Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-21
ECLI:NL:RBAMS:2026:4334
Civiel recht
Bodemzaak
3,907 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4334 text/xml public 2026-05-08T17:31:34 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-21 12137832 CV EXPL 26-3730 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4334 text/html public 2026-05-07T13:50:44 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4334 Rechtbank Amsterdam , 21-04-2026 / 12137832 CV EXPL 26-3730 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12137832 CV EXPL 26-3730 vonnis van: 21 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap ASR Dutch Core Residential Custodian B.V. gevestigd te Utrecht eisende partij gemachtigde: Dw. H. Geerlings t e g e n 1. [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2] beiden wonende te [woonplaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomsten met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] en de daar onlosmakelijk mee verbonden parkeerplaats behorende bij het [complexnaam] op het parkeerterrein, gelegen aan de achterzijde en met in- en uitrit aan de [adres 2] te [plaats] , almede de op de huurovereenkomst woning van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden woning) in het geding gebracht. 5. Eisende parti heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat zij zich voor wat betreft de ambtshalve toetsing van specifieke bepalingen in de huurovereenkomst of de daar onderdeel van uitmakende algemene voorwaarden aan het oordeel van de kantonrechter zal conformeren en dat zij geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid zich daarover nader uit te laten. 6. De huurprijs- en servicekostenbedingen in de huurovereenkomsten (woning en parkeerplaats) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 7. Voor wat betreft de woning betreft het geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant zijn, te weten artikel 12.2 (huurprijswijziging) in de huurovereenkomst woning en de artikelen 8.3 (wijziging voorschot servicekosten) en 10.1 t/m 10.5 (huurprijswijziging) in de huurovereenkomst parkeerplaats, almede de artikelen 16 (huurprijswijziging) en 17.13 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden woning zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 8. Ook de artikelen 4.2 en 20.1 in de huurovereenkomst parkeerplaats zijn door de kantonrechter getoetst. Deze artikelen luiden als volgt: 4.2 Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 10% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als volle maand geldt, met een minimum van € 20,-- per maand. 20.1 In alle gevallen waarin verhuurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of tot ontruiming te dwingen, is huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door verhuurder te betalen proceskosten aan verhuurder te voldoen. De gemaakte kosten worden tussen partijen bij voorbaat vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het gebruikelijke tarief dat door gerechtsdeurwaarders wordt gehanteerd. 9. Artikel 4.2 in de huurovereenkomst parkeerplaats geeft eiseres de mogelijkheid een boete op te leggen aan de huurder als deze de huur niet volledig en op tijd betaalt. Deze boete is of kan veel hoger zijn de wettelijke rente, die een consument normaliter is verschuldigd. Dit maakt dat het boetebeding het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoort, in het nadeel van de consument. Het beding is daarom oneerlijk. 10. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten in de huurovereenkomst parkeerplaats (artikel 20.1) is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk. 11. Artikel 20.1 in de huurovereenkomst parkeerplaats is ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. 12. Eisende partij heeft te kennen gegeven zich hieraan te zullen conformeren en zich hierover niet te willen uitlaten. 13. Het voorgaande betekent dat de onder r.o. 8 geciteerde bedingen buiten toepassing worden gelaten en de buitengerechtelijke incassokosten en rente over de huurachterstand parkeerplaats worden afgewezen. 14. De buitengerechtelijk incassokosten en rente over de huurachterstand woning zijn in beginsel wel toewijsbaar. Echter nu eisende partij slechts betaling van één bedrag aan huurachterstand woning en parkeerplaats heeft gevorderd, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om tot splitsing over te gaan. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente worden daarom in zijn geheel afgewezen. De vordering 15. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn nog is overwogen. 16. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4334 text/xml public 2026-05-08T17:31:34 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-21 12137832 CV EXPL 26-3730 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4334 text/html public 2026-05-07T13:50:44 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4334 Rechtbank Amsterdam , 21-04-2026 / 12137832 CV EXPL 26-3730 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12137832 CV EXPL 26-3730 vonnis van: 21 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap ASR Dutch Core Residential Custodian B.V. gevestigd te Utrecht eisende partij gemachtigde: Dw. H. Geerlings t e g e n 1. [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2] beiden wonende te [woonplaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomsten met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] en de daar onlosmakelijk mee verbonden parkeerplaats behorende bij het [complexnaam] op het parkeerterrein, gelegen aan de achterzijde en met in- en uitrit aan de [adres 2] te [plaats] , almede de op de huurovereenkomst woning van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden woning) in het geding gebracht. 5. Eisende parti heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat zij zich voor wat betreft de ambtshalve toetsing van specifieke bepalingen in de huurovereenkomst of de daar onderdeel van uitmakende algemene voorwaarden aan het oordeel van de kantonrechter zal conformeren en dat zij geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid zich daarover nader uit te laten. 6. De huurprijs- en servicekostenbedingen in de huurovereenkomsten (woning en parkeerplaats) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 7. Voor wat betreft de woning betreft het geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant zijn, te weten artikel 12.2 (huurprijswijziging) in de huurovereenkomst woning en de artikelen 8.3 (wijziging voorschot servicekosten) en 10.1 t/m 10.5 (huurprijswijziging) in de huurovereenkomst parkeerplaats, almede de artikelen 16 (huurprijswijziging) en 17.13 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden woning zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 8. Ook de artikelen 4.2 en 20.1 in de huurovereenkomst parkeerplaats zijn door de kantonrechter getoetst. Deze artikelen luiden als volgt: 4.2 Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 10% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als volle maand geldt, met een minimum van € 20,-- per maand. 20.1 In alle gevallen waarin verhuurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of tot ontruiming te dwingen, is huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door verhuurder te betalen proceskosten aan verhuurder te voldoen. De gemaakte kosten worden tussen partijen bij voorbaat vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het gebruikelijke tarief dat door gerechtsdeurwaarders wordt gehanteerd. 9. Artikel 4.2 in de huurovereenkomst parkeerplaats geeft eiseres de mogelijkheid een boete op te leggen aan de huurder als deze de huur niet volledig en op tijd betaalt. Deze boete is of kan veel hoger zijn de wettelijke rente, die een consument normaliter is verschuldigd. Dit maakt dat het boetebeding het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoort, in het nadeel van de consument. Het beding is daarom oneerlijk. 10. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten in de huurovereenkomst parkeerplaats (artikel 20.1) is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk. 11. Artikel 20.1 in de huurovereenkomst parkeerplaats is ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. 12. Eisende partij heeft te kennen gegeven zich hieraan te zullen conformeren en zich hierover niet te willen uitlaten. 13. Het voorgaande betekent dat de onder r.o. 8 geciteerde bedingen buiten toepassing worden gelaten en de buitengerechtelijke incassokosten en rente over de huurachterstand parkeerplaats worden afgewezen. 14. De buitengerechtelijk incassokosten en rente over de huurachterstand woning zijn in beginsel wel toewijsbaar. Echter nu eisende partij slechts betaling van één bedrag aan huurachterstand woning en parkeerplaats heeft gevorderd, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om tot splitsing over te gaan. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente worden daarom in zijn geheel afgewezen. De vordering 15. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn nog is overwogen. 16. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.