezen. In hoger beroep is [eiser] door het gerechtshof niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. De reden daarvoor is dat de executele op dat moment nog liep. Het gerechtshof heeft in alinea 3.5 van het arrest overwogen dat [gedaagde] als executeur als enige bevoegd is om voor de nalatenschap op te treden. Dit betekent dat zolang de executele voortduurt, [eiser] niet zonder toestemming van [gedaagde] in rechte mag optreden voor de nalatenschap. Omdat de toestemming ontbreekt, kon [eiser] niet worden ontvangen in zijn vorderingen. 2.6. In het kader van het hoger beroep in de kort geding procedure hebben [eiser] en [gedaagde] op 10 oktober 2024 afgesproken samen te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om het pand juridisch te splitsen en wat de kosten daarvan zouden zijn. 2.7. Zij hebben daarvoor een makelaar ingeschakeld. In het advies van de makelaar staat dat voor de splitsing onderzoek moet worden gedaan naar de fundering. Als uit het onderzoek blijkt dat funderingsherstel nodig is, dan moeten [eiser] en [gedaagde] rekening houden met € 250.000 – € 300.000 aan kosten voor het herstel. Verder moeten ze rekening houden met € 185.000 aan andere (renovatie) kosten. 2.8. Tijdens de mondelinge behandeling van 3 juli 2025 hebben [eiser] en [gedaagde] afgesproken om het pand door drie makelaars te laten taxeren op de waarde per heden, met inzage in de zakkingspercentages en in onverhuurde staat. Verder is afgesproken dat [gedaagde] onderzoek doet naar de financieringsmogelijkheden om het 16/57e aandeel van [eiser] over te nemen. 2.9. De door partijen aangezochte makelaars hebben de verwachte transactieprijs gesteld op een bedrag tussen € 1.750.000 en € 2.350.000. 2.10. De kantonrechter van deze rechtbank heeft in zijn beschikking van 29 oktober 2025 [gedaagde] met onmiddellijke ingang ontslagen als executeur. Hij overweegt in de beschikking onder andere dat er tussen [gedaagde] en [eiser] een zodanig ernstig wantrouwen is ontstaan, dat [gedaagde] daardoor niet (langer) kan functioneren als executeur-testamentair. Dit levert voldoende gewichtige redenen op om [gedaagde] met onmiddellijke ingang als executeur te ontslaan. Als gevolg van dit ontslag zijn [eiser] en [gedaagde] als erfgenamen gezamenlijk bevoegd tot het beheer van de nalatenschap. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat het inventariseren van de persoonlijke bezittingen van erflaatster en onderzoeken van de mogelijkheden tot uitkoop van een deelgenoot niet noodzakelijk zijn voor het beheer van de nalatenschap en geen geldige grond vormen om het beheer voort te zetten. De kantonrechter oordeelt verder dat er geen andere omstandigheden zijn gebleken die rechtvaardigen dat [gedaagde] het beheer niet heeft beëindigd. 3 Het geschil de vordering van [eiser] 3.1.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4509 text/xml public 2026-05-19T16:00:07 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-13 757828 / HA ZA 24-1124 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4509 text/html public 2026-05-12T15:20:42 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4509 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 757828 / HA ZA 24-1124 Verdeling nalatenschap; spoorboekje verkoop woning RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/757828 / HA ZA 24-1124 Vonnis van 13 mei 2026 in de zaak van [eiser] , wonend in [woonplaats] , eiser, verweerder van de tegenvordering (in reconventie), advocaat: mr. C.M. Oomes, tegen [gedaagde] , voor zichzelf en (voorheen) als executeur wonend in [woonplaats] , gedaagde, eiseres van de tegenvordering (in reconventie) advocaat: mr. F.C. Schirmeister. De rechtbank noemt partijen hierna [eiser] en [gedaagde] . 1 De procedure 1.1. In het dossier zitten: - de dagvaarding van 27 september 2024, met producties, - de (beperkte) conclusie van antwoord van 22 januari 2025, met producties, - het tussenvonnis van 12 maart 2025 waarin de rechtbank de mondelinge behandeling heeft bepaald, - de incidentele conclusie (tot aanhouding) van 23 april 2025 van [eiser] , met producties, - het bezwaar tegen de aanhouding van 30 april 2025 van [gedaagde] , - de rolbeslissing van 12 mei 2025 waarin de rechtbank het aanhoudingsverzoek afwijst, - de akte overlegging producties van 3 juli 2025 van [eiser] , met producties, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2025, - de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van de griffier, - de e-mailberichten van partijen na aanleiding van het verkorte proces-verbaal, - de aktes met producties van beide partijen van 15 oktober 2025, - de akte houdende verzoek tot onttrekking en verzoek tot openstellen hoger beroep van [gedaagde] van 3 december 2025, - de antwoordakte van [eiser] van 3 december 2025, - de rolbeslissing van 10 december 2025, waarbij de rechtbank de verzoeken van [gedaagde] afwijst, - de nadere conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in de tegenvordering (reconventie), van 31 december 2025 van [gedaagde] , met producties, - het bezwaar van 7 januari 2026 van [eiser] tegen de tegenvordering, - de rolbeslissing van 14 januari 2026 waarbij de rechtbank bepaalt dat zij de tegenvordering toelaat, - de conclusie van antwoord op de tegenvordering, alsmede akte wijziging eis in conventie van 11 februari 2026 van [eiser] , met productie, - de akte uitlating tevens inbreng productie van [gedaagde] van 25 februari 2026, met het verzoek om een conclusie van dupliek over de vordering en een conclusie van repliek over de tegenvordering te nemen, met productie, - het bezwaar van [eiser] tegen het verzoek van [gedaagde] . 1.2. De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag uitspraak doet. 2 De feiten 2.1. [eiser] en [gedaagde] zijn de kinderen van [erflaatster] (hierna: erflaatster ). Erflaastster is overleden op 18 april 2022. Zij heeft op 25 januari 2021 een testament opgemaakt. Daarin zijn [eiser] en [gedaagde] gezamenlijk en voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd; [gedaagde] is daarin ook tot executeur benoemd. Beide partijen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard; [gedaagde] heeft haar benoeming tot executeur ook aanvaard. In het testament waren legaten aan de kleinkinderen van erflaatster opgenomen, die overeenkomstig zijn uitgekeerd. 2.2. Erflaatster had de volledige eigendom van de onroerende zaak aan [locatie] , kadastraal bekend “ [sectie+nummer] ” (hierna: het pand ). Op 28 december 2015 heeft zij het 25/57e onverdeeld aandeel van de juridische eigendom van het pand geleverd aan [gedaagde] en tevens de economische eigendom van de bovenwoning van het pand, tegen een koopsom van € 250.000,-. De koopsom is omgezet in een (hypothecaire) geldlening. De koopsom is gebaseerd op een taxatierapport van 18 december 2015. Erflaatster was op het moment van haar overlijden dus eigenaar van 32/57e aandeel in het pand en [gedaagde] van 25/57e aandeel in het pand. 2.3. Het pand heeft twee adressen: [adres 1] en [adres 2] , maar is juridisch niet gesplitst. Erflater woonde op het adres [adres 1] . Na het overlijden van erflater is [gedaagde] verhuisd van [adres 2] naar de woning op het adres [adres 1] . De woning met het adres [adres 2] staat sindsdien leeg. 2.4. Het pand valt voor 32/57e in de nalatenschap. [eiser] en [gedaagde] zijn als erfgenaam ieder gerechtigd tot een onverdeeld aandeel van 16/57e in het pand. Verder bestaat de nalatenschap in ieder geval uit: - banksaldi, - vordering op [gedaagde] in verband met de lening voor de aankoop van 25/57e deel in het pand, - inboedel en persoonlijke bezittingen van erflaatster (met name een fotoarchief), - een hypotheekschuld, die ten tijde van de aangifte erfbelasting (omstreeks januari 2024) € 20.100,- bedroeg. 2.5. [eiser] heeft in kort geding, samengevat, onder andere gevorderd dat [gedaagde] hem financiële inzage geeft in de financiële administratie van erflater, dat zij aflossingstermijnen van haar lening voldoet en een vergoeding betaalt voor het bewonen van de woning op [adres 1] . De gevorderde voorzieningen zijn door de rechtbank afgewezen. In hoger beroep is [eiser] door het gerechtshof niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. De reden daarvoor is dat de executele op dat moment nog liep. Het gerechtshof heeft in alinea 3.5 van het arrest overwogen dat [gedaagde] als executeur als enige bevoegd is om voor de nalatenschap op te treden. Dit betekent dat zolang de executele voortduurt, [eiser] niet zonder toestemming van [gedaagde] in rechte mag optreden voor de nalatenschap. Omdat de toestemming ontbreekt, kon [eiser] niet worden ontvangen in zijn vorderingen. 2.6. In het kader van het hoger beroep in de kort geding procedure hebben [eiser] en [gedaagde] op 10 oktober 2024 afgesproken samen te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om het pand juridisch te splitsen en wat de kosten daarvan zouden zijn. 2.7. Zij hebben daarvoor een makelaar ingeschakeld. In het advies van de makelaar staat dat voor de splitsing onderzoek moet worden gedaan naar de fundering. Als uit het onderzoek blijkt dat funderingsherstel nodig is, dan moeten [eiser] en [gedaagde] rekening houden met € 250.000 – € 300.000 aan kosten voor het herstel. Verder moeten ze rekening houden met € 185.000 aan andere (renovatie) kosten. 2.8. Tijdens de mondelinge behandeling van 3 juli 2025 hebben [eiser] en [gedaagde] afgesproken om het pand door drie makelaars te laten taxeren op de waarde per heden, met inzage in de zakkingspercentages en in onverhuurde staat. Verder is afgesproken dat [gedaagde] onderzoek doet naar de financieringsmogelijkheden om het 16/57e aandeel van [eiser] over te nemen. 2.9. De door partijen aangezochte makelaars hebben de verwachte transactieprijs gesteld op een bedrag tussen € 1.750.000 en € 2.350.000. 2.10. De kantonrechter van deze rechtbank heeft in zijn beschikking van 29 oktober 2025 [gedaagde] met onmiddellijke ingang ontslagen als executeur. Hij overweegt in de beschikking onder andere dat er tussen [gedaagde] en [eiser] een zodanig ernstig wantrouwen is ontstaan, dat [gedaagde] daardoor niet (langer) kan functioneren als executeur-testamentair. Dit levert voldoende gewichtige redenen op om [gedaagde] met onmiddellijke ingang als executeur te ontslaan. Als gevolg van dit ontslag zijn [eiser] en [gedaagde] als erfgenamen gezamenlijk bevoegd tot het beheer van de nalatenschap. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat het inventariseren van de persoonlijke bezittingen van erflaatster en onderzoeken van de mogelijkheden tot uitkoop van een deelgenoot niet noodzakelijk zijn voor het beheer van de nalatenschap en geen geldige grond vormen om het beheer voort te zetten. De kantonrechter oordeelt verder dat er geen andere omstandigheden zijn gebleken die rechtvaardigen dat [gedaagde] het beheer niet heeft beëindigd. 3 Het geschil de vordering van [eiser] 3.1.
Volledig
[eiser] vordert, na wijziging eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt om schriftelijk rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beheer van de nalatenschap gedurende haar beheerperiode en de periode daarna, zodanig dat daaruit in elk geval alle baten, ontvangsten, uitgaven en (rekening)mutaties blijken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft; II. de verdeling van de gemeenschap beveelt en daarbij bepaalt dat de gemeenschap wordt verdeeld als omschreven onder hoofdstukken 5.3 en 5.4 van de dagvaarding, en daarbij: i. de vorderingen van de gemeenschap die bestaan uit de vorderingen op [gedaagde] , zijnde (1) de vordering van de nalatenschap op [gedaagde] uit geldlening per de datum van de verdeling, en (2) de door de rechtbank in goede justitie te bepalen vordering van de nalatenschap op [gedaagde] wegens haar gebruik van de benedenwoning vanaf 1 mei 2022 tot de dag van de verdeling toe te delen aan [gedaagde] , onder de gehoudenheid van [gedaagde] de helft van de nominale waarde daarvan te betalen aan [eiser] , te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van het te wijzen vonnis; ii. [gedaagde] te bevelen haar medewerking te verlenen aan deze wijze van verdeling, meer specifiek door medewerking te verlenen aan het doen taxeren van het pand door de heer Kay Olsmeijer, althans door een door de rechtbank te nomineren NVM-makelaar binnen 5 werkdagen nadat [eiser] daartoe schriftelijk (waaronder te verstaan een e-mail) heeft verzocht; iii. [gedaagde] te bevelen om aan de makelaar binnen 5 werkdagen na een daartoe strekkend verzoek van [eiser] tezamen met [eiser] opdracht te geven het pand in de verkoop te plaatsen voor een vraagprijs gelijk aan de door de makelaar te adviseren vraagprijs; iv. [gedaagde] te bevelen om (1) binnen 2 werkdagen nadat [eiser] daarom heeft verzocht mee te werken aan het tekenen van de schriftelijke verkoopovereenkomst met een koper die zonder financieringsvoorbehoud het beste bod van alle gegadigden heeft gedaan, waarbij als beste bod in elk geval zal gelden een bod voor de getaxeerde waarde, alsmede (2) mee te werken aan het ondertekenen van de leveringsakte die zal worden opgemaakt ter uitvoering van de bedoelde koopovereenkomst, uiterlijk op het moment dat die levering in die koopovereenkomst is overeengekomen; v. [gedaagde] te veroordelen om indien zij niet aan het gevorderde onder i. t/m iv. voldoet, zij per keer dat zij haar medewerking niet verleent, een dwangsom verschuldigd is van € 10.000, te voldoen aan [eiser] ; vi. te bepalen dat indien [gedaagde] na hij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld met een termijn van 5 werkdagen in gebreke blijft aan de i. t/m iv. bedoelde bevelen te voldoen, het te wijzen vonnis voor de medewerking en/of toestemming van [gedaagde] in de plaats komt; vii. te bepalen dat de netto opbrengst (zijnde: de opbrengst die de verkopers blijkens de notariële nota van afrekening toekomt, waarbij partijen de verkoopkosten — in elk geval de taxatie- en makelaarskosten conform het onder i. t/m iv. gevorderde, zover die niet reeds in gelijke mate tussen partijen gedragen zijn, bij deze afrekening door partijen in gelijke mate gedragen zullen worden) naar rato van hun gerechtigdheid in het pand tussen partijen wordt verdeeld, waarbij [eiser] het uit de opbrengst aan [gedaagde] toekomende zal inhouden ter verhaal van het onder i. aan [eiser] toekomende geldbedrag; viii. de verdeling van de resterende gemeenschap te bevelen ex. artikel 3:185 BW, en daarbij te verdelen de resterende baten van de gemeenschap, inclusief maar niet beperkt tot eventuele bankrekeningen, inboedel en persoonlijke bezittingen van erflaatster en in het licht van deze verdeling van de resterende gemeenschap [gedaagde] te bevelen inzage te verlenen in alle documentatie die de rechtbank nodig heeft om tot verdeling van de resterende gemeenschap te komen. Tot deze documentatie kan onder meer, maar niet exclusief, behoren: bankmutaties van rekeningen die erflater bij alle grootbanken aanhield vanaf de datum vijf jaar voor het overlijden; een uitgebreide boedelbeschrijving waaruit blijkt alle inboedel en persoonlijke bezittingen van erflaatster; ix. te bepalen dat, indien uit de onder I bedoelde rekening en verantwoording dan wel uit de onder viii bedoelde inzage blijkt dat [gedaagde] gelden van de nalatenschap heeft aangewend ter voldoening van haar deel van de erfbelasting, dan wel dat zij vermogensbestanddelen van de nalatenschap voor privédoeleinden heeft gebruikt, ook [eiser] zijn privébetaling van € 97.526,- in de verdeling betrokken wordt, en daaraan voorts door de rechtbank de gevolgtrekkingen te verbinden die de rechtbank in dat verband juist acht; x. althans, een zodanige veroordeling uit te spreken als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van onderhavige procedure. 3.2. [gedaagde] voert verweer, waarop de rechtbank hierna bij de beoordeling ingaat. de tegenvordering van [gedaagde] 3.3. [gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad als volgens de wet: I. de tussen partijen bestaande ontbonden gemeenschap verdeelt aan de hand van het bepaalde in artikel 3:185 BW, in die zin dat zij de verdeling aan zich houdt en deze zelf vaststelt; II. het pand waartoe partijen zijn gerechtigd en dat deel uitmaakt van de onverdeeldheid als volgt verdeelt: primair: de waarde van het pand, al dan niet na het inschakelen van een deskundige, vaststelt op een bedrag van € 1,7 miljoen en [eiser] verplicht desgevraagd door [gedaagde] akkoord te gaan met een uitkoopsom overeenkomstig zijn aandeel in de onverdeeldheid van 16/57e deel van de aldus vastgestelde waarde; subsidiair: bepaalt dat [eiser] na verzoek van [gedaagde] zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop en levering van een deel van de (ongesplitste) onverdeeldheid aan de hoogst biedende gegadigde, nadat de waarde van de onverdeeldheid door de rechtbank, al dan niet na het inschakelen van een deskundige is bepaald; meer subsidiair: bepaalt dat de verdeling van het pand aan het [locatie] wordt opgeschort totdat het pand in twee afzonderlijke wooneenheden is gesplitst en dat partijen over en weer worden verplicht tot het doen verrichten van werkzaamheden om tot een juridische splitsing te komen. Na de spitsing zijn [gedaagde] en [eiser] verplicht om een van de appartementen ter verkoop aan te bieden en wordt opbrengst na aftrek van kosten tussen partijen naar rato van hun gerechtigheid in het geheel, gedeeld. 3.4. [eiser] voert verweer, waarop de rechtbank hierna ingaat. 4 De beoordeling van de ontvankelijkheid van de tegenvordering van [gedaagde] [gedaagde] mag haar tegenvordering ook op een later moment indienen 4.1. Volgens [eiser] is [gedaagde] niet-ontvankelijk in haar tegenvordering, omdat zij die tegelijk met haar conclusie van antwoord had moeten instellen. Dat heeft zij niet gedaan dus mag de rechtbank haar vordering niet behandelen. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 137 Rv een tegenvordering dadelijk bij het antwoord moet worden ingesteld. Is dit niet het geval dan moet de eiser niet-ontvankelijk worden verklaard in diens vordering. De achtergrond hiervan is dat de vordering en de tegenvordering tegelijk moeten worden behandeld. 4.3. Onder de omstandigheden van dit geval is [gedaagde] wel ontvankelijk in haar vordering. Doorslaggevend is dat [gedaagde] op het moment van concluderen over de vordering van [eiser] , nog executeur was van de nalatenschap en (naar haar zeggen) de afwikkeling van de nalatenschap nog in de fase van de (lichte) vereffening was. Zij stelde zich toen terecht op het standpunt dat de rechtbank daarom niet de verdeling kon vaststellen op vordering van [eiser] . [gedaagde] is door de kantonrechter nadien ontslagen als executeur en het is gebleken dat de vereffening is afgerond. Dat wil zeggen, [gedaagde] heeft een opstelling gemaakt van de baten en schulden van de nalatenschap en zij heeft schulden afgelost (onder andere betaling van legaten).
Volledig
[eiser] vordert, na wijziging eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt om schriftelijk rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beheer van de nalatenschap gedurende haar beheerperiode en de periode daarna, zodanig dat daaruit in elk geval alle baten, ontvangsten, uitgaven en (rekening)mutaties blijken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft; II. de verdeling van de gemeenschap beveelt en daarbij bepaalt dat de gemeenschap wordt verdeeld als omschreven onder hoofdstukken 5.3 en 5.4 van de dagvaarding, en daarbij: i. de vorderingen van de gemeenschap die bestaan uit de vorderingen op [gedaagde] , zijnde (1) de vordering van de nalatenschap op [gedaagde] uit geldlening per de datum van de verdeling, en (2) de door de rechtbank in goede justitie te bepalen vordering van de nalatenschap op [gedaagde] wegens haar gebruik van de benedenwoning vanaf 1 mei 2022 tot de dag van de verdeling toe te delen aan [gedaagde] , onder de gehoudenheid van [gedaagde] de helft van de nominale waarde daarvan te betalen aan [eiser] , te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van het te wijzen vonnis; ii. [gedaagde] te bevelen haar medewerking te verlenen aan deze wijze van verdeling, meer specifiek door medewerking te verlenen aan het doen taxeren van het pand door de heer Kay Olsmeijer, althans door een door de rechtbank te nomineren NVM-makelaar binnen 5 werkdagen nadat [eiser] daartoe schriftelijk (waaronder te verstaan een e-mail) heeft verzocht; iii. [gedaagde] te bevelen om aan de makelaar binnen 5 werkdagen na een daartoe strekkend verzoek van [eiser] tezamen met [eiser] opdracht te geven het pand in de verkoop te plaatsen voor een vraagprijs gelijk aan de door de makelaar te adviseren vraagprijs; iv. [gedaagde] te bevelen om (1) binnen 2 werkdagen nadat [eiser] daarom heeft verzocht mee te werken aan het tekenen van de schriftelijke verkoopovereenkomst met een koper die zonder financieringsvoorbehoud het beste bod van alle gegadigden heeft gedaan, waarbij als beste bod in elk geval zal gelden een bod voor de getaxeerde waarde, alsmede (2) mee te werken aan het ondertekenen van de leveringsakte die zal worden opgemaakt ter uitvoering van de bedoelde koopovereenkomst, uiterlijk op het moment dat die levering in die koopovereenkomst is overeengekomen; v. [gedaagde] te veroordelen om indien zij niet aan het gevorderde onder i. t/m iv. voldoet, zij per keer dat zij haar medewerking niet verleent, een dwangsom verschuldigd is van € 10.000, te voldoen aan [eiser] ; vi. te bepalen dat indien [gedaagde] na hij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld met een termijn van 5 werkdagen in gebreke blijft aan de i. t/m iv. bedoelde bevelen te voldoen, het te wijzen vonnis voor de medewerking en/of toestemming van [gedaagde] in de plaats komt; vii. te bepalen dat de netto opbrengst (zijnde: de opbrengst die de verkopers blijkens de notariële nota van afrekening toekomt, waarbij partijen de verkoopkosten — in elk geval de taxatie- en makelaarskosten conform het onder i. t/m iv. gevorderde, zover die niet reeds in gelijke mate tussen partijen gedragen zijn, bij deze afrekening door partijen in gelijke mate gedragen zullen worden) naar rato van hun gerechtigdheid in het pand tussen partijen wordt verdeeld, waarbij [eiser] het uit de opbrengst aan [gedaagde] toekomende zal inhouden ter verhaal van het onder i. aan [eiser] toekomende geldbedrag; viii. de verdeling van de resterende gemeenschap te bevelen ex. artikel 3:185 BW, en daarbij te verdelen de resterende baten van de gemeenschap, inclusief maar niet beperkt tot eventuele bankrekeningen, inboedel en persoonlijke bezittingen van erflaatster en in het licht van deze verdeling van de resterende gemeenschap [gedaagde] te bevelen inzage te verlenen in alle documentatie die de rechtbank nodig heeft om tot verdeling van de resterende gemeenschap te komen. Tot deze documentatie kan onder meer, maar niet exclusief, behoren: bankmutaties van rekeningen die erflater bij alle grootbanken aanhield vanaf de datum vijf jaar voor het overlijden; een uitgebreide boedelbeschrijving waaruit blijkt alle inboedel en persoonlijke bezittingen van erflaatster; ix. te bepalen dat, indien uit de onder I bedoelde rekening en verantwoording dan wel uit de onder viii bedoelde inzage blijkt dat [gedaagde] gelden van de nalatenschap heeft aangewend ter voldoening van haar deel van de erfbelasting, dan wel dat zij vermogensbestanddelen van de nalatenschap voor privédoeleinden heeft gebruikt, ook [eiser] zijn privébetaling van € 97.526,- in de verdeling betrokken wordt, en daaraan voorts door de rechtbank de gevolgtrekkingen te verbinden die de rechtbank in dat verband juist acht; x. althans, een zodanige veroordeling uit te spreken als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van onderhavige procedure. 3.2. [gedaagde] voert verweer, waarop de rechtbank hierna bij de beoordeling ingaat. de tegenvordering van [gedaagde] 3.3. [gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad als volgens de wet: I. de tussen partijen bestaande ontbonden gemeenschap verdeelt aan de hand van het bepaalde in artikel 3:185 BW, in die zin dat zij de verdeling aan zich houdt en deze zelf vaststelt; II. het pand waartoe partijen zijn gerechtigd en dat deel uitmaakt van de onverdeeldheid als volgt verdeelt: primair: de waarde van het pand, al dan niet na het inschakelen van een deskundige, vaststelt op een bedrag van € 1,7 miljoen en [eiser] verplicht desgevraagd door [gedaagde] akkoord te gaan met een uitkoopsom overeenkomstig zijn aandeel in de onverdeeldheid van 16/57e deel van de aldus vastgestelde waarde; subsidiair: bepaalt dat [eiser] na verzoek van [gedaagde] zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop en levering van een deel van de (ongesplitste) onverdeeldheid aan de hoogst biedende gegadigde, nadat de waarde van de onverdeeldheid door de rechtbank, al dan niet na het inschakelen van een deskundige is bepaald; meer subsidiair: bepaalt dat de verdeling van het pand aan het [locatie] wordt opgeschort totdat het pand in twee afzonderlijke wooneenheden is gesplitst en dat partijen over en weer worden verplicht tot het doen verrichten van werkzaamheden om tot een juridische splitsing te komen. Na de spitsing zijn [gedaagde] en [eiser] verplicht om een van de appartementen ter verkoop aan te bieden en wordt opbrengst na aftrek van kosten tussen partijen naar rato van hun gerechtigheid in het geheel, gedeeld. 3.4. [eiser] voert verweer, waarop de rechtbank hierna ingaat. 4 De beoordeling van de ontvankelijkheid van de tegenvordering van [gedaagde] [gedaagde] mag haar tegenvordering ook op een later moment indienen 4.1. Volgens [eiser] is [gedaagde] niet-ontvankelijk in haar tegenvordering, omdat zij die tegelijk met haar conclusie van antwoord had moeten instellen. Dat heeft zij niet gedaan dus mag de rechtbank haar vordering niet behandelen. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 137 Rv een tegenvordering dadelijk bij het antwoord moet worden ingesteld. Is dit niet het geval dan moet de eiser niet-ontvankelijk worden verklaard in diens vordering. De achtergrond hiervan is dat de vordering en de tegenvordering tegelijk moeten worden behandeld. 4.3. Onder de omstandigheden van dit geval is [gedaagde] wel ontvankelijk in haar vordering. Doorslaggevend is dat [gedaagde] op het moment van concluderen over de vordering van [eiser] , nog executeur was van de nalatenschap en (naar haar zeggen) de afwikkeling van de nalatenschap nog in de fase van de (lichte) vereffening was. Zij stelde zich toen terecht op het standpunt dat de rechtbank daarom niet de verdeling kon vaststellen op vordering van [eiser] . [gedaagde] is door de kantonrechter nadien ontslagen als executeur en het is gebleken dat de vereffening is afgerond. Dat wil zeggen, [gedaagde] heeft een opstelling gemaakt van de baten en schulden van de nalatenschap en zij heeft schulden afgelost (onder andere betaling van legaten).
Volledig
De kantonrechter heeft ook vastgesteld dat het beheer van de boedel door de executeur in verband met haar taken niet meer nodig was. De nalatenschap kan dus eerst nu worden verdeeld. 4.4. Aangezien in de vordering en in de tegenvordering de verdeling van de nalatenschap wordt gevorderd, is met de behandeling van de vordering inhoudelijk ook de tegenvordering behandeld en is dus materieel sprake van gelijktijdige behandeling. Hierdoor is geen procesrechtelijk of ander belang van [eiser] geschonden en is hij niet in zijn verdediging tegen de tegenvordering geschaad. Ook is daardoor de procesgang niet of nauwelijks vertraagd en heeft [eiser] volgens de wettelijke regels zijn verweren tegen de tegenvordering kunnen aanvoeren. [gedaagde] heeft belang bij haar tegenvordering 4.5. Volgens [eiser] is [gedaagde] ook niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat zij geen belang heeft bij die vordering. [gedaagde] had kunnen volstaan met een eigen voorstel tot verdeling van de nalatenschap omdat hij de verdeling al vordert in conventie. 4.6. Dit verweer slaagt niet. Dat geen belang bij de vordering bestaat, mag niet te snel worden aangenomen. Zo’n oordeel ontneemt de eiser(es) immers alle mogelijkheden om de vordering door de rechter beoordeeld te zien. Over het algemeen kan dan ook worden verondersteld dat iemand voldoende belang heeft. Dat [eiser] al een zelfde soort vordering in conventie heeft ingesteld, maakt dat in dit geval niet anders. [eiser] heeft immers de mogelijkheid zijn vordering tijdens de procedure te wijzigen of in te trekken. Daarbij komt dat de gevorderde verdelingen vergezeld gaan van nevenvorderingen. Daarmee is het belang van [gedaagde] bij een eigen vordering tot verdeling gegeven. [gedaagde] is dus ontvankelijk in haar vordering in reconventie. Het verzoek tot het nemen van een conclusie van repliek en dupliek 4.7. De rechtbank is van oordeel dat het debat tussen partijen in die mate is voldragen dat op alle vorderingen na hoor en wederhoor een beslissing kan worden genomen. Zij zal dus een conclusie van repliek en dupliek niet toestaan. 5 De beoordeling van de vordering en de tegenvordering Verdeling pand 5.1. [eiser] en [gedaagde] verschillen van mening over hoe de nalatenschap moet worden verdeeld. Hun geschil spitst zich toe op de verdeling van het pand. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] nog de kans moet krijgen om te onderzoeken of zij de uitkoop van het aandeel van [eiser] kan financieren middels haar subsidiair voorgestelde route. In de beslissing wordt een zogenaamd spoorboekje gegeven voor het geval dat [gedaagde] [eiser] kan uitkopen en voor het geval zij dat niet kan. De rechtbank licht deze beslissing hierna toe. 5.2. [eiser] wil dat het pand wordt verkocht en de netto-opbrengst wordt verdeeld. [gedaagde] is het daarmee niet eens. Zij wil het volledige aandeel van erflaatster in het pand toebedeeld krijgen en een vergoeding betalen aan [eiser] voor zijn aandeel. Om dat mogelijk te maken, wil [gedaagde] primair dat de waarde van het pand wordt vastgesteld op € 1,7 miljoen. Dit bedrag blijft in de buurt van de waarde die de makelaars hebben gegeven én maakt het [gedaagde] mogelijk om [eiser] uit te kopen, aldus [gedaagde] . Volgens haar doet dat recht aan de waarde van het pand, de staat van het pand en de latent aanwezige verzakking. Ook wordt met deze waarde naar redelijkheid en billijkheid recht gedaan aan de omstandigheden van partijen. Zij heeft er belang bij om in het pand te blijven wonen gezien haar en haar dochters’ binding daarmee. Het was ook de wens van erflaatster dat [gedaagde] in het pand zou blijven wonen. Het zou onredelijk zijn om [gedaagde] te dwingen het pand te verlaten, alleen vanwege het feit dat de woningmarkt in Amsterdam zo overspannen is dat de woningprijzen zodanig zijn gestegen dat [gedaagde] het aandeel van [eiser] niet kan kopen, aldus [gedaagde] . 5.3. [eiser] is het niet eens met deze waardering van het pand en verwijst daarbij naar de adviezen van de drie makelaars die allemaal uitgaan van een (ruimschoots) hogere waarde. Hij betwist verder dat [gedaagde] hem kan uitkopen bij een waarde van € 1,7 miljoen. 5.4. De rechtbank stelt voorop dat de hoofdregel voor de waardebepaling van gemeenschapsgoederen de marktwaarde is op de datum van verdeling. Daarvan kan worden afgeweken als partijen dat afspreken. In dat kader heeft de rechtbank [eiser] opgedragen om waardebepalingen van drie makelaars te krijgen, zodat [gedaagde] kon bezien of ze bij de waarde die uit de verslagen van de makelaars blijken, [eiser] zou kunnen uitkopen. Dat blijkt niet zo te zijn. Immers de makelaars verwachten een transactiebedrag tussen de € 1.750.000 en € 2.350.000, terwijl [gedaagde] [eiser] alleen bij een waarde van € 1.700.000 kan of wil uitkopen. 5.5. [gedaagde] heeft onvoldoende omstandigheden aangevoerd die maken dat toepassing van voormelde hoofdregel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De wens van erflaatster en de omstandigheid dat [gedaagde] en haar dochter gehecht zijn aan het pand zijn niet genoeg. Bij dit oordeel speelt mee dat [gedaagde] met haar aandeel in de netto verkoopopbrengst een andere woning kan kopen, ook binnen Amsterdam. Het financiële belang van de nalatenschap (en daarmee de deelgenoten) om uit te gaan van de marktwaarde weegt zwaarder. In de jurisprudentie wordt de redelijkheid en billijkheid wel toegepast om onder matiging van een waarde een erfgenaam na overlijden in de woning te laten blijven wonen, maar die voorbeelden gaan op bij een langstlevende partner die de mogelijkheid van voortzetting van bewoning moet krijgen en niet in de verhouding tussen twee kinderen van de erflater, die beide erfgenaam zijn. 5.6. Subsidiair wil [gedaagde] haar deel van het onverdeelde pand verkopen, waarbij de mogelijkheid wordt gecreëerd dat een (derde) koper de mogelijkheid krijgt om als onverdeeld eigendom een verdieping te kopen ofwel de koop van een evenredig aandeel in de onverdeeldheid met een recht op het gebruik van de bovenwoning krijgt. 5.7. [eiser] is hier ook op tegen omdat de waarde van het aandeel in het pand lager is als slechts een deel wordt verkocht. Verder ziet hij onoverkomelijke praktische bezwaren bij het verkopen van een onverdeeld deel van het pand. 5.8. De rechtbank stelt voorop dat 25/57e aandeel in het pand en de economische eigendom van het op dat aandeel betrekking hebbende deel door erflaatster is geleverd aan [gedaagde] . Dit breukdeel staat vast. Weliswaar is dit aandeel haar eigendom en valt het dus buiten de nalatenschap, maar zij kan hier niet zelfstandig over beschikken omdat het een aandeel is in een onverdeeld geheel met het 32/57e aandeel van het pand dat in de nalatenschap valt. Voor de verkoop van haar 25/57e aandeel heeft [gedaagde] dus de toestemming nodig van [eiser] , die hij niet wil geven. 5.9. Uit het feit dat de bovenwoning destijds is getaxeerd op € 250.000, zijnde de koopprijs die [gedaagde] (in de vorm van een lening) heeft betaald voor het aandeel, blijkt dat het gaat om de bovenwoning. De benedenwoning is daarbij getaxeerd op € 320.000,-, en het pand in totaal dus op € 570.000. De breukdelen zoals die in de akte van 28 december 2015 zijn opgenomen zijn dus gebaseerd op de waardes in de taxatie (splitsing in waarde als onverdeeld aandeel): 25/57e, respectievelijk 32/57e. Bovendien volgt het ook uit de indeling van het pand waarbij de beneden- en bovenwoning ieder een eigen ingang hebben met een eigen adres, respectievelijk [adres 1] en [adres 2] . [eiser] stelt dat niet duidelijk is of het 25/57e deel van [gedaagde] in het onverdeelde pand wel betrekking heeft op de bovenwoning. Uit de notariële akte van 28 december 2015 blijkt dat [gedaagde] de economische eigendom van de bovenwoning op de eerste en tweede verdieping van de woning heeft gekocht. Daaruit blijkt voldoende duidelijk dat het deel van [gedaagde] daarop wel betrekking heeft. 5.10.
Volledig
De kantonrechter heeft ook vastgesteld dat het beheer van de boedel door de executeur in verband met haar taken niet meer nodig was. De nalatenschap kan dus eerst nu worden verdeeld. 4.4. Aangezien in de vordering en in de tegenvordering de verdeling van de nalatenschap wordt gevorderd, is met de behandeling van de vordering inhoudelijk ook de tegenvordering behandeld en is dus materieel sprake van gelijktijdige behandeling. Hierdoor is geen procesrechtelijk of ander belang van [eiser] geschonden en is hij niet in zijn verdediging tegen de tegenvordering geschaad. Ook is daardoor de procesgang niet of nauwelijks vertraagd en heeft [eiser] volgens de wettelijke regels zijn verweren tegen de tegenvordering kunnen aanvoeren. [gedaagde] heeft belang bij haar tegenvordering 4.5. Volgens [eiser] is [gedaagde] ook niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat zij geen belang heeft bij die vordering. [gedaagde] had kunnen volstaan met een eigen voorstel tot verdeling van de nalatenschap omdat hij de verdeling al vordert in conventie. 4.6. Dit verweer slaagt niet. Dat geen belang bij de vordering bestaat, mag niet te snel worden aangenomen. Zo’n oordeel ontneemt de eiser(es) immers alle mogelijkheden om de vordering door de rechter beoordeeld te zien. Over het algemeen kan dan ook worden verondersteld dat iemand voldoende belang heeft. Dat [eiser] al een zelfde soort vordering in conventie heeft ingesteld, maakt dat in dit geval niet anders. [eiser] heeft immers de mogelijkheid zijn vordering tijdens de procedure te wijzigen of in te trekken. Daarbij komt dat de gevorderde verdelingen vergezeld gaan van nevenvorderingen. Daarmee is het belang van [gedaagde] bij een eigen vordering tot verdeling gegeven. [gedaagde] is dus ontvankelijk in haar vordering in reconventie. Het verzoek tot het nemen van een conclusie van repliek en dupliek 4.7. De rechtbank is van oordeel dat het debat tussen partijen in die mate is voldragen dat op alle vorderingen na hoor en wederhoor een beslissing kan worden genomen. Zij zal dus een conclusie van repliek en dupliek niet toestaan. 5 De beoordeling van de vordering en de tegenvordering Verdeling pand 5.1. [eiser] en [gedaagde] verschillen van mening over hoe de nalatenschap moet worden verdeeld. Hun geschil spitst zich toe op de verdeling van het pand. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] nog de kans moet krijgen om te onderzoeken of zij de uitkoop van het aandeel van [eiser] kan financieren middels haar subsidiair voorgestelde route. In de beslissing wordt een zogenaamd spoorboekje gegeven voor het geval dat [gedaagde] [eiser] kan uitkopen en voor het geval zij dat niet kan. De rechtbank licht deze beslissing hierna toe. 5.2. [eiser] wil dat het pand wordt verkocht en de netto-opbrengst wordt verdeeld. [gedaagde] is het daarmee niet eens. Zij wil het volledige aandeel van erflaatster in het pand toebedeeld krijgen en een vergoeding betalen aan [eiser] voor zijn aandeel. Om dat mogelijk te maken, wil [gedaagde] primair dat de waarde van het pand wordt vastgesteld op € 1,7 miljoen. Dit bedrag blijft in de buurt van de waarde die de makelaars hebben gegeven én maakt het [gedaagde] mogelijk om [eiser] uit te kopen, aldus [gedaagde] . Volgens haar doet dat recht aan de waarde van het pand, de staat van het pand en de latent aanwezige verzakking. Ook wordt met deze waarde naar redelijkheid en billijkheid recht gedaan aan de omstandigheden van partijen. Zij heeft er belang bij om in het pand te blijven wonen gezien haar en haar dochters’ binding daarmee. Het was ook de wens van erflaatster dat [gedaagde] in het pand zou blijven wonen. Het zou onredelijk zijn om [gedaagde] te dwingen het pand te verlaten, alleen vanwege het feit dat de woningmarkt in Amsterdam zo overspannen is dat de woningprijzen zodanig zijn gestegen dat [gedaagde] het aandeel van [eiser] niet kan kopen, aldus [gedaagde] . 5.3. [eiser] is het niet eens met deze waardering van het pand en verwijst daarbij naar de adviezen van de drie makelaars die allemaal uitgaan van een (ruimschoots) hogere waarde. Hij betwist verder dat [gedaagde] hem kan uitkopen bij een waarde van € 1,7 miljoen. 5.4. De rechtbank stelt voorop dat de hoofdregel voor de waardebepaling van gemeenschapsgoederen de marktwaarde is op de datum van verdeling. Daarvan kan worden afgeweken als partijen dat afspreken. In dat kader heeft de rechtbank [eiser] opgedragen om waardebepalingen van drie makelaars te krijgen, zodat [gedaagde] kon bezien of ze bij de waarde die uit de verslagen van de makelaars blijken, [eiser] zou kunnen uitkopen. Dat blijkt niet zo te zijn. Immers de makelaars verwachten een transactiebedrag tussen de € 1.750.000 en € 2.350.000, terwijl [gedaagde] [eiser] alleen bij een waarde van € 1.700.000 kan of wil uitkopen. 5.5. [gedaagde] heeft onvoldoende omstandigheden aangevoerd die maken dat toepassing van voormelde hoofdregel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De wens van erflaatster en de omstandigheid dat [gedaagde] en haar dochter gehecht zijn aan het pand zijn niet genoeg. Bij dit oordeel speelt mee dat [gedaagde] met haar aandeel in de netto verkoopopbrengst een andere woning kan kopen, ook binnen Amsterdam. Het financiële belang van de nalatenschap (en daarmee de deelgenoten) om uit te gaan van de marktwaarde weegt zwaarder. In de jurisprudentie wordt de redelijkheid en billijkheid wel toegepast om onder matiging van een waarde een erfgenaam na overlijden in de woning te laten blijven wonen, maar die voorbeelden gaan op bij een langstlevende partner die de mogelijkheid van voortzetting van bewoning moet krijgen en niet in de verhouding tussen twee kinderen van de erflater, die beide erfgenaam zijn. 5.6. Subsidiair wil [gedaagde] haar deel van het onverdeelde pand verkopen, waarbij de mogelijkheid wordt gecreëerd dat een (derde) koper de mogelijkheid krijgt om als onverdeeld eigendom een verdieping te kopen ofwel de koop van een evenredig aandeel in de onverdeeldheid met een recht op het gebruik van de bovenwoning krijgt. 5.7. [eiser] is hier ook op tegen omdat de waarde van het aandeel in het pand lager is als slechts een deel wordt verkocht. Verder ziet hij onoverkomelijke praktische bezwaren bij het verkopen van een onverdeeld deel van het pand. 5.8. De rechtbank stelt voorop dat 25/57e aandeel in het pand en de economische eigendom van het op dat aandeel betrekking hebbende deel door erflaatster is geleverd aan [gedaagde] . Dit breukdeel staat vast. Weliswaar is dit aandeel haar eigendom en valt het dus buiten de nalatenschap, maar zij kan hier niet zelfstandig over beschikken omdat het een aandeel is in een onverdeeld geheel met het 32/57e aandeel van het pand dat in de nalatenschap valt. Voor de verkoop van haar 25/57e aandeel heeft [gedaagde] dus de toestemming nodig van [eiser] , die hij niet wil geven. 5.9. Uit het feit dat de bovenwoning destijds is getaxeerd op € 250.000, zijnde de koopprijs die [gedaagde] (in de vorm van een lening) heeft betaald voor het aandeel, blijkt dat het gaat om de bovenwoning. De benedenwoning is daarbij getaxeerd op € 320.000,-, en het pand in totaal dus op € 570.000. De breukdelen zoals die in de akte van 28 december 2015 zijn opgenomen zijn dus gebaseerd op de waardes in de taxatie (splitsing in waarde als onverdeeld aandeel): 25/57e, respectievelijk 32/57e. Bovendien volgt het ook uit de indeling van het pand waarbij de beneden- en bovenwoning ieder een eigen ingang hebben met een eigen adres, respectievelijk [adres 1] en [adres 2] . [eiser] stelt dat niet duidelijk is of het 25/57e deel van [gedaagde] in het onverdeelde pand wel betrekking heeft op de bovenwoning. Uit de notariële akte van 28 december 2015 blijkt dat [gedaagde] de economische eigendom van de bovenwoning op de eerste en tweede verdieping van de woning heeft gekocht. Daaruit blijkt voldoende duidelijk dat het deel van [gedaagde] daarop wel betrekking heeft. 5.10.
Volledig
De rechtbank acht het gelet op deze eigendomsverhouding en de uitdrukkelijke wens van [gedaagde] redelijk om [gedaagde] in staat te stellen [eiser] uit te kopen met de opbrengst uit de verkoop van haar onverdeelde aandeel van het pand, bestaande uit de bovenwoning, [adres 2] . [eiser] moet daarom zijn medewerking verlenen aan de verkoop van het onverdeelde 25/57e aandeel van [gedaagde] . Als [gedaagde] erin slaagt haar aandeel te verkopen, wordt het 32/57e toebedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting van [gedaagde] om aan [eiser] de helft van de waarde te betalen. 5.11. De waarde van de helft van het 32/57e deel dient te worden geëxtrapoleerd uit het transactiebedrag dat door een derde is betaald voor 25/57e deel van het pand. De rechtbank stelt de waarde voor alsdan vast op dat bedrag. De rechtbank zal geen correctie toepassen omdat verkoop van het volledige pand meer zou opbrengen zoals [eiser] wenst. De feitelijke situatie is nu eenmaal dat alleen 32/57e deel van het pand in de nalatenschap valt en dat het pand niet is gesplitst. Dat is wat partijen hebben geërfd. 5.12. De rechtbank komt bij toewijzing van de subsidiaire vordering niet toe aan de meer subsidiaire vordering van [gedaagde] om het pand te splitsen. Echter, voor het geval zou blijken dat de subsidiaire vordering in de praktijk niet uitvoerbaar blijkt (bijvoorbeeld omdat er geen koper wordt gevonden) overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de hoger beroep procedure in kort geding hebben partijen afgesproken dat de mogelijkheid van splitsing van het pand zou worden onderzocht. Dat is gedaan, maar daar is verder geen concreet gevolg aan gegeven. [eiser] wil nu niet meer meewerken aan het splitsen van het pand, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de kosten en de duur van het splitsingstraject ongewis zijn. Dat komt onder andere doordat het voor de splitsing nodig is de fundering te laten onderzoeken. Van [eiser] kan rechtens niet worden verlangd dat hij al die tijd in de onverdeelde gemeenschap blijft, terwijl niet duidelijk is hoe lang dat zal duren en hoe de daarmee gepaard gaande kosten betaald kunnen worden. De rechtbank wijst daarom reeds bij voorbaat deze meer subsidiaire vordering af. 5.13. Als [gedaagde] [eiser] niet binnen vier maanden na dit vonnis kan uitkopen, dan geldt het verkooptraject van het hele pand zoals in de beslissing staat. Gelet op de aanstaande zomervakantie heeft de rechtbank deze termijn voor de uitkoop iets langer vastgesteld. Als [gedaagde] haar medewerking aan gehele verkoop weigert, komt dit vonnis daarvoor in de plaats. [eiser] heeft daarom geen belang bij het opleggen van een dwangsom voor het geval [gedaagde] niet meewerkt. De rechtbank wijst dat deel van de vordering dus af. Bevel verdeling 5.14. [eiser] vordert dat de rechtbank een bevel verdeling afgeeft voor de resterende boedelbestanddelen van de nalatenschap. Wat dat inhoudt, zo begrijpt de rechtbank, zal moeten blijken uit de door [gedaagde] af te leggen rekening en verantwoording. Hij vordert daarbij [gedaagde] op te dragen inzage te geven in alle relevante documentatie zodat de rechtbank aan de hand daarvan tot een verdeling kan komen. 5.15. De rechtbank acht het niet opportuun om in deze fase van de procedure de zaak aan te houden voor het overleggen van nadere stukken. Als [gedaagde] heeft voldaan aan haar verplichting tot rekening en verantwoording vergezeld van de onderbouwende stukken, kunnen partijen zelf de verdeling uitvoeren die in dit vonnis wordt bepaald. De verplichting tot het verstrekken van alle door een erfgenaam gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van de taak als executeur volgt uit artikel 4:148 BW. De verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording volgt uit artikel 4:151 BW en 3:173 BW en geldt voor zowel de periode van de executele als de periode daarna omdat niet is gebleken dat [eiser] op enig moment beheershandelingen ten aanzien van de nalatenschap heeft verricht. 5.16. Voor zover uit de rekening en verantwoording blijkt dat [gedaagde] gelden van de nalatenschap heeft gebruikt ter dekking van eigen kosten (zoals de erfenisbelasting) of privé-uitgaven dan dient zij dat te vergoeden aan de nalatenschap. Fotoarchief en foto-apparatuur 5.17. Partijen hebben de fotocollectie van erflaatster uitgezocht zoals afgesproken tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank begrijpt dat partijen geen verdeling vragen van de collectie. De fotocamera’s van erflaatster dienen voor zover mogelijk te worden verkocht en de opbrengst daarvan bij helfte gedeeld. Voor het onverkochte deel geldt dat ieder de helft krijgt. Aflossing lening [gedaagde] 5.18. Bij de verdeling van de nalatenschap moet rekening worden gehouden met het restant van de lening aan [gedaagde] . Dit is immers een vordering van de nalatenschap op [gedaagde] . De rechtbank zal de vordering ter hoogte van de lening conform het voorstel van [eiser] toedelen aan [gedaagde] onder gehoudenheid van [gedaagde] om de helft van het restant te betalen aan [eiser] , omdat [gedaagde] hiertegen geen bezwaar heeft. 5.19. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het bedrag: volgens [eiser] € 55.643 en volgens [gedaagde] € 50.987. De rechtbank houdt het ervoor dat het restant € 55.643 bedraagt omdat dit bedrag is opgenomen in de aangifte erfbelasting en [gedaagde] niet met betalingsbewijzen heeft onderbouwd dat het restant sindsdien minder is geworden. Zij stelt slechts dat er na 1 januari 2022 nog een aflossing is gedaan van € 4.656, maar dat volgt niet uit de overgelegde bankafschriften. Mocht uit de rekening en verantwoording en de in dat kader overgelegde producties iets anders blijken, dan dienen partijen dat mee te nemen. 5.20. Ten slotte dienen banksaldi te worden verdeeld bij helfte. Voor het overige is niet gebleken van in de verdeling te betrekken bestanddelen. Overige [gedaagde] moet rekening en verantwoording afleggen 5.21. De taak van [gedaagde] als executeur is geëindigd door de beslissing van de kantonrechter van 29 oktober 2025. Zij moet daarom rekening en verantwoording aan de erfgenamen afleggen; in dit geval dus aan [eiser] . [eiser] heeft [gedaagde] daarom verzocht, maar [gedaagde] heeft geweigerd hieraan mee te werken. Zij moet dat alsnog doen. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] op dit punt toe. 5.22. Omdat [gedaagde] eerder niet vrijwillig heeft meegewerkt aan het verstrekken van informatie aan [eiser] , zal de rechtbank een dwangsom opleggen zoals gevorderd met een maximum van € 25.000. De termijn waarbinnen zij de rekening en verantwoording moet afleggen wordt iets verlengd. Betaling bedrag van [gedaagde] aan [eiser] 5.23. [gedaagde] heeft op 22 november 2022 € 17.483,78 betaald aan [eiser] . Partijen verschillen van mening over de vraag of het gaat om een voorschot op de verdeling of aflossing van de schuld. Wat daarvan ook zij, bij de verdeling dient rekening te worden gehouden met deze betaling. Gebruiksvergoeding 5.24. [gedaagde] hoeft geen gebruiksvergoeding te betalen aan de nalatenschap voor het gebruik van de benedenwoning van het pand. Voor dit oordeel is van belang dat [gedaagde] 25/57e onverdeeld aandeel van het pand in eigendom had en heeft. Onbetwist staat verder vast dat [gedaagde] alle vaste lasten en kosten van onderhoud heeft voldaan van het pand. Ook is het zo dat [gedaagde] niet het alleengebruik van de overige 32/57e deel had; zij had alleen als executeur het beheer over dat deel. In samenspraak met [gedaagde] had [eiser] gebruik kunnen maken van het onverdeelde 32/57e of van het leegstaande 25/57e aandeel van de nalatenschap, wat hij niet heeft gedaan. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding voor het opleggen van een gebruiksvergoeding. Proceskosten 5.25. Gelet op de familiebetrekkingen tussen partijen compenseert de rechtbank hun proceskosten. Zij dragen dus ieder hun eigen kosten. 6 De beslissing De rechtbank in conventie en reconventie 6.1.
Volledig
De rechtbank acht het gelet op deze eigendomsverhouding en de uitdrukkelijke wens van [gedaagde] redelijk om [gedaagde] in staat te stellen [eiser] uit te kopen met de opbrengst uit de verkoop van haar onverdeelde aandeel van het pand, bestaande uit de bovenwoning, [adres 2] . [eiser] moet daarom zijn medewerking verlenen aan de verkoop van het onverdeelde 25/57e aandeel van [gedaagde] . Als [gedaagde] erin slaagt haar aandeel te verkopen, wordt het 32/57e toebedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting van [gedaagde] om aan [eiser] de helft van de waarde te betalen. 5.11. De waarde van de helft van het 32/57e deel dient te worden geëxtrapoleerd uit het transactiebedrag dat door een derde is betaald voor 25/57e deel van het pand. De rechtbank stelt de waarde voor alsdan vast op dat bedrag. De rechtbank zal geen correctie toepassen omdat verkoop van het volledige pand meer zou opbrengen zoals [eiser] wenst. De feitelijke situatie is nu eenmaal dat alleen 32/57e deel van het pand in de nalatenschap valt en dat het pand niet is gesplitst. Dat is wat partijen hebben geërfd. 5.12. De rechtbank komt bij toewijzing van de subsidiaire vordering niet toe aan de meer subsidiaire vordering van [gedaagde] om het pand te splitsen. Echter, voor het geval zou blijken dat de subsidiaire vordering in de praktijk niet uitvoerbaar blijkt (bijvoorbeeld omdat er geen koper wordt gevonden) overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de hoger beroep procedure in kort geding hebben partijen afgesproken dat de mogelijkheid van splitsing van het pand zou worden onderzocht. Dat is gedaan, maar daar is verder geen concreet gevolg aan gegeven. [eiser] wil nu niet meer meewerken aan het splitsen van het pand, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de kosten en de duur van het splitsingstraject ongewis zijn. Dat komt onder andere doordat het voor de splitsing nodig is de fundering te laten onderzoeken. Van [eiser] kan rechtens niet worden verlangd dat hij al die tijd in de onverdeelde gemeenschap blijft, terwijl niet duidelijk is hoe lang dat zal duren en hoe de daarmee gepaard gaande kosten betaald kunnen worden. De rechtbank wijst daarom reeds bij voorbaat deze meer subsidiaire vordering af. 5.13. Als [gedaagde] [eiser] niet binnen vier maanden na dit vonnis kan uitkopen, dan geldt het verkooptraject van het hele pand zoals in de beslissing staat. Gelet op de aanstaande zomervakantie heeft de rechtbank deze termijn voor de uitkoop iets langer vastgesteld. Als [gedaagde] haar medewerking aan gehele verkoop weigert, komt dit vonnis daarvoor in de plaats. [eiser] heeft daarom geen belang bij het opleggen van een dwangsom voor het geval [gedaagde] niet meewerkt. De rechtbank wijst dat deel van de vordering dus af. Bevel verdeling 5.14. [eiser] vordert dat de rechtbank een bevel verdeling afgeeft voor de resterende boedelbestanddelen van de nalatenschap. Wat dat inhoudt, zo begrijpt de rechtbank, zal moeten blijken uit de door [gedaagde] af te leggen rekening en verantwoording. Hij vordert daarbij [gedaagde] op te dragen inzage te geven in alle relevante documentatie zodat de rechtbank aan de hand daarvan tot een verdeling kan komen. 5.15. De rechtbank acht het niet opportuun om in deze fase van de procedure de zaak aan te houden voor het overleggen van nadere stukken. Als [gedaagde] heeft voldaan aan haar verplichting tot rekening en verantwoording vergezeld van de onderbouwende stukken, kunnen partijen zelf de verdeling uitvoeren die in dit vonnis wordt bepaald. De verplichting tot het verstrekken van alle door een erfgenaam gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van de taak als executeur volgt uit artikel 4:148 BW. De verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording volgt uit artikel 4:151 BW en 3:173 BW en geldt voor zowel de periode van de executele als de periode daarna omdat niet is gebleken dat [eiser] op enig moment beheershandelingen ten aanzien van de nalatenschap heeft verricht. 5.16. Voor zover uit de rekening en verantwoording blijkt dat [gedaagde] gelden van de nalatenschap heeft gebruikt ter dekking van eigen kosten (zoals de erfenisbelasting) of privé-uitgaven dan dient zij dat te vergoeden aan de nalatenschap. Fotoarchief en foto-apparatuur 5.17. Partijen hebben de fotocollectie van erflaatster uitgezocht zoals afgesproken tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank begrijpt dat partijen geen verdeling vragen van de collectie. De fotocamera’s van erflaatster dienen voor zover mogelijk te worden verkocht en de opbrengst daarvan bij helfte gedeeld. Voor het onverkochte deel geldt dat ieder de helft krijgt. Aflossing lening [gedaagde] 5.18. Bij de verdeling van de nalatenschap moet rekening worden gehouden met het restant van de lening aan [gedaagde] . Dit is immers een vordering van de nalatenschap op [gedaagde] . De rechtbank zal de vordering ter hoogte van de lening conform het voorstel van [eiser] toedelen aan [gedaagde] onder gehoudenheid van [gedaagde] om de helft van het restant te betalen aan [eiser] , omdat [gedaagde] hiertegen geen bezwaar heeft. 5.19. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het bedrag: volgens [eiser] € 55.643 en volgens [gedaagde] € 50.987. De rechtbank houdt het ervoor dat het restant € 55.643 bedraagt omdat dit bedrag is opgenomen in de aangifte erfbelasting en [gedaagde] niet met betalingsbewijzen heeft onderbouwd dat het restant sindsdien minder is geworden. Zij stelt slechts dat er na 1 januari 2022 nog een aflossing is gedaan van € 4.656, maar dat volgt niet uit de overgelegde bankafschriften. Mocht uit de rekening en verantwoording en de in dat kader overgelegde producties iets anders blijken, dan dienen partijen dat mee te nemen. 5.20. Ten slotte dienen banksaldi te worden verdeeld bij helfte. Voor het overige is niet gebleken van in de verdeling te betrekken bestanddelen. Overige [gedaagde] moet rekening en verantwoording afleggen 5.21. De taak van [gedaagde] als executeur is geëindigd door de beslissing van de kantonrechter van 29 oktober 2025. Zij moet daarom rekening en verantwoording aan de erfgenamen afleggen; in dit geval dus aan [eiser] . [eiser] heeft [gedaagde] daarom verzocht, maar [gedaagde] heeft geweigerd hieraan mee te werken. Zij moet dat alsnog doen. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] op dit punt toe. 5.22. Omdat [gedaagde] eerder niet vrijwillig heeft meegewerkt aan het verstrekken van informatie aan [eiser] , zal de rechtbank een dwangsom opleggen zoals gevorderd met een maximum van € 25.000. De termijn waarbinnen zij de rekening en verantwoording moet afleggen wordt iets verlengd. Betaling bedrag van [gedaagde] aan [eiser] 5.23. [gedaagde] heeft op 22 november 2022 € 17.483,78 betaald aan [eiser] . Partijen verschillen van mening over de vraag of het gaat om een voorschot op de verdeling of aflossing van de schuld. Wat daarvan ook zij, bij de verdeling dient rekening te worden gehouden met deze betaling. Gebruiksvergoeding 5.24. [gedaagde] hoeft geen gebruiksvergoeding te betalen aan de nalatenschap voor het gebruik van de benedenwoning van het pand. Voor dit oordeel is van belang dat [gedaagde] 25/57e onverdeeld aandeel van het pand in eigendom had en heeft. Onbetwist staat verder vast dat [gedaagde] alle vaste lasten en kosten van onderhoud heeft voldaan van het pand. Ook is het zo dat [gedaagde] niet het alleengebruik van de overige 32/57e deel had; zij had alleen als executeur het beheer over dat deel. In samenspraak met [gedaagde] had [eiser] gebruik kunnen maken van het onverdeelde 32/57e of van het leegstaande 25/57e aandeel van de nalatenschap, wat hij niet heeft gedaan. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding voor het opleggen van een gebruiksvergoeding. Proceskosten 5.25. Gelet op de familiebetrekkingen tussen partijen compenseert de rechtbank hun proceskosten. Zij dragen dus ieder hun eigen kosten. 6 De beslissing De rechtbank in conventie en reconventie 6.1.
Volledig
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk binnen vier weken na betekening van dit vonnis - met stukken onderbouwd - schriftelijk rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beheer van de nalatenschap gedurende haar beheerperiode en de periode daarna, zodanig dat daaruit in elk geval alle baten, ontvangsten, uitgaven en (rekening) mutaties blijken vanaf het overlijden van erflaatster, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 25.000; 6.2. bepaalt dat voor zover uit de rekening en verantwoording blijkt dat [gedaagde] gelden van de nalatenschap heeft gebruikt ter dekking van eigen kosten (zoals de erfenisbelasting) zij dat dient te vergoeden aan de nalatenschap; 6.3. stelt de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster als volgt vast: ten aanzien van het pand 6.3.1. bepaalt dat de hypothecaire geldlening ten aanzien van het pand ieder voor de helft voor rekening van partijen komt; 6.3.2. bepaalt dat [eiser] op verzoek van [gedaagde] zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop en levering van haar 25/57e aandeel van de (ongesplitste) onverdeeldheid (de bovenwoning) aan de hoogst biedende gegadigde; 6.3.3. als voormeld aandeel is verkocht, wordt het 32/57e aandeel van het pand toebedeeld aan [gedaagde] , onder gehoudenheid de helft van de waarde daarvan aan [eiser] te betalen; 6.3.4. bepaalt dat partijen de waarde van 32/57e aandeel van het pand moeten berekenen aan de hand van de transactieprijs van de (ongesplitste) bovenwoning met adres [adres 2] , na extrapolatie van het verkochte aandeel in het pand en stelt de waarde voor alsdan vast op het aldus berekende bedrag; 6.3.5. bepaalt dat partijen het pand dienen te verkopen als het [gedaagde] niet binnen vier maanden na heden lukt om haar aandeel te verkopen, zoals hiervoor in 6.3.2 tot en met 6.3.4 is bepaald; 6.3.6. bepaalt voor het geval dat [gedaagde] haar aandeel in de onverdeeldheid niet heeft verkocht binnen vier maanden, dat [gedaagde] en [eiser] binnen 5 werkdagen na een daartoe strekkend verzoek van [eiser] aan makelaar Kay Olsmeijer opdracht dienen te geven het pand in de verkoop te plaatsen voor een vraagprijs gelijk aan de door de makelaar te adviseren vraagprijs; 6.3.7. bepaalt dat [gedaagde] binnen 2 werkdagen nadat [eiser] daarom verzoekt dient mee te werken aan het tekenen van de schriftelijke verkoopovereenkomst met een koper die het beste bod van alle gegadigden heeft gedaan en dat [gedaagde] moet meewerken aan het ondertekenen van de leveringsakte die wordt opgemaakt ter uitvoering van de koopovereenkomst, uiterlijk op het moment dat de levering in de koopovereenkomst is overeengekomen; 6.3.8. bepaalt dat dit vonnis in de plaats komt van de medewerking en de wilsverklaring van [gedaagde] als zij in weerwil van de bevelen van 6.3.6 en 6.3.7 haar medewerking niet heeft verleend binnen vijf werkdagen nadat [eiser] hierom heeft verzocht; 6.3.9. bepaalt dat de netto opbrengst (zijnde: de opbrengst die de verkopers blijkens de notariële nota van afrekening toekomt na aflossing van het restant van de hypotheek, waarbij partijen de verkoopkosten, in elk geval de makelaarskosten, voor zover die niet reeds in gelijke mate tussen partijen gedragen zijn, bij deze afrekening door partijen in gelijke mate gedragen zullen worden) naar rato van hun gerechtigdheid in het pand tussen partijen wordt verdeeld; 6.3.10. deelt het restant van de lening aan [gedaagde] (dit is de vordering van de nalatenschap op [gedaagde] ) aan [gedaagde] toe en stelt de hoogte van het restant vast op € 55.643, dan wel € 50.987 als dit blijkt uit betalingsbewijzen, onder gehoudenheid van [gedaagde] om de helft van het restant aan [eiser] te voldoen; 6.3.11. bepaalt dat bij de finale afrekening tussen partijen in het kader van de verdeling rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat [gedaagde] € 17.483,78 heeft betaald aan [eiser] ; 6.3.12. bepaalt dat eventueel uit 6.2 blijkende vorderingen door de schuldenaar voor de helft dienen te worden betaald aan andere partij; 6.3.13. bepaalt dat de foto’s en de fotocamera’s van erflaatster dienen te worden verkocht en de opbrengst bij helfte wordt verdeeld; voor zover dit niet lukt, worden zij bij helfte verdeeld, waarvan de deelgenoot die daar geen prijs op stelt schriftelijk (of bij e-mail) afstand van kan doen ten gunste van de andere deelgenoot; 6.3.14. bepaalt dat de banksaldi van de rekeningen van erflaatster, zoals die blijken uit de rekening en verantwoording, bij helfte dienen te worden verdeeld; 6.4. compenseert de proceskosten van partijen, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt; 6.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. ECLI:NL:GHAMS:2024:3266 Zie artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (BW) Zie de artikelen 4:150 en 4:151 BW
Volledig
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk binnen vier weken na betekening van dit vonnis - met stukken onderbouwd - schriftelijk rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beheer van de nalatenschap gedurende haar beheerperiode en de periode daarna, zodanig dat daaruit in elk geval alle baten, ontvangsten, uitgaven en (rekening) mutaties blijken vanaf het overlijden van erflaatster, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 25.000; 6.2. bepaalt dat voor zover uit de rekening en verantwoording blijkt dat [gedaagde] gelden van de nalatenschap heeft gebruikt ter dekking van eigen kosten (zoals de erfenisbelasting) zij dat dient te vergoeden aan de nalatenschap; 6.3. stelt de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster als volgt vast: ten aanzien van het pand 6.3.1. bepaalt dat de hypothecaire geldlening ten aanzien van het pand ieder voor de helft voor rekening van partijen komt; 6.3.2. bepaalt dat [eiser] op verzoek van [gedaagde] zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop en levering van haar 25/57e aandeel van de (ongesplitste) onverdeeldheid (de bovenwoning) aan de hoogst biedende gegadigde; 6.3.3. als voormeld aandeel is verkocht, wordt het 32/57e aandeel van het pand toebedeeld aan [gedaagde] , onder gehoudenheid de helft van de waarde daarvan aan [eiser] te betalen; 6.3.4. bepaalt dat partijen de waarde van 32/57e aandeel van het pand moeten berekenen aan de hand van de transactieprijs van de (ongesplitste) bovenwoning met adres [adres 2] , na extrapolatie van het verkochte aandeel in het pand en stelt de waarde voor alsdan vast op het aldus berekende bedrag; 6.3.5. bepaalt dat partijen het pand dienen te verkopen als het [gedaagde] niet binnen vier maanden na heden lukt om haar aandeel te verkopen, zoals hiervoor in 6.3.2 tot en met 6.3.4 is bepaald; 6.3.6. bepaalt voor het geval dat [gedaagde] haar aandeel in de onverdeeldheid niet heeft verkocht binnen vier maanden, dat [gedaagde] en [eiser] binnen 5 werkdagen na een daartoe strekkend verzoek van [eiser] aan makelaar Kay Olsmeijer opdracht dienen te geven het pand in de verkoop te plaatsen voor een vraagprijs gelijk aan de door de makelaar te adviseren vraagprijs; 6.3.7. bepaalt dat [gedaagde] binnen 2 werkdagen nadat [eiser] daarom verzoekt dient mee te werken aan het tekenen van de schriftelijke verkoopovereenkomst met een koper die het beste bod van alle gegadigden heeft gedaan en dat [gedaagde] moet meewerken aan het ondertekenen van de leveringsakte die wordt opgemaakt ter uitvoering van de koopovereenkomst, uiterlijk op het moment dat de levering in de koopovereenkomst is overeengekomen; 6.3.8. bepaalt dat dit vonnis in de plaats komt van de medewerking en de wilsverklaring van [gedaagde] als zij in weerwil van de bevelen van 6.3.6 en 6.3.7 haar medewerking niet heeft verleend binnen vijf werkdagen nadat [eiser] hierom heeft verzocht; 6.3.9. bepaalt dat de netto opbrengst (zijnde: de opbrengst die de verkopers blijkens de notariële nota van afrekening toekomt na aflossing van het restant van de hypotheek, waarbij partijen de verkoopkosten, in elk geval de makelaarskosten, voor zover die niet reeds in gelijke mate tussen partijen gedragen zijn, bij deze afrekening door partijen in gelijke mate gedragen zullen worden) naar rato van hun gerechtigdheid in het pand tussen partijen wordt verdeeld; 6.3.10. deelt het restant van de lening aan [gedaagde] (dit is de vordering van de nalatenschap op [gedaagde] ) aan [gedaagde] toe en stelt de hoogte van het restant vast op € 55.643, dan wel € 50.987 als dit blijkt uit betalingsbewijzen, onder gehoudenheid van [gedaagde] om de helft van het restant aan [eiser] te voldoen; 6.3.11. bepaalt dat bij de finale afrekening tussen partijen in het kader van de verdeling rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat [gedaagde] € 17.483,78 heeft betaald aan [eiser] ; 6.3.12. bepaalt dat eventueel uit 6.2 blijkende vorderingen door de schuldenaar voor de helft dienen te worden betaald aan andere partij; 6.3.13. bepaalt dat de foto’s en de fotocamera’s van erflaatster dienen te worden verkocht en de opbrengst bij helfte wordt verdeeld; voor zover dit niet lukt, worden zij bij helfte verdeeld, waarvan de deelgenoot die daar geen prijs op stelt schriftelijk (of bij e-mail) afstand van kan doen ten gunste van de andere deelgenoot; 6.3.14. bepaalt dat de banksaldi van de rekeningen van erflaatster, zoals die blijken uit de rekening en verantwoording, bij helfte dienen te worden verdeeld; 6.4. compenseert de proceskosten van partijen, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt; 6.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. ECLI:NL:GHAMS:2024:3266 Zie artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (BW) Zie de artikelen 4:150 en 4:151 BW