Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2026:4333
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,147 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4333 text/xml public 2026-05-11T10:45:16 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 12140421 CV EXPL 26-3777 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4333 text/html public 2026-05-07T13:46:15 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4333 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 12140421 CV EXPL 26-3777 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12140421 CV EXPL 26-3777 vonnis van: 30 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e 1. de maatschap [eiser] gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] 2. de besloten vennootschap Plaza Resident Services Nederland B.V. gevestigd en kantoorhoudende te Eindhoven eisende partij gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij procederend in persoon Verloop van de procedure Bij exploot van dagvaarding heeft eisende partij gevorderd zoals in de dagvaarding omschreven. Gedaagde partij heeft hierop gereageerd en heeft de vordering mondeling erkend. Daarna is vonnis bepaald. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert in deze procedure betaling van € 4.258,60, bestaande uit huurachterstand, niet betaalde kosten serviceabonnement, afrekening servicekosten 2024 en (herstel)kosten eindoplevering woning. De vordering is als door gedaagde partij erkend toewijsbaar, behoudens voor het geval hieronder anders is overwogen en beslist. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eiseres mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden), alsook het tussen partijen gesloten serviceabonnement in het geding gebracht. De voorgenoemde overeenkomsten zijn per 19 november 2025 beëindigd. 4. Eisende partij heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat de vordering niet is gebaseerd op een (vermoedelijk) oneerlijk beding in de algemene voorwaarden. 5. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 6. Het betreft niet- geliberaliseerde huur. Het beding dat voor de onderhavige vordering relevant is, te weten artikel 5.1 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de bedingen die zien op afrekening servicekosten en in rekening brengen van (herstel)kosten eindoplevering woning, zoals opgenomen in artikel 17 en 19 van de algemene voorwaarden, zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 7. Ook is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 25.2 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is. 8. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden, zoals hierboven geciteerd, is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. De vordering 9. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor. BESLISSING De kantonrechter: veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij: € 4.258,60 ter zake van achterstallige huur en kosten serviceabonnement, berekend tot en met het einde van de huurovereenkomst (19 november 2025), afrekening servicekosten 2024 en (herstel)kosten eindoplevering met betrekking tot de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,77 aan explootkosten, € 288,00 aan salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4333 text/xml public 2026-05-11T10:45:16 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 12140421 CV EXPL 26-3777 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4333 text/html public 2026-05-07T13:46:15 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4333 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 12140421 CV EXPL 26-3777 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12140421 CV EXPL 26-3777 vonnis van: 30 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e 1. de maatschap [eiser] gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] 2. de besloten vennootschap Plaza Resident Services Nederland B.V. gevestigd en kantoorhoudende te Eindhoven eisende partij gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij procederend in persoon Verloop van de procedure Bij exploot van dagvaarding heeft eisende partij gevorderd zoals in de dagvaarding omschreven. Gedaagde partij heeft hierop gereageerd en heeft de vordering mondeling erkend. Daarna is vonnis bepaald. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert in deze procedure betaling van € 4.258,60, bestaande uit huurachterstand, niet betaalde kosten serviceabonnement, afrekening servicekosten 2024 en (herstel)kosten eindoplevering woning. De vordering is als door gedaagde partij erkend toewijsbaar, behoudens voor het geval hieronder anders is overwogen en beslist. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eiseres mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden), alsook het tussen partijen gesloten serviceabonnement in het geding gebracht. De voorgenoemde overeenkomsten zijn per 19 november 2025 beëindigd. 4. Eisende partij heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat de vordering niet is gebaseerd op een (vermoedelijk) oneerlijk beding in de algemene voorwaarden. 5. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 6. Het betreft niet- geliberaliseerde huur. Het beding dat voor de onderhavige vordering relevant is, te weten artikel 5.1 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de bedingen die zien op afrekening servicekosten en in rekening brengen van (herstel)kosten eindoplevering woning, zoals opgenomen in artikel 17 en 19 van de algemene voorwaarden, zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 7. Ook is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 25.2 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is. 8. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden, zoals hierboven geciteerd, is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. De vordering 9. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor. BESLISSING De kantonrechter: veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij: € 4.258,60 ter zake van achterstallige huur en kosten serviceabonnement, berekend tot en met het einde van de huurovereenkomst (19 november 2025), afrekening servicekosten 2024 en (herstel)kosten eindoplevering met betrekking tot de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,77 aan explootkosten, € 288,00 aan salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.