Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2026:4491
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,047 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4491 text/xml public 2026-05-18T13:54:19 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 AMS 25/5924 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4491 text/html public 2026-05-18T13:54:06 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4491 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / AMS 25/5924 Afwijzing aanvraag urgentieverklaring. Medische aanvraag. Algemene weigeringsgrond. Inwoning. Beroep ongegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/5924 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] eiseres (gemachtigde: mr. N. Rastegar), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: [gemachtigde ] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een medische aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Bentaib als tolk en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond van de zaak 3.1. Eiseres is een 36-jarige alleenstaande vrouw. Zij is op [datum 1] 2018 gehuwd met de heer [persoon] . Het huwelijk is op [datum 2] 2021 ontbonden. Tussen 2018 en 2020 woonde eiseres samen met haar ex-partner in bij haar ex-schoonmoeder aan de [adres 1] . Eiseres stond echter in deze periode ingeschreven op het adres van haar ex-schoonzus in Zaandam. Na oktober 2020 heeft eiseres op verschillende tijdelijke adressen in Amsterdam ingewoond. Momenteel verblijft eiseres in Hoofddorp. Eiseres heeft sinds 17 december 2024 een briefadres op het adres [adres 2] . Daarvoor had zij een briefadres van 20 augustus 2024 tot 17 december 2024 op het adres [adres 3] . Daarvoor heeft eiseres ingeschreven gestaan op de volgende adressen: [adres 4] van 29 juni 2021 tot 20 augustus 2024 [adres 5] van 13 november 2020 tot 29 juni 2021. 3.2. Bij de aanvraag heeft eiseres diverse stukken overgelegd. Een GZ-psycholoog verzoekt passende woonruimte toe te kennen omdat het ontbreken daarvan de psychische en lichamelijke gezondheid van eiseres ernstig schaadt. Eiseres is slachtoffer van langdurige psychische mishandeling met traumatische klachten en PTSS, ervaart herbelevingen en depressie en heeft geen sociaal netwerk. Huisvesting buiten Amsterdam zou volgens de psycholoog het isolement verergeren en behandeling bemoeilijken. Een verklaring uit 2020 bevestigt dat eiseres sinds september 2020 wordt behandeld voor depressie, suïcidale gedachten, angst en mishandeling. Door dreiging kon zij niet meer bij haar echtgenoot en familie verblijven en heeft sindsdien geen vaste woonruimte of stabiel steunsysteem. Herstel is volgens de psycholoog alleen mogelijk bij veiligheid en stabiliteit. Algemene weigeringsgrond 4.1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv) worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de Hvv brengt mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Het college toetst de aanvraag dan niet meer aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, zoals medische urgentie. 4.2. Het college heeft de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onder e, van de Hvv. Het woonprobleem is ontstaan als een gevolg van verwijtbaar doen of nalaten, omdat eiseres naar Amsterdam is gekomen zonder te zorgen voor adequate woonruimte. Eiseres is in 2018 in het kader van haar huwelijk vanuit Marokko naar Nederland gekomen. In die periode stond eiseres ingeschreven bij haar schoonzus in Zaandam, terwijl zij feitelijk verbleef bij haar schoonmoeder en kennissen in Amsterdam. Er was sprake van inwoning bij derden. De Hvv en de Nadere regels voorzien niet in een uitzondering voor situaties van afhankelijkheid binnen een huwelijk. Indien sprake is van inwoning bij derden zonder eigen adequate woonruimte, moet de aanvraag worden geweigerd, ongeacht de achterliggende omstandigheden. 4.3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij onder valse voorwendselen naar Nederland is gekomen. Volgens haar is geen sprake van verwijtbaar handelen. Indien zij dit wel had geweten, was zij niet naar Nederland gekomen. Bovendien voert eiseres aan dat ook als er geen sprake zou zijn van inwoning, dus in het geval dat eiseres in een koop- of huurwoning met haar ex-partner zou samenwonen, zij in dezelfde situatie zou zijn beland omdat een koop- of huurwoning na scheiding dan niet aan eiseres zou zijn toebedeeld maar aan haar ex-partner. Volgens eiseres had weigeringsgrond e daarom niet aan haar mogen worden tegengeworpen. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat het college de algemene weigeringsgrond, zoals vermeld in artikel 2.10.5, aanhef en onder e van de Hvv, terecht aan eiseres heeft tegengeworpen. Niet in geschil is dat eiseres wist dat zij tijdelijk bij haar ex-schoonmoeder zou verblijven, totdat zij en haar ex-partner een woning zouden hebben gevonden. Hierdoor is sprake van inwoning. Het college hoeft daarom niet te beoordelen wat de redenen van deze inwoning zijn. De stelling van eiseres dat zij zich in dezelfde situatie zou bevinden als sprake zou zijn geweest van een koop- of huurwoning die na de scheiding verlaten had moeten worden, en dat de weigeringsgrond daarom niet tegengeworpen mag worden, kan de rechtbank niet volgen. In dit geval is immers wel degelijk sprake van inwoning. In de door eiseres geschetste hypothetische situatie had het college de aanvraag sowieso anders beoordeeld omdat dan andere bepalingen uit de Nadere regels van toepassing waren geweest. Medische toets 5.1. Voor zover eiseres aanvoert dat aan haar een urgentieverklaring om medische of sociale redenen op grond van artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv verleend had moeten worden, faalt dit betoog. Immers, in artikel 2.10.8, eerste lid, van de Hvv is bepaald dat verlening van een urgentieverklaring aan een aanvrager die tot een van de in dat artikellid genoemde urgentiecategorieën behoort, pas aan de orde kan zijn, indien zich geen van de in artikel 2.10.5, eerste en tweede lid, van de Hvv opgenomen algemene weigeringsgronden voordoet. 5.2. Zoals hierboven geoordeeld heeft het college de urgentieverklaring terecht geweigerd op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Hvv, daarom hoefde het college geen medisch advies op te vragen bij de GGD. 5.3. De rechtbank zal de beroepsgronden die zien op de verlening van een urgentieverklaring om medische of sociale redenen daarom beoordelen in het licht van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 2.10.11, eerste lid, van de Hvv. Hardheidsclausule 6.1. Als algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, kan onder omstandigheden toch een urgentie worden verleend, op grond van de hardheidsclausule. Deze is vastgelegd in artikel 2.10.11 van de Hvv.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4491 text/xml public 2026-05-18T13:54:19 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 AMS 25/5924 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4491 text/html public 2026-05-18T13:54:06 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4491 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / AMS 25/5924 Afwijzing aanvraag urgentieverklaring. Medische aanvraag. Algemene weigeringsgrond. Inwoning. Beroep ongegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/5924 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] eiseres (gemachtigde: mr. N. Rastegar), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: [gemachtigde ] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een medische aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Bentaib als tolk en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond van de zaak 3.1. Eiseres is een 36-jarige alleenstaande vrouw. Zij is op [datum 1] 2018 gehuwd met de heer [persoon] . Het huwelijk is op [datum 2] 2021 ontbonden. Tussen 2018 en 2020 woonde eiseres samen met haar ex-partner in bij haar ex-schoonmoeder aan de [adres 1] . Eiseres stond echter in deze periode ingeschreven op het adres van haar ex-schoonzus in Zaandam. Na oktober 2020 heeft eiseres op verschillende tijdelijke adressen in Amsterdam ingewoond. Momenteel verblijft eiseres in Hoofddorp. Eiseres heeft sinds 17 december 2024 een briefadres op het adres [adres 2] . Daarvoor had zij een briefadres van 20 augustus 2024 tot 17 december 2024 op het adres [adres 3] . Daarvoor heeft eiseres ingeschreven gestaan op de volgende adressen: [adres 4] van 29 juni 2021 tot 20 augustus 2024 [adres 5] van 13 november 2020 tot 29 juni 2021. 3.2. Bij de aanvraag heeft eiseres diverse stukken overgelegd. Een GZ-psycholoog verzoekt passende woonruimte toe te kennen omdat het ontbreken daarvan de psychische en lichamelijke gezondheid van eiseres ernstig schaadt. Eiseres is slachtoffer van langdurige psychische mishandeling met traumatische klachten en PTSS, ervaart herbelevingen en depressie en heeft geen sociaal netwerk. Huisvesting buiten Amsterdam zou volgens de psycholoog het isolement verergeren en behandeling bemoeilijken. Een verklaring uit 2020 bevestigt dat eiseres sinds september 2020 wordt behandeld voor depressie, suïcidale gedachten, angst en mishandeling. Door dreiging kon zij niet meer bij haar echtgenoot en familie verblijven en heeft sindsdien geen vaste woonruimte of stabiel steunsysteem. Herstel is volgens de psycholoog alleen mogelijk bij veiligheid en stabiliteit. Algemene weigeringsgrond 4.1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv) worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de Hvv brengt mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Het college toetst de aanvraag dan niet meer aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, zoals medische urgentie. 4.2. Het college heeft de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onder e, van de Hvv. Het woonprobleem is ontstaan als een gevolg van verwijtbaar doen of nalaten, omdat eiseres naar Amsterdam is gekomen zonder te zorgen voor adequate woonruimte. Eiseres is in 2018 in het kader van haar huwelijk vanuit Marokko naar Nederland gekomen. In die periode stond eiseres ingeschreven bij haar schoonzus in Zaandam, terwijl zij feitelijk verbleef bij haar schoonmoeder en kennissen in Amsterdam. Er was sprake van inwoning bij derden. De Hvv en de Nadere regels voorzien niet in een uitzondering voor situaties van afhankelijkheid binnen een huwelijk. Indien sprake is van inwoning bij derden zonder eigen adequate woonruimte, moet de aanvraag worden geweigerd, ongeacht de achterliggende omstandigheden. 4.3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij onder valse voorwendselen naar Nederland is gekomen. Volgens haar is geen sprake van verwijtbaar handelen. Indien zij dit wel had geweten, was zij niet naar Nederland gekomen. Bovendien voert eiseres aan dat ook als er geen sprake zou zijn van inwoning, dus in het geval dat eiseres in een koop- of huurwoning met haar ex-partner zou samenwonen, zij in dezelfde situatie zou zijn beland omdat een koop- of huurwoning na scheiding dan niet aan eiseres zou zijn toebedeeld maar aan haar ex-partner. Volgens eiseres had weigeringsgrond e daarom niet aan haar mogen worden tegengeworpen. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat het college de algemene weigeringsgrond, zoals vermeld in artikel 2.10.5, aanhef en onder e van de Hvv, terecht aan eiseres heeft tegengeworpen. Niet in geschil is dat eiseres wist dat zij tijdelijk bij haar ex-schoonmoeder zou verblijven, totdat zij en haar ex-partner een woning zouden hebben gevonden. Hierdoor is sprake van inwoning. Het college hoeft daarom niet te beoordelen wat de redenen van deze inwoning zijn. De stelling van eiseres dat zij zich in dezelfde situatie zou bevinden als sprake zou zijn geweest van een koop- of huurwoning die na de scheiding verlaten had moeten worden, en dat de weigeringsgrond daarom niet tegengeworpen mag worden, kan de rechtbank niet volgen. In dit geval is immers wel degelijk sprake van inwoning. In de door eiseres geschetste hypothetische situatie had het college de aanvraag sowieso anders beoordeeld omdat dan andere bepalingen uit de Nadere regels van toepassing waren geweest. Medische toets 5.1. Voor zover eiseres aanvoert dat aan haar een urgentieverklaring om medische of sociale redenen op grond van artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv verleend had moeten worden, faalt dit betoog. Immers, in artikel 2.10.8, eerste lid, van de Hvv is bepaald dat verlening van een urgentieverklaring aan een aanvrager die tot een van de in dat artikellid genoemde urgentiecategorieën behoort, pas aan de orde kan zijn, indien zich geen van de in artikel 2.10.5, eerste en tweede lid, van de Hvv opgenomen algemene weigeringsgronden voordoet. 5.2. Zoals hierboven geoordeeld heeft het college de urgentieverklaring terecht geweigerd op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Hvv, daarom hoefde het college geen medisch advies op te vragen bij de GGD. 5.3. De rechtbank zal de beroepsgronden die zien op de verlening van een urgentieverklaring om medische of sociale redenen daarom beoordelen in het licht van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 2.10.11, eerste lid, van de Hvv. Hardheidsclausule 6.1. Als algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, kan onder omstandigheden toch een urgentie worden verleend, op grond van de hardheidsclausule. Deze is vastgelegd in artikel 2.10.11 van de Hvv.