Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2026:4331
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,364 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4331 text/xml public 2026-05-08T16:21:02 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 785402 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4331 text/html public 2026-05-07T14:07:31 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4331 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 785402 Vordering voortzetting bankrelaties afgewezen. Voorshands is te volgen dat de bank tot de conclusie is gekomen dat zij het klantenonderzoek niet heeft kunnen afronden en dus verplicht is geweest de relatie met eisers te beëindigen. Datzelfde geldt voor de registratie van eisers op de CAAML-lijst. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/785402 / KG ZA 26-232 MdV/KH Vonnis in kort geding van 30 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [woonplaats] , 2. [eiser 2] B.V. , te [vestigingsplaats] , 3. [eiser 3] B.V. , te [vestigingsplaats] , 4. STICHTING [eiser 4] , te [vestigingsplaats] , eisende partijen bij dagvaarding van 31 maart 2026, hierna ieder apart te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] en samen: [eisers] , advocaat: mr. J.M. Wagenaar, tegen ABN AMRO BANK N.V. , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: ABN AMRO of de bank, advocaten: mr. J.R.D. den Hertog en mr. H.S. Mensonides. 1 De procedure 1.1. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 april 2026 heeft [eisers] de dagvaarding toegelicht. De bank heeft, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord, verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en namens [eisers] is een pleitnota voorgedragen. Vonnis is na uitstel bepaald op vandaag. 1.2. Bij de mondelinge behandeling waren, voor zover relevant, aanwezig: namens [eisers] : [eiser 1] met mr. Wagenaar, namens ABN AMRO: [naam 1] (jurist) en [naam 2] (dossierbehandelaar) met mr. Den Hertog. 2 De feiten 2.1. [eiser 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 2] , haar holding. Via haar holding is zij enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 3] en daarnaast is zij bestuurder van [eiser 4] . 2.2. [eisers] bankiert bij ABN AMRO. [eiser 1] heeft de bank verzocht om een bankrekening te openen voor haar minderjarige dochter, maar dat heeft de bank per brief van 6 juni 2025 geweigerd. 2.3. Bij brieven van 22 oktober 2025 heeft ABN AMRO naar aanleiding van door haar verricht klantenonderzoek de bankrelatie met [eisers] (opnieuw) opgezegd per 22 december 2025, op grond van artikel 5 lid 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en artikel 35 van de van toepassing zijnde Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Per (rechts)persoon is beschreven wat daarvoor de reden is. Ook staat in de brieven dat [eisers] op de CAAML-lijst wordt geregistreerd voor een periode van vijf jaar. 2.4. De eerst door [eisers] zelf en vervolgens door haar advocaat gemaakte bezwaren tegen de opzegging van de bankrelaties hebben niet tot een andere conclusie geleid. Uiteindelijk zijn de bankrelaties per 13 februari 2026 beëindigd. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: Primair I. ABN AMRO op straffe van een dwangsom te verbieden om uitvoering te geven aan de opzegging van de relatie met [eisers] , alsmede de CAAML-lijst registraties, in ieder geval totdat hier onherroepelijk duidelijkheid over is in een bodemprocedure, II. ABN AMRO op straffe van een dwangsom te veroordelen om alle bankrekeningen, betaalpassen, creditcards en internet banking (app) van [eisers] in stand te laten, dan wel te herstellen, en uitvoering te geven aan transacties over de rekeningen, alsmede de CAAML-lijst registraties ongedaan te maken, in ieder geval gedurende een bodemprocedure, III. ABN AMRO op straffe van een dwangsom te veroordelen om een bankrekening te openen voor [naam 3] , het minderjarige kind van [eiser 1] , binnen 14 dagen na vonnis, dan wel een redelijke termijn vast te stellen door de rechtbank, Subsidiair IV. ABN AMRO op straffe van een dwangsom te veroordelen om [eisers] (ieder) tenminste te laten beschikken over een (basis)rekening en uitvoering te geven aan zakelijke en privé transacties van [eisers] over die rekening(en), in ieder geval gedurende een bodemprocedure, Primair en subsidiair V. ABN AMRO te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. ABN AMRO voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen. 4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ABN AMRO de bankrelatie met [eisers] niet hoeft voort te zetten en de registratie op de CAAML-lijst in stand kan blijven. Dat wordt hierna toegelicht. 4.3. ABN AMRO baseert de opzegging onder meer op haar wettelijke verplichting tot beëindiging op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: wordt misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar klantenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het klantenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over onder meer zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikel 2 lid 2, 3 en 7 ABV). 4.4. ABN AMRO voert aan dat [eiser 3] en [eiser 4] niet (meer) actief zijn en dat [eiser 2] een losse holding is geworden. De nog wel actieve werkmaatschappijen, [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V., bankieren niet bij ABN AMRO maar bij andere banken. De bank heeft daardoor geen zicht op de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten. Dat zou geen probleem zijn als [eiser 2] zich zou beperken tot echte holdingactiviteiten. Het transactieverkeer op de bankrekening van [eiser 2] wijst er echter op dat er meer gebeurt. Er is op een onoverzichtelijke manier uitgebreid betalingsverkeer tussen [eiser 2] en de werkmaatschappijen, ook met [eiser 3] en [eiser 4] , terwijl die niet (meer) actief zijn. Over de bedrijfsactiviteiten en het transactieverkeer zijn al in augustus 2024 vragen gesteld, waarop niet is gereageerd. In een telefoongesprek in juli 2025 heeft [eiser 1] enkele vragen beantwoord. Daarna is haar in september 2025 nog een laatste kans gegeven om opheldering te geven. Die is niet gekomen. Op de brief van september 2025 is niet gereageerd en [eiser 1] heeft eerder telefonisch onder meer verklaard dat zij regelmatig geld overboekt met haar telefoon zonder dat er onderliggende documentatie is, wat zij later herstelt met een factuur of nabetaling. Voor contante betalingen die zijn gedaan is ook geen goede verklaring gekomen, temeer niet daar deze contante betalingen volgens [eiser 1] voor werkmaatschappij [bedrijf 2] B.V. bestemd zouden zijn geweest maar zijn doorgestort naar [eiser 1] in privé. Al met al ziet de bank een enorme hoeveelheid intra-groep transacties, die niet overeenstemmen met de onderliggende documentatie, waarvoor geen goede verklaring wordt gegeven en die een serieus Wwft-risico opleveren. Er kan immers sprake zijn van betalingen waarvoor geen daadwerkelijke economische grondslag bestaat. 4.5. [eisers] stelt hier voorshands onvoldoende tegenover. Aan haar kan worden toegegeven dat intra-groep transacties op zichzelf niet vreemd zijn. Dat is echter het punt niet.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4331 text/xml public 2026-05-08T16:21:02 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-30 785402 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4331 text/html public 2026-05-07T14:07:31 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4331 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2026 / 785402 Vordering voortzetting bankrelaties afgewezen. Voorshands is te volgen dat de bank tot de conclusie is gekomen dat zij het klantenonderzoek niet heeft kunnen afronden en dus verplicht is geweest de relatie met eisers te beëindigen. Datzelfde geldt voor de registratie van eisers op de CAAML-lijst. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/785402 / KG ZA 26-232 MdV/KH Vonnis in kort geding van 30 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , te [woonplaats] , 2. [eiser 2] B.V. , te [vestigingsplaats] , 3. [eiser 3] B.V. , te [vestigingsplaats] , 4. STICHTING [eiser 4] , te [vestigingsplaats] , eisende partijen bij dagvaarding van 31 maart 2026, hierna ieder apart te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] en samen: [eisers] , advocaat: mr. J.M. Wagenaar, tegen ABN AMRO BANK N.V. , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: ABN AMRO of de bank, advocaten: mr. J.R.D. den Hertog en mr. H.S. Mensonides. 1 De procedure 1.1. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 april 2026 heeft [eisers] de dagvaarding toegelicht. De bank heeft, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord, verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en namens [eisers] is een pleitnota voorgedragen. Vonnis is na uitstel bepaald op vandaag. 1.2. Bij de mondelinge behandeling waren, voor zover relevant, aanwezig: namens [eisers] : [eiser 1] met mr. Wagenaar, namens ABN AMRO: [naam 1] (jurist) en [naam 2] (dossierbehandelaar) met mr. Den Hertog. 2 De feiten 2.1. [eiser 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 2] , haar holding. Via haar holding is zij enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 3] en daarnaast is zij bestuurder van [eiser 4] . 2.2. [eisers] bankiert bij ABN AMRO. [eiser 1] heeft de bank verzocht om een bankrekening te openen voor haar minderjarige dochter, maar dat heeft de bank per brief van 6 juni 2025 geweigerd. 2.3. Bij brieven van 22 oktober 2025 heeft ABN AMRO naar aanleiding van door haar verricht klantenonderzoek de bankrelatie met [eisers] (opnieuw) opgezegd per 22 december 2025, op grond van artikel 5 lid 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en artikel 35 van de van toepassing zijnde Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Per (rechts)persoon is beschreven wat daarvoor de reden is. Ook staat in de brieven dat [eisers] op de CAAML-lijst wordt geregistreerd voor een periode van vijf jaar. 2.4. De eerst door [eisers] zelf en vervolgens door haar advocaat gemaakte bezwaren tegen de opzegging van de bankrelaties hebben niet tot een andere conclusie geleid. Uiteindelijk zijn de bankrelaties per 13 februari 2026 beëindigd. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: Primair I. ABN AMRO op straffe van een dwangsom te verbieden om uitvoering te geven aan de opzegging van de relatie met [eisers] , alsmede de CAAML-lijst registraties, in ieder geval totdat hier onherroepelijk duidelijkheid over is in een bodemprocedure, II. ABN AMRO op straffe van een dwangsom te veroordelen om alle bankrekeningen, betaalpassen, creditcards en internet banking (app) van [eisers] in stand te laten, dan wel te herstellen, en uitvoering te geven aan transacties over de rekeningen, alsmede de CAAML-lijst registraties ongedaan te maken, in ieder geval gedurende een bodemprocedure, III. ABN AMRO op straffe van een dwangsom te veroordelen om een bankrekening te openen voor [naam 3] , het minderjarige kind van [eiser 1] , binnen 14 dagen na vonnis, dan wel een redelijke termijn vast te stellen door de rechtbank, Subsidiair IV. ABN AMRO op straffe van een dwangsom te veroordelen om [eisers] (ieder) tenminste te laten beschikken over een (basis)rekening en uitvoering te geven aan zakelijke en privé transacties van [eisers] over die rekening(en), in ieder geval gedurende een bodemprocedure, Primair en subsidiair V. ABN AMRO te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. ABN AMRO voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen. 4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ABN AMRO de bankrelatie met [eisers] niet hoeft voort te zetten en de registratie op de CAAML-lijst in stand kan blijven. Dat wordt hierna toegelicht. 4.3. ABN AMRO baseert de opzegging onder meer op haar wettelijke verplichting tot beëindiging op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: wordt misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar klantenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het klantenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over onder meer zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikel 2 lid 2, 3 en 7 ABV). 4.4. ABN AMRO voert aan dat [eiser 3] en [eiser 4] niet (meer) actief zijn en dat [eiser 2] een losse holding is geworden. De nog wel actieve werkmaatschappijen, [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V., bankieren niet bij ABN AMRO maar bij andere banken. De bank heeft daardoor geen zicht op de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten. Dat zou geen probleem zijn als [eiser 2] zich zou beperken tot echte holdingactiviteiten. Het transactieverkeer op de bankrekening van [eiser 2] wijst er echter op dat er meer gebeurt. Er is op een onoverzichtelijke manier uitgebreid betalingsverkeer tussen [eiser 2] en de werkmaatschappijen, ook met [eiser 3] en [eiser 4] , terwijl die niet (meer) actief zijn. Over de bedrijfsactiviteiten en het transactieverkeer zijn al in augustus 2024 vragen gesteld, waarop niet is gereageerd. In een telefoongesprek in juli 2025 heeft [eiser 1] enkele vragen beantwoord. Daarna is haar in september 2025 nog een laatste kans gegeven om opheldering te geven. Die is niet gekomen. Op de brief van september 2025 is niet gereageerd en [eiser 1] heeft eerder telefonisch onder meer verklaard dat zij regelmatig geld overboekt met haar telefoon zonder dat er onderliggende documentatie is, wat zij later herstelt met een factuur of nabetaling. Voor contante betalingen die zijn gedaan is ook geen goede verklaring gekomen, temeer niet daar deze contante betalingen volgens [eiser 1] voor werkmaatschappij [bedrijf 2] B.V. bestemd zouden zijn geweest maar zijn doorgestort naar [eiser 1] in privé. Al met al ziet de bank een enorme hoeveelheid intra-groep transacties, die niet overeenstemmen met de onderliggende documentatie, waarvoor geen goede verklaring wordt gegeven en die een serieus Wwft-risico opleveren. Er kan immers sprake zijn van betalingen waarvoor geen daadwerkelijke economische grondslag bestaat. 4.5. [eisers] stelt hier voorshands onvoldoende tegenover. Aan haar kan worden toegegeven dat intra-groep transacties op zichzelf niet vreemd zijn. Dat is echter het punt niet.
Volledig
De bank heeft gesignaleerd dat er voor de vele intra-groep transacties in dit geval geen corresponderende onderliggende documentatie bestaat. Dat die er wel zou zijn – en mogelijk is opgenomen in de honderden bijlagen bij de brief van 14 februari 2026 van de advocaat van [eisers] – is niet vast te stellen. Voor zover dat zo zou zijn, had bovendien van [eisers] mogen worden verwacht dat zij die direct in 2024, toen de bank vragen stelde, of anders uiterlijk naar aanleiding van de brief van de bank van september 2025, naar voren had gebracht. Dat heeft zij niet gedaan. Ook in deze kort geding-procedure zijn afdoende verklaringen voor de twijfels en signaleringen van de bank niet gegeven (voor zover dat [eisers] nog had kunnen baten). 4.6. Bij deze stand van zaken is voorshands te volgen dat de bank tot de conclusie is gekomen dat zij het klantenonderzoek niet heeft kunnen afronden en dus verplicht is geweest de relatie met [eisers] te beëindigen. Evenzeer is te volgen dat [eisers] dientengevolge is geplaatst op de CAAML-lijst. Voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat ABN AMRO op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht was de bankrelatie te beëindigen. Dat betekent dat beoordeling van de vraag of het gebruikmaken door ABN AMRO van haar opzeggingsbevoegdheid op grond van artikel 35 ABV (waarop de opzegging van de bankrelaties met [eisers] mede gebaseerd is) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, niet meer aan de orde is. Verder is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de opname van [eisers] op de CAAML-lijst, die puur voor intern gebruik door ABN AMRO is, in stand zal laten. 4.7. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Als de bank het klantenonderzoek niet kan afronden, is zij verplicht de relatie met de klant te beëindigen. Dat laat op zich al weinig ruimte voor een belangenafweging die in het voordeel van de klant uitvalt. Daarbij komt dat [eiser 3] en [eiser 4] niet (meer) actief zijn zodat zij geen belang hebben bij toewijzing van de vorderingen. Dat zij niet meer actief zijn heeft [eiser 1] tenminste in een eerder stadium aan de bank verklaard; ter zitting zei zij dat [eiser 3] nog actief zou moeten worden en een paar klanten heeft die daar al sinds 2020 op wachten en dat [eiser 4] nog doende is kredieten en belastingverplichtingen af te wikkelen – uitlatingen die overigens niet voor meer, maar eerder voor minder duidelijkheid zorgen. . De andere werkmaatschappijen van [eiser 2] beschikken over bankrekeningen elders. Dat geldt ook voor [eiser 1] zelf, zodat zij niet in aanmerking hoeft te komen voor een basisrekening, zoals subsidiair gevorderd. Al met al kan er niet van worden uitgegaan dat [eisers] door het niet meer hebben van een rekening bij ABN AMRO (wat ook al sinds medio februari 2026 het geval is) zodanig in problemen komt dat haar belangen zwaarder moeten wegen dan dat van de bank om afscheid van haar te nemen. 4.8. Het voorgaande betekent dat vorderingen I, II en IV niet toewijsbaar zijn. 4.9. Vordering III is ingesteld ten behoeve van de minderjarige dochter van [eiser 1] . De bank heeft terecht aangevoerd dat [eiser 1] deze vordering niet op haar eigen naam kan instellen en dat niet voldaan is aan de formele vereisten voor het instellen van een vordering door een ouder namens een minderjarig kind. Hiermee strandt ook vordering III. 4.10. Nu alle vorderingen worden afgewezen, is [eisers] in het ongelijk gesteld en moet zij daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN AMRO worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 4.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald 5.4. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
Volledig
De bank heeft gesignaleerd dat er voor de vele intra-groep transacties in dit geval geen corresponderende onderliggende documentatie bestaat. Dat die er wel zou zijn – en mogelijk is opgenomen in de honderden bijlagen bij de brief van 14 februari 2026 van de advocaat van [eisers] – is niet vast te stellen. Voor zover dat zo zou zijn, had bovendien van [eisers] mogen worden verwacht dat zij die direct in 2024, toen de bank vragen stelde, of anders uiterlijk naar aanleiding van de brief van de bank van september 2025, naar voren had gebracht. Dat heeft zij niet gedaan. Ook in deze kort geding-procedure zijn afdoende verklaringen voor de twijfels en signaleringen van de bank niet gegeven (voor zover dat [eisers] nog had kunnen baten). 4.6. Bij deze stand van zaken is voorshands te volgen dat de bank tot de conclusie is gekomen dat zij het klantenonderzoek niet heeft kunnen afronden en dus verplicht is geweest de relatie met [eisers] te beëindigen. Evenzeer is te volgen dat [eisers] dientengevolge is geplaatst op de CAAML-lijst. Voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat ABN AMRO op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht was de bankrelatie te beëindigen. Dat betekent dat beoordeling van de vraag of het gebruikmaken door ABN AMRO van haar opzeggingsbevoegdheid op grond van artikel 35 ABV (waarop de opzegging van de bankrelaties met [eisers] mede gebaseerd is) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, niet meer aan de orde is. Verder is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de opname van [eisers] op de CAAML-lijst, die puur voor intern gebruik door ABN AMRO is, in stand zal laten. 4.7. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Als de bank het klantenonderzoek niet kan afronden, is zij verplicht de relatie met de klant te beëindigen. Dat laat op zich al weinig ruimte voor een belangenafweging die in het voordeel van de klant uitvalt. Daarbij komt dat [eiser 3] en [eiser 4] niet (meer) actief zijn zodat zij geen belang hebben bij toewijzing van de vorderingen. Dat zij niet meer actief zijn heeft [eiser 1] tenminste in een eerder stadium aan de bank verklaard; ter zitting zei zij dat [eiser 3] nog actief zou moeten worden en een paar klanten heeft die daar al sinds 2020 op wachten en dat [eiser 4] nog doende is kredieten en belastingverplichtingen af te wikkelen – uitlatingen die overigens niet voor meer, maar eerder voor minder duidelijkheid zorgen. . De andere werkmaatschappijen van [eiser 2] beschikken over bankrekeningen elders. Dat geldt ook voor [eiser 1] zelf, zodat zij niet in aanmerking hoeft te komen voor een basisrekening, zoals subsidiair gevorderd. Al met al kan er niet van worden uitgegaan dat [eisers] door het niet meer hebben van een rekening bij ABN AMRO (wat ook al sinds medio februari 2026 het geval is) zodanig in problemen komt dat haar belangen zwaarder moeten wegen dan dat van de bank om afscheid van haar te nemen. 4.8. Het voorgaande betekent dat vorderingen I, II en IV niet toewijsbaar zijn. 4.9. Vordering III is ingesteld ten behoeve van de minderjarige dochter van [eiser 1] . De bank heeft terecht aangevoerd dat [eiser 1] deze vordering niet op haar eigen naam kan instellen en dat niet voldaan is aan de formele vereisten voor het instellen van een vordering door een ouder namens een minderjarig kind. Hiermee strandt ook vordering III. 4.10. Nu alle vorderingen worden afgewezen, is [eisers] in het ongelijk gesteld en moet zij daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN AMRO worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 4.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald 5.4. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.