Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-11
ECLI:NL:RBAMS:2026:4455
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,035 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4455 text/xml public 2026-05-18T12:15:48 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-11 26/40 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4455 text/html public 2026-05-18T12:15:22 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4455 Rechtbank Amsterdam , 11-05-2026 / 26/40 Beroep ongegrond. Wet stufiefinanciering. Afwijzing omzetting van de prestatiebeurs naar een gift. Geen ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling. Eiser heeft vijftien jaar later een verzoek ingediend waardoor objectief geen causaal verband kan worden vastgesteld. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/40 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder (gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift op grond van een structurele medische omstandigheid. Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit van 16 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 november 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Totstandkoming van de besluiten 1. Eiser stond vanaf 2002 ingeschreven aan de Hogeschool Enschede voor de opleiding [naam studie 1] . Gedurende deze periode ontving hij studiefinanciering en een OV-voorziening in de vorm van een prestatiebeurs. Hij behaalde voldoende studiepunten om aan de eerstejaarsnorm te voldoen, waardoor de prestatiebeurs werd omgezet in een gift. Daarna volgde eiser de studie [naam studie 2] aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ook in deze periode ontving hij studiefinanciering, een OV-voorziening als prestatiebeurs en een lening. Deze studie heeft hij niet afgerond. Vervolgens is eiser begonnen aan de opleiding [naam studie 3] aan de Hanzehogeschool Groningen. Vanaf dat moment had hij alleen nog recht op een OV-studentenkaart en een lening, omdat hij het maximaal aantal maanden basisbeurs al had benut. Eiser stapte daarna over op de opleiding [naam studie 4], die hij eveneens niet afrondde. In 2009 is zijn studiefinanciering beëindigd. De studieschuld van eiser bedroeg toen € 60.415,70. In 2024 had hij hiervan al meer dan de helft afgelost. Eiser heeft op 14 mei 2025 verzocht om zijn prestatiebeurs om te zetten in een gift. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het deel van de prestatiebeurs ongeveer € 12.000,- bedraagt. 2. Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit afgewezen omdat eiser geen ondersteunende verklaring van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling heeft overgelegd. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De bijzondere omstandigheid moet worden aangetoond door een verklaring van de onderwijsinstelling. Het is niet aan verweerder om zelfstandig te beoordelen voor welke voorziening de aanvrager in aanmerking komt. De studentdecaan van de Hanzehogeschool ondersteunt het verzoek van eiser niet, omdat hij slechts één jaar aan de Hanzehogeschool studeerde en zich destijds niet heeft gemeld en er geen gegevens meer beschikbaar zijn. Hoewel ADHD kan leiden tot structurele studieproblemen, betekent dit niet dat deze aandoening bij elke student per definitie resulteert in het niet afronden van een opleiding in het hoger onderwijs. Er zijn namelijk voldoende studenten met ADHD die hun opleiding wel succesvol voltooien. Daarom is het noodzakelijk om een causaal verband aan te tonen tussen de aandoening en het niet kunnen afronden van de opleiding. Het is voor rekening en risico van de eiser dat hij na ruime tijd een verzoek indient zonder het causale verband te kunnen aantonen, aldus verweerder. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden het verzoek om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift heeft afgewezen. Dit verzoek is afgewezen, omdat de studentdecaan van de Hanzehogeschool het verzoek niet ondersteunt. Het beroep van eiser komt er in essentie op neer dat aan dit vereiste voorbijgegaan zou moeten worden en dat het verzoek inhoudelijk alsnog beoordeeld moet worden. 4. Indien een student in het hoger onderwijs als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is om binnen de diplomatermijn met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt ingevolge artikel 5.16, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000, een toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift. Uit het vijfde lid van dit artikel volgt dat die bijzondere omstandigheden uitsluitend kunnen worden aangetoond door een verklaring van de onderwijsinstelling en als zich medische omstandigheden voordoen, ook door een verklaring van een arts. Het is niet aan verweerder zelf om te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Wel moet hij beoordelen of die verklaringen op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. 5. Een ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling is vereist, omdat de instelling het beste kan beoordelen of een studie binnen de diplomatermijn van tien jaar kan worden afgerond, gelet op de (medische) omstandigheden van de student. Daarbij kan de onderwijsinstelling ook inschatten of met aanvullende ondersteuning alsnog een diploma kan worden behaald. De studentdecaan van de Hanzehogeschool heeft het verzoek van eiser niet ondersteund, omdat het causale verband tussen de door eiser opgegeven medische reden en het niet behalen van zijn diploma niet kan worden vastgesteld. Eiser heeft zich gedurende de korte studieperiode aan de Hanzehogeschool niet gemeld bij de studentdecaan voor aanvullende ondersteuning. Verder waren op dat moment bij de studentendecaan geen (medische) omstandigheden bekend die vertraging van zijn studie zouden opleveren. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in beginsel geen reden hoeven te zien om aan de verklaring van de studentdecaan te twijfelen. 6. Het is vervolgens aan eiser om twijfel te doen ontstaan over de conclusies van de studentdecaan of het causale verband tussen de door hem opgegeven reden en het niet behalen van een diploma anderszins aan te tonen. De rechtbank begrijpt eisers stelling dat dit een moeilijke bewijslast is. Aangezien eiser zich beroept op een uitzondering, creëert in dit geval het langere tijdsverloop een bewijsrisico in zijn nadeel. Een situatie in een verder verleden is in zijn algemeenheid immers moeilijker te bewijzen dan een recente situatie. Dat geldt ook voor de (voor eiser mogelijk nadelige) omstandigheden dat de instelling waar eiser zijn studieloopbaan eindigde niet meer bestaat en eiser zich daarom wel moest wenden tot de decaan van de Hanzehogeschool, waar eiser minder contact mee heeft gehad. Verweerder heeft eiser echter telefonisch nog geïnformeerd over de wijze waarop hij, ondanks het aanzienlijke tijdsverloop, een causaal verband kan aantonen, bijvoorbeeld door middel van een medische verklaring. Dat eiser hierbij op moeilijkheden stuit, is een logisch gevolg van dit tijdsverloop. Eiser heeft namelijk niet bij de beëindiging van zijn studie verzocht om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift, maar pas meer dan vijftien jaar later. 7. Naar het oordeel van de rechtbank biedt hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding voor verweerder om aan de conclusies van de studentendecaan te twijfelen of anderszins een causaal verband tussen de medische redenen en het niet behalen van een diploma aan te nemen. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat bij hem de diagnose ADHD is gesteld en hij heeft dit onderbouwd met enkele medische stukken.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4455 text/xml public 2026-05-18T12:15:48 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-11 26/40 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4455 text/html public 2026-05-18T12:15:22 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4455 Rechtbank Amsterdam , 11-05-2026 / 26/40 Beroep ongegrond. Wet stufiefinanciering. Afwijzing omzetting van de prestatiebeurs naar een gift. Geen ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling. Eiser heeft vijftien jaar later een verzoek ingediend waardoor objectief geen causaal verband kan worden vastgesteld. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/40 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder (gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift op grond van een structurele medische omstandigheid. Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit van 16 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 november 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Totstandkoming van de besluiten 1. Eiser stond vanaf 2002 ingeschreven aan de Hogeschool Enschede voor de opleiding [naam studie 1] . Gedurende deze periode ontving hij studiefinanciering en een OV-voorziening in de vorm van een prestatiebeurs. Hij behaalde voldoende studiepunten om aan de eerstejaarsnorm te voldoen, waardoor de prestatiebeurs werd omgezet in een gift. Daarna volgde eiser de studie [naam studie 2] aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ook in deze periode ontving hij studiefinanciering, een OV-voorziening als prestatiebeurs en een lening. Deze studie heeft hij niet afgerond. Vervolgens is eiser begonnen aan de opleiding [naam studie 3] aan de Hanzehogeschool Groningen. Vanaf dat moment had hij alleen nog recht op een OV-studentenkaart en een lening, omdat hij het maximaal aantal maanden basisbeurs al had benut. Eiser stapte daarna over op de opleiding [naam studie 4], die hij eveneens niet afrondde. In 2009 is zijn studiefinanciering beëindigd. De studieschuld van eiser bedroeg toen € 60.415,70. In 2024 had hij hiervan al meer dan de helft afgelost. Eiser heeft op 14 mei 2025 verzocht om zijn prestatiebeurs om te zetten in een gift. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het deel van de prestatiebeurs ongeveer € 12.000,- bedraagt. 2. Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit afgewezen omdat eiser geen ondersteunende verklaring van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling heeft overgelegd. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De bijzondere omstandigheid moet worden aangetoond door een verklaring van de onderwijsinstelling. Het is niet aan verweerder om zelfstandig te beoordelen voor welke voorziening de aanvrager in aanmerking komt. De studentdecaan van de Hanzehogeschool ondersteunt het verzoek van eiser niet, omdat hij slechts één jaar aan de Hanzehogeschool studeerde en zich destijds niet heeft gemeld en er geen gegevens meer beschikbaar zijn. Hoewel ADHD kan leiden tot structurele studieproblemen, betekent dit niet dat deze aandoening bij elke student per definitie resulteert in het niet afronden van een opleiding in het hoger onderwijs. Er zijn namelijk voldoende studenten met ADHD die hun opleiding wel succesvol voltooien. Daarom is het noodzakelijk om een causaal verband aan te tonen tussen de aandoening en het niet kunnen afronden van de opleiding. Het is voor rekening en risico van de eiser dat hij na ruime tijd een verzoek indient zonder het causale verband te kunnen aantonen, aldus verweerder. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden het verzoek om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift heeft afgewezen. Dit verzoek is afgewezen, omdat de studentdecaan van de Hanzehogeschool het verzoek niet ondersteunt. Het beroep van eiser komt er in essentie op neer dat aan dit vereiste voorbijgegaan zou moeten worden en dat het verzoek inhoudelijk alsnog beoordeeld moet worden. 4. Indien een student in het hoger onderwijs als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is om binnen de diplomatermijn met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt ingevolge artikel 5.16, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000, een toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift. Uit het vijfde lid van dit artikel volgt dat die bijzondere omstandigheden uitsluitend kunnen worden aangetoond door een verklaring van de onderwijsinstelling en als zich medische omstandigheden voordoen, ook door een verklaring van een arts. Het is niet aan verweerder zelf om te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Wel moet hij beoordelen of die verklaringen op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. 5. Een ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling is vereist, omdat de instelling het beste kan beoordelen of een studie binnen de diplomatermijn van tien jaar kan worden afgerond, gelet op de (medische) omstandigheden van de student. Daarbij kan de onderwijsinstelling ook inschatten of met aanvullende ondersteuning alsnog een diploma kan worden behaald. De studentdecaan van de Hanzehogeschool heeft het verzoek van eiser niet ondersteund, omdat het causale verband tussen de door eiser opgegeven medische reden en het niet behalen van zijn diploma niet kan worden vastgesteld. Eiser heeft zich gedurende de korte studieperiode aan de Hanzehogeschool niet gemeld bij de studentdecaan voor aanvullende ondersteuning. Verder waren op dat moment bij de studentendecaan geen (medische) omstandigheden bekend die vertraging van zijn studie zouden opleveren. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in beginsel geen reden hoeven te zien om aan de verklaring van de studentdecaan te twijfelen. 6. Het is vervolgens aan eiser om twijfel te doen ontstaan over de conclusies van de studentdecaan of het causale verband tussen de door hem opgegeven reden en het niet behalen van een diploma anderszins aan te tonen. De rechtbank begrijpt eisers stelling dat dit een moeilijke bewijslast is. Aangezien eiser zich beroept op een uitzondering, creëert in dit geval het langere tijdsverloop een bewijsrisico in zijn nadeel. Een situatie in een verder verleden is in zijn algemeenheid immers moeilijker te bewijzen dan een recente situatie. Dat geldt ook voor de (voor eiser mogelijk nadelige) omstandigheden dat de instelling waar eiser zijn studieloopbaan eindigde niet meer bestaat en eiser zich daarom wel moest wenden tot de decaan van de Hanzehogeschool, waar eiser minder contact mee heeft gehad. Verweerder heeft eiser echter telefonisch nog geïnformeerd over de wijze waarop hij, ondanks het aanzienlijke tijdsverloop, een causaal verband kan aantonen, bijvoorbeeld door middel van een medische verklaring. Dat eiser hierbij op moeilijkheden stuit, is een logisch gevolg van dit tijdsverloop. Eiser heeft namelijk niet bij de beëindiging van zijn studie verzocht om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift, maar pas meer dan vijftien jaar later. 7. Naar het oordeel van de rechtbank biedt hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding voor verweerder om aan de conclusies van de studentendecaan te twijfelen of anderszins een causaal verband tussen de medische redenen en het niet behalen van een diploma aan te nemen. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat bij hem de diagnose ADHD is gesteld en hij heeft dit onderbouwd met enkele medische stukken.