Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2026:4393
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
8,026 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4393 text/xml public 2026-05-07T14:36:23 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 13-345112-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4393 text/html public 2026-05-07T11:12:14 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4393 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 13-345112-25 Executie-EAB Polen. Overlevering geweigerd. Artikel 12 OLW. Het EAB vermeldt een verzamelvonnis waar vier onderliggende vonnissen aan ten grondslag liggen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de weigeringsgrond ten aanzien van alle onderliggende vonnissen van toepassing is en zij geen aanleiding ziet om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Nu de overlevering ten aanzien van alle onderliggende vonnissen wordt geweigerd, kan de overlevering voor het verzamelvonnis evenmin worden toegestaan. De opgeëiste persoon moet zijn verdedigingsrechten hebben kunnen uitoefenen zowel in de zaken die in de onderliggende vonnissen hebben geresulteerd als in de zaak die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Om deze reden zal de overlevering in zijn geheel worden geweigerd. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-345112-25 Datum uitspraak: 30 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 18 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 september 2025 door the Regional Court in Siedice (Sąd Okręgowy w Siedicach) Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 8 april 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.L.J. Swart, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende vragen te stellen in het kader van artikel 12 OLW. De zitting van 23 april 2026 Op deze zitting is de behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – voortgezet in gewijzigde samenstelling, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zij raadsman, mr. S.L.J. Swart, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the Regional Court in Mińsk Mazowiecki van 13 april 2022, met kenmerk II K 2/22. Uit de aanvullende informatie van 11 maart 2026 – in samenhang gelezen met de verstrekte vertaling van meerdere Poolse vonnissen en een Pools arrest – blijkt dat aan het verzamelvonnis de volgende onderliggende vonnissen ten grondslag liggen: een vonnis van the District Court in Mińsk Mazowiecki, II Criminal Division, van 30 april 2021 met kenmerk II K 346/19; een vonnis van the District Court in Mińsk Mazowiecki, II Criminal Divison, van 28 augustus 2019 met kenmerk II K 637/19; een vonnis van the District Court in Mińsk Mazowiecki, II Criminal Division, van 30 mei 2019 met kenmerk II K 1334/18, en een arrest van the Regional Court in Siedlce, II Criminal Division, van 21 november 2019 met kenmerk II Kaa 632/19, waarin dit vonnis is bekrachtigd; en een vonnis van the District Court for Warsaw Praga-Poludnie III Criminal Division, van 12 februari 2020 met kenmerk III K 688/19. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaar, twee maanden en 21 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis met kenmerk II K 2/22. Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 4.1 Standpunten van partijen Standpunt van de raadsman De raadsman heeft ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 1334/18 aangevoerd dat de opgeëiste persoon ontkent dat een gemachtigd raadsman namens hem de verdediging op de zitting in hoger beroep heeft gevoerd. De opgeëiste persoon zou namelijk na de procedure in eerste aanleg naar Nederland zijn vertrokken en niet hebben geweten van de rest van de procedure. Ten aanzien van de vonnissen met kenmerken II K 2/22, II K 637/19 en III K 688/19 heeft de raadsman bepleit dat een verzetsgarantie moet worden opgevraagd, zodat de opgeëiste persoon (alsnog) in de gelegenheid wordt gesteld om een hernieuwde behandeling van zijn strafzaak te verzoeken. Dit temeer nu geen antwoord is gegeven op de vraag of aan de opgeëiste persoon tijdens de procedures een adresinstructie is verstrekt. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie dient de overlevering te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Ten aanzien van het verzamelvonnis met kenmerk K 2/22 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van 10 april 2026 weliswaar blijkt dat sprake is van een gemachtigd advocaat, maar kan niet worden vastgesteld of deze gemachtigd advocaat namens de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk op de zitting de verdediging heeft gevoerd. Daarom is geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Bovendien is niet duidelijk geworden wanneer aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is verstrekt. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 1334/18 en het arrest met kenmerk II Ka 632/19 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen informatie is verstrekt over de procedure in hoger beroep zodat niet kan worden beoordeeld of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Ook ten aanzien van de vonnissen met de kenmerken II K 346/19, II K 637/19 en III K 688/19 is geen concrete aanvullende informatie verstrekt, waardoor niet kan worden beoordeeld of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Het is daarmee in alle gevallen onduidelijk hoe de procedures zijn verlopen. 4.2 Oordeel van de rechtbank 4.2.1 Ten aanzien van het verzamelvonnis met kenmerk II K 2/22 De rechtbank stelt vast dat in onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid. Als toelichting is vermeld dat zowel de opgeëiste persoon als zijn advocaat waren opgeroepen voor de zitting van 22 maart 2022, maar dat beiden niet zijn verschenen. Daarnaast is vermeld dat de opgeëiste persoon op 4 januari 2022, via een door hem gekozen advocaat, zelf heeft verzocht een verzamelvonnis te wijzen. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 maart 2026 blijkt dat de verzamelprocedure is verzocht door de opgeëiste persoon die vertegenwoordigd werd door een advocaat, en dat de opgeëiste persoon werd vertegenwoordigd door een voorkeursadvocaat die ook aanwezig was bij het proces. Voorts blijkt uit deze informatie dat de Poolse autoriteiten de oproeping voor de zitting per post naar het door de opgeëiste persoon verstrekte adres hebben verzonden.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4393 text/xml public 2026-05-07T14:36:23 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 13-345112-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4393 text/html public 2026-05-07T11:12:14 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4393 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 13-345112-25 Executie-EAB Polen. Overlevering geweigerd. Artikel 12 OLW. Het EAB vermeldt een verzamelvonnis waar vier onderliggende vonnissen aan ten grondslag liggen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de weigeringsgrond ten aanzien van alle onderliggende vonnissen van toepassing is en zij geen aanleiding ziet om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Nu de overlevering ten aanzien van alle onderliggende vonnissen wordt geweigerd, kan de overlevering voor het verzamelvonnis evenmin worden toegestaan. De opgeëiste persoon moet zijn verdedigingsrechten hebben kunnen uitoefenen zowel in de zaken die in de onderliggende vonnissen hebben geresulteerd als in de zaak die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Om deze reden zal de overlevering in zijn geheel worden geweigerd. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-345112-25 Datum uitspraak: 30 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 18 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 september 2025 door the Regional Court in Siedice (Sąd Okręgowy w Siedicach) Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 8 april 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.L.J. Swart, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende vragen te stellen in het kader van artikel 12 OLW. De zitting van 23 april 2026 Op deze zitting is de behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – voortgezet in gewijzigde samenstelling, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zij raadsman, mr. S.L.J. Swart, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the Regional Court in Mińsk Mazowiecki van 13 april 2022, met kenmerk II K 2/22. Uit de aanvullende informatie van 11 maart 2026 – in samenhang gelezen met de verstrekte vertaling van meerdere Poolse vonnissen en een Pools arrest – blijkt dat aan het verzamelvonnis de volgende onderliggende vonnissen ten grondslag liggen: een vonnis van the District Court in Mińsk Mazowiecki, II Criminal Division, van 30 april 2021 met kenmerk II K 346/19; een vonnis van the District Court in Mińsk Mazowiecki, II Criminal Divison, van 28 augustus 2019 met kenmerk II K 637/19; een vonnis van the District Court in Mińsk Mazowiecki, II Criminal Division, van 30 mei 2019 met kenmerk II K 1334/18, en een arrest van the Regional Court in Siedlce, II Criminal Division, van 21 november 2019 met kenmerk II Kaa 632/19, waarin dit vonnis is bekrachtigd; en een vonnis van the District Court for Warsaw Praga-Poludnie III Criminal Division, van 12 februari 2020 met kenmerk III K 688/19. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaar, twee maanden en 21 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis met kenmerk II K 2/22. Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 4.1 Standpunten van partijen Standpunt van de raadsman De raadsman heeft ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 1334/18 aangevoerd dat de opgeëiste persoon ontkent dat een gemachtigd raadsman namens hem de verdediging op de zitting in hoger beroep heeft gevoerd. De opgeëiste persoon zou namelijk na de procedure in eerste aanleg naar Nederland zijn vertrokken en niet hebben geweten van de rest van de procedure. Ten aanzien van de vonnissen met kenmerken II K 2/22, II K 637/19 en III K 688/19 heeft de raadsman bepleit dat een verzetsgarantie moet worden opgevraagd, zodat de opgeëiste persoon (alsnog) in de gelegenheid wordt gesteld om een hernieuwde behandeling van zijn strafzaak te verzoeken. Dit temeer nu geen antwoord is gegeven op de vraag of aan de opgeëiste persoon tijdens de procedures een adresinstructie is verstrekt. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie dient de overlevering te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Ten aanzien van het verzamelvonnis met kenmerk K 2/22 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van 10 april 2026 weliswaar blijkt dat sprake is van een gemachtigd advocaat, maar kan niet worden vastgesteld of deze gemachtigd advocaat namens de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk op de zitting de verdediging heeft gevoerd. Daarom is geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Bovendien is niet duidelijk geworden wanneer aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is verstrekt. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 1334/18 en het arrest met kenmerk II Ka 632/19 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen informatie is verstrekt over de procedure in hoger beroep zodat niet kan worden beoordeeld of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Ook ten aanzien van de vonnissen met de kenmerken II K 346/19, II K 637/19 en III K 688/19 is geen concrete aanvullende informatie verstrekt, waardoor niet kan worden beoordeeld of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Het is daarmee in alle gevallen onduidelijk hoe de procedures zijn verlopen. 4.2 Oordeel van de rechtbank 4.2.1 Ten aanzien van het verzamelvonnis met kenmerk II K 2/22 De rechtbank stelt vast dat in onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid. Als toelichting is vermeld dat zowel de opgeëiste persoon als zijn advocaat waren opgeroepen voor de zitting van 22 maart 2022, maar dat beiden niet zijn verschenen. Daarnaast is vermeld dat de opgeëiste persoon op 4 januari 2022, via een door hem gekozen advocaat, zelf heeft verzocht een verzamelvonnis te wijzen. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 maart 2026 blijkt dat de verzamelprocedure is verzocht door de opgeëiste persoon die vertegenwoordigd werd door een advocaat, en dat de opgeëiste persoon werd vertegenwoordigd door een voorkeursadvocaat die ook aanwezig was bij het proces. Voorts blijkt uit deze informatie dat de Poolse autoriteiten de oproeping voor de zitting per post naar het door de opgeëiste persoon verstrekte adres hebben verzonden.
Volledig
De opgeëiste persoon is erop gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de Poolse autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging en op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. In de aanvullende informatie van 20 maart 2026 is vermeld dat de door de opgeëiste persoon gekozen advocaat hem ook heeft vertegenwoordigd in de zaak met kenmerk II K2/19 (de rechtbank beschouwt de vermelding van dit kenmerk een kennelijke misslag en begrijpt dat bedoeld wordt II K2/22) . Naar aanleiding van de zitting van 8 april 2026 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) onder meer de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld: “Was [opgeëiste persoon] lawyer mandated to initiate the proceedings that led tot he cumulative judgment of 13 April 2022? And was [opgeëiste persoon] lawyer present at the hearing in 2022?” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vervolgens op 10 april 2026 aanvullende informatie verstrekt. Hieruit blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon hem heeft vertegenwoordigd in de zaak met kenmerk II K2/22 op basis van een “ Power of Attorney” . Uit de verstrekte informatie blijkt echter niet dat deze gemachtigd advocaat namens de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de zitting de verdediging heeft gevoerd. De rechtbank komt op grond van het voorgaande dan ook tot het oordeel dat een verzamelvonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet op het vorenstaande kan de overlevering conform artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank zal voorafgaand aan de vraag of zij aanleiding ziet om ten aanzien van het verzamelvonnis af zien van haar bevoegdheid de overlevering op deze grond te weigeren, eerst de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ten aanzien van de onderliggende vonnissen moeten beoordelen. De reden daarvoor is dat de uitkomst van die beoordeling in dit geval van belang is ten aanzien van de vraag of de overlevering voor het verzamelvonnis al dan niet kan worden toegestaan. 4.2.2 Ten aanzien van het arrest met kenmerk II Ka 632/19 Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Dit betekent dat de rechtbank alleen het arrest van the Regional Court in Siedlce, II Criminal Division, van 21 november 2019 met kenmerk II Ka 632/19 zal toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB, de aanvullende informatie van 11 maart 2026 en het toegezonden arrest van 21 november 2019 geen informatie bevat over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het proces dat tot het arrest heeft geleid. Evenmin heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een ingevuld D-formulier ten aanzien van dit arrest meegezonden. Uit het arrest van 21 november 2019 blijkt alleen dat het hoger beroep tegen het vonnis van 30 mei 2019 met kenmerk II K 1334/18 is ingesteld door de advocaat van de opgeëiste persoon. Informatie over de vraag of deze advocaat hiertoe gemachtigd was door de opgeëiste persoon ontbreekt. Voorts ontbreekt informatie over de vraag of aan de opgeëiste persoon in de voorbereidende procedure of op een later moment een adresinstructie heeft gehad en of deze adresinstructie ook van toepassing is op een procedure in hoger beroep. Daarnaast ontbreekt informatie over de vraag op welke wijze de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van de zitting in hoger beroep. Bij gebrek aan deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen of de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep zodat de rechtbank ook niet kan vaststellen of de opgeëiste persoon ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij het proces in hoger beroep aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest. Omdat de beslistermijn geen ruimte biedt om hierover nadere vragen te stellen, zal de overlevering voor het arrest van 21 november 2019 worden geweigerd. 4.2.3 Ten aanzien van de onderliggende vonnissen met kenmerken II K 346/19, II K 637/19 en III K 688/19. Het EAB zelf bevat geen informatie over de procedures in de onderliggende vonnissen. Bij brief van 10 april 2026 heeft uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van deze onderliggende vonnissen één ingevuld D-formulier meegezonden. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op de processen die tot deze vonnissen hebben geleid. De oproepingen voor de zittingen “ was served by substituted service ” waarbij twee afhaalberichten zijn achtergelaten. In de zaak met kenmerk II K 688/19 is de opgeëiste persoon ook niet bij de uitspraak verschenen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de vonnissen zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering conform artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en overweegt hiertoe als volgt. Naar aanleiding van de zitting van 8 april 2026 heeft het IRC ten aanzien van de onderliggende vonnissen aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, onder meer of de opgeëiste persoon zijn adres aan de Poolse autoriteiten heeft doorgegeven tijdens de procedures in de betreffende strafzaken, of de oproepingen voor de zittingen naar dit adres zijn verzonden en of en wanneer de opgeëiste persoon tijdens de procedures instructies heeft ontvangen over de plicht om aan de Poolse autoriteiten adreswijzigingen door te geven. Vervolgens heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie van 10 april 2026 onder meer meegedeeld dat “the suspect receives legal guidance on his rights and duties, including the duty under Article 139 (1) of the Code of Criminal Procedure, at first questioning”. Deze – summiere – informatie is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen of de opgeëiste persoon op ondubbelzinnige wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon bij de zitting aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest. Omdat de beslistermijn geen ruimte biedt om hierover nadere vragen te stellen, zal de overlevering voor deze vonnissen worden geweigerd. 4.2.4 Conclusie Nu de rechtbank tot de conclusie komt dat de overlevering ten aanzien van alle onderliggende vonnissen wordt geweigerd, kan de overlevering voor het verzamelvonnis evenmin worden toegestaan. In een geval als het onderhavige moet de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten hebben kunnen uitoefenen zowel in de zaken die in de onderliggende vonnissen hebben geresulteerd, omdat in die zaken onder meer over de schuld van de opgeëiste persoon aan de feiten is geoordeeld, als in de zaak die tot het verzamelvonnis heeft geleid, omdat in die zaak over de verzamelstraf is geoordeeld. Om deze reden zal de overlevering in zijn geheel worden geweigerd. Om die reden zal de rechtbank de overige verweren buiten bespreking laten, alsook de vraag of zij aanleiding ziet om ten aanzien van het verzamelvonnis af zien van haar bevoegdheid de overlevering op deze grond te weigeren. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 12 van de Overleveringswet.
Volledig
De opgeëiste persoon is erop gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de Poolse autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging en op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. In de aanvullende informatie van 20 maart 2026 is vermeld dat de door de opgeëiste persoon gekozen advocaat hem ook heeft vertegenwoordigd in de zaak met kenmerk II K2/19 (de rechtbank beschouwt de vermelding van dit kenmerk een kennelijke misslag en begrijpt dat bedoeld wordt II K2/22) . Naar aanleiding van de zitting van 8 april 2026 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) onder meer de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld: “Was [opgeëiste persoon] lawyer mandated to initiate the proceedings that led tot he cumulative judgment of 13 April 2022? And was [opgeëiste persoon] lawyer present at the hearing in 2022?” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vervolgens op 10 april 2026 aanvullende informatie verstrekt. Hieruit blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon hem heeft vertegenwoordigd in de zaak met kenmerk II K2/22 op basis van een “ Power of Attorney” . Uit de verstrekte informatie blijkt echter niet dat deze gemachtigd advocaat namens de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de zitting de verdediging heeft gevoerd. De rechtbank komt op grond van het voorgaande dan ook tot het oordeel dat een verzamelvonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet op het vorenstaande kan de overlevering conform artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank zal voorafgaand aan de vraag of zij aanleiding ziet om ten aanzien van het verzamelvonnis af zien van haar bevoegdheid de overlevering op deze grond te weigeren, eerst de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ten aanzien van de onderliggende vonnissen moeten beoordelen. De reden daarvoor is dat de uitkomst van die beoordeling in dit geval van belang is ten aanzien van de vraag of de overlevering voor het verzamelvonnis al dan niet kan worden toegestaan. 4.2.2 Ten aanzien van het arrest met kenmerk II Ka 632/19 Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Dit betekent dat de rechtbank alleen het arrest van the Regional Court in Siedlce, II Criminal Division, van 21 november 2019 met kenmerk II Ka 632/19 zal toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB, de aanvullende informatie van 11 maart 2026 en het toegezonden arrest van 21 november 2019 geen informatie bevat over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het proces dat tot het arrest heeft geleid. Evenmin heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een ingevuld D-formulier ten aanzien van dit arrest meegezonden. Uit het arrest van 21 november 2019 blijkt alleen dat het hoger beroep tegen het vonnis van 30 mei 2019 met kenmerk II K 1334/18 is ingesteld door de advocaat van de opgeëiste persoon. Informatie over de vraag of deze advocaat hiertoe gemachtigd was door de opgeëiste persoon ontbreekt. Voorts ontbreekt informatie over de vraag of aan de opgeëiste persoon in de voorbereidende procedure of op een later moment een adresinstructie heeft gehad en of deze adresinstructie ook van toepassing is op een procedure in hoger beroep. Daarnaast ontbreekt informatie over de vraag op welke wijze de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van de zitting in hoger beroep. Bij gebrek aan deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen of de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep zodat de rechtbank ook niet kan vaststellen of de opgeëiste persoon ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij het proces in hoger beroep aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest. Omdat de beslistermijn geen ruimte biedt om hierover nadere vragen te stellen, zal de overlevering voor het arrest van 21 november 2019 worden geweigerd. 4.2.3 Ten aanzien van de onderliggende vonnissen met kenmerken II K 346/19, II K 637/19 en III K 688/19. Het EAB zelf bevat geen informatie over de procedures in de onderliggende vonnissen. Bij brief van 10 april 2026 heeft uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van deze onderliggende vonnissen één ingevuld D-formulier meegezonden. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op de processen die tot deze vonnissen hebben geleid. De oproepingen voor de zittingen “ was served by substituted service ” waarbij twee afhaalberichten zijn achtergelaten. In de zaak met kenmerk II K 688/19 is de opgeëiste persoon ook niet bij de uitspraak verschenen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de vonnissen zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering conform artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en overweegt hiertoe als volgt. Naar aanleiding van de zitting van 8 april 2026 heeft het IRC ten aanzien van de onderliggende vonnissen aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, onder meer of de opgeëiste persoon zijn adres aan de Poolse autoriteiten heeft doorgegeven tijdens de procedures in de betreffende strafzaken, of de oproepingen voor de zittingen naar dit adres zijn verzonden en of en wanneer de opgeëiste persoon tijdens de procedures instructies heeft ontvangen over de plicht om aan de Poolse autoriteiten adreswijzigingen door te geven. Vervolgens heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie van 10 april 2026 onder meer meegedeeld dat “the suspect receives legal guidance on his rights and duties, including the duty under Article 139 (1) of the Code of Criminal Procedure, at first questioning”. Deze – summiere – informatie is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen of de opgeëiste persoon op ondubbelzinnige wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon bij de zitting aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest. Omdat de beslistermijn geen ruimte biedt om hierover nadere vragen te stellen, zal de overlevering voor deze vonnissen worden geweigerd. 4.2.4 Conclusie Nu de rechtbank tot de conclusie komt dat de overlevering ten aanzien van alle onderliggende vonnissen wordt geweigerd, kan de overlevering voor het verzamelvonnis evenmin worden toegestaan. In een geval als het onderhavige moet de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten hebben kunnen uitoefenen zowel in de zaken die in de onderliggende vonnissen hebben geresulteerd, omdat in die zaken onder meer over de schuld van de opgeëiste persoon aan de feiten is geoordeeld, als in de zaak die tot het verzamelvonnis heeft geleid, omdat in die zaak over de verzamelstraf is geoordeeld. Om deze reden zal de overlevering in zijn geheel worden geweigerd. Om die reden zal de rechtbank de overige verweren buiten bespreking laten, alsook de vraag of zij aanleiding ziet om ten aanzien van het verzamelvonnis af zien van haar bevoegdheid de overlevering op deze grond te weigeren. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 12 van de Overleveringswet.