Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-24
ECLI:NL:RBAMS:2026:4354
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Proceskostenveroordeling
3,347 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4354 text/xml public 2026-05-11T11:05:14 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-24 10964052 \ CV EXPL 24-2256 Uitspraak Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4354 text/html public 2026-05-07T11:14:27 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4354 Rechtbank Amsterdam , 24-03-2026 / 10964052 \ CV EXPL 24-2256 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Voldaan aan informatieplichten. Prijsbeding transparant. Geen oneerlijke bedingen. Vordering toegewezen. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10964052 \ CV EXPL 24-2256 Vonnis van 24 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN POELGEEST AMSTERDAM B.V. , gevestigd te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde: mr. W.T.N. Vlasveld, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 21 oktober 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft eisende partij niet gereageerd op de akte van gedaagde partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over: de wijze waarop de overeenkomst is gesloten, hoe is voldaan aan de informatieplichten, de transparantie van het beding over de prijs, de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden, de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt. 2.2. Eisende partij heeft bij akte toegelicht dat de uitgevoerde werkzaamheden aan de auto voortvloeien uit een door gedaagde partij ondertekende koopovereenkomst (ter zake van diezelfde auto). De gefactureerde prijs blijkt uit deze overeenkomst. 2.3. Weliswaar stelt eisende partij in de akte dat gedaagde partij vorenbedoelde koopovereenkomst op naam van zijn eenmanszaak [bedrijf] heeft gesloten, maar deze stelling is verder niet geconcretiseerd en onderbouwd. De enkele vermelding van de naam van de eenmanszaak maakt op zichzelf niet dat daardoor sprake is van een bedrijfsmatig gesloten koopovereenkomst. Van belang is met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van de goederen of diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft (Costea-arrest, ECLI:EU:C:2015:538). Nu sprake is van de aankoop van een (coupé) personenauto, waarvan niet aanstonds kan worden vastgesteld dat deze past binnen de bedrijfsactiviteiten van de onderneming van gedaagde partij, wordt het zonder nadere toelichting, concretisering en onderbouwing ervoor gehouden dat gedaagde partij de koopovereenkomst heeft gesloten in de hoedanigheid van consument, zodat ambtshalve moet worden getoetst aan het consumentenrecht. 2.4. Uit de toelichting van eisende partij blijkt dat de prijs op duidelijke en begrijpelijke wijze in de overeenkomst staat, die voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden is ondertekend. Het beding over de prijs is daarmee voldoende transparant, zodat verdere toetsing aan Richtlijn 93/13 EG niet aan de orde is. 2.5. Gelet op de geschetste feitelijke gang van zaken betreffende de totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van een overeenkomst waarop de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn. Het wordt ervoor gehouden dat eisende partij aan deze informatieplichten heeft voldaan, ook omdat alle essentiële informatie is opgenomen in de door gedaagde partij binnen de verkoopruimte ondertekende koopovereenkomst. 2.6. Op de overeenkomst zijn (de BOVAG) algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In deze algemene voorwaarden staan bedingen die voor de onderhavige vordering van belang zijn, omdat eisende partij daarop een beroep zou kunnen doen. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen. 2.7. In de algemene voorwaarden staat een rente- en incassokostenbeding in artikel 15 leden 4, 5 en 6. Deze artikelen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat ze verwijzen naar en aansluiten bij de wettelijke regelingen te dien aangaande. 2.8. Aan de wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten heeft eisende partij voldaan, zodat deze kosten toewijsbaar zijn. 2.9. Een beding over gerechtelijke kosten (proceskosten) staat niet in de algemene voorwaarden. 2.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en wordt toegewezen, zoals na te melden. 2.11. Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 113,54 - griffierecht € 328,00 - salaris gemachtigde € 144,00 (1 punt × € 144,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 657,54 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen: - € 800,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2024 tot de dag van volledige betaling, - € 48,12 aan vervallen wettelijke rente tot 22 februari 2024, 3.2. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 120,00 aan buitengerechtelijke kosten, 3.3. veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 657,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026. 991
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4354 text/xml public 2026-05-11T11:05:14 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-24 10964052 \ CV EXPL 24-2256 Uitspraak Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4354 text/html public 2026-05-07T11:14:27 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4354 Rechtbank Amsterdam , 24-03-2026 / 10964052 \ CV EXPL 24-2256 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Voldaan aan informatieplichten. Prijsbeding transparant. Geen oneerlijke bedingen. Vordering toegewezen. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10964052 \ CV EXPL 24-2256 Vonnis van 24 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN POELGEEST AMSTERDAM B.V. , gevestigd te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde: mr. W.T.N. Vlasveld, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 21 oktober 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft eisende partij niet gereageerd op de akte van gedaagde partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over: de wijze waarop de overeenkomst is gesloten, hoe is voldaan aan de informatieplichten, de transparantie van het beding over de prijs, de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden, de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt. 2.2. Eisende partij heeft bij akte toegelicht dat de uitgevoerde werkzaamheden aan de auto voortvloeien uit een door gedaagde partij ondertekende koopovereenkomst (ter zake van diezelfde auto). De gefactureerde prijs blijkt uit deze overeenkomst. 2.3. Weliswaar stelt eisende partij in de akte dat gedaagde partij vorenbedoelde koopovereenkomst op naam van zijn eenmanszaak [bedrijf] heeft gesloten, maar deze stelling is verder niet geconcretiseerd en onderbouwd. De enkele vermelding van de naam van de eenmanszaak maakt op zichzelf niet dat daardoor sprake is van een bedrijfsmatig gesloten koopovereenkomst. Van belang is met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van de goederen of diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft (Costea-arrest, ECLI:EU:C:2015:538). Nu sprake is van de aankoop van een (coupé) personenauto, waarvan niet aanstonds kan worden vastgesteld dat deze past binnen de bedrijfsactiviteiten van de onderneming van gedaagde partij, wordt het zonder nadere toelichting, concretisering en onderbouwing ervoor gehouden dat gedaagde partij de koopovereenkomst heeft gesloten in de hoedanigheid van consument, zodat ambtshalve moet worden getoetst aan het consumentenrecht. 2.4. Uit de toelichting van eisende partij blijkt dat de prijs op duidelijke en begrijpelijke wijze in de overeenkomst staat, die voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden is ondertekend. Het beding over de prijs is daarmee voldoende transparant, zodat verdere toetsing aan Richtlijn 93/13 EG niet aan de orde is. 2.5. Gelet op de geschetste feitelijke gang van zaken betreffende de totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van een overeenkomst waarop de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn. Het wordt ervoor gehouden dat eisende partij aan deze informatieplichten heeft voldaan, ook omdat alle essentiële informatie is opgenomen in de door gedaagde partij binnen de verkoopruimte ondertekende koopovereenkomst. 2.6. Op de overeenkomst zijn (de BOVAG) algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In deze algemene voorwaarden staan bedingen die voor de onderhavige vordering van belang zijn, omdat eisende partij daarop een beroep zou kunnen doen. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen. 2.7. In de algemene voorwaarden staat een rente- en incassokostenbeding in artikel 15 leden 4, 5 en 6. Deze artikelen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat ze verwijzen naar en aansluiten bij de wettelijke regelingen te dien aangaande. 2.8. Aan de wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten heeft eisende partij voldaan, zodat deze kosten toewijsbaar zijn. 2.9. Een beding over gerechtelijke kosten (proceskosten) staat niet in de algemene voorwaarden. 2.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en wordt toegewezen, zoals na te melden. 2.11. Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 113,54 - griffierecht € 328,00 - salaris gemachtigde € 144,00 (1 punt × € 144,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 657,54 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen: - € 800,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2024 tot de dag van volledige betaling, - € 48,12 aan vervallen wettelijke rente tot 22 februari 2024, 3.2. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 120,00 aan buitengerechtelijke kosten, 3.3. veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 657,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026. 991