Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-08
ECLI:NL:RBAMS:2026:4481
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
16,174 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4481 text/xml public 2026-05-18T13:42:19 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-08 AMS 22/5920, AMS 23/1401, AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896, AMS 24/3897 & AMS 24/3883 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4481 text/html public 2026-05-18T13:41:23 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4481 Rechtbank Amsterdam , 08-04-2026 / AMS 22/5920, AMS 23/1401, AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896, AMS 24/3897 & AMS 24/3883 Deze uitspraak gaat over zeven besluiten met betrekking tot [naam 1]. Het gaat (i) om de afwijzing van een handhavingsverzoek voor een geluidsscherm, (ii) een verleende omgevingsvergunning voor een geluidsscherm, (iii) een tijdelijke omgevingsvergunning voor zes incidentele evenementen, (iv) een tijdelijke omgevingsvergunning voor een tijdelijke gebruikswijziging, (v) een besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften, (vi) een tijdelijke omgevingsvergunning voor een parkeerterrein en (vii) een verleende exploitatievergunning. De rechtbank draagt verweerders op om in alle zaken nieuwe besluiten te nemen. Zij zal geen bestuurlijke lus toepassen, gelet op de omvang van alle zaken en de verwevenheid van de besluitvorming. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de STAB aanraadt om een nieuw geluidsonderzoek te laten uitvoeren. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 22/5920, AMS 23/1401, AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896, AMS 24/3897 & AMS 24/3883 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2026 in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2] uit [plaats 1] , eisers, (gemachtigde: mr. E. van Beusekom), en in de zaken AMS 22/5920, AMS 23/1401, AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896 en AMS 24/3897 het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn, verweerder, (gemachtigde: mr. G.M. Kersten), en in de zaak AMS 24/3883 de burgemeester van Uithoorn, verweerder, (gemachtigde: mr. G.M. Kersten). Als derde-partijen nemen aan de gedingen deel: [naam 1] uit [plaats 3] , en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid). Partijen worden hierna achtereenvolgens eisers, het college en de burgemeester (gezamenlijk: verweerders), [naam 1] en de Staat genoemd. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over zeven besluiten. Het gaat (i) om de afwijzing van een handhavingsverzoek voor een geluidsscherm, (ii) een verleende omgevingsvergunning voor een geluidsscherm, (iii) een tijdelijke omgevingsvergunning voor zes incidentele evenementen, (iv) een tijdelijke omgevingsvergunning voor een tijdelijke gebruikswijziging, (v) een besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften, (vi) een tijdelijke omgevingsvergunning voor een parkeerterrein en (vii) een verleende exploitatievergunning. Eisers zijn het met deze besluiten niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat alle beroepen gegrond zijn. Alle bestreden besluiten worden daarom vernietigd. Eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop AMS 22/5920 2. Op 5 oktober 2021 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden, omdat [naam 1] een geluidsscherm zou hebben geplaatst in strijd met de omgevingsvergunning die op 29 april 2021 aan haar is verleend. Daarom is volgens eisers sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo . Ook richt het verzoek zich op het gebruik van gronden en bouwwerken door [naam 1] in strijd met het (destijds) geldende bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’. 2.1. Met een besluit van 8 februari 2022 heeft het college dit verzoek afgewezen, omdat er volgens het college geen sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 5:1, van de Awb . 2.2. Met het bestreden besluit van 21 november 2022 op het bezwaar van eisers heeft het college de afwijzing gehandhaafd, onder aanpassing van zijn motivering. Volgens het college is handhavend optreden in dit geval onevenredig, omdat het geluidsscherm voldoet aan de eisen van geluidwering. AMS 23/1401 3. Op 29 april 2021 heeft het college een omgevingsvergunning aan [naam 1] verleend voor het plaatsen van een geluidsscherm. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. 3.1. Omdat een beslissing op bezwaar uitbleef, hebben eisers op 8 maart 2023 een beroep niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingediend. Vervolgens heeft het college twee besluiten genomen. 3.2. Het eerste besluit is van 2 maart 2023 (het bestreden besluit I) waarin het besluit van 29 april 2021 wordt herroepen, omdat in een uitspraak van de Afdeling het (nieuwe) bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’ is vernietigd waardoor het (oude) bestemmingsplan '[bestemmingsplan]' weer geldt. Het college heeft vervolgens op 8 maart 2023 een nieuwe omgevingsvergunning voor het geluidsscherm verleend met een andere motivering, namelijk door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef, derde lid, sub a en b, van Bijlage II bij het Bor . 3.3. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning is overwogen dat uit akoestisch onderzoek van Het GeluidBuro van 23 januari 2022 is gebleken dat het geluidsscherm noodzakelijk is om [naam 1] te gebruiken voor recreatie en horeca. De technische eisen die het college aan de schutting stelt, worden opgenomen in een maatwerkvoorschrift . 3.4. In het tweede besluit van 13 maart 2023 (het bestreden besluit II) kent het college aan eisers een maximale dwangsom van € 1.442,- toe. 3.5. Omdat het college inmiddels heeft beslist, hebben eisers geen belang meer bij hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaar. In zoverre is hun beroep niet-ontvankelijk. Uit de wet volgt dat dit beroep mede betrekking heeft op de gewijzigde omgevingsvergunning van 8 maart 2023. Dat besluit zal door de rechtbank worden beoordeeld. 3.6. Op 29 maart 2023 hebben eisers de rechtbank verzocht het beroep gevoegd met het beroep in de zaak AMS 22/5920 te behandelen. AMS 24/3895 4. Op 28 oktober 2022 heeft [naam 1] een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd voor een tijdelijke gebruikswijziging (voor de functies recreatie en horeca) op het perceel van [naam 1] . De aanvraag heeft betrekking op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. 4.1. Op 28 februari 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning onder voorwaarden verleend totdat er een nieuw, in procedure te brengen bestemmingsplan onherroepelijk is geworden en anders niet langer dan voor een periode van tien jaar. Het college legt hieraan onder meer het rapport van Het Geluidburo van 23 januari 2023 en het rapport van Event Acoustics van 30 januari 2023 ten grondslag. De separaat gestelde maatwerkvoorschriften moet [naam 1] in acht nemen en deze vormen de voorwaarden waaronder deze omgevingsvergunning wordt verleend. Verder is een voorwaarde dat het aantal bezoekers in de inrichting nooit meer dan 150 mag zijn en dient het geluidsscherm zoals dat is vergund op 8 maart 2023 steeds in stand te worden gehouden. Daarnaast zijn nog enkele voorwaarden en voorschriften opgenomen. 4.2. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning. Ter onderbouwing van hun standpunt dat het akoestisch rapport van Het Geluidburo gebreken bevat, dat er onvoldoende akoestisch onderzoek is gedaan en dat de maatwerkvoorschriften onvoldoende zijn, hebben zij een notitie van Sain Milieuadvies van 2 juni 2023 overgelegd. 4.3. In het bestreden besluit van 29 mei 2024 heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. Het college verwijst kort gezegd naar het advies van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna: de Omgevingsdienst) van 9 mei 2024 en stelt dat het geluidsonderzoek van 23 januari 2023 van Het Geluidburo relevant is voor de heroverweging, correct is uitgevoerd en terecht ten grondslag is gelegd aan het primaire besluit. AMS 24/3897 5.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4481 text/xml public 2026-05-18T13:42:19 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-08 AMS 22/5920, AMS 23/1401, AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896, AMS 24/3897 & AMS 24/3883 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4481 text/html public 2026-05-18T13:41:23 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4481 Rechtbank Amsterdam , 08-04-2026 / AMS 22/5920, AMS 23/1401, AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896, AMS 24/3897 & AMS 24/3883 Deze uitspraak gaat over zeven besluiten met betrekking tot [naam 1]. Het gaat (i) om de afwijzing van een handhavingsverzoek voor een geluidsscherm, (ii) een verleende omgevingsvergunning voor een geluidsscherm, (iii) een tijdelijke omgevingsvergunning voor zes incidentele evenementen, (iv) een tijdelijke omgevingsvergunning voor een tijdelijke gebruikswijziging, (v) een besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften, (vi) een tijdelijke omgevingsvergunning voor een parkeerterrein en (vii) een verleende exploitatievergunning. De rechtbank draagt verweerders op om in alle zaken nieuwe besluiten te nemen. Zij zal geen bestuurlijke lus toepassen, gelet op de omvang van alle zaken en de verwevenheid van de besluitvorming. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de STAB aanraadt om een nieuw geluidsonderzoek te laten uitvoeren. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 22/5920, AMS 23/1401, AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896, AMS 24/3897 & AMS 24/3883 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2026 in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2] uit [plaats 1] , eisers, (gemachtigde: mr. E. van Beusekom), en in de zaken AMS 22/5920, AMS 23/1401, AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896 en AMS 24/3897 het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn, verweerder, (gemachtigde: mr. G.M. Kersten), en in de zaak AMS 24/3883 de burgemeester van Uithoorn, verweerder, (gemachtigde: mr. G.M. Kersten). Als derde-partijen nemen aan de gedingen deel: [naam 1] uit [plaats 3] , en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid). Partijen worden hierna achtereenvolgens eisers, het college en de burgemeester (gezamenlijk: verweerders), [naam 1] en de Staat genoemd. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over zeven besluiten. Het gaat (i) om de afwijzing van een handhavingsverzoek voor een geluidsscherm, (ii) een verleende omgevingsvergunning voor een geluidsscherm, (iii) een tijdelijke omgevingsvergunning voor zes incidentele evenementen, (iv) een tijdelijke omgevingsvergunning voor een tijdelijke gebruikswijziging, (v) een besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften, (vi) een tijdelijke omgevingsvergunning voor een parkeerterrein en (vii) een verleende exploitatievergunning. Eisers zijn het met deze besluiten niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat alle beroepen gegrond zijn. Alle bestreden besluiten worden daarom vernietigd. Eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop AMS 22/5920 2. Op 5 oktober 2021 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden, omdat [naam 1] een geluidsscherm zou hebben geplaatst in strijd met de omgevingsvergunning die op 29 april 2021 aan haar is verleend. Daarom is volgens eisers sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo . Ook richt het verzoek zich op het gebruik van gronden en bouwwerken door [naam 1] in strijd met het (destijds) geldende bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’. 2.1. Met een besluit van 8 februari 2022 heeft het college dit verzoek afgewezen, omdat er volgens het college geen sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 5:1, van de Awb . 2.2. Met het bestreden besluit van 21 november 2022 op het bezwaar van eisers heeft het college de afwijzing gehandhaafd, onder aanpassing van zijn motivering. Volgens het college is handhavend optreden in dit geval onevenredig, omdat het geluidsscherm voldoet aan de eisen van geluidwering. AMS 23/1401 3. Op 29 april 2021 heeft het college een omgevingsvergunning aan [naam 1] verleend voor het plaatsen van een geluidsscherm. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. 3.1. Omdat een beslissing op bezwaar uitbleef, hebben eisers op 8 maart 2023 een beroep niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingediend. Vervolgens heeft het college twee besluiten genomen. 3.2. Het eerste besluit is van 2 maart 2023 (het bestreden besluit I) waarin het besluit van 29 april 2021 wordt herroepen, omdat in een uitspraak van de Afdeling het (nieuwe) bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’ is vernietigd waardoor het (oude) bestemmingsplan '[bestemmingsplan]' weer geldt. Het college heeft vervolgens op 8 maart 2023 een nieuwe omgevingsvergunning voor het geluidsscherm verleend met een andere motivering, namelijk door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef, derde lid, sub a en b, van Bijlage II bij het Bor . 3.3. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning is overwogen dat uit akoestisch onderzoek van Het GeluidBuro van 23 januari 2022 is gebleken dat het geluidsscherm noodzakelijk is om [naam 1] te gebruiken voor recreatie en horeca. De technische eisen die het college aan de schutting stelt, worden opgenomen in een maatwerkvoorschrift . 3.4. In het tweede besluit van 13 maart 2023 (het bestreden besluit II) kent het college aan eisers een maximale dwangsom van € 1.442,- toe. 3.5. Omdat het college inmiddels heeft beslist, hebben eisers geen belang meer bij hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaar. In zoverre is hun beroep niet-ontvankelijk. Uit de wet volgt dat dit beroep mede betrekking heeft op de gewijzigde omgevingsvergunning van 8 maart 2023. Dat besluit zal door de rechtbank worden beoordeeld. 3.6. Op 29 maart 2023 hebben eisers de rechtbank verzocht het beroep gevoegd met het beroep in de zaak AMS 22/5920 te behandelen. AMS 24/3895 4. Op 28 oktober 2022 heeft [naam 1] een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd voor een tijdelijke gebruikswijziging (voor de functies recreatie en horeca) op het perceel van [naam 1] . De aanvraag heeft betrekking op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. 4.1. Op 28 februari 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning onder voorwaarden verleend totdat er een nieuw, in procedure te brengen bestemmingsplan onherroepelijk is geworden en anders niet langer dan voor een periode van tien jaar. Het college legt hieraan onder meer het rapport van Het Geluidburo van 23 januari 2023 en het rapport van Event Acoustics van 30 januari 2023 ten grondslag. De separaat gestelde maatwerkvoorschriften moet [naam 1] in acht nemen en deze vormen de voorwaarden waaronder deze omgevingsvergunning wordt verleend. Verder is een voorwaarde dat het aantal bezoekers in de inrichting nooit meer dan 150 mag zijn en dient het geluidsscherm zoals dat is vergund op 8 maart 2023 steeds in stand te worden gehouden. Daarnaast zijn nog enkele voorwaarden en voorschriften opgenomen. 4.2. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning. Ter onderbouwing van hun standpunt dat het akoestisch rapport van Het Geluidburo gebreken bevat, dat er onvoldoende akoestisch onderzoek is gedaan en dat de maatwerkvoorschriften onvoldoende zijn, hebben zij een notitie van Sain Milieuadvies van 2 juni 2023 overgelegd. 4.3. In het bestreden besluit van 29 mei 2024 heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. Het college verwijst kort gezegd naar het advies van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna: de Omgevingsdienst) van 9 mei 2024 en stelt dat het geluidsonderzoek van 23 januari 2023 van Het Geluidburo relevant is voor de heroverweging, correct is uitgevoerd en terecht ten grondslag is gelegd aan het primaire besluit. AMS 24/3897 5.
Volledig
Op 28 februari 2023 heeft het college ambtshalve besloten om maatwerkvoorschriften op te leggen aan [naam 1] , om overschrijding van de geluidnormen als gevolg van industrielawaai afkomstig van [naam 1] op de gevels van woningen van derden (eisers) te voorkomen. 5.1. Op 29 mei 2024 heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. In afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft het college besloten dat het niet nodig is om een nieuw akoestisch onderzoek uit te voeren. Volgens het college is uitsluitend het geluidsonderzoek van 23 januari 2023 van Het Geluidburo relevant bij de heroverweging en is dat onderzoek correct uitgevoerd. AMS 24/3634 6. Op 28 december 2023 heeft [naam 1] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het organiseren van zes incidentele evenementen en festiviteiten tot maximaal 300 bezoekers. 6.1. Op 19 maart 2024 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteit ‘afwijkend gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Overwogen wordt dat deze omgevingsvergunning een aanvulling is op de reeds verleende, nog niet onherroepelijke omgevingsvergunning van 28 februari 2023 waarin maatwerkvoorschriften aan [naam 1] zijn opgelegd. Daarin is een maximaal aantal bezoekers van 150 opgenomen. Met deze aanvullende omgevingsvergunning van 19 maart 2024 wordt het mogelijk gemaakt om 6 evenementen met maximaal 300 personen te organiseren. Er is een aangepast akoestisch onderzoek uitgevoerd waaruit volgt dat wat wordt aangevraagd akoestisch inpasbaar is. Ook is er voldoende parkeergelegenheid. De vergunning is verleend voor een periode van 10 jaar. 6.2. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Op 25 juni 2024 heeft het college het bezwaar, zoals verzocht door eisers, naar de rechtbank doorgestuurd ter behandeling als beroepschrift. De rechtbank behandelt het bezwaar daarom als beroep. 6.3. Op 27 mei 2025 heeft het college een gebrek in het bestreden besluit hersteld, in die zin dat is toegevoegd dat het gaat om zes evenementen per jaar . 6.4. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit tot wijziging van het bestreden besluit van 19 maart 2024. AMS 24/3896 7. Op 5 oktober 2022 heeft [naam 1] een aanvraag ingediend voor het tijdelijk gebruik van de herinrichting van het terrein van [naam 1] ten behoeve van een parkeerterrein en een ontsluitingsweg in strijd met het bestemmingsplan '[bestemmingsplan]'. 7.1. Op 9 december 2022 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. 7.2. Op 29 mei 2024 heeft het college het primaire besluit gehandhaafd onder aanpassing van zijn motivering, waarbij de grondslag, de tijdelijkheid en de voorwaarden zijn gewijzigd overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie. Het college vindt het ook in deze zaak niet nodig om een nieuw akoestisch onderzoek uit te voeren en verwijst daarbij naar het advies van de Omgevingsdienst van 9 mei 2024 en het geluidrapport van Het Geluidburo van 23 januari 2023. AMS 24/3883 8. Op 16 november 2023 heeft [naam 1] een verlenging van haar exploitatievergunning aangevraagd voor de exploitatie van haar inrichting die bestaat uit twee zalen van 109 m² en 450 m² en twee terrassen aan de voor- en achterzijde met een capaciteit van respectievelijk 60 en 80 personen. 8.1. Op 8 februari 2024 heeft de burgemeester de (verlenging van de) exploitatievergunning verleend tot 8 februari 2027. 8.2. Met de beslissing op het bezwaar van eisers van 3 juni 2024 heeft de burgemeester het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van zijn motivering en onder verwijzing naar het besluit maatwerkvoorschriften (AMS 24/3897), almede de metingen die hebben plaatsgevonden. De burgemeester concludeert dat [naam 1] geen geluidsoverlast veroorzaakt, omdat er geen geluidsoverschrijdingen zijn gemeten en er ook geen klachten door de politie zijn ontvangen. Verder gaat de burgemeester over tot het aanscherpen van de voorschriften die verbonden zijn aan de exploitatievergunning. 8.3. Op 19 mei 2025 heeft de burgemeester het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de inrichtingstekening die onderdeel uitmaakte van de aanvraag onderdeel wordt van de vergunning. 8.4. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit tot wijziging van het bestreden besluit. In alle zaken 9. Eisers hebben beroep ingesteld tegen alle bestreden besluiten. Verweerders hebben op alle beroepen gereageerd met verweerschriften. [naam 1] heeft ook schriftelijk gereageerd. 9.1. De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Aanwezig waren: eisers, de gemachtigde van eisers, [naam 2] ([functie] bij Sain Milieuadvies), mr. S.D. Meulenbelt en mr. E. van der Salm namens verweerders, mr. F.K. van Wijk, (destijds) de gemachtigde van verweerders, vergezeld door [naam 3] (juridisch medewerker) en [naam 4] ([functie] van de Omgevingsdienst) en [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ([functie] bij Het GeluidBuro) namens [naam 1] . 9.2. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het vooronderzoek heropend en het voornemen kenbaar gemaakt om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de STAB) te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. 9.3. De STAB heeft op 2 oktober 2025 een deskundigenverslag uitgebracht. Naar aanleiding daarvan hebben partijen nog reacties gegeven en over en weer op elkaar gereageerd. 9.4. De rechtbank heeft partijen op 11 december 2025 ervan op de hoogte gesteld dat de samenstelling van de rechtbank die de uitspraak zal doen een andere is dan de samenstelling die de zaken op de zitting van 2 juni 2025 heeft behandeld. Eén van de rechters is vervangen door een andere rechter, wiens naam aan partijen is medegedeeld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om een nadere zitting te verzoeken. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaken een nieuwe zitting te houden en partijen niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Wat voorafging aan de bestreden besluiten 10. Op 26 maart 2020 was het bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakte op de locatie waar [naam 1] wordt geëxploiteerd een horecabedrijf met recreatieve voorzieningen en teambuildingactiviteiten mogelijk. De locatie had daarvoor de bestemming ‘Recreatie’ gekregen. Eisers wonen op het aangrenzende perceel op de [adres 2] . Zij hadden beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan ‘ [adres 1]’. 10.1. [naam 1] heeft na de vaststelling van het bestemmingsplan voorzieningen op de locatie gerealiseerd. Inmiddels zijn er twee zalen met een bar voor bruiloften en partijen, bedrijfsbijeenkomsten, presentaties en vergaderingen, een sport- en speelhal, een speelveld voor spelende kinderen en teambuildingactiviteiten en terrassen. Verder wordt nog een recreatief nachtverblijf gerealiseerd. 10.2. Met een besluit van 28 oktober 2021 (het herstelbesluit) had de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘ [adres 1], [plaats 2] ’ gewijzigd vastgesteld en de verbeelding en planregels aangepast. Ook hier hadden eisers beroep tegen ingesteld. 10.3. Op 24 augustus 2022 heeft de Afdeling een einduitspraak gedaan waarin zowel het bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’ dat op 26 maart 2020 is vastgesteld, als het herstelbesluit van 28 oktober 2021 zijn vernietigd. Dit betekent dat het voormalige bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ weer geldt. De akoestische problematiek 11. De rechtbank stelt vast dat in alle zaken de akoestische problematiek een centrale rol speelt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of door [naam 1] wordt voldaan aan de geldende geluidnormen. 11.1. Verder stelt de rechtbank vast dat in alle zaken de volgende geluidrapporten aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd: een rapport van Het GeluidBuro van 23 januari 2022, een rapport van Event Acoustics van 30 januari 2023 en een advies van de Omgevingsdienst van 9 mei 2024. 11.2. Eisers hebben daar rapporten van Sain Milieuadvies van 2 juni 2023, 4 maart 2024 en 17 juni 2024 tegenover gesteld. 11.3.
Volledig
Op 28 februari 2023 heeft het college ambtshalve besloten om maatwerkvoorschriften op te leggen aan [naam 1] , om overschrijding van de geluidnormen als gevolg van industrielawaai afkomstig van [naam 1] op de gevels van woningen van derden (eisers) te voorkomen. 5.1. Op 29 mei 2024 heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. In afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft het college besloten dat het niet nodig is om een nieuw akoestisch onderzoek uit te voeren. Volgens het college is uitsluitend het geluidsonderzoek van 23 januari 2023 van Het Geluidburo relevant bij de heroverweging en is dat onderzoek correct uitgevoerd. AMS 24/3634 6. Op 28 december 2023 heeft [naam 1] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het organiseren van zes incidentele evenementen en festiviteiten tot maximaal 300 bezoekers. 6.1. Op 19 maart 2024 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteit ‘afwijkend gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Overwogen wordt dat deze omgevingsvergunning een aanvulling is op de reeds verleende, nog niet onherroepelijke omgevingsvergunning van 28 februari 2023 waarin maatwerkvoorschriften aan [naam 1] zijn opgelegd. Daarin is een maximaal aantal bezoekers van 150 opgenomen. Met deze aanvullende omgevingsvergunning van 19 maart 2024 wordt het mogelijk gemaakt om 6 evenementen met maximaal 300 personen te organiseren. Er is een aangepast akoestisch onderzoek uitgevoerd waaruit volgt dat wat wordt aangevraagd akoestisch inpasbaar is. Ook is er voldoende parkeergelegenheid. De vergunning is verleend voor een periode van 10 jaar. 6.2. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Op 25 juni 2024 heeft het college het bezwaar, zoals verzocht door eisers, naar de rechtbank doorgestuurd ter behandeling als beroepschrift. De rechtbank behandelt het bezwaar daarom als beroep. 6.3. Op 27 mei 2025 heeft het college een gebrek in het bestreden besluit hersteld, in die zin dat is toegevoegd dat het gaat om zes evenementen per jaar . 6.4. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit tot wijziging van het bestreden besluit van 19 maart 2024. AMS 24/3896 7. Op 5 oktober 2022 heeft [naam 1] een aanvraag ingediend voor het tijdelijk gebruik van de herinrichting van het terrein van [naam 1] ten behoeve van een parkeerterrein en een ontsluitingsweg in strijd met het bestemmingsplan '[bestemmingsplan]'. 7.1. Op 9 december 2022 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. 7.2. Op 29 mei 2024 heeft het college het primaire besluit gehandhaafd onder aanpassing van zijn motivering, waarbij de grondslag, de tijdelijkheid en de voorwaarden zijn gewijzigd overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie. Het college vindt het ook in deze zaak niet nodig om een nieuw akoestisch onderzoek uit te voeren en verwijst daarbij naar het advies van de Omgevingsdienst van 9 mei 2024 en het geluidrapport van Het Geluidburo van 23 januari 2023. AMS 24/3883 8. Op 16 november 2023 heeft [naam 1] een verlenging van haar exploitatievergunning aangevraagd voor de exploitatie van haar inrichting die bestaat uit twee zalen van 109 m² en 450 m² en twee terrassen aan de voor- en achterzijde met een capaciteit van respectievelijk 60 en 80 personen. 8.1. Op 8 februari 2024 heeft de burgemeester de (verlenging van de) exploitatievergunning verleend tot 8 februari 2027. 8.2. Met de beslissing op het bezwaar van eisers van 3 juni 2024 heeft de burgemeester het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van zijn motivering en onder verwijzing naar het besluit maatwerkvoorschriften (AMS 24/3897), almede de metingen die hebben plaatsgevonden. De burgemeester concludeert dat [naam 1] geen geluidsoverlast veroorzaakt, omdat er geen geluidsoverschrijdingen zijn gemeten en er ook geen klachten door de politie zijn ontvangen. Verder gaat de burgemeester over tot het aanscherpen van de voorschriften die verbonden zijn aan de exploitatievergunning. 8.3. Op 19 mei 2025 heeft de burgemeester het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de inrichtingstekening die onderdeel uitmaakte van de aanvraag onderdeel wordt van de vergunning. 8.4. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit tot wijziging van het bestreden besluit. In alle zaken 9. Eisers hebben beroep ingesteld tegen alle bestreden besluiten. Verweerders hebben op alle beroepen gereageerd met verweerschriften. [naam 1] heeft ook schriftelijk gereageerd. 9.1. De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Aanwezig waren: eisers, de gemachtigde van eisers, [naam 2] ([functie] bij Sain Milieuadvies), mr. S.D. Meulenbelt en mr. E. van der Salm namens verweerders, mr. F.K. van Wijk, (destijds) de gemachtigde van verweerders, vergezeld door [naam 3] (juridisch medewerker) en [naam 4] ([functie] van de Omgevingsdienst) en [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ([functie] bij Het GeluidBuro) namens [naam 1] . 9.2. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het vooronderzoek heropend en het voornemen kenbaar gemaakt om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de STAB) te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. 9.3. De STAB heeft op 2 oktober 2025 een deskundigenverslag uitgebracht. Naar aanleiding daarvan hebben partijen nog reacties gegeven en over en weer op elkaar gereageerd. 9.4. De rechtbank heeft partijen op 11 december 2025 ervan op de hoogte gesteld dat de samenstelling van de rechtbank die de uitspraak zal doen een andere is dan de samenstelling die de zaken op de zitting van 2 juni 2025 heeft behandeld. Eén van de rechters is vervangen door een andere rechter, wiens naam aan partijen is medegedeeld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om een nadere zitting te verzoeken. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaken een nieuwe zitting te houden en partijen niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Wat voorafging aan de bestreden besluiten 10. Op 26 maart 2020 was het bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakte op de locatie waar [naam 1] wordt geëxploiteerd een horecabedrijf met recreatieve voorzieningen en teambuildingactiviteiten mogelijk. De locatie had daarvoor de bestemming ‘Recreatie’ gekregen. Eisers wonen op het aangrenzende perceel op de [adres 2] . Zij hadden beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan ‘ [adres 1]’. 10.1. [naam 1] heeft na de vaststelling van het bestemmingsplan voorzieningen op de locatie gerealiseerd. Inmiddels zijn er twee zalen met een bar voor bruiloften en partijen, bedrijfsbijeenkomsten, presentaties en vergaderingen, een sport- en speelhal, een speelveld voor spelende kinderen en teambuildingactiviteiten en terrassen. Verder wordt nog een recreatief nachtverblijf gerealiseerd. 10.2. Met een besluit van 28 oktober 2021 (het herstelbesluit) had de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘ [adres 1], [plaats 2] ’ gewijzigd vastgesteld en de verbeelding en planregels aangepast. Ook hier hadden eisers beroep tegen ingesteld. 10.3. Op 24 augustus 2022 heeft de Afdeling een einduitspraak gedaan waarin zowel het bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’ dat op 26 maart 2020 is vastgesteld, als het herstelbesluit van 28 oktober 2021 zijn vernietigd. Dit betekent dat het voormalige bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ weer geldt. De akoestische problematiek 11. De rechtbank stelt vast dat in alle zaken de akoestische problematiek een centrale rol speelt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of door [naam 1] wordt voldaan aan de geldende geluidnormen. 11.1. Verder stelt de rechtbank vast dat in alle zaken de volgende geluidrapporten aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd: een rapport van Het GeluidBuro van 23 januari 2022, een rapport van Event Acoustics van 30 januari 2023 en een advies van de Omgevingsdienst van 9 mei 2024. 11.2. Eisers hebben daar rapporten van Sain Milieuadvies van 2 juni 2023, 4 maart 2024 en 17 juni 2024 tegenover gesteld. 11.3.
Volledig
Gelet op de verschillende standpunten en rapporten over de akoestische problematiek, heeft de rechtbank de STAB gevraagd een deskundigenverslag uit te brengen. Het STAB-rapport wordt door de rechtbank bij de beoordeling betrokken, net als de reacties van eisers, [naam 1] en verweerders daarop. 11.4. De rechtbank heeft de STAB gevraagd drie vragen te beantwoorden, te weten: 1) De deskundige van Het GeluidBuro heeft erkend dat hij in zijn berekening een fout heeft gemaakt vanwege een onjuiste projectering van de nokhoogte in zijn akoestisch onderzoek. Op de zitting heeft hij gezegd dat correctie van die fout ertoe leidt dat het maximaal toelaatbare geluidniveau met 1 dB(A) moet worden verminderd. Bent u het eens met deze conclusie? 2) Volgens de deskundige van Sain milieuadvies is de deskundige van Het GeluidBuro ten onrechte alleen uitgegaan van het ‘popmuziekspectrum’. Op basis daarvan is het maximaal toelaatbare geluidniveau vastgesteld op 87 dB(A) . Volgens de deskundige van de Omgevingsdienst betekent dit dat maximaal 93 dB(C) toelaatbaar is. Omdat is uitgegaan van het popmuziekspectrum, moet namelijk met een factor van +6 worden gerekend om het maximaal toelaatbare aantal dB(C) te bepalen. Bij muziek in het ‘dancespectrum’ is bij hetzelfde dB(C) niveau, het aantal dB(A) lager. Als muziek in het ‘dancespectrum’ wordt gespeeld, dan blijft volgens de deskundige van de Omgevingsdienst het maximaal toelaatbare aantal dB(C) 93, wat betekent dat het maximaal toelaatbare aantal dB(A) lager ligt dan 87. De rechtbank verzoekt u te beoordelen of dit juist is en of het voorgaande volgt uit het besluit tot oplegging van de maatwerkvoorschriften. Meer concreet: volgt uit het besluit dat maximaal 93 dB(C) mag worden geproduceerd, ongeacht het muziekspectrum? 3) Is de strafcorrectie voor herkenbaar muziekgeluid juist toegepast? Zo nee, wat heeft dat voor gevolgen voor het maximaal toelaatbare geluidniveau in [naam 1] ? 11.5. De STAB vat haar antwoord op de vragen als volgt samen: Ad 1): “ STAB concludeert op basis van berekeningen met het gecorrigeerde geluidmodel dat de modelfout met een onjuiste nokhoogte op een enkel beoordelingspunt leidt tot een 1 dB hogere geluidbelasting in de avondperiode. Voor de overige beoordelingspunten en voor de nachtperiode heeft de modelfout geen effect. In de nachtperiode leidt de correctie daarom niet tot een aanpassing van het maximaal toelaatbare geluidniveau in de grote zaal. De verhoging van de geluidbelasting in de avondperiode met 1 dB kan niet worden tenietgedaan door het maximaal toelaatbare muziekgeluidniveau in de grote zaal met 1 dB te verminderen. In de avondperiode wordt namelijk ook met de berekening met het niet-gecorrigeerde model en het muziekgeluidniveau uit het maatwerkvoorschrift de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit overschreden. Om aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit te voldoen met het gecorrigeerde model zou, uitgaande van de systematiek van het geluidrapport V1.1, het maximaal toelaatbare geluidniveau in de grote zaal in de avondperiode moeten worden verminderd tot 83 dB(A) .” Ad 2): " In antwoord op vraag 2 van de rechtbank stelt STAB dat uit het bestreden besluit niet volgt dat maximaal 93 dB(C) mag worden geproduceerd, ongeacht het muziekspectrum. In de maatwerkvoorschriften is geen dB(C) waarde vastgelegd. Het verschil tussen dB(A) en dB(C) is voor het popmuziekspectrum weliswaar 6 dB, maar in het maatwerkvoorschrift is dit verschil niet vastgelegd en is niet bepaald dat geen muziek met een ander geluidspectrum dan popmuziek ten gehore mag worden gebracht. Bovendien doet het verschil van 6 dB zich voor in de grote zaal en is het verschil ter plaatse van de gevels van de woningen [adres 2] en [adres 3] niet bepaald. STAB merkt daarnaast op dat ondanks het uitgangspunt van muziek met het popmuziekspectrum in de grote zaal, in het geluidrapport V1.1 (grotendeels) is gerekend met het dancemuziekspectrum .” Ad 3): “ De strafcorrectie voor herkenbaar muziekgeluid is niet juist toegepast. De straffactor moet namelijk na het berekenen van het geluidniveau opgeteld worden bij het gevonden totale geluidniveau op de gevel. Het GeluidBuro heeft de straffactor vóór berekening opgeteld bij de bronnen voor muziekgeluid van de grote en kleine zaal. Dit kan gevolgen hebben voor het maximaal toelaatbare geluidniveau in de [naam 1] . Bij een duidelijk hoorbaar muziekkarakter ter plaatse van de gevel van de woningen, zou het maximaal toelaatbare geluidniveau in de grote zaal van de [naam 1] verder moeten worden beperkt. In de avondperiode moet het geluidniveau in de grote zaal van de [naam 1] zodanig zijn dan wel worden verlaagd dat bij de woningen geen sprake is van geluid met een duidelijk hoorbaar muziekkarakter. In de nachtperiode mag het geluidniveau in de grote zaal ten hoogste 82 dB(A) bedragen, of hoger als is vastgesteld dat bij het betreffende niveau geen sprake is van geluid met een duidelijk hoorbaar muziekkarakter bij de woningen .” Oordeel van de rechtbank 12. Volgens vaste rechtspraak mag de rechtbank in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47, van de Awb. Dat is slechts anders als dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. 12.1. De rechtbank stelt voorop dat de STAB een deskundige is als bedoeld in artikel 8:47, van de Awb. In wat partijen hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat het STAB-rapport onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken bevat dat de rechtbank dit advies niet kan gebruiken bij de beoordeling van de bestreden besluiten. [naam 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de STAB onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat er op haar locatie sprake is van veel achtergrondgeluid van vliegtuigen, vrachtverkeer en bedrijvigheid. De geluidsdeskundige van [naam 1] stelt dat de STAB meer informatie had kunnen ontlenen aan de rapporten van Event Acoustics en te weinig waarde hecht aan de uitgebreide limiter die in [naam 1] aanwezig is. Wel concludeert deze deskundige dat het maatwerkvoorschrift verduidelijking behoeft. Verweerders hebben laten weten geen aanleiding te zien om aan de juistheid van de conclusies van de STAB te twijfelen en menen dat de maatwerkvoorschriften moeten worden aangepast. De rechtbank ziet hierin, en ook anderszins, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de STAB. De locatie van de [naam 1] en de aanwezige limiter maken de door de STAB gehanteerde berekeningsmethode en toepasselijke normen immers niet onjuist. 12.2. Uitgaande van de conclusies van de STAB, is de rechtbank van oordeel dat de maatwerkvoorschriften onjuist zijn vastgesteld. Omdat ter motivering van de bestreden besluiten (op het bestreden besluit in zaak AMS 22/5920 na) in alle zaken wordt verwezen naar het besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften (AMS 24/3897) en een onjuist uitgevoerd akoestisch onderzoek van Het GeluidBuro van 23 januari 2022, kunnen alle bestreden besluiten (op het bestreden besluit in AMS 22/5920 en het bestreden besluit II in de zaak 23/1401 (over de dwangsom niet tijdig beslissen) na) niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt daarom deze bestreden besluiten. Ook het bestreden besluit in de zaak AMS 22/5920 kan naar het oordeel van de rechtbank niet in stand blijven en zal door de rechtbank worden vernietigd. Dit besluit gaat er namelijk van uit dat het geluidsscherm voldoet aan de eisen van geluidwering, waarbij het college verwijst naar de omgevingsvergunning in de zaak AMS 23/1401. Omdat de rechtbank die omgevingsvergunning vernietigt, omdat deze is gebaseerd op een akoestisch onderzoek dat gebreken bevat, kan ook het bestreden besluit in de zaak AMS 22/5920 niet in stand blijven. 12.3. De rechtbank draagt verweerders op om in alle zaken nieuwe besluiten te nemen. Zij zal geen bestuurlijke lus toepassen, zoals door verweerders is verzocht, gelet op de omvang van alle zaken en de verwevenheid van de besluitvorming.
Volledig
Gelet op de verschillende standpunten en rapporten over de akoestische problematiek, heeft de rechtbank de STAB gevraagd een deskundigenverslag uit te brengen. Het STAB-rapport wordt door de rechtbank bij de beoordeling betrokken, net als de reacties van eisers, [naam 1] en verweerders daarop. 11.4. De rechtbank heeft de STAB gevraagd drie vragen te beantwoorden, te weten: 1) De deskundige van Het GeluidBuro heeft erkend dat hij in zijn berekening een fout heeft gemaakt vanwege een onjuiste projectering van de nokhoogte in zijn akoestisch onderzoek. Op de zitting heeft hij gezegd dat correctie van die fout ertoe leidt dat het maximaal toelaatbare geluidniveau met 1 dB(A) moet worden verminderd. Bent u het eens met deze conclusie? 2) Volgens de deskundige van Sain milieuadvies is de deskundige van Het GeluidBuro ten onrechte alleen uitgegaan van het ‘popmuziekspectrum’. Op basis daarvan is het maximaal toelaatbare geluidniveau vastgesteld op 87 dB(A) . Volgens de deskundige van de Omgevingsdienst betekent dit dat maximaal 93 dB(C) toelaatbaar is. Omdat is uitgegaan van het popmuziekspectrum, moet namelijk met een factor van +6 worden gerekend om het maximaal toelaatbare aantal dB(C) te bepalen. Bij muziek in het ‘dancespectrum’ is bij hetzelfde dB(C) niveau, het aantal dB(A) lager. Als muziek in het ‘dancespectrum’ wordt gespeeld, dan blijft volgens de deskundige van de Omgevingsdienst het maximaal toelaatbare aantal dB(C) 93, wat betekent dat het maximaal toelaatbare aantal dB(A) lager ligt dan 87. De rechtbank verzoekt u te beoordelen of dit juist is en of het voorgaande volgt uit het besluit tot oplegging van de maatwerkvoorschriften. Meer concreet: volgt uit het besluit dat maximaal 93 dB(C) mag worden geproduceerd, ongeacht het muziekspectrum? 3) Is de strafcorrectie voor herkenbaar muziekgeluid juist toegepast? Zo nee, wat heeft dat voor gevolgen voor het maximaal toelaatbare geluidniveau in [naam 1] ? 11.5. De STAB vat haar antwoord op de vragen als volgt samen: Ad 1): “ STAB concludeert op basis van berekeningen met het gecorrigeerde geluidmodel dat de modelfout met een onjuiste nokhoogte op een enkel beoordelingspunt leidt tot een 1 dB hogere geluidbelasting in de avondperiode. Voor de overige beoordelingspunten en voor de nachtperiode heeft de modelfout geen effect. In de nachtperiode leidt de correctie daarom niet tot een aanpassing van het maximaal toelaatbare geluidniveau in de grote zaal. De verhoging van de geluidbelasting in de avondperiode met 1 dB kan niet worden tenietgedaan door het maximaal toelaatbare muziekgeluidniveau in de grote zaal met 1 dB te verminderen. In de avondperiode wordt namelijk ook met de berekening met het niet-gecorrigeerde model en het muziekgeluidniveau uit het maatwerkvoorschrift de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit overschreden. Om aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit te voldoen met het gecorrigeerde model zou, uitgaande van de systematiek van het geluidrapport V1.1, het maximaal toelaatbare geluidniveau in de grote zaal in de avondperiode moeten worden verminderd tot 83 dB(A) .” Ad 2): " In antwoord op vraag 2 van de rechtbank stelt STAB dat uit het bestreden besluit niet volgt dat maximaal 93 dB(C) mag worden geproduceerd, ongeacht het muziekspectrum. In de maatwerkvoorschriften is geen dB(C) waarde vastgelegd. Het verschil tussen dB(A) en dB(C) is voor het popmuziekspectrum weliswaar 6 dB, maar in het maatwerkvoorschrift is dit verschil niet vastgelegd en is niet bepaald dat geen muziek met een ander geluidspectrum dan popmuziek ten gehore mag worden gebracht. Bovendien doet het verschil van 6 dB zich voor in de grote zaal en is het verschil ter plaatse van de gevels van de woningen [adres 2] en [adres 3] niet bepaald. STAB merkt daarnaast op dat ondanks het uitgangspunt van muziek met het popmuziekspectrum in de grote zaal, in het geluidrapport V1.1 (grotendeels) is gerekend met het dancemuziekspectrum .” Ad 3): “ De strafcorrectie voor herkenbaar muziekgeluid is niet juist toegepast. De straffactor moet namelijk na het berekenen van het geluidniveau opgeteld worden bij het gevonden totale geluidniveau op de gevel. Het GeluidBuro heeft de straffactor vóór berekening opgeteld bij de bronnen voor muziekgeluid van de grote en kleine zaal. Dit kan gevolgen hebben voor het maximaal toelaatbare geluidniveau in de [naam 1] . Bij een duidelijk hoorbaar muziekkarakter ter plaatse van de gevel van de woningen, zou het maximaal toelaatbare geluidniveau in de grote zaal van de [naam 1] verder moeten worden beperkt. In de avondperiode moet het geluidniveau in de grote zaal van de [naam 1] zodanig zijn dan wel worden verlaagd dat bij de woningen geen sprake is van geluid met een duidelijk hoorbaar muziekkarakter. In de nachtperiode mag het geluidniveau in de grote zaal ten hoogste 82 dB(A) bedragen, of hoger als is vastgesteld dat bij het betreffende niveau geen sprake is van geluid met een duidelijk hoorbaar muziekkarakter bij de woningen .” Oordeel van de rechtbank 12. Volgens vaste rechtspraak mag de rechtbank in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47, van de Awb. Dat is slechts anders als dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. 12.1. De rechtbank stelt voorop dat de STAB een deskundige is als bedoeld in artikel 8:47, van de Awb. In wat partijen hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat het STAB-rapport onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken bevat dat de rechtbank dit advies niet kan gebruiken bij de beoordeling van de bestreden besluiten. [naam 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de STAB onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat er op haar locatie sprake is van veel achtergrondgeluid van vliegtuigen, vrachtverkeer en bedrijvigheid. De geluidsdeskundige van [naam 1] stelt dat de STAB meer informatie had kunnen ontlenen aan de rapporten van Event Acoustics en te weinig waarde hecht aan de uitgebreide limiter die in [naam 1] aanwezig is. Wel concludeert deze deskundige dat het maatwerkvoorschrift verduidelijking behoeft. Verweerders hebben laten weten geen aanleiding te zien om aan de juistheid van de conclusies van de STAB te twijfelen en menen dat de maatwerkvoorschriften moeten worden aangepast. De rechtbank ziet hierin, en ook anderszins, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de STAB. De locatie van de [naam 1] en de aanwezige limiter maken de door de STAB gehanteerde berekeningsmethode en toepasselijke normen immers niet onjuist. 12.2. Uitgaande van de conclusies van de STAB, is de rechtbank van oordeel dat de maatwerkvoorschriften onjuist zijn vastgesteld. Omdat ter motivering van de bestreden besluiten (op het bestreden besluit in zaak AMS 22/5920 na) in alle zaken wordt verwezen naar het besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften (AMS 24/3897) en een onjuist uitgevoerd akoestisch onderzoek van Het GeluidBuro van 23 januari 2022, kunnen alle bestreden besluiten (op het bestreden besluit in AMS 22/5920 en het bestreden besluit II in de zaak 23/1401 (over de dwangsom niet tijdig beslissen) na) niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt daarom deze bestreden besluiten. Ook het bestreden besluit in de zaak AMS 22/5920 kan naar het oordeel van de rechtbank niet in stand blijven en zal door de rechtbank worden vernietigd. Dit besluit gaat er namelijk van uit dat het geluidsscherm voldoet aan de eisen van geluidwering, waarbij het college verwijst naar de omgevingsvergunning in de zaak AMS 23/1401. Omdat de rechtbank die omgevingsvergunning vernietigt, omdat deze is gebaseerd op een akoestisch onderzoek dat gebreken bevat, kan ook het bestreden besluit in de zaak AMS 22/5920 niet in stand blijven. 12.3. De rechtbank draagt verweerders op om in alle zaken nieuwe besluiten te nemen. Zij zal geen bestuurlijke lus toepassen, zoals door verweerders is verzocht, gelet op de omvang van alle zaken en de verwevenheid van de besluitvorming.
Volledig
Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de STAB aanraadt om een nieuw geluidsonderzoek te laten uitvoeren. Er is geen sprake van het helen van een enkel gebrek, maar van het opnieuw beoordelen van de uitgangspunten van de besluitvorming, die na een nieuw uitgevoerd onderzoek wellicht geheel anders kunnen zijn. De bestuurlijke lus is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank minder geschikt dan het nemen van nieuwe besluiten op basis van een volledige heroverweging door verweerders. 12.4. Nu de rechtbank alle bestreden besluiten vernietigt en verweerders opdraagt om in alle zaken nieuwe besluiten te nemen , behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Overschrijding redelijke termijn 13. Eisers hebben verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 13.1. Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden als de procedure te lang duurt. Als uitgangspunt geldt dat voor een bezwaar- en beroepsprocedure als deze een totale lengte van twee jaar redelijk is. Het bezwaar moet als uitgangspunt binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar worden afgehandeld. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een vergoeding van € 500,- voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De redelijke termijn vangt als uitgangspunt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. 13.2. Gelet op de samenhang van alle zaken zal de rechtbank bij de beoordeling of, en in hoeverre de redelijke termijn is overschreden uitgaan van de langst lopende procedure. Het eerste bezwaarschrift is ingediend op 8 augustus 2021 (zaak AMS 23/1401), maar daarbij hebben eisers gevraagd om aanhouding in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’, waarover op 24 augustus 2022 uitspraak is gedaan. Al daarvoor, op 18 maart 2022, is het bezwaar van eisers in de zaak AMS 22/5920 ontvangen, zodat dit de langslopende procedure is. 13.3. De periode tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak heeft ongeveer vier jaar en één maand geduurd. Dat is een overschrijding van twee jaar en één maand. Voor het berekenen van de redelijke termijn laat de rechtbank het mediationtraject dat ongeveer acht maanden heeft geduurd buiten beschouwing. Dan blijft er een overschrijding over van één jaar en vijf maanden. Dit betekent dat eisers recht hebben op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500,-. 13.4. Het college heeft het bestreden besluit op 21 november 2022 bekendgemaakt. De redelijke termijn van een half jaar voor de bezwaarfase was op dat moment met ongeveer drie maanden overschreden. 13.5. Het beroep van eisers is op 5 december 2022 door de rechtbank ontvangen. Tussen deze datum en de datum van de uitspraak zit ongeveer drie jaar en vier maanden. Minus de acht maanden van het mediationtraject, is de redelijke termijn bij de rechtbank dus met één jaar en drie maanden overschreden. Van die overschrijding zijn twee maanden toe te rekenen aan het college, dat op 5 januari 2023 heeft verzocht om het beroep aan te houden totdat de bezwaarprocedure in AMS 23/1401 was afgerond. Tussen het moment van dit verzoek en de verleende omgevingsvergunning van 8 maart 2023 zijn ongeveer twee maanden gelegen. 13.6. Het voorgaande betekent dat van de totale overschrijding van anderhalf jaar ongeveer een half jaar aan verweerders kan worden toegerekend en een jaar aan de rechtbank. De Staat is daarom aangemerkt als partij in dit geding en wordt veroordeeld tot betaling van € 1.000,- en verweerders worden veroordeeld tot betaling van € 500,- aan eisers als vergoeding voor de door eisers geleden immateriële schade. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen in de zaak AMS 23/1401 is niet-ontvankelijk. Voor het overige zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt daarom alle bestreden besluiten. 14.1. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat verweerders nieuwe besluiten moet nemen. De rechtbank geeft hiervoor een termijn van 12 weken. 14.2. Omdat de beroepen gegrond zijn, moeten verweerders het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerders moeten deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde van eisers heeft in alle zaken een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in alle zaken heropend en de STAB gevraagd om advies te geven in de zaken AMS 24/3895 en AMS 24/3897. De gemachtigde van eisers heeft in beide zaken één reactie ingediend op het STAB-rapport. Voor die reactie krijgt de gemachtigde 0,5 punt. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 7.939,- (1 punt per zaak voor het beroepschrift, 1 punt in alle zaken voor de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het STAB-rapport, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 14.3. De rechtbank ziet verder aanleiding om te bepalen dat aan eisers een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor proceskosten die in verband staan met het verzoek om immateriële schadevergoeding dat door haar gemachtigde is ingediend. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor het verzoek in alle zaken, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Wegingsfactor 0,5 wordt toegepast, omdat de proceskostenvergoeding enkel voor toekenning van een verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegekend. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van dit verzoek bestaat geen aanleiding, omdat eisers hun verzoek op de zitting niet hebben toegelicht. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerders als aan de Staat kan worden toegerekend, worden de Staat en verweerders ieder voor de helft van het totaalbedrag van deze proceskosten veroordeeld. 14.4. Daarnaast krijgen eisers hun deskundigenkosten vergoed. Voor de door eisers ingeschakelde deskundige van Sain Milieuadvies wordt overeenkomstig de facturen van 2 april 2024 en 3 juli 2024 respectievelijk € 1.399,06 en € 907,50 inclusief btw toegekend. Dit komt neer op een bedrag van € 2.306,56. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet tijdig beslissen in de zaak AMS 23/1401 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep in alle zaken gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten in alle zaken en de wijzigingsbesluiten in de zaken AMS 24/3634 en AMS 24/3883 (op het bestreden besluit II in AMS 23/1401 na); - draagt verweerders op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerders tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 500,-; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 1.000,-; - bepaalt dat verweerders het griffierecht in alle zaken aan eisers moet vergoeden ter hoogte van € 1.303,- (in AMS 22/5920 en AMS 23/1401 € 184,- en in AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896, AMS 24/3897 en AMS 24/3883 € 187,-); - veroordeelt verweerders tot het betalen van € 8.165,75 aan kosten van rechtsbijstand en van € 2.306,56 inclusief btw aan deskundigenkosten aan eisers; - veroordeelt de Staat tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, voorzitter, en mr. M.M. Verberne en mr. M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr.M.M. Mazurel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
Volledig
Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de STAB aanraadt om een nieuw geluidsonderzoek te laten uitvoeren. Er is geen sprake van het helen van een enkel gebrek, maar van het opnieuw beoordelen van de uitgangspunten van de besluitvorming, die na een nieuw uitgevoerd onderzoek wellicht geheel anders kunnen zijn. De bestuurlijke lus is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank minder geschikt dan het nemen van nieuwe besluiten op basis van een volledige heroverweging door verweerders. 12.4. Nu de rechtbank alle bestreden besluiten vernietigt en verweerders opdraagt om in alle zaken nieuwe besluiten te nemen , behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Overschrijding redelijke termijn 13. Eisers hebben verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 13.1. Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden als de procedure te lang duurt. Als uitgangspunt geldt dat voor een bezwaar- en beroepsprocedure als deze een totale lengte van twee jaar redelijk is. Het bezwaar moet als uitgangspunt binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar worden afgehandeld. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een vergoeding van € 500,- voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De redelijke termijn vangt als uitgangspunt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. 13.2. Gelet op de samenhang van alle zaken zal de rechtbank bij de beoordeling of, en in hoeverre de redelijke termijn is overschreden uitgaan van de langst lopende procedure. Het eerste bezwaarschrift is ingediend op 8 augustus 2021 (zaak AMS 23/1401), maar daarbij hebben eisers gevraagd om aanhouding in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan ‘ [adres 1] ’, waarover op 24 augustus 2022 uitspraak is gedaan. Al daarvoor, op 18 maart 2022, is het bezwaar van eisers in de zaak AMS 22/5920 ontvangen, zodat dit de langslopende procedure is. 13.3. De periode tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak heeft ongeveer vier jaar en één maand geduurd. Dat is een overschrijding van twee jaar en één maand. Voor het berekenen van de redelijke termijn laat de rechtbank het mediationtraject dat ongeveer acht maanden heeft geduurd buiten beschouwing. Dan blijft er een overschrijding over van één jaar en vijf maanden. Dit betekent dat eisers recht hebben op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500,-. 13.4. Het college heeft het bestreden besluit op 21 november 2022 bekendgemaakt. De redelijke termijn van een half jaar voor de bezwaarfase was op dat moment met ongeveer drie maanden overschreden. 13.5. Het beroep van eisers is op 5 december 2022 door de rechtbank ontvangen. Tussen deze datum en de datum van de uitspraak zit ongeveer drie jaar en vier maanden. Minus de acht maanden van het mediationtraject, is de redelijke termijn bij de rechtbank dus met één jaar en drie maanden overschreden. Van die overschrijding zijn twee maanden toe te rekenen aan het college, dat op 5 januari 2023 heeft verzocht om het beroep aan te houden totdat de bezwaarprocedure in AMS 23/1401 was afgerond. Tussen het moment van dit verzoek en de verleende omgevingsvergunning van 8 maart 2023 zijn ongeveer twee maanden gelegen. 13.6. Het voorgaande betekent dat van de totale overschrijding van anderhalf jaar ongeveer een half jaar aan verweerders kan worden toegerekend en een jaar aan de rechtbank. De Staat is daarom aangemerkt als partij in dit geding en wordt veroordeeld tot betaling van € 1.000,- en verweerders worden veroordeeld tot betaling van € 500,- aan eisers als vergoeding voor de door eisers geleden immateriële schade. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen in de zaak AMS 23/1401 is niet-ontvankelijk. Voor het overige zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt daarom alle bestreden besluiten. 14.1. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat verweerders nieuwe besluiten moet nemen. De rechtbank geeft hiervoor een termijn van 12 weken. 14.2. Omdat de beroepen gegrond zijn, moeten verweerders het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerders moeten deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde van eisers heeft in alle zaken een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in alle zaken heropend en de STAB gevraagd om advies te geven in de zaken AMS 24/3895 en AMS 24/3897. De gemachtigde van eisers heeft in beide zaken één reactie ingediend op het STAB-rapport. Voor die reactie krijgt de gemachtigde 0,5 punt. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 7.939,- (1 punt per zaak voor het beroepschrift, 1 punt in alle zaken voor de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het STAB-rapport, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 14.3. De rechtbank ziet verder aanleiding om te bepalen dat aan eisers een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor proceskosten die in verband staan met het verzoek om immateriële schadevergoeding dat door haar gemachtigde is ingediend. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor het verzoek in alle zaken, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Wegingsfactor 0,5 wordt toegepast, omdat de proceskostenvergoeding enkel voor toekenning van een verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegekend. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van dit verzoek bestaat geen aanleiding, omdat eisers hun verzoek op de zitting niet hebben toegelicht. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerders als aan de Staat kan worden toegerekend, worden de Staat en verweerders ieder voor de helft van het totaalbedrag van deze proceskosten veroordeeld. 14.4. Daarnaast krijgen eisers hun deskundigenkosten vergoed. Voor de door eisers ingeschakelde deskundige van Sain Milieuadvies wordt overeenkomstig de facturen van 2 april 2024 en 3 juli 2024 respectievelijk € 1.399,06 en € 907,50 inclusief btw toegekend. Dit komt neer op een bedrag van € 2.306,56. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet tijdig beslissen in de zaak AMS 23/1401 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep in alle zaken gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten in alle zaken en de wijzigingsbesluiten in de zaken AMS 24/3634 en AMS 24/3883 (op het bestreden besluit II in AMS 23/1401 na); - draagt verweerders op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerders tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 500,-; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 1.000,-; - bepaalt dat verweerders het griffierecht in alle zaken aan eisers moet vergoeden ter hoogte van € 1.303,- (in AMS 22/5920 en AMS 23/1401 € 184,- en in AMS 24/3634, AMS 24/3895, AMS 24/3896, AMS 24/3897 en AMS 24/3883 € 187,-); - veroordeelt verweerders tot het betalen van € 8.165,75 aan kosten van rechtsbijstand en van € 2.306,56 inclusief btw aan deskundigenkosten aan eisers; - veroordeelt de Staat tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, voorzitter, en mr. M.M. Verberne en mr. M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr.M.M. Mazurel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.