Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:4374
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,051 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4374 text/xml public 2026-05-08T12:14:21 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-06 AMS 26/1832 en AMS 26/1835 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4374 text/html public 2026-05-07T14:47:38 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4374 Rechtbank Amsterdam , 06-05-2026 / AMS 26/1832 en AMS 26/1835 Voorlopige voorziening en bodemzaak. College heeft last onder dwangsom opgelegd strekkende tot verwijderen en verwijderd houden dakterras en bijbehorende buitentrap. Last op goede gronden opgelegd. Beroep ongegrond. Begunstigingstermijn wordt verlengd tot zes weken na de uitspraak. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 26/1832 (beroep) en AMS 26/1835 (voorlopige voorziening) uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam , verweerder (hierna: het college) (gemachtigde: A. Danişman). Procesverloop 1. Bij besluit van 27 mei 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot het verwijderen en verwijderd houden van het dakterras en de bijbehorende buitentrap van het pand [adres] . Eiser is eigenaar van het pand en verhuurt dit. Als eiser niet aan die last voldoet, moet hij een dwangsom van € 10.000,- ineens betalen. Daarbij is een begunstigingstermijn van zes weken gegeven. Naar aanleiding van een verzoek van eiser is die begunstigingstermijn vervolgens door het college verlengd tot zes weken na een nog in te dienen aanvraag ter legalisatie, als die uiterlijk op 1 oktober 2025 volledig zou zijn ontvangen. 2. Eiser heeft geen nieuwe aanvraag ingediend, maar wel bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op 22 oktober 2025 uitspraak gedaan, waarbij de last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. 3. De beslissing op bezwaar is op 27 februari 2026 genomen (hierna: het bestreden besluit). Daarbij heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en is de last onder dwangsom in stand gebleven. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Op 8 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. 5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, bouwkundige [naam] en de gemachtigde van het college. 6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep. Beoordeling door de voorzieningenrechter Is er sprake van een vergunning voor het dakterras met bijbehorende trap? 7. Eiser stelt dat het dakterras is vergund. Hij wijst daarbij op een bouwvergunning uit 1896, waarbij op de tekeningen een ‘plat’ staat, met daar naartoe een deursparing. Dit duidt op een dakterras. In 1904 is vervolgens het hekwerk om het dakterras heen vergund, zoals is te zien op de tekeningen. Omdat de oorspronkelijke toegang naar het dakterras (via de deur van nummer [nummer] ) toen kwam te vervallen, is er een buitentrap aangebracht. Bovendien heeft eiser in 2020 een andere omgevingsvergunning aangevraagd, waarbij het dakterras op de tekening is vermeld. Vanuit Monumentenzorg en een gemeenteambtenaar zijn er vragen gesteld over het dakterras en of dit wel legaal was. Uiteindelijk is de omgevingsvergunning verleend zonder dat daarbij bezwaren zijn geuit over het aanwezige dakterras. 8. Het college vindt het niet voldoende aannemelijk dat er ooit een omgevingsvergunning is verleend voor het dakterras en de bijbehorende trap. Een ‘plat’ wijst volgens het college op een plat dak en niet per se op een dakterras. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Staat (hierna: de Afdeling) blijkt volgens het college dat het feit dat een bouwwerk op een tekening staat bij een later verleende bouwvergunning, niet betekent dat dit eerder legaal is opgericht. Bovendien wijkt de situatie van 1904 af van de huidige situatie, is het niet aannemelijk dat de trap al in 1904 aanwezig was en blijkt uit luchtfoto’s dat het dakterras voor het eerst rond 2012 te zien is. 9. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De voorzieningenrechter stelt vast dat op de tekeningen uit 1896 inderdaad een ‘plat’ en een uitsparing zijn getekend, maar kan niet vaststellen dat hiermee een dakterras is bedoeld en vergund. Op de bouwtekening uit 1904 is alleen een hek verbeeld. Van een aanvraag of vergunning voor het realiseren van een dakterras is niet gebleken. Dat het dakterras op bouwbetekeningen behorend bij een aanvraag uit 2020 voor het splitsen en wijzigen van de brandcompartimentering is vermeld, is ook onvoldoende voor de conclusie dat het dakterras is vergund. Het college was dus bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Moest van handhaving worden afgezien? 10. Eiser voert aan dat zijn belangen zwaarder wegen dan die van het college. Volgens eiser zijn de financiële en contractuele gevolgen van verwijdering van het dakterras en de buitentrap ingrijpend. Daarbij valt te denken aan de verwijderingskosten, waardedaling van het appartement en vertrek van de huurder. Bovendien heeft het college de mogelijkheid tot legalisatie onvoldoende onderzocht. Ook is de opgelegde last volgens eiser buitenproportioneel. Omdat het dakterras en hek volgens eiser al in 1896 zijn vergund, gaat een vordering tot weghalen veel te ver. 11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat daarom in principe tegen een overtreding moet worden opgetreden. Bij de vraag of van handhavend optreden mag worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Volgens vaste rechtspraak is handhavend optreden alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan zo’n zwaar gewicht toekomt, dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. 12. In dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden als gevolg waarvan het algemeen belang dat gediend is met handhaving zou moeten wijken. Eiser heeft geen nieuwe aanvraag gedaan en bovendien heeft het college duidelijk gemaakt de huidige toestand niet te willen vergunnen. Van concreet zicht op legalisatie is dus geen sprake. Ook is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat er vanwege andere omstandigheden sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in de vorige overweging. Schending privacy buren 13. Eiser heeft aangevoerd dat er door het college wordt gesproken over de onevenredige gevolgen van het dakterras en de buitentrap voor de privacy van de bewoners van het buurpand aan de [adres] , maar dat de buren zelf niet aan de wettelijke vereisten voldoen wat betreft de erfafscheiding. Deze is volgens eiser te laag en de gemeente heeft ten onrechte een omgevingsvergunning verleend voor afwijking. 14. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit buiten de omvang van het geding valt. Nu dit beroep ziet op het bestreden besluit waarmee een last onder dwangsom aan eiser is opgelegd, kan de voorzieningenrechter in deze procedure niet oordelen over een omgevingsvergunning die aan de buren is verleend. Schending motiveringsbeginsel 15.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4374 text/xml public 2026-05-08T12:14:21 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-06 AMS 26/1832 en AMS 26/1835 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4374 text/html public 2026-05-07T14:47:38 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4374 Rechtbank Amsterdam , 06-05-2026 / AMS 26/1832 en AMS 26/1835 Voorlopige voorziening en bodemzaak. College heeft last onder dwangsom opgelegd strekkende tot verwijderen en verwijderd houden dakterras en bijbehorende buitentrap. Last op goede gronden opgelegd. Beroep ongegrond. Begunstigingstermijn wordt verlengd tot zes weken na de uitspraak. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 26/1832 (beroep) en AMS 26/1835 (voorlopige voorziening) uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam , verweerder (hierna: het college) (gemachtigde: A. Danişman). Procesverloop 1. Bij besluit van 27 mei 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot het verwijderen en verwijderd houden van het dakterras en de bijbehorende buitentrap van het pand [adres] . Eiser is eigenaar van het pand en verhuurt dit. Als eiser niet aan die last voldoet, moet hij een dwangsom van € 10.000,- ineens betalen. Daarbij is een begunstigingstermijn van zes weken gegeven. Naar aanleiding van een verzoek van eiser is die begunstigingstermijn vervolgens door het college verlengd tot zes weken na een nog in te dienen aanvraag ter legalisatie, als die uiterlijk op 1 oktober 2025 volledig zou zijn ontvangen. 2. Eiser heeft geen nieuwe aanvraag ingediend, maar wel bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op 22 oktober 2025 uitspraak gedaan, waarbij de last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. 3. De beslissing op bezwaar is op 27 februari 2026 genomen (hierna: het bestreden besluit). Daarbij heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en is de last onder dwangsom in stand gebleven. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Op 8 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. 5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, bouwkundige [naam] en de gemachtigde van het college. 6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep. Beoordeling door de voorzieningenrechter Is er sprake van een vergunning voor het dakterras met bijbehorende trap? 7. Eiser stelt dat het dakterras is vergund. Hij wijst daarbij op een bouwvergunning uit 1896, waarbij op de tekeningen een ‘plat’ staat, met daar naartoe een deursparing. Dit duidt op een dakterras. In 1904 is vervolgens het hekwerk om het dakterras heen vergund, zoals is te zien op de tekeningen. Omdat de oorspronkelijke toegang naar het dakterras (via de deur van nummer [nummer] ) toen kwam te vervallen, is er een buitentrap aangebracht. Bovendien heeft eiser in 2020 een andere omgevingsvergunning aangevraagd, waarbij het dakterras op de tekening is vermeld. Vanuit Monumentenzorg en een gemeenteambtenaar zijn er vragen gesteld over het dakterras en of dit wel legaal was. Uiteindelijk is de omgevingsvergunning verleend zonder dat daarbij bezwaren zijn geuit over het aanwezige dakterras. 8. Het college vindt het niet voldoende aannemelijk dat er ooit een omgevingsvergunning is verleend voor het dakterras en de bijbehorende trap. Een ‘plat’ wijst volgens het college op een plat dak en niet per se op een dakterras. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Staat (hierna: de Afdeling) blijkt volgens het college dat het feit dat een bouwwerk op een tekening staat bij een later verleende bouwvergunning, niet betekent dat dit eerder legaal is opgericht. Bovendien wijkt de situatie van 1904 af van de huidige situatie, is het niet aannemelijk dat de trap al in 1904 aanwezig was en blijkt uit luchtfoto’s dat het dakterras voor het eerst rond 2012 te zien is. 9. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De voorzieningenrechter stelt vast dat op de tekeningen uit 1896 inderdaad een ‘plat’ en een uitsparing zijn getekend, maar kan niet vaststellen dat hiermee een dakterras is bedoeld en vergund. Op de bouwtekening uit 1904 is alleen een hek verbeeld. Van een aanvraag of vergunning voor het realiseren van een dakterras is niet gebleken. Dat het dakterras op bouwbetekeningen behorend bij een aanvraag uit 2020 voor het splitsen en wijzigen van de brandcompartimentering is vermeld, is ook onvoldoende voor de conclusie dat het dakterras is vergund. Het college was dus bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Moest van handhaving worden afgezien? 10. Eiser voert aan dat zijn belangen zwaarder wegen dan die van het college. Volgens eiser zijn de financiële en contractuele gevolgen van verwijdering van het dakterras en de buitentrap ingrijpend. Daarbij valt te denken aan de verwijderingskosten, waardedaling van het appartement en vertrek van de huurder. Bovendien heeft het college de mogelijkheid tot legalisatie onvoldoende onderzocht. Ook is de opgelegde last volgens eiser buitenproportioneel. Omdat het dakterras en hek volgens eiser al in 1896 zijn vergund, gaat een vordering tot weghalen veel te ver. 11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat daarom in principe tegen een overtreding moet worden opgetreden. Bij de vraag of van handhavend optreden mag worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Volgens vaste rechtspraak is handhavend optreden alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan zo’n zwaar gewicht toekomt, dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. 12. In dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden als gevolg waarvan het algemeen belang dat gediend is met handhaving zou moeten wijken. Eiser heeft geen nieuwe aanvraag gedaan en bovendien heeft het college duidelijk gemaakt de huidige toestand niet te willen vergunnen. Van concreet zicht op legalisatie is dus geen sprake. Ook is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat er vanwege andere omstandigheden sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in de vorige overweging. Schending privacy buren 13. Eiser heeft aangevoerd dat er door het college wordt gesproken over de onevenredige gevolgen van het dakterras en de buitentrap voor de privacy van de bewoners van het buurpand aan de [adres] , maar dat de buren zelf niet aan de wettelijke vereisten voldoen wat betreft de erfafscheiding. Deze is volgens eiser te laag en de gemeente heeft ten onrechte een omgevingsvergunning verleend voor afwijking. 14. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit buiten de omvang van het geding valt. Nu dit beroep ziet op het bestreden besluit waarmee een last onder dwangsom aan eiser is opgelegd, kan de voorzieningenrechter in deze procedure niet oordelen over een omgevingsvergunning die aan de buren is verleend. Schending motiveringsbeginsel 15.