Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-02
ECLI:NL:RBAMS:2026:4328
Civiel recht
Bodemzaak
3,835 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4328 text/xml public 2026-05-07T14:10:20 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-02 12116050 CV EXPL 26-2638 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4328 text/html public 2026-05-07T13:25:15 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4328 Rechtbank Amsterdam , 02-04-2026 / 12116050 CV EXPL 26-2638 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12116050 CV EXPL 26-2638 vonnis van: 2 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de stichting Stichting Administratiekantoor Rapco gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam eisende partij gemachtigde: mr. M. van der Heijde (TienG Gerechtsdeurwaarders) t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde Partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen haar vertegenwoordiger (Rappange Administratie B.V.) en gedaagde partij gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte aan het adres [adres] te ( [postcode] ) te [plaats] en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. 5. Eisende partij heeft in de dagvaarding het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93/13 EG. 6. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding (artikel 4.5) in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 7. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5.2 (huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de artikelen 16 (huurprijswijziging) en 17.13 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 8. Opgemerkt wordt dat het artikel 5.3 van de huurovereenkomst in dit geval niet door de kantonrechter wordt getoetst. Dit artikel geeft de verhuurder de bevoegdheid om herziening van de huurprijs voor te stellen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen van de markthuurprijs. Een dergelijke huurprijsherziening kan voor het eerst plaatsvinden wanneer tenminste vijf huurjaren zijn verstreken. In dit geval is de huurovereenkomst tussen partijen ingegaan per 15 augustus 2021. Een huurprijsaanpassing in voornoemde zin heeft zich dus nog niet kunnen voordoen. Er is dus geen aanwijzing dat de vordering (deels) op dit beding gegrond is. 9. Tot slot is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 25.2 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is. 10. Het hiervoor geciteerde beding over buitengerechtelijke incassokosten (artikel 25.2 van de algemene voorwaarden) is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. 11. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden is ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. 12. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 9 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De vordering 13. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit voeren en de ontruimingstermijn is overwogen. 14. Eisende partij heeft een machtiging gevorderd om zelf de ontruiming te bewerkstelligen. Dit is onverenigbaar met artikel 556 lid 1 Rv, dat voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door de deurwaarder. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging voor het inroepen van de hulp van de sterke arm. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. De door eisende partij gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal dan ook worden afgewezen. 15. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan het adres [adres] te ( [postcode] ) te [plaats] ; veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4328 text/xml public 2026-05-07T14:10:20 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-02 12116050 CV EXPL 26-2638 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4328 text/html public 2026-05-07T13:25:15 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4328 Rechtbank Amsterdam , 02-04-2026 / 12116050 CV EXPL 26-2638 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12116050 CV EXPL 26-2638 vonnis van: 2 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de stichting Stichting Administratiekantoor Rapco gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam eisende partij gemachtigde: mr. M. van der Heijde (TienG Gerechtsdeurwaarders) t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde Partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen haar vertegenwoordiger (Rappange Administratie B.V.) en gedaagde partij gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte aan het adres [adres] te ( [postcode] ) te [plaats] en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. 5. Eisende partij heeft in de dagvaarding het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van Richtlijn 93/13 EG. 6. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding (artikel 4.5) in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 7. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5.2 (huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de artikelen 16 (huurprijswijziging) en 17.13 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 8. Opgemerkt wordt dat het artikel 5.3 van de huurovereenkomst in dit geval niet door de kantonrechter wordt getoetst. Dit artikel geeft de verhuurder de bevoegdheid om herziening van de huurprijs voor te stellen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen van de markthuurprijs. Een dergelijke huurprijsherziening kan voor het eerst plaatsvinden wanneer tenminste vijf huurjaren zijn verstreken. In dit geval is de huurovereenkomst tussen partijen ingegaan per 15 augustus 2021. Een huurprijsaanpassing in voornoemde zin heeft zich dus nog niet kunnen voordoen. Er is dus geen aanwijzing dat de vordering (deels) op dit beding gegrond is. 9. Tot slot is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 25.2 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is. 10. Het hiervoor geciteerde beding over buitengerechtelijke incassokosten (artikel 25.2 van de algemene voorwaarden) is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. 11. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden is ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. 12. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 9 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De vordering 13. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit voeren en de ontruimingstermijn is overwogen. 14. Eisende partij heeft een machtiging gevorderd om zelf de ontruiming te bewerkstelligen. Dit is onverenigbaar met artikel 556 lid 1 Rv, dat voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door de deurwaarder. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging voor het inroepen van de hulp van de sterke arm. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. De door eisende partij gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal dan ook worden afgewezen. 15. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan het adres [adres] te ( [postcode] ) te [plaats] ; veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo.