Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-11
ECLI:NL:RBAMS:2026:4458
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,545 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4458 text/xml public 2026-05-18T12:18:18 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-11 23/4538 V Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4458 text/html public 2026-05-13T08:40:17 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4458 Rechtbank Amsterdam , 11-05-2026 / 23/4538 V Verzet gegrond. Beroep ongegrond. De rechtbank acht in het geval van opposant de termijnoverschrijding in beroep en verzet verschoonbaar. Verweerder heeft echter terecht de IVA-uitkering niet eerder laten ingaan dan 8 december 2021. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/4538 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 op het verzet van [opposant] , uit [plaats] , opposant , en uitspraak in de beroepszaak tussen [opposant] , uit [plaats] , betrokkene , en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder (gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es). Inleiding Opposant heeft op 23 juli 2023 beroep ingesteld tegen het besluit van 1 juni 2023 van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, waarin aan opposant een IVA-uitkering is toegekend met ingang van 8 december 2021. In de uitspraak van 23 mei 2024 heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep niet verschoonbaar te laat is ingediend. Opposant heeft tegen deze uitspraak op 20 februari 2025 verzet ingesteld. Daarbij heeft opposant in eerste instantie ook gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Nadat opposant na het plannen van een zittingsdatum heeft laten weten niet aanwezig te kunnen zijn en akkoord te zijn met schriftelijke afdoening van de zaak, heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat hun aanwezigheid niet vereist is. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Partijen waren niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank van het verzet 1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 23 mei 2024 terecht is geoordeeld dat het buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De ontvankelijkheid van het verzet 3. Op 21 maart 2026 heeft opposant de rechtbank per e-mail verzocht de zaak schriftelijk af te doen. In haar brief van 27 maart 2026 heeft de rechtbank voorlopig met dit verzoek ingestemd, inhoudende dat het verzet – en, als daaraan wordt toegekomen, het inhoudelijke beroep – schriftelijk zal worden behandeld. Daarbij heeft de rechtbank partijen laten weten dat zij eerst zal beoordelen of het verzet van opposant ontvankelijk is, en heeft zij partijen de gelegenheid geboden om zich schriftelijk uit te laten over dit punt, en ook over de ontvankelijkheid van het beroep en het inhoudelijke beroep. 4. Bij de beoordeling of het verzet tijdig is ingediend zijn dezelfde termijnen van toepassing als die in bezwaar en beroep. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is zes weken. Deze termijn begint te lopen de dag nadat de uitspraak bekendgemaakt is. Een verzetschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen, of wanneer het verzetschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan. Het verzetschrift moet in dat geval niet later dan een week na afloop van de termijn zijn ontvangen. Wanneer een verzetschrift niet binnen de termijn van zes weken wordt ingediend, wordt het verzetschrift niet-ontvankelijk verklaard en niet in behandeling genomen. Dit is alleen anders als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is. 5. De rechtbank stelt vast dat het verzetsschrift van opposant te laat is ingediend. De buitenzittingsuitspraak is verzonden op 27 mei 2024. De termijn om verzet in te dienen liep tot en met 8 juli 2024. Opposant heeft op 20 februari 2025 verzet ingesteld. Dit is meer dan een half jaar na afloop van de termijn. 6. De rechtbank is echter van oordeel dat opposant voldoende omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Uit de toelichting van opposant en de zich in het dossier bevindende medische stukken blijkt dat sprake is van dusdanige persoonlijke en medische omstandigheden die diens functioneren in het dagelijks leven in aanzienlijke mate beperken. Zo volgt uit de medische informatie onder meer dat opposant geen sociaal netwerk heeft, slechts zelden buitenshuis komt en voortdurend waakzaam is. Mede in verband met deze omstandigheden is aan opposant een IVA-uitkering toegekend. Opposant blijft, ondanks diens omstandigheden, de eigen belangen behartigen en zich in procedures als deze uitspreken. Dat verdient in algemene zin bewondering. Het getuigt van betrokkenheid en doorzettingsvermogen dat opposant, waar mogelijk, diens stem laat horen en voor zichzelf opkomt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat deze omstandigheden wel een grote rol hebben gespeeld bij het niet tijdig instellen van verzet. Daarnaast heeft opposant in deze periode een ingrijpende tijd doorgemaakt, nu ook diens moeder is overleden. De rechtbank heeft er begrip voor dat opposant ook daardoor niet steeds aandacht aan deze procedure heeft kunnen besteden. Verweerder heeft de rechtbank laten weten de beoordeling van de termijnoverschrijding aan de rechtbank over te laten. Er is dus geen uitdrukkelijk standpunt van verweerder ingenomen. De rechtbank betrekt tot slot bij haar oordeel de inhoud van de buitenzittingsuitspraak. Zij is van oordeel dat deze uitspraak geen stand kan houden en komt tot een ander oordeel. Dit wordt in het vervolg van deze uitspraak nader gemotiveerd. Daarmee is echter ook de situatie ontstaan dat verzet niet aan de orde zou zijn geweest, als er direct op juiste wijze op de verschoonbaarheid van het beroep was beslist. Hierdoor weegt de termijnoverschrijding van het verzet voor de rechtbank minder zwaar en legt zij de drempel voor de verschoonbaarheid daarvan lager. Alles afwegend komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de termijnoverschrijding in verzet verschoonbaar is. De ontvankelijkheid van het beroep 7. De rechtbank stelt vast dat ook het beroepsschrift van opposant te laat is ingediend. Het bestreden besluit is volgens verweerder verzonden op 1 juni 2023. De laatste dag van de beroepstermijn was in dat geval 13 juli 2023. Opposant heeft op 23 juli 2023 een beroepschrift ingediend. Het beroepsschrift is dan te laat ingediend. 8. Anders dan in de buitenzittingsuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Uit de hiervoor beschreven persoonlijke en medische omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat deze ook van invloed zijn geweest op het tijdig instellen van beroep. Mede gelet op de beperkte omvang van de termijnoverschrijding van slechts tien dagen, zal de rechtbank dit niet aan opposant tegenwerpen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat opposant in de betreffende periode onder mentorschap stond en dat diens mentor de belangen van opposant in de bezwaarprocedure heeft behartigd. Opposant heeft het besluit van de mentor echter pas op 17 juli 2023 ontvangen, waarna opposant vervolgens voortvarend heeft gehandeld en binnen zes dagen beroep heeft ingesteld. De rechtbank komt op grond van alle omstandigheden dan ook tot het oordeel dat ook deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. 9. Gelet op het voorgaande kan de buitenzittingsuitspraak niet in stand blijven. De rechtbank zal deze daarom laten vervallen. De rechtbank is voorts van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Beoordeling door de rechtbank van het beroep 10.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4458 text/xml public 2026-05-18T12:18:18 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-11 23/4538 V Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4458 text/html public 2026-05-13T08:40:17 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4458 Rechtbank Amsterdam , 11-05-2026 / 23/4538 V Verzet gegrond. Beroep ongegrond. De rechtbank acht in het geval van opposant de termijnoverschrijding in beroep en verzet verschoonbaar. Verweerder heeft echter terecht de IVA-uitkering niet eerder laten ingaan dan 8 december 2021. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/4538 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 op het verzet van [opposant] , uit [plaats] , opposant , en uitspraak in de beroepszaak tussen [opposant] , uit [plaats] , betrokkene , en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder (gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es). Inleiding Opposant heeft op 23 juli 2023 beroep ingesteld tegen het besluit van 1 juni 2023 van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, waarin aan opposant een IVA-uitkering is toegekend met ingang van 8 december 2021. In de uitspraak van 23 mei 2024 heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep niet verschoonbaar te laat is ingediend. Opposant heeft tegen deze uitspraak op 20 februari 2025 verzet ingesteld. Daarbij heeft opposant in eerste instantie ook gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Nadat opposant na het plannen van een zittingsdatum heeft laten weten niet aanwezig te kunnen zijn en akkoord te zijn met schriftelijke afdoening van de zaak, heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat hun aanwezigheid niet vereist is. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Partijen waren niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank van het verzet 1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 23 mei 2024 terecht is geoordeeld dat het buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De ontvankelijkheid van het verzet 3. Op 21 maart 2026 heeft opposant de rechtbank per e-mail verzocht de zaak schriftelijk af te doen. In haar brief van 27 maart 2026 heeft de rechtbank voorlopig met dit verzoek ingestemd, inhoudende dat het verzet – en, als daaraan wordt toegekomen, het inhoudelijke beroep – schriftelijk zal worden behandeld. Daarbij heeft de rechtbank partijen laten weten dat zij eerst zal beoordelen of het verzet van opposant ontvankelijk is, en heeft zij partijen de gelegenheid geboden om zich schriftelijk uit te laten over dit punt, en ook over de ontvankelijkheid van het beroep en het inhoudelijke beroep. 4. Bij de beoordeling of het verzet tijdig is ingediend zijn dezelfde termijnen van toepassing als die in bezwaar en beroep. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is zes weken. Deze termijn begint te lopen de dag nadat de uitspraak bekendgemaakt is. Een verzetschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen, of wanneer het verzetschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan. Het verzetschrift moet in dat geval niet later dan een week na afloop van de termijn zijn ontvangen. Wanneer een verzetschrift niet binnen de termijn van zes weken wordt ingediend, wordt het verzetschrift niet-ontvankelijk verklaard en niet in behandeling genomen. Dit is alleen anders als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is. 5. De rechtbank stelt vast dat het verzetsschrift van opposant te laat is ingediend. De buitenzittingsuitspraak is verzonden op 27 mei 2024. De termijn om verzet in te dienen liep tot en met 8 juli 2024. Opposant heeft op 20 februari 2025 verzet ingesteld. Dit is meer dan een half jaar na afloop van de termijn. 6. De rechtbank is echter van oordeel dat opposant voldoende omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Uit de toelichting van opposant en de zich in het dossier bevindende medische stukken blijkt dat sprake is van dusdanige persoonlijke en medische omstandigheden die diens functioneren in het dagelijks leven in aanzienlijke mate beperken. Zo volgt uit de medische informatie onder meer dat opposant geen sociaal netwerk heeft, slechts zelden buitenshuis komt en voortdurend waakzaam is. Mede in verband met deze omstandigheden is aan opposant een IVA-uitkering toegekend. Opposant blijft, ondanks diens omstandigheden, de eigen belangen behartigen en zich in procedures als deze uitspreken. Dat verdient in algemene zin bewondering. Het getuigt van betrokkenheid en doorzettingsvermogen dat opposant, waar mogelijk, diens stem laat horen en voor zichzelf opkomt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat deze omstandigheden wel een grote rol hebben gespeeld bij het niet tijdig instellen van verzet. Daarnaast heeft opposant in deze periode een ingrijpende tijd doorgemaakt, nu ook diens moeder is overleden. De rechtbank heeft er begrip voor dat opposant ook daardoor niet steeds aandacht aan deze procedure heeft kunnen besteden. Verweerder heeft de rechtbank laten weten de beoordeling van de termijnoverschrijding aan de rechtbank over te laten. Er is dus geen uitdrukkelijk standpunt van verweerder ingenomen. De rechtbank betrekt tot slot bij haar oordeel de inhoud van de buitenzittingsuitspraak. Zij is van oordeel dat deze uitspraak geen stand kan houden en komt tot een ander oordeel. Dit wordt in het vervolg van deze uitspraak nader gemotiveerd. Daarmee is echter ook de situatie ontstaan dat verzet niet aan de orde zou zijn geweest, als er direct op juiste wijze op de verschoonbaarheid van het beroep was beslist. Hierdoor weegt de termijnoverschrijding van het verzet voor de rechtbank minder zwaar en legt zij de drempel voor de verschoonbaarheid daarvan lager. Alles afwegend komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de termijnoverschrijding in verzet verschoonbaar is. De ontvankelijkheid van het beroep 7. De rechtbank stelt vast dat ook het beroepsschrift van opposant te laat is ingediend. Het bestreden besluit is volgens verweerder verzonden op 1 juni 2023. De laatste dag van de beroepstermijn was in dat geval 13 juli 2023. Opposant heeft op 23 juli 2023 een beroepschrift ingediend. Het beroepsschrift is dan te laat ingediend. 8. Anders dan in de buitenzittingsuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Uit de hiervoor beschreven persoonlijke en medische omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat deze ook van invloed zijn geweest op het tijdig instellen van beroep. Mede gelet op de beperkte omvang van de termijnoverschrijding van slechts tien dagen, zal de rechtbank dit niet aan opposant tegenwerpen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat opposant in de betreffende periode onder mentorschap stond en dat diens mentor de belangen van opposant in de bezwaarprocedure heeft behartigd. Opposant heeft het besluit van de mentor echter pas op 17 juli 2023 ontvangen, waarna opposant vervolgens voortvarend heeft gehandeld en binnen zes dagen beroep heeft ingesteld. De rechtbank komt op grond van alle omstandigheden dan ook tot het oordeel dat ook deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. 9. Gelet op het voorgaande kan de buitenzittingsuitspraak niet in stand blijven. De rechtbank zal deze daarom laten vervallen. De rechtbank is voorts van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Beoordeling door de rechtbank van het beroep 10.
Volledig
Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene op dit moment volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In geschil is uitsluitend de vraag of betrokkene al vóór 8 december 2021 recht had op een IVA-uitkering. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de langdurige en ernstige problematiek, de IVA-uitkering met ingang van 6 juli 2018 dient te worden toegekend. Volgens betrokkene heeft verweerder onvoldoende overtuigend gemotiveerd waarom geen eerdere ingangsdatum mogelijk is. 11. De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van Wet WIA, staat niet de vraag centraal of betrokkene volledig zal herstellen of geheel klachtenvrij zal worden. Het gaat erom of op medische gronden nog sprake is van een redelijke verwachting dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in de toekomst kunnen toenemen. Daarbij dienen niet alleen al ingezette ontwikkelingen, maar ook nog beschikbare of te verwachten behandel- en therapieopties in aanmerking te worden genomen. Van belang is of dergelijke behandelingen naar objectieve maatstaven bezien nog tot relevante verbetering van de functionele mogelijkheden kunnen leiden. Als en voor zover nog behandelmogelijkheden bestaan die de belastbaarheid of inzetbaarheid in arbeid kunnen verbeteren, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van duurzaamheid. 12. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat vóór 8 december 2021 nog geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. De rechtbank acht daarbij van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling terecht heeft gekeken naar de op dat moment beschikbare behandel- en therapieopties die de functionele mogelijkheden van betrokkene nog konden verbeteren. Ten tijde van de beoordeling bestond nog een reële en medisch onderbouwde verwachting dat de belastbaarheid van betrokkene door middel van Acceptance and Commitment Therapy (ACT) zou kunnen toenemen. Daarbij is van belang dat betrokkene op dat moment al in behandeling was binnen een ACT-traject, zodat niet slechts sprake was van een theoretische behandeloptie, maar van een daadwerkelijk ingezette behandeling waarvan nog effect ten aanzien van de belastbaarheid werd verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat ACT een wetenschappelijk onderbouwde therapievorm is die effectief kan zijn bij uiteenlopende problematiek, waaronder angst- en stemmingsklachten, lichamelijke klachten, stoppen met roken, psychotische problematiek en persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast kan ACT ook worden ingezet ter bevordering van de kwaliteit van leven en het vergroten van psychologische flexibiliteit en veerkracht. Dat de ACT-behandeling achteraf bezien geen of minder verbetering heeft opgeleverd dan destijds werd verwacht, maakt de situatie extra wrang, maar kan niet afdoen aan de destijds gemaakte prognostische beoordeling. Dit vormt geen grond om met terugwerkende kracht te concluderen dat al vóór 8 december 2021 sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid, noch om alsnog een IVA-uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Conclusie en gevolgen 13. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de buitenzittingsuitspraak laat vervallen en alsnog een inhoudelijk oordeel geeft op het beroep van betrokkene. 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden niet eerder dan 8 december 2021 een IVA-uitkering aan betrokkene heeft toegekend. Nu het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om verweerder te verplichten het door betrokkene betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet gegrond; verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Met betrokkene wordt bedoeld de indiener van het beroepsschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 8:55, tweede lid van de Awb over het verzet staat dat onder andere de artikelen 6:5 tot en met 6:9 van de Awb ook van toepassing zijn in verzetzaken. Dit staat in artikel 6:7 en 6:8 van de Awb. Dit staat in artikel 6:9 van de Awb. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
Volledig
Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene op dit moment volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In geschil is uitsluitend de vraag of betrokkene al vóór 8 december 2021 recht had op een IVA-uitkering. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de langdurige en ernstige problematiek, de IVA-uitkering met ingang van 6 juli 2018 dient te worden toegekend. Volgens betrokkene heeft verweerder onvoldoende overtuigend gemotiveerd waarom geen eerdere ingangsdatum mogelijk is. 11. De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van Wet WIA, staat niet de vraag centraal of betrokkene volledig zal herstellen of geheel klachtenvrij zal worden. Het gaat erom of op medische gronden nog sprake is van een redelijke verwachting dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in de toekomst kunnen toenemen. Daarbij dienen niet alleen al ingezette ontwikkelingen, maar ook nog beschikbare of te verwachten behandel- en therapieopties in aanmerking te worden genomen. Van belang is of dergelijke behandelingen naar objectieve maatstaven bezien nog tot relevante verbetering van de functionele mogelijkheden kunnen leiden. Als en voor zover nog behandelmogelijkheden bestaan die de belastbaarheid of inzetbaarheid in arbeid kunnen verbeteren, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van duurzaamheid. 12. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat vóór 8 december 2021 nog geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. De rechtbank acht daarbij van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling terecht heeft gekeken naar de op dat moment beschikbare behandel- en therapieopties die de functionele mogelijkheden van betrokkene nog konden verbeteren. Ten tijde van de beoordeling bestond nog een reële en medisch onderbouwde verwachting dat de belastbaarheid van betrokkene door middel van Acceptance and Commitment Therapy (ACT) zou kunnen toenemen. Daarbij is van belang dat betrokkene op dat moment al in behandeling was binnen een ACT-traject, zodat niet slechts sprake was van een theoretische behandeloptie, maar van een daadwerkelijk ingezette behandeling waarvan nog effect ten aanzien van de belastbaarheid werd verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat ACT een wetenschappelijk onderbouwde therapievorm is die effectief kan zijn bij uiteenlopende problematiek, waaronder angst- en stemmingsklachten, lichamelijke klachten, stoppen met roken, psychotische problematiek en persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast kan ACT ook worden ingezet ter bevordering van de kwaliteit van leven en het vergroten van psychologische flexibiliteit en veerkracht. Dat de ACT-behandeling achteraf bezien geen of minder verbetering heeft opgeleverd dan destijds werd verwacht, maakt de situatie extra wrang, maar kan niet afdoen aan de destijds gemaakte prognostische beoordeling. Dit vormt geen grond om met terugwerkende kracht te concluderen dat al vóór 8 december 2021 sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid, noch om alsnog een IVA-uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Conclusie en gevolgen 13. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de buitenzittingsuitspraak laat vervallen en alsnog een inhoudelijk oordeel geeft op het beroep van betrokkene. 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden niet eerder dan 8 december 2021 een IVA-uitkering aan betrokkene heeft toegekend. Nu het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om verweerder te verplichten het door betrokkene betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet gegrond; verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Met betrokkene wordt bedoeld de indiener van het beroepsschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 8:55, tweede lid van de Awb over het verzet staat dat onder andere de artikelen 6:5 tot en met 6:9 van de Awb ook van toepassing zijn in verzetzaken. Dit staat in artikel 6:7 en 6:8 van de Awb. Dit staat in artikel 6:9 van de Awb. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.