Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-24
ECLI:NL:RBAMS:2026:4380
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,136 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4380 text/xml public 2026-05-12T17:26:10 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-24 785815 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4380 text/html public 2026-05-12T15:44:01 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4380 Rechtbank Amsterdam , 24-04-2026 / 785815 kort geding; beslagen worden opgeheven omdat op oneigenlijke gronden (ism waarheidsplicht van artikel 21 Rv) gelegd. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/785815 / KG ZA 26-257 NB/BB Vonnis in kort geding van 24 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [woonplaats 1] (Italië), 2. [eiser 2] B.V. , te [vestigingsplaats] , 3. [eiser 3] B.V. , te [vestigingsplaats] , 4. [eiser 4] B.V. , te [vestigingsplaats] , 5. [eiser 5] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partijen bij dagvaarding van 7 april 2026, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaten: mr. A.W. van der Veen en mr. L. Tolatzis, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] (Turkije), gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaten: mr. A.K. Tosun en mr. E. Köse. 1 De procedure Op de mondelinge behandeling van 15 april 2026 hebben [eisers] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. Ter zitting waren aanwezig: aan de kant van [eisers] : [eiser 1] (bijgestaan door een tolk Turks), via een online verbinding, met mr. Van der Veen en mr. Tolatzis, aan de kant van [gedaagde] : [gedaagde] (bijgestaan door een tolk Turks), met mr. Tosun en mr. Köse. Vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [eiser 1] is sinds 2024 werkzaam bij de [naam groep] , eerst als CFO en later ook als CEO en bestuurslid. De [naam groep] is een internationale onderneming opgericht door [naam 1] , die zich richt op de med tech sector en is gespecialiseerd in het ontwikkelen en produceren van medische instrumenten. Na het overlijden van [naam 1] in 2016 hebben zijn kinderen, [naam 2] en [naam 3] , de [naam groep] geërfd. [naam 3] heeft zijn belang in het bedrijf op 26 mei 2023 aan [naam 2] overgedragen. [gedaagde] is de echgenote van [naam 3] . 2.2. Tussen [naam 2] en [eiser 1] is een conflict ontstaan over gemaakte afspraken in het kader van een herstructurering van de [naam groep] , waarbij [naam 2] op 25 oktober 2023 de aandelen in de Turkse holding [bedrijf 1] A.S. ( [eiser 3] ) heeft overgedragen aan [eiser 2] , een vennootschap van [eiser 1] . 2.3. Het conflict heeft, naast een strafrechtelijke procedure, geleid tot een civiele procedure in Turkije van de [naam 1] familie tegen [eiser 1] en [eiser 2] , waarin vernietiging is gevorderd van de overdracht van de aandelen in [eiser 3] aan [eiser 2] . Deze procedure staat in Turkije op de rol van 23 juni 2026. 2.4. Verder heeft [naam 2] op 13 en 30 oktober 2025 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd voor het leggen van conservatoire beslagen ten laste van [eiser 1] (en zijn vennootschappen). Na het verkrijgen van dit verlof heeft zij de beslagen op 20 november 2025 gelegd. De eis in de hoofdzaak voor deze beslagen is op 18 december 2025 aanhangig gemaakt bij deze rechtbank. 2.5. [naam 2] is voorts tegen (onder andere) [eiser 1] een kort geding procedure gestart bij deze rechtbank, waarin zij heeft gevorderd, kort gezegd, 1) schorsing van (onder andere) [eiser 1] als bestuurder van [bedrijf 2] en [eiser 2] , 2) benoeming van de zoon van [naam 2] als tijdelijk bestuurder bij deze vennootschappen, 3) schorsing van de stemrechten van [eiser 1] bij [bedrijf 2] en [eiser 2] en 4) oplegging van diverse verboden aan [eiser 1] . [naam 2] heeft zich daarbij kort gezegd op het standpunt gesteld dat [eiser 1] entiteiten uit de [naam groep] zou hebben onttrokken en zou hebben toegeëigend middels een verhanging naar [bedrijf 2] en [eiser 2] . Ook meende [naam 2] dat [eiser 1] zich schuldig zou maken aan frauduleus handelen. Bij vonnis van 18 december 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [naam 2] afgewezen. [naam 2] is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis. 2.6. [gedaagde] heeft op 2 maart 2026 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag op de aandelen die [eiser 1] houdt in [eiser 2] en [bedrijf 2] , op de aandelen die [eiser 3] B.V. houdt in [eiser 4] B.V. en [eiser 5] B.V. en onder diverse Nederlandse banken ten laste van [eisers] In het beslagrekest is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: ‘(…) 2. Het zakelijke netwerk en de ondernemingsachtergrond van verzoekster vormen de context waarbinnen zij in het verleden zakelijke relaties en transacties is aangegaan met (...) [eiser 1] . In dat kader hebben verzoekster en gerekwestreerde sub 1 ( [eiser 1] , vzr.) elkaar leren kennen en is tussen hen een handelsrelatie ontstaan. 3. Op basis van het in de loop van deze handelsrelatie ontstane wederzijdse vertrouwen heeft verzoekster aan gerekwestreerde sub 1 een aanzienlijke geldsom ter beschikking gesteld. Ter vastlegging van de terugbetalingsverplichting zijn naar Turks recht een tweetal bono (…) opgesteld, waarbij gerekwestreerden ( [eisers] , vzr.) zich hebben verbonden tot terugbetaling. Ondanks het verstrijken van de overeengekomen vervaldata hebben gerekwestreerden deze verplichtingen onbetaald gelaten. 4. Nu betaling is uitgebleven en verzoekster haar vorderingen onbetaald ziet, ziet zij zich genoodzaakt om, ter verzekering van haar verhaalspositie, verlof te verzoeken tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van gerekwestreerden. Daartoe wordt het navolgende aangevoerd. De overeenkomst tussen partijen en de tekortkoming: 5. Tussen verzoekster en gerekwestreerde sub 1, (…) [eiser 1] en de andere gerekwestreerden is een rechtsverhouding ontstaan uit hoofde van twee naar Turks recht op 26 mei 2023 opgemaakte notariële bono (schuldbekentenissen), ter hoogte van respectievelijk € 5.000.000,00 en USD 35.000.000,00. (…) (…) 10. In het stuk m.b.t. € 5.000.000,00 is een vaste vervaldatum opgenomen, te weten 8 mei 2025, waarop het verschuldigde bedrag volledig aan verzoekster dient te worden voldaan. In het stuk m.b.t. USD 35.000.000,00 is een vaste vervaldatum van 5 mei 2025 opgenomen. De stukken bevatten daarmee alle essentiële elementen die kenmerkend zijn voor een zelfstandige betalingsverplichting: het verschuldigde bedrag, de crediteur, de debiteur(en) en de vervaldatum. 11. Verzoekster heeft haar verplichtingen uit de overeenkomst volledig en tijdig nagekomen door het overeengekomen bedrag daadwerkelijk ter beschikking te stellen. (…) 12. Ondanks het verstrijken van de overeengekomen vervaldata zijn gerekwestreerden hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten niet nagekomen. Tot op heden heeft verzoekster geen (gedeeltelijke) betaling ontvangen. Gerekwestreerden verkeren derhalve respectievelijk sinds 5 mei 2025 en 8 mei 2025 in verzuim.’ (…) 2.7. Een eerder, op 22 januari 2026 door [gedaagde] voor dezelfde vorderingen bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank ingediend beslagrekest is op 28 januari 2026 afgewezen omdat door [gedaagde] geen concrete schriftelijke sommatie was verzonden aan [eisers] en daardoor geen inzicht bestond in een eventueel verweer. Vervolgens heeft [gedaagde] [eisers] op 4 februari 2026 gesommeerd om binnen zeven dagen tot betaling van de vorderingen over te gaan. Daarop heeft de advocaat van [eisers] laten weten dat [eiser 1] onbekend is met de promesses waarop de vorderingen van [gedaagde] zijn gebaseerd en is om een nadere onderbouwing gevraagd, waarop de advocaat van [gedaagde] de twee promesses aan de advocaat van [eisers] heeft toegezonden. 2.8. Op het op 2 maart 2026 ingediende beslagrekest (2.6) heeft de voorzieningenrechter op 3 maart 2026 verlof verleend voor het leggen van de gevraagde beslagen. Daarbij is de totale vordering van [gedaagde] op [eisers] begroot op € 38.797.000 (inclusief rente en kosten). De beslagen zijn vervolgens op 12 maart 2026 gelegd. 2.9.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4380 text/xml public 2026-05-12T17:26:10 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-24 785815 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4380 text/html public 2026-05-12T15:44:01 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4380 Rechtbank Amsterdam , 24-04-2026 / 785815 kort geding; beslagen worden opgeheven omdat op oneigenlijke gronden (ism waarheidsplicht van artikel 21 Rv) gelegd. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/785815 / KG ZA 26-257 NB/BB Vonnis in kort geding van 24 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [woonplaats 1] (Italië), 2. [eiser 2] B.V. , te [vestigingsplaats] , 3. [eiser 3] B.V. , te [vestigingsplaats] , 4. [eiser 4] B.V. , te [vestigingsplaats] , 5. [eiser 5] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partijen bij dagvaarding van 7 april 2026, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaten: mr. A.W. van der Veen en mr. L. Tolatzis, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] (Turkije), gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaten: mr. A.K. Tosun en mr. E. Köse. 1 De procedure Op de mondelinge behandeling van 15 april 2026 hebben [eisers] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. Ter zitting waren aanwezig: aan de kant van [eisers] : [eiser 1] (bijgestaan door een tolk Turks), via een online verbinding, met mr. Van der Veen en mr. Tolatzis, aan de kant van [gedaagde] : [gedaagde] (bijgestaan door een tolk Turks), met mr. Tosun en mr. Köse. Vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [eiser 1] is sinds 2024 werkzaam bij de [naam groep] , eerst als CFO en later ook als CEO en bestuurslid. De [naam groep] is een internationale onderneming opgericht door [naam 1] , die zich richt op de med tech sector en is gespecialiseerd in het ontwikkelen en produceren van medische instrumenten. Na het overlijden van [naam 1] in 2016 hebben zijn kinderen, [naam 2] en [naam 3] , de [naam groep] geërfd. [naam 3] heeft zijn belang in het bedrijf op 26 mei 2023 aan [naam 2] overgedragen. [gedaagde] is de echgenote van [naam 3] . 2.2. Tussen [naam 2] en [eiser 1] is een conflict ontstaan over gemaakte afspraken in het kader van een herstructurering van de [naam groep] , waarbij [naam 2] op 25 oktober 2023 de aandelen in de Turkse holding [bedrijf 1] A.S. ( [eiser 3] ) heeft overgedragen aan [eiser 2] , een vennootschap van [eiser 1] . 2.3. Het conflict heeft, naast een strafrechtelijke procedure, geleid tot een civiele procedure in Turkije van de [naam 1] familie tegen [eiser 1] en [eiser 2] , waarin vernietiging is gevorderd van de overdracht van de aandelen in [eiser 3] aan [eiser 2] . Deze procedure staat in Turkije op de rol van 23 juni 2026. 2.4. Verder heeft [naam 2] op 13 en 30 oktober 2025 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd voor het leggen van conservatoire beslagen ten laste van [eiser 1] (en zijn vennootschappen). Na het verkrijgen van dit verlof heeft zij de beslagen op 20 november 2025 gelegd. De eis in de hoofdzaak voor deze beslagen is op 18 december 2025 aanhangig gemaakt bij deze rechtbank. 2.5. [naam 2] is voorts tegen (onder andere) [eiser 1] een kort geding procedure gestart bij deze rechtbank, waarin zij heeft gevorderd, kort gezegd, 1) schorsing van (onder andere) [eiser 1] als bestuurder van [bedrijf 2] en [eiser 2] , 2) benoeming van de zoon van [naam 2] als tijdelijk bestuurder bij deze vennootschappen, 3) schorsing van de stemrechten van [eiser 1] bij [bedrijf 2] en [eiser 2] en 4) oplegging van diverse verboden aan [eiser 1] . [naam 2] heeft zich daarbij kort gezegd op het standpunt gesteld dat [eiser 1] entiteiten uit de [naam groep] zou hebben onttrokken en zou hebben toegeëigend middels een verhanging naar [bedrijf 2] en [eiser 2] . Ook meende [naam 2] dat [eiser 1] zich schuldig zou maken aan frauduleus handelen. Bij vonnis van 18 december 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [naam 2] afgewezen. [naam 2] is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis. 2.6. [gedaagde] heeft op 2 maart 2026 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag op de aandelen die [eiser 1] houdt in [eiser 2] en [bedrijf 2] , op de aandelen die [eiser 3] B.V. houdt in [eiser 4] B.V. en [eiser 5] B.V. en onder diverse Nederlandse banken ten laste van [eisers] In het beslagrekest is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: ‘(…) 2. Het zakelijke netwerk en de ondernemingsachtergrond van verzoekster vormen de context waarbinnen zij in het verleden zakelijke relaties en transacties is aangegaan met (...) [eiser 1] . In dat kader hebben verzoekster en gerekwestreerde sub 1 ( [eiser 1] , vzr.) elkaar leren kennen en is tussen hen een handelsrelatie ontstaan. 3. Op basis van het in de loop van deze handelsrelatie ontstane wederzijdse vertrouwen heeft verzoekster aan gerekwestreerde sub 1 een aanzienlijke geldsom ter beschikking gesteld. Ter vastlegging van de terugbetalingsverplichting zijn naar Turks recht een tweetal bono (…) opgesteld, waarbij gerekwestreerden ( [eisers] , vzr.) zich hebben verbonden tot terugbetaling. Ondanks het verstrijken van de overeengekomen vervaldata hebben gerekwestreerden deze verplichtingen onbetaald gelaten. 4. Nu betaling is uitgebleven en verzoekster haar vorderingen onbetaald ziet, ziet zij zich genoodzaakt om, ter verzekering van haar verhaalspositie, verlof te verzoeken tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van gerekwestreerden. Daartoe wordt het navolgende aangevoerd. De overeenkomst tussen partijen en de tekortkoming: 5. Tussen verzoekster en gerekwestreerde sub 1, (…) [eiser 1] en de andere gerekwestreerden is een rechtsverhouding ontstaan uit hoofde van twee naar Turks recht op 26 mei 2023 opgemaakte notariële bono (schuldbekentenissen), ter hoogte van respectievelijk € 5.000.000,00 en USD 35.000.000,00. (…) (…) 10. In het stuk m.b.t. € 5.000.000,00 is een vaste vervaldatum opgenomen, te weten 8 mei 2025, waarop het verschuldigde bedrag volledig aan verzoekster dient te worden voldaan. In het stuk m.b.t. USD 35.000.000,00 is een vaste vervaldatum van 5 mei 2025 opgenomen. De stukken bevatten daarmee alle essentiële elementen die kenmerkend zijn voor een zelfstandige betalingsverplichting: het verschuldigde bedrag, de crediteur, de debiteur(en) en de vervaldatum. 11. Verzoekster heeft haar verplichtingen uit de overeenkomst volledig en tijdig nagekomen door het overeengekomen bedrag daadwerkelijk ter beschikking te stellen. (…) 12. Ondanks het verstrijken van de overeengekomen vervaldata zijn gerekwestreerden hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten niet nagekomen. Tot op heden heeft verzoekster geen (gedeeltelijke) betaling ontvangen. Gerekwestreerden verkeren derhalve respectievelijk sinds 5 mei 2025 en 8 mei 2025 in verzuim.’ (…) 2.7. Een eerder, op 22 januari 2026 door [gedaagde] voor dezelfde vorderingen bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank ingediend beslagrekest is op 28 januari 2026 afgewezen omdat door [gedaagde] geen concrete schriftelijke sommatie was verzonden aan [eisers] en daardoor geen inzicht bestond in een eventueel verweer. Vervolgens heeft [gedaagde] [eisers] op 4 februari 2026 gesommeerd om binnen zeven dagen tot betaling van de vorderingen over te gaan. Daarop heeft de advocaat van [eisers] laten weten dat [eiser 1] onbekend is met de promesses waarop de vorderingen van [gedaagde] zijn gebaseerd en is om een nadere onderbouwing gevraagd, waarop de advocaat van [gedaagde] de twee promesses aan de advocaat van [eisers] heeft toegezonden. 2.8. Op het op 2 maart 2026 ingediende beslagrekest (2.6) heeft de voorzieningenrechter op 3 maart 2026 verlof verleend voor het leggen van de gevraagde beslagen. Daarbij is de totale vordering van [gedaagde] op [eisers] begroot op € 38.797.000 (inclusief rente en kosten). De beslagen zijn vervolgens op 12 maart 2026 gelegd. 2.9.
Volledig
Op 18 maart 2026 hebben [eisers] [gedaagde] gesommeerd de beslagen op te heffen. Zij hebben daarbij te kennen gegeven 1) in het geheel niet bekend zijn met de beweerde vordering en het bestaan ervan te betwisten, 2) de echtheid van de toegezonden pro- messes en de ondertekening daarvan te betwisten en 3) dat [gedaagde] de voorzieningenrechter onvolledig heeft geïnformeerd door in het beslagrekest geen melding te maken van het vonnis van 18 december 2025. Daarop heeft [gedaagde] via haar advocaten laten weten niet tot opheffing van de beslagen over te gaan. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen - samengevat - de door [gedaagde] , op grond van het op 3 maart 2026 door de voorzieningenrechter van Amsterdam verleende verlof, op 12 maart 2026 ten laste van [eisers] , gelegde beslagen op te heffen, met veroordeling van [gedaagde] in de werkelijke dan wel forfaitaire proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eisers] hebben daartoe gesteld, kort gezegd, dat de beslaglegging door [gedaagde] onderdeel is van de aanval van de [naam 1] familie op [eiser 1] . [eiser 1] heeft nooit zaken met [gedaagde] gedaan en kent haar alleen als echtgenote van [naam 3] . [gedaagde] heeft geen leningen aan [eiser 1] verstrekt en zij heeft ook op geen enkele wijze bewezen dat zij USD 35 miljoen en € 5 miljoen aan [eiser 1] heeft betaald. De promesses, waar [gedaagde] haar vorderingen op baseert, zijn volgens [eisers] vals, waarbij de 58 handtekeningen van [eiser 1] uit andere documenten zijn geknipt en geplakt. Dit ernstig verwijtbare handelen van [gedaagde] moet volgens [eisers] leiden tot opheffing van de gelegde beslagen vanwege 1) de ondeugdelijkheid van de (niet bestaande) vordering en 2) het op grove wijze schenden van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv. Een andere schending van de waarheidsplicht is volgens [eisers] de vermelding in het beslagrekest dat de tussen partijen gemaakte afspraken notarieel zijn vastgelegd, terwijl daarvan geen sprake is. Het handelen van [gedaagde] maakt dat zij in de werkelijke proceskosten moet worden veroordeeld, aldus [eisers] . 3.3. [gedaagde] voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Allereerst heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eisers] haar hebben gedagvaard te verschijnen voor de kantonrechter in plaats van de voorzieningenrechter en zij er dus vanuit is gegaan dat de zaak zou worden behandeld door de kantonrechter. Volgens [eisers] is er op dit punt sprake van een kennelijke verschrijving en moet dat geen gevolgen hebben voor de verdere behandeling. De voorzieningenrechter gaat daarin mee. Van belang daarbij is dat [gedaagde] en haar advocaten ter zitting zijn verschenen om verweer te voeren en de zaak inhoudelijk hebben voorbereid. [gedaagde] is dan ook niet in haar belangen geschaad door de onjuiste aanzegging. Het enkele feit dat zij mogelijk is uitgegaan van een lager griffierecht maakt dat niet anders. 4.2. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. 4.3. Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter grond om de door [gedaagde] ten laste van [eisers] gelegde beslagen op te heffen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. 4.4. [gedaagde] heeft in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat zij, zoals in het beslagrekest is vermeld, leningen voor in totaal € 38 miljoen aan [eisers] heeft verstrekt. Het had op haar weg gelegen om dit met bijvoorbeeld bankafschriften aan te tonen, maar dat heeft zij nagelaten. In plaats daarvan is zij op de zitting ineens met een geheel andere grond voor haar vorderingen gekomen, te weten dat de promesses door haar echtgenoot [naam 3] zijn bedongen als zekerheid voor de terugbetaling van vorderingen van [naam 3] op de [naam groep] en dat die vorderingen door hem aan [gedaagde] zijn gecedeerd. Ook daarvan heeft zij echter in het geheel geen bewijs geleverd. 4.5. Verder hebben [eisers] voldoende aannemelijk gemaakt dat de promesses, waarop [gedaagde] haar vorderingen baseert, vals zijn. Allereerst volgt uit de in opdracht van [eisers] verrichte deskundigenonderzoeken door dr. Rosellini in Italië en Justiniana in Nederland dat de 58 handtekeningen van [eiser 1] op de promesses in groepjes identiek zijn aan elkaar, terwijl het menselijk niet mogelijk is om een handtekening handmatig op exact dezelfde wijze te reproduceren. De handtekeningen op de promesses zijn volgens de deskundigen daar dan ook niet door [eiser 1] op geplaatst en zijn dus naar alle waarschijnlijkheid uit andere documenten geknipt en geplakt. Daarbij wordt voorbij gegaan aan de stelling van [gedaagde] dat moet worden getwijfeld aan de onderzoeksresultaten van dr. Rosellini en Justiniana omdat deze deskundigen alleen kopieën van de originele promesses hebben onderzocht. Daargelaten dat het hier nu juist de vraag is of die wel bestaan, konden [eisers] volstaan met het laten onderzoeken van de promesses die [gedaagde] zelf als onderbouwing van haar vordering aan [eisers] heeft verstrekt. De door [gedaagde] in het geding gebrachte deskundigenrapporten maken het voorgaande niet anders. [eisers] hebben in dit verband terecht naar voren gebracht dat daarbij alleen is onderzocht of de handtekeningen op de promesses voldoende op die van [eiser 1] lijken, terwijl dat niet in geschil is. Daarnaast is het opmerkelijk dat die rapporten dateren van 29 april 2025 en 23 mei 2025 en [gedaagde] deze dus al een jaar lang en al voor de vervaldata van de leningen, heeft klaarliggen om te kunnen aantonen dat de handtekeningen op de promesses van [eiser 1] echt zijn. Verder is de voorzieningenrechter met [eisers] van oordeel dat de inhoud van de promesses op onderdelen ongeloofwaardig is, zoals bijvoorbeeld artikel 3.2 (‘Enige vorm- of inhoudelijke tekortkoming op de betalingsovereenkomst, of kwesties met handtekening of stempel, zal het recht van de schuldeiser om haar vordering te innen niet beïnvloeden.’ ) en artikel 5.1 waarin is bepaald dat alles in overeenstemming is met Nederlands recht (alsook het recht van ‘Italië, Maleisië, Frankrijk, Singapore, Turkije en andere relevante landen’ ). 4.6. Daar komt bij dat niet te verklaren is waarom [gedaagde] vanaf de vervaldata van de vermeende vorderingen (5 en 8 mei 2025) [eisers] nooit eerder heeft aangesproken op zijn verplichting tot terugbetaling, althans dat [gedaagde] daarover geen enkele communicatie heeft kunnen overleggen. 4.7. Het voorgaande in combinatie met de geschiedenis die [eiser 1] met de [naam 1] familie heeft en het hoogoplopende geschil waarin zij zijn beland, maakt aannemelijk dat de beslagen op oneigenlijke gronden (in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv) uitsluitend zijn gelegd om [eisers] te raken. Daar komt nog bij dat [gedaagde] in het beslagrekest heeft laten zetten dat de tussen partijen gemaakte afspraken over de verstrekte leningen notarieel zijn vastgelegd, terwijl daarvan geen sprake is. Daarmee heeft zij een waarde aan de promesses toegekend die er niet was en de voorzieningenrechter die het verlof heeft verleend op het verkeerde been gezet. Dat heeft zij ook gedaan door in het beslagrekest te vermelden dat er tussen haar en [eiser 1] zakelijke relaties en transacties hebben plaatsgevonden, terwijl daarvan geen sprake was en bij het beslagrekest het vonnis van de voorzieningenrechter van 18 december 2025 niet over te leggen. Al met al is er voldoende reden om de beslagen op te heffen. 4.8. Een belangenafweging maakt dat niet anders. Onder de gegeven omstandigheden weegt het belang van [eisers] bij opheffing van de beslagen zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het in stand laten van de beslagen. 4.9. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
Op 18 maart 2026 hebben [eisers] [gedaagde] gesommeerd de beslagen op te heffen. Zij hebben daarbij te kennen gegeven 1) in het geheel niet bekend zijn met de beweerde vordering en het bestaan ervan te betwisten, 2) de echtheid van de toegezonden pro- messes en de ondertekening daarvan te betwisten en 3) dat [gedaagde] de voorzieningenrechter onvolledig heeft geïnformeerd door in het beslagrekest geen melding te maken van het vonnis van 18 december 2025. Daarop heeft [gedaagde] via haar advocaten laten weten niet tot opheffing van de beslagen over te gaan. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen - samengevat - de door [gedaagde] , op grond van het op 3 maart 2026 door de voorzieningenrechter van Amsterdam verleende verlof, op 12 maart 2026 ten laste van [eisers] , gelegde beslagen op te heffen, met veroordeling van [gedaagde] in de werkelijke dan wel forfaitaire proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eisers] hebben daartoe gesteld, kort gezegd, dat de beslaglegging door [gedaagde] onderdeel is van de aanval van de [naam 1] familie op [eiser 1] . [eiser 1] heeft nooit zaken met [gedaagde] gedaan en kent haar alleen als echtgenote van [naam 3] . [gedaagde] heeft geen leningen aan [eiser 1] verstrekt en zij heeft ook op geen enkele wijze bewezen dat zij USD 35 miljoen en € 5 miljoen aan [eiser 1] heeft betaald. De promesses, waar [gedaagde] haar vorderingen op baseert, zijn volgens [eisers] vals, waarbij de 58 handtekeningen van [eiser 1] uit andere documenten zijn geknipt en geplakt. Dit ernstig verwijtbare handelen van [gedaagde] moet volgens [eisers] leiden tot opheffing van de gelegde beslagen vanwege 1) de ondeugdelijkheid van de (niet bestaande) vordering en 2) het op grove wijze schenden van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv. Een andere schending van de waarheidsplicht is volgens [eisers] de vermelding in het beslagrekest dat de tussen partijen gemaakte afspraken notarieel zijn vastgelegd, terwijl daarvan geen sprake is. Het handelen van [gedaagde] maakt dat zij in de werkelijke proceskosten moet worden veroordeeld, aldus [eisers] . 3.3. [gedaagde] voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Allereerst heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eisers] haar hebben gedagvaard te verschijnen voor de kantonrechter in plaats van de voorzieningenrechter en zij er dus vanuit is gegaan dat de zaak zou worden behandeld door de kantonrechter. Volgens [eisers] is er op dit punt sprake van een kennelijke verschrijving en moet dat geen gevolgen hebben voor de verdere behandeling. De voorzieningenrechter gaat daarin mee. Van belang daarbij is dat [gedaagde] en haar advocaten ter zitting zijn verschenen om verweer te voeren en de zaak inhoudelijk hebben voorbereid. [gedaagde] is dan ook niet in haar belangen geschaad door de onjuiste aanzegging. Het enkele feit dat zij mogelijk is uitgegaan van een lager griffierecht maakt dat niet anders. 4.2. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. 4.3. Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter grond om de door [gedaagde] ten laste van [eisers] gelegde beslagen op te heffen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. 4.4. [gedaagde] heeft in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat zij, zoals in het beslagrekest is vermeld, leningen voor in totaal € 38 miljoen aan [eisers] heeft verstrekt. Het had op haar weg gelegen om dit met bijvoorbeeld bankafschriften aan te tonen, maar dat heeft zij nagelaten. In plaats daarvan is zij op de zitting ineens met een geheel andere grond voor haar vorderingen gekomen, te weten dat de promesses door haar echtgenoot [naam 3] zijn bedongen als zekerheid voor de terugbetaling van vorderingen van [naam 3] op de [naam groep] en dat die vorderingen door hem aan [gedaagde] zijn gecedeerd. Ook daarvan heeft zij echter in het geheel geen bewijs geleverd. 4.5. Verder hebben [eisers] voldoende aannemelijk gemaakt dat de promesses, waarop [gedaagde] haar vorderingen baseert, vals zijn. Allereerst volgt uit de in opdracht van [eisers] verrichte deskundigenonderzoeken door dr. Rosellini in Italië en Justiniana in Nederland dat de 58 handtekeningen van [eiser 1] op de promesses in groepjes identiek zijn aan elkaar, terwijl het menselijk niet mogelijk is om een handtekening handmatig op exact dezelfde wijze te reproduceren. De handtekeningen op de promesses zijn volgens de deskundigen daar dan ook niet door [eiser 1] op geplaatst en zijn dus naar alle waarschijnlijkheid uit andere documenten geknipt en geplakt. Daarbij wordt voorbij gegaan aan de stelling van [gedaagde] dat moet worden getwijfeld aan de onderzoeksresultaten van dr. Rosellini en Justiniana omdat deze deskundigen alleen kopieën van de originele promesses hebben onderzocht. Daargelaten dat het hier nu juist de vraag is of die wel bestaan, konden [eisers] volstaan met het laten onderzoeken van de promesses die [gedaagde] zelf als onderbouwing van haar vordering aan [eisers] heeft verstrekt. De door [gedaagde] in het geding gebrachte deskundigenrapporten maken het voorgaande niet anders. [eisers] hebben in dit verband terecht naar voren gebracht dat daarbij alleen is onderzocht of de handtekeningen op de promesses voldoende op die van [eiser 1] lijken, terwijl dat niet in geschil is. Daarnaast is het opmerkelijk dat die rapporten dateren van 29 april 2025 en 23 mei 2025 en [gedaagde] deze dus al een jaar lang en al voor de vervaldata van de leningen, heeft klaarliggen om te kunnen aantonen dat de handtekeningen op de promesses van [eiser 1] echt zijn. Verder is de voorzieningenrechter met [eisers] van oordeel dat de inhoud van de promesses op onderdelen ongeloofwaardig is, zoals bijvoorbeeld artikel 3.2 (‘Enige vorm- of inhoudelijke tekortkoming op de betalingsovereenkomst, of kwesties met handtekening of stempel, zal het recht van de schuldeiser om haar vordering te innen niet beïnvloeden.’ ) en artikel 5.1 waarin is bepaald dat alles in overeenstemming is met Nederlands recht (alsook het recht van ‘Italië, Maleisië, Frankrijk, Singapore, Turkije en andere relevante landen’ ). 4.6. Daar komt bij dat niet te verklaren is waarom [gedaagde] vanaf de vervaldata van de vermeende vorderingen (5 en 8 mei 2025) [eisers] nooit eerder heeft aangesproken op zijn verplichting tot terugbetaling, althans dat [gedaagde] daarover geen enkele communicatie heeft kunnen overleggen. 4.7. Het voorgaande in combinatie met de geschiedenis die [eiser 1] met de [naam 1] familie heeft en het hoogoplopende geschil waarin zij zijn beland, maakt aannemelijk dat de beslagen op oneigenlijke gronden (in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv) uitsluitend zijn gelegd om [eisers] te raken. Daar komt nog bij dat [gedaagde] in het beslagrekest heeft laten zetten dat de tussen partijen gemaakte afspraken over de verstrekte leningen notarieel zijn vastgelegd, terwijl daarvan geen sprake is. Daarmee heeft zij een waarde aan de promesses toegekend die er niet was en de voorzieningenrechter die het verlof heeft verleend op het verkeerde been gezet. Dat heeft zij ook gedaan door in het beslagrekest te vermelden dat er tussen haar en [eiser 1] zakelijke relaties en transacties hebben plaatsgevonden, terwijl daarvan geen sprake was en bij het beslagrekest het vonnis van de voorzieningenrechter van 18 december 2025 niet over te leggen. Al met al is er voldoende reden om de beslagen op te heffen. 4.8. Een belangenafweging maakt dat niet anders. Onder de gegeven omstandigheden weegt het belang van [eisers] bij opheffing van de beslagen zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het in stand laten van de beslagen. 4.9. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.