Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-29
ECLI:NL:RBAMS:2026:4349
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,305 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4349 text/xml public 2026-05-18T11:08:18 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-29 13-069751-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Internationaal strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4349 text/html public 2026-05-11T15:25:24 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4349 Rechtbank Amsterdam , 29-04-2026 / 13-069751-26 Vervolgings-EAB uit Frankrijk. De rechtbank beschikt niet over een vertaling van EAB waar de vordering van de officier van justitie op ziet. De rechtbank beschikt daarmee niet aan een EAB dat voldoet aan de eis van artikel 2, vierde lid OLW. Om die reden geeft verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk en heft de overleveringsdetentie op. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-069751-26 Datum uitspraak: 29 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 27 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2025 door de rechtbank van Mont-de-Marsan – Parket van de officier van justitie, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (België), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Zaim, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Franse taal. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Inleiding Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 9 oktober 2025, afgegeven door de rechtbank van Mont-de-Marsan, met referenties: Parket 19282-42, Instructie JICABJI119000031, strafrechtelijke procedure. Het originele EAB, opgesteld in de Franse taal, dat zich in het dossier bevindt dateert van 10 oktober 2025. Een EAB in de Nederlandse taal, dat de vertaling van het EAB zou moeten zijn, dateert van 7 maart 2026. Deze vertaling is niet gelijk aan het originele EAB van 10 oktober 2025. In het dossier ontbreekt een vertaling van het EAB van 10 oktober 2025. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het EAB van 10 oktober 2025 inhoudelijk op verschillende punten verschilt van het EAB van 7 maart 2026. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het EAB van 7 maart 2026 kan worden gezien als een aanvulling op het EAB van 10 oktober 2025. Mocht de rechtbank dat anders zien dan heeft de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, omdat die vordering ziet op het EAB van 10 oktober 2025. Het Openbaar Ministerie heeft wel een Franstalige versie van het EAB van 7 maart 2026 ontvangen, maar geen vertaling van het eerdere EAB van 10 oktober 2025. Overigens betwijfelt het Openbaar Ministerie of de vertaling van het EAB van 10 oktober 2025 beschikbaar is, aangezien het EAB van 7 maart 2026 wel ziet op dezelfde strafbare feiten als het EAB van 7 maart 2026 en het EAB slechts op enkele onderdelen verschilt van het EAB van 7 maart 2026 (namelijk de datum, de naam van de ondertekenaar, en de aangekruiste lijstfeiten). Oordeel van de rechtbank De rechtbank constateert dat de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van het EAB ziet op een EAB dat is uitgevaardigd op 10 oktober 2025. Dit EAB is opgemaakt in de Franse taal. Van dit EAB heeft de rechtbank geen vertaling ontvangen, ondanks dat zij daar op voorhand om gevraagd had bij het IRC. Het Openbaar Ministerie heeft ook geen vertaling van het EAB van 10 oktober 2025. De rechtbank heeft alleen een vertaling ontvangen van een EAB van 7 maart 2026 dat op verschillende punten lijkt te verschillen van het EAB van 10 oktober 2025. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet beschikt over een vertaling van het EAB waar de vordering van de officier van justitie op is gebaseerd. Op grond van artikel 2, vierde lid, OLW dient het EAB echter te zijn vertaald in de officiële taal of in een van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat, dan wel in de taal die deze lidstaat in een bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie neergelegde verklaring heeft aangegeven. De Franse taal, de taal waarin het originele EAB van 10 oktober 2025 is uitgevaardigd, is niet één van de talen bedoeld in dit lid. Bij gebrek aan een vertaling van het EAB kan de rechtbank het verzoek om overlevering niet inhoudelijk beoordelen. Omdat de rechtbank vanwege het ontbreken van een vertaling van het EAB waarop de vordering is gebaseerd niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om overlevering zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank komt derhalve ook niet toe aan een beoordeling of het EAB uit 2026 al dan niet kan worden gezien als een aanvulling op het EAB uit 2025. De rechtbank zal de zaak ook niet aanhouden voor het opvragen van een vertaling van het EAB van 10 oktober 2025, omdat het vertaalde EAB op voorhand zijn opgevraagd, het Openbaar Ministerie betwijfelt of er een vertaling beschikbaar is, en er dus kennelijk een nieuw EAB met vertaling voor dezelfde strafbare feiten is uitgevaardigd op 7 maart 2026. 4 Beslissing VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB van 10 oktober 2025; STELT VAST dat de overleveringsdetentie is geëindigd. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, voorzitter, mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. ÁG413125605990&È G413125605990
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4349 text/xml public 2026-05-18T11:08:18 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-29 13-069751-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Internationaal strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4349 text/html public 2026-05-11T15:25:24 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4349 Rechtbank Amsterdam , 29-04-2026 / 13-069751-26 Vervolgings-EAB uit Frankrijk. De rechtbank beschikt niet over een vertaling van EAB waar de vordering van de officier van justitie op ziet. De rechtbank beschikt daarmee niet aan een EAB dat voldoet aan de eis van artikel 2, vierde lid OLW. Om die reden geeft verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk en heft de overleveringsdetentie op. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-069751-26 Datum uitspraak: 29 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 27 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2025 door de rechtbank van Mont-de-Marsan – Parket van de officier van justitie, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (België), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Zaim, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Franse taal. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Inleiding Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 9 oktober 2025, afgegeven door de rechtbank van Mont-de-Marsan, met referenties: Parket 19282-42, Instructie JICABJI119000031, strafrechtelijke procedure. Het originele EAB, opgesteld in de Franse taal, dat zich in het dossier bevindt dateert van 10 oktober 2025. Een EAB in de Nederlandse taal, dat de vertaling van het EAB zou moeten zijn, dateert van 7 maart 2026. Deze vertaling is niet gelijk aan het originele EAB van 10 oktober 2025. In het dossier ontbreekt een vertaling van het EAB van 10 oktober 2025. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het EAB van 10 oktober 2025 inhoudelijk op verschillende punten verschilt van het EAB van 7 maart 2026. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het EAB van 7 maart 2026 kan worden gezien als een aanvulling op het EAB van 10 oktober 2025. Mocht de rechtbank dat anders zien dan heeft de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, omdat die vordering ziet op het EAB van 10 oktober 2025. Het Openbaar Ministerie heeft wel een Franstalige versie van het EAB van 7 maart 2026 ontvangen, maar geen vertaling van het eerdere EAB van 10 oktober 2025. Overigens betwijfelt het Openbaar Ministerie of de vertaling van het EAB van 10 oktober 2025 beschikbaar is, aangezien het EAB van 7 maart 2026 wel ziet op dezelfde strafbare feiten als het EAB van 7 maart 2026 en het EAB slechts op enkele onderdelen verschilt van het EAB van 7 maart 2026 (namelijk de datum, de naam van de ondertekenaar, en de aangekruiste lijstfeiten). Oordeel van de rechtbank De rechtbank constateert dat de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van het EAB ziet op een EAB dat is uitgevaardigd op 10 oktober 2025. Dit EAB is opgemaakt in de Franse taal. Van dit EAB heeft de rechtbank geen vertaling ontvangen, ondanks dat zij daar op voorhand om gevraagd had bij het IRC. Het Openbaar Ministerie heeft ook geen vertaling van het EAB van 10 oktober 2025. De rechtbank heeft alleen een vertaling ontvangen van een EAB van 7 maart 2026 dat op verschillende punten lijkt te verschillen van het EAB van 10 oktober 2025. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet beschikt over een vertaling van het EAB waar de vordering van de officier van justitie op is gebaseerd. Op grond van artikel 2, vierde lid, OLW dient het EAB echter te zijn vertaald in de officiële taal of in een van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat, dan wel in de taal die deze lidstaat in een bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie neergelegde verklaring heeft aangegeven. De Franse taal, de taal waarin het originele EAB van 10 oktober 2025 is uitgevaardigd, is niet één van de talen bedoeld in dit lid. Bij gebrek aan een vertaling van het EAB kan de rechtbank het verzoek om overlevering niet inhoudelijk beoordelen. Omdat de rechtbank vanwege het ontbreken van een vertaling van het EAB waarop de vordering is gebaseerd niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om overlevering zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank komt derhalve ook niet toe aan een beoordeling of het EAB uit 2026 al dan niet kan worden gezien als een aanvulling op het EAB uit 2025. De rechtbank zal de zaak ook niet aanhouden voor het opvragen van een vertaling van het EAB van 10 oktober 2025, omdat het vertaalde EAB op voorhand zijn opgevraagd, het Openbaar Ministerie betwijfelt of er een vertaling beschikbaar is, en er dus kennelijk een nieuw EAB met vertaling voor dezelfde strafbare feiten is uitgevaardigd op 7 maart 2026. 4 Beslissing VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB van 10 oktober 2025; STELT VAST dat de overleveringsdetentie is geëindigd. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, voorzitter, mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. ÁG413125605990&È G413125605990