Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2026:4351
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,285 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4351 text/xml public 2026-05-18T11:28:19 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 13-162558-22 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4351 text/html public 2026-05-18T11:25:52 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4351 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 13-162558-22 Veroordeling voor het medeplegen van de handel in harddrugs, het aanwezig hebben van harddrugs en witwassen. Gevangenisstraf van 14 dagen en een taakstraf van 200 uren. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13-162558-22 Datum uitspraak: 30 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D.A. Alsemgeest, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. van Megen, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: 1. medeplegen van handel in cocaïne in de periode van 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 te [plaats] ; 2. opzettelijk aanwezig hebben van 1,8 gram cocaïne en 6 pillen MDMA op 29 juni 2022 te [plaats] ; 3. witwassen van een Mercedes-Benz E-klasse (kenteken: [kenteken] ) in de periode van 1 juli 2021 tot en met 28 juni 2022. De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat het medeplegen van verdachte blijkt uit het berichtenverkeer in de telefoon van verdachte en de verschillende verklaringen van getuigen die verklaren dat zij voor de verdovende middelen betaalden aan verdachte. 3.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de handelingen van verdachte niet als medeplegen gekwalificeerd kunnen worden. De handelingen duiden volgens de raadsvrouw op medeplichtigheid, hetgeen niet is ten laste gelegd. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding Het onderzoek, genaamd Audax, is gestart naar aanleiding van een melding via Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA) op 5 januari 2022 dat er in de woning januari 2022 dat er in de woning aan de [adres 2] al ruim vier jaar door verdachte en zijn vader, [medeverdachte] , in drugs wordt gedeald. Voor drugsbestellingen wordt gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: [telefoonnummer] ). Op basis van deze melding en van eerdere, vergelijkbare MMA-meldingen uit 2019 zijn er in de periode van 21 oktober 2021 tot en met zaterdag 28 mei 2022 observaties verricht. Ook heeft de politie op 21 juni 2022 een zogenaamde pseudokoop gedaan, door via WhatsApp en Sms contact op te nemen met voornoemd telefoonnummer [telefoonnummer] In de periode tussen 29 maart 2022 en 3 april 2022 is dit telefoonnummer door de politie getapt. Volgens de getapte Sms-berichten worden afspraken gemaakt bij de gebruiker van [telefoonnummer] Ook wordt er gevraagd of [telefoonnummer] kan bezorgen, er worden bestellingen geplaatst bij [telefoonnummer] en er worden geldbedragen genoemd. Op 29 juni 2022 zijn verdachte en zijn vader aangehouden en is de woning doorzocht, waarbij verdovende middelen in beslag zijn genomen. Daarnaast is ook de telefoon van verdachte in beslag genomen. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij wel eens cocaïne heeft weggebracht en gebruik heeft gemaakt van de telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer] 3.3.1 Feit 1 De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 te [plaats] samen met een ander, namelijk zijn vader (medeverdachte), cocaïne heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt. Ten aanzien van het medeplegen overweegt de rechtbank als volgt. Op de in beslag genomen telefoon van de vader van verdachte zijn veel berichten aangetroffen die wijzen op de handel in cocaïne. Deze berichten gaan terug tot 11 april 2021, wanneer de vader van verdachte een bericht verstuurt luidend: “ Kan je 1 bij [naam] in de bus doen. ” Eveneens volgt uit de berichten uit de telefoon van de vader van verdachte dat hij het verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne afstemde met verdachte. Er wordt gesproken over bedragen, betalingen, hoeveelheden, ophalen daarvan of ergens neerleggen en het maken van afspraken voor ontmoetingen. Ook de telefoon van verdachte is in beslag genomen en uitgelezen. In de telefoon van verdachte zijn berichten aangetroffen die duiden op de handel in verdovende middelen. Zo ontvangt verdachte complimenten over zijn goede “dope” en antwoordt verdachte door te zeggen dat zijn dope altijd goed is en dat hij nooit klachten heeft ontvangen. Verder verklaren getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] over de samenwerking tussen de verdachten. Getuige [getuige 1] verklaart dat haar zoon een loopjongen is voor verdachte en dat hij envelopjes met cocaïne krijgt van verdachte. Getuigen [getuige 2] en [getuige 3] verklaren dat zij cocaïne kochten bij [medeverdachte] en [verdachte] en dat zij betaalden aan verdachte of zijn vriendin. Getuige [getuige 4] verklaart dat hij met enige regelmaat bij [medeverdachte] cocaïne koopt. Het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen op de telefoon van [getuige 4] onder de naam “werktelefoon [verdachte] .” Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn vader die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. 3.3.2 Feit 2 Verdachte heeft feit 2 met betrekking tot het opzettelijk aanwezig hebben van de 1,8 gram cocaïne bekend. De rechtbank volstaat ten aanzien van dit feit met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de zes pillen bevattende MDMA voorhanden heeft gehad. De rechtbank spreekt verdachte van dit onderdeel vrij. 3.3.1 Feit 3 De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. Op 2 juli 2021 neemt [autobedrijf] contact op met verdachte. Op 3 juli 2021 maakt verdachte een proefrit in een Mercedes voorzien van kenteken [kenteken] (hierna: de Mercedes). Op 3 juli 2021 wordt een koopovereenkomst gesloten voor de Mercedes getekend door [persoon] en de verkoper van het voertuig, [autobedrijf] . Op het koopcontract staat het telefoonnummer van verdachte. Op 14 juli 2021 heeft verdachte een afspraak bij [autobedrijf] . In een whatsappgesprek met [autobedrijf] geeft verdachte die dag aan dat hij de auto die middag wil meenemen. Eveneens is op 14 juli 2021 een contant geldbedrag van € 11.690,- per kas voor de Mercedes betaald. [persoon] heeft dit bedrag niet betaald. Bovendien wordt op 14 juli 2021 door verdachte rechtstreeks een bedrag overgemaakt aan [persoon] van EUR 1000,00 met als omschrijving ‘ovb inzake aankoopauto’. Ook worden na 14 juli 2021 regelmatig hoge bedragen overgemaakt door verdachte of zijn vriendin aan [persoon] met als onderwerp ‘auto’ of ‘auto [verdachte] ’. Vervolgens wordt bij meerdere observaties gezien dat verdachte gebruik maakt van de Mercedes.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4351 text/xml public 2026-05-18T11:28:19 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 13-162558-22 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4351 text/html public 2026-05-18T11:25:52 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4351 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 13-162558-22 Veroordeling voor het medeplegen van de handel in harddrugs, het aanwezig hebben van harddrugs en witwassen. Gevangenisstraf van 14 dagen en een taakstraf van 200 uren. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13-162558-22 Datum uitspraak: 30 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D.A. Alsemgeest, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. van Megen, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: 1. medeplegen van handel in cocaïne in de periode van 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 te [plaats] ; 2. opzettelijk aanwezig hebben van 1,8 gram cocaïne en 6 pillen MDMA op 29 juni 2022 te [plaats] ; 3. witwassen van een Mercedes-Benz E-klasse (kenteken: [kenteken] ) in de periode van 1 juli 2021 tot en met 28 juni 2022. De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat het medeplegen van verdachte blijkt uit het berichtenverkeer in de telefoon van verdachte en de verschillende verklaringen van getuigen die verklaren dat zij voor de verdovende middelen betaalden aan verdachte. 3.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de handelingen van verdachte niet als medeplegen gekwalificeerd kunnen worden. De handelingen duiden volgens de raadsvrouw op medeplichtigheid, hetgeen niet is ten laste gelegd. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding Het onderzoek, genaamd Audax, is gestart naar aanleiding van een melding via Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA) op 5 januari 2022 dat er in de woning januari 2022 dat er in de woning aan de [adres 2] al ruim vier jaar door verdachte en zijn vader, [medeverdachte] , in drugs wordt gedeald. Voor drugsbestellingen wordt gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: [telefoonnummer] ). Op basis van deze melding en van eerdere, vergelijkbare MMA-meldingen uit 2019 zijn er in de periode van 21 oktober 2021 tot en met zaterdag 28 mei 2022 observaties verricht. Ook heeft de politie op 21 juni 2022 een zogenaamde pseudokoop gedaan, door via WhatsApp en Sms contact op te nemen met voornoemd telefoonnummer [telefoonnummer] In de periode tussen 29 maart 2022 en 3 april 2022 is dit telefoonnummer door de politie getapt. Volgens de getapte Sms-berichten worden afspraken gemaakt bij de gebruiker van [telefoonnummer] Ook wordt er gevraagd of [telefoonnummer] kan bezorgen, er worden bestellingen geplaatst bij [telefoonnummer] en er worden geldbedragen genoemd. Op 29 juni 2022 zijn verdachte en zijn vader aangehouden en is de woning doorzocht, waarbij verdovende middelen in beslag zijn genomen. Daarnaast is ook de telefoon van verdachte in beslag genomen. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij wel eens cocaïne heeft weggebracht en gebruik heeft gemaakt van de telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer] 3.3.1 Feit 1 De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 te [plaats] samen met een ander, namelijk zijn vader (medeverdachte), cocaïne heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt. Ten aanzien van het medeplegen overweegt de rechtbank als volgt. Op de in beslag genomen telefoon van de vader van verdachte zijn veel berichten aangetroffen die wijzen op de handel in cocaïne. Deze berichten gaan terug tot 11 april 2021, wanneer de vader van verdachte een bericht verstuurt luidend: “ Kan je 1 bij [naam] in de bus doen. ” Eveneens volgt uit de berichten uit de telefoon van de vader van verdachte dat hij het verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne afstemde met verdachte. Er wordt gesproken over bedragen, betalingen, hoeveelheden, ophalen daarvan of ergens neerleggen en het maken van afspraken voor ontmoetingen. Ook de telefoon van verdachte is in beslag genomen en uitgelezen. In de telefoon van verdachte zijn berichten aangetroffen die duiden op de handel in verdovende middelen. Zo ontvangt verdachte complimenten over zijn goede “dope” en antwoordt verdachte door te zeggen dat zijn dope altijd goed is en dat hij nooit klachten heeft ontvangen. Verder verklaren getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] over de samenwerking tussen de verdachten. Getuige [getuige 1] verklaart dat haar zoon een loopjongen is voor verdachte en dat hij envelopjes met cocaïne krijgt van verdachte. Getuigen [getuige 2] en [getuige 3] verklaren dat zij cocaïne kochten bij [medeverdachte] en [verdachte] en dat zij betaalden aan verdachte of zijn vriendin. Getuige [getuige 4] verklaart dat hij met enige regelmaat bij [medeverdachte] cocaïne koopt. Het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen op de telefoon van [getuige 4] onder de naam “werktelefoon [verdachte] .” Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn vader die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. 3.3.2 Feit 2 Verdachte heeft feit 2 met betrekking tot het opzettelijk aanwezig hebben van de 1,8 gram cocaïne bekend. De rechtbank volstaat ten aanzien van dit feit met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de zes pillen bevattende MDMA voorhanden heeft gehad. De rechtbank spreekt verdachte van dit onderdeel vrij. 3.3.1 Feit 3 De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. Op 2 juli 2021 neemt [autobedrijf] contact op met verdachte. Op 3 juli 2021 maakt verdachte een proefrit in een Mercedes voorzien van kenteken [kenteken] (hierna: de Mercedes). Op 3 juli 2021 wordt een koopovereenkomst gesloten voor de Mercedes getekend door [persoon] en de verkoper van het voertuig, [autobedrijf] . Op het koopcontract staat het telefoonnummer van verdachte. Op 14 juli 2021 heeft verdachte een afspraak bij [autobedrijf] . In een whatsappgesprek met [autobedrijf] geeft verdachte die dag aan dat hij de auto die middag wil meenemen. Eveneens is op 14 juli 2021 een contant geldbedrag van € 11.690,- per kas voor de Mercedes betaald. [persoon] heeft dit bedrag niet betaald. Bovendien wordt op 14 juli 2021 door verdachte rechtstreeks een bedrag overgemaakt aan [persoon] van EUR 1000,00 met als omschrijving ‘ovb inzake aankoopauto’. Ook worden na 14 juli 2021 regelmatig hoge bedragen overgemaakt door verdachte of zijn vriendin aan [persoon] met als onderwerp ‘auto’ of ‘auto [verdachte] ’. Vervolgens wordt bij meerdere observaties gezien dat verdachte gebruik maakt van de Mercedes.
Volledig
Tot slot worden bij een doorzoeking van de Mercedes spullen van verdachte en zijn vriendin aangetroffen, blijkt verdachte de Mercedes te hebben laten tunen en beschikte verdachte over zowel de sleutel als de reservesleutel van de Mercedes. Op grond van voornoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die het contante geldbedrag heeft betaald en de feitelijke eigenaar is geweest van de Mercedes. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de Mercedes uit misdrijf afkomstig was. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de Mercedes afkomstig is van een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de Mercedes afkomstig is, kan witwassen echter bewezen worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de Mercedes uit misdrijf afkomstig is. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de Mercedes. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de Mercedes een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van de Mercedes worden bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vermoeden van witwassen. Daarvoor is het volgende van belang. Uit de bewezenverklaring van feit 1 volgt allereerst dat verdachte zich in de periode voorafgaand aan de aankoop bezig heeft gehouden met de handel in cocaïne. Daarnaast is de auto onder andere betaald met een groot contant geldbedrag en wordt de auto niet op naam gezet van de daadwerkelijke eigenaar. Tot slot blijkt uit de financiële gegevens van verdachte dat zijn legale inkomen in de jaren voorafgaand aan de aankoop beperkt is geweest. Verdachte heeft geen (concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke) verklaring afgelegd over de herkomst van het geld waarmee de Mercedes is gefinancierd. Daarom acht de rechtbank het witwassen van de Mercedes bewezen. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte feit 1: op tijdstippen in de periode 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt cocaïne zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 2: op 29 juni 2022 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,31 gram van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 3: in de periode 3 juli 2021 tot en met 28 juni 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , (van) een voertuig, een Mercedes-Benz E-klasse (kenteken: [kenteken] ) - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voertuig was en/of - heeft verworven, voorhanden heeft gehad gebruik heeft gemaakt -door een contant geldbedrag van 11.690 euro te verstrekken aan [autobedrijf] ten behoeve van de aankoop/verkrijging van voornoemd voertuig, te weten een Mercedes-Benz E-klasse, met kenteken [kenteken] ) en -door voornoemd voertuig niet op naam van zichzelf, maar op naam van [persoon] te laten zetten terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voornoemd voertuig middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 dagen, met aftrek van voorarrest en tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. 7.2 Het strafmaatverweer van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat een taakstraf van 240 uren niet in verhouding staat tot het aandeel wat verdachte heeft gehad. Bovendien heeft de verdediging aangegeven dat verdachte inmiddels heeft aangetoond een ander pad te kunnen bewandelen, nu hij een stabiele relatie heeft met twee kinderen met daarnaast een baan als kok. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Ernst van de feiten Verdachte heeft samen met zijn vader harddrugs verhandeld in de periode van 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 en zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs. Daarmee heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit waarin harddrugs worden geproduceerd en verhandeld. Verdachte heeft zich kennelijk weinig bekommerd om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van gebruikers en de met drugshandel gepaard gaande keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwricht en overlast kan veroorzaken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en de openbare orde. Persoon van verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte, waaruit naar voren komt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en sinds de bewezenverklaarde feiten niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het door Reclassering Leger des Heils opgestelde adviesrapport van 23 april 2025 en een voortgangsverslag per e-mail van 2 april 2026. Hierin wordt, zakelijk weergegeven, gerapporteerd dat er inmiddels sprake is van stabiliteit binnen de diverse leefgebieden. Verdachte beseft zich dat hij zich niet meer moet laten beïnvloeden door negatieve sociale contacten en beter na moet denken voordat hij handelt. De op te leggen straf en de redelijke termijn Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Meestal worden lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd voor de duur van de periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs. Verdachte heeft 14 dagen in voorarrest gezeten. Omdat het gaat om strafbare feiten die lang geleden hebben plaats gevonden en verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met justitie, zal de rechtbank verdachte niet terugsturen naar de gevangenis. De rechtbank overweegt met betrekking tot de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden het volgende. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting met een eindvonnis moet zijn afgerond binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Gelet op het procesverloop van deze zaak komt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden. Deze overschrijding is niet te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak of door omstandigheden die aan de verdediging toe te schrijven zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht overstijgt, niet meer passend is.
Volledig
Tot slot worden bij een doorzoeking van de Mercedes spullen van verdachte en zijn vriendin aangetroffen, blijkt verdachte de Mercedes te hebben laten tunen en beschikte verdachte over zowel de sleutel als de reservesleutel van de Mercedes. Op grond van voornoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die het contante geldbedrag heeft betaald en de feitelijke eigenaar is geweest van de Mercedes. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de Mercedes uit misdrijf afkomstig was. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de Mercedes afkomstig is van een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de Mercedes afkomstig is, kan witwassen echter bewezen worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de Mercedes uit misdrijf afkomstig is. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de Mercedes. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de Mercedes een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van de Mercedes worden bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vermoeden van witwassen. Daarvoor is het volgende van belang. Uit de bewezenverklaring van feit 1 volgt allereerst dat verdachte zich in de periode voorafgaand aan de aankoop bezig heeft gehouden met de handel in cocaïne. Daarnaast is de auto onder andere betaald met een groot contant geldbedrag en wordt de auto niet op naam gezet van de daadwerkelijke eigenaar. Tot slot blijkt uit de financiële gegevens van verdachte dat zijn legale inkomen in de jaren voorafgaand aan de aankoop beperkt is geweest. Verdachte heeft geen (concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke) verklaring afgelegd over de herkomst van het geld waarmee de Mercedes is gefinancierd. Daarom acht de rechtbank het witwassen van de Mercedes bewezen. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte feit 1: op tijdstippen in de periode 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt cocaïne zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 2: op 29 juni 2022 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,31 gram van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 3: in de periode 3 juli 2021 tot en met 28 juni 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , (van) een voertuig, een Mercedes-Benz E-klasse (kenteken: [kenteken] ) - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voertuig was en/of - heeft verworven, voorhanden heeft gehad gebruik heeft gemaakt -door een contant geldbedrag van 11.690 euro te verstrekken aan [autobedrijf] ten behoeve van de aankoop/verkrijging van voornoemd voertuig, te weten een Mercedes-Benz E-klasse, met kenteken [kenteken] ) en -door voornoemd voertuig niet op naam van zichzelf, maar op naam van [persoon] te laten zetten terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voornoemd voertuig middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen en maatregelen 7.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 dagen, met aftrek van voorarrest en tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. 7.2 Het strafmaatverweer van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat een taakstraf van 240 uren niet in verhouding staat tot het aandeel wat verdachte heeft gehad. Bovendien heeft de verdediging aangegeven dat verdachte inmiddels heeft aangetoond een ander pad te kunnen bewandelen, nu hij een stabiele relatie heeft met twee kinderen met daarnaast een baan als kok. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Ernst van de feiten Verdachte heeft samen met zijn vader harddrugs verhandeld in de periode van 11 april 2021 tot en met 28 juni 2022 en zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs. Daarmee heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit waarin harddrugs worden geproduceerd en verhandeld. Verdachte heeft zich kennelijk weinig bekommerd om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van gebruikers en de met drugshandel gepaard gaande keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwricht en overlast kan veroorzaken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en de openbare orde. Persoon van verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte, waaruit naar voren komt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en sinds de bewezenverklaarde feiten niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het door Reclassering Leger des Heils opgestelde adviesrapport van 23 april 2025 en een voortgangsverslag per e-mail van 2 april 2026. Hierin wordt, zakelijk weergegeven, gerapporteerd dat er inmiddels sprake is van stabiliteit binnen de diverse leefgebieden. Verdachte beseft zich dat hij zich niet meer moet laten beïnvloeden door negatieve sociale contacten en beter na moet denken voordat hij handelt. De op te leggen straf en de redelijke termijn Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Meestal worden lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd voor de duur van de periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs. Verdachte heeft 14 dagen in voorarrest gezeten. Omdat het gaat om strafbare feiten die lang geleden hebben plaats gevonden en verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met justitie, zal de rechtbank verdachte niet terugsturen naar de gevangenis. De rechtbank overweegt met betrekking tot de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden het volgende. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting met een eindvonnis moet zijn afgerond binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Gelet op het procesverloop van deze zaak komt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden. Deze overschrijding is niet te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak of door omstandigheden die aan de verdediging toe te schrijven zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht overstijgt, niet meer passend is.
Volledig
De rechtbank volstaat met het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 200 uren op aan verdachte. De rechtbank wijkt daarbij af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de vader van verdachte de aantrekkende kracht is geweest in de drugshandel en daarmee de rol van verdachte ondergeschikt was aan die van zijn vader. 8 Beslag Onder verdachte zijn een auto, contant geld, een horloge, telefoons en verdovende middelen in beslag genomen. 8.1 Verbeurdverklaring Het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten de Mercedes met kenteken [kenteken] , behoort aan verdachte toe. Nu met betrekking tot dit voorwerp het feit 3 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurd verklaard. Het geldbedrag, wat in beslag is genomen en niet is teruggegeven (nummer 2 op de beslaglijst), moet verbeurd worden verklaard, nu dit geldbedrag aan verdachte toebehoort en dit geldbedrag geheel of grotendeels uit de baten van het bewezen geachte is verkregen. 8.2 Onttrekking aan het verkeer De inbeslaggenomen en niet teruggegeven verdovende middelen (nummers 6 tot en met 12 en 16 tot en met 21 op de beslaglijst) moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang en de feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan. 8.3 Teruggave Het in beslag genomen horloge (onder 4) is volgens de officier van justitie een replica. Van een relatie met de door de verdachte gepleegde strafbare feiten is geen sprake. De rechtbank gelast daarom de teruggave van het horloge aan verdachte. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 3: witwassen Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen . Verklaart verbeurd : 1. STK Personenauto [kenteken] (goednummer: G6081273, Wit, merk: Mercedes-Benz); 340 EUR - ibgn; 29-06-2022 (goednummer: G6205198); 1. STK Telefoontoestel (goednummer: G6205254); 1. STK Telefoontoestel (goednummer: G6205336); 1. STK Telefoontoestel (goednummer: G6205251). Verklaart onttrokken aan het verkeer : 1,03 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205157); ,77 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205160); ,98 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205161); ,87 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205164); ,28 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205166); ,55 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205167); ,21 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205168); 6 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205288); 1. STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205290); 1. STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205285); 1. STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205286); 2 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205258); 4 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6202775). Gelast de teruggave aan [verdachte] van: 1. STK Horloge (goednummer: 6205192, zilver, merk: Rolex Oyster). Dit vonnis is gewezen door: mr. A.M. Loots, voorzitter, mrs. R.A. Sipkens en A.E. Wilbrink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2026.
Volledig
De rechtbank volstaat met het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 200 uren op aan verdachte. De rechtbank wijkt daarbij af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de vader van verdachte de aantrekkende kracht is geweest in de drugshandel en daarmee de rol van verdachte ondergeschikt was aan die van zijn vader. 8 Beslag Onder verdachte zijn een auto, contant geld, een horloge, telefoons en verdovende middelen in beslag genomen. 8.1 Verbeurdverklaring Het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten de Mercedes met kenteken [kenteken] , behoort aan verdachte toe. Nu met betrekking tot dit voorwerp het feit 3 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurd verklaard. Het geldbedrag, wat in beslag is genomen en niet is teruggegeven (nummer 2 op de beslaglijst), moet verbeurd worden verklaard, nu dit geldbedrag aan verdachte toebehoort en dit geldbedrag geheel of grotendeels uit de baten van het bewezen geachte is verkregen. 8.2 Onttrekking aan het verkeer De inbeslaggenomen en niet teruggegeven verdovende middelen (nummers 6 tot en met 12 en 16 tot en met 21 op de beslaglijst) moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang en de feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan. 8.3 Teruggave Het in beslag genomen horloge (onder 4) is volgens de officier van justitie een replica. Van een relatie met de door de verdachte gepleegde strafbare feiten is geen sprake. De rechtbank gelast daarom de teruggave van het horloge aan verdachte. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 3: witwassen Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen . Verklaart verbeurd : 1. STK Personenauto [kenteken] (goednummer: G6081273, Wit, merk: Mercedes-Benz); 340 EUR - ibgn; 29-06-2022 (goednummer: G6205198); 1. STK Telefoontoestel (goednummer: G6205254); 1. STK Telefoontoestel (goednummer: G6205336); 1. STK Telefoontoestel (goednummer: G6205251). Verklaart onttrokken aan het verkeer : 1,03 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205157); ,77 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205160); ,98 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205161); ,87 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205164); ,28 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205166); ,55 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205167); ,21 GR Verdovende Middelen (goednummer: G6205168); 6 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205288); 1. STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205290); 1. STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205285); 1. STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205286); 2 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6205258); 4 STK Verdovende Middelen (goednummer: G6202775). Gelast de teruggave aan [verdachte] van: 1. STK Horloge (goednummer: 6205192, zilver, merk: Rolex Oyster). Dit vonnis is gewezen door: mr. A.M. Loots, voorzitter, mrs. R.A. Sipkens en A.E. Wilbrink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2026.