Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-24
ECLI:NL:RBAMS:2026:4327
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,235 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4327 text/xml public 2026-05-07T16:11:45 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-24 12057965 CV EXPL 26-693 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4327 text/html public 2026-05-07T10:21:26 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4327 Rechtbank Amsterdam , 24-04-2026 / 12057965 CV EXPL 26-693 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12057965 CV EXPL 26-693 vonnis van: 24 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vivet Management XXIII B.V. gevestigd te Arnhem eisende partij gemachtigde: mr. F.C. Borst t e g e n [gedaagde] zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen Nederland of daarbuiten gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Bij vonnis in kort geding van 25 juni 2025 (KK 25-320) is de ontruiming van het gehuurde toegewezen en vervolgens door deurwaarder op 8 juli 2025 ten uitvoer gelegd. De kosten van de voorgenoemde ontruiming bedroegen € 1.267,48. 2. Eisende partij vordert thans ontbinding van de huurovereenkomst, ontruimingskosten en betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] alsmede de parkeerplaats in de ondergelegen parkeergarage met nummer [nummer] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 30 juli 2003 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. 5. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding (artikel 4.4 van de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 6. Het betreft geliberaliseerde huur. Het beding dat voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant is, te weten artikel 10 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst is door de kantonrechter getoetst en wordt niet oneerlijk bevonden. 7. Ook is artikel 20.3 van de algemene voorwaarden getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 20. In verzuim zijn/boetebeding (…) 20.3 Indien een van partijen toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van enige verplichting welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op haar rust en de andere partij daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij. 8. Artikel 20.3 van de algemene voorwaarden, zoals hiervoor is geciteerd, is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. De vordering 9. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen, behalve voor zover hierna niet anders is overwogen. 10. Eisende partij heeft betaling van huurachterstand gevorderd tot en met het moment waarop de huurovereenkomst is ontbonden. Gedaagde partij is echter op 8 juli 2025 uit de woning ontruimd. Omdat eisende partij vanaf dat moment het huurgenot niet meer aan gedaagde partij heeft verschaft, is gedaagde partij ook niet gehouden tot betaling van de huur. De vordering tot betaling van huurachterstand wordt daarom toegewezen tot en met 8 juli 2025. Dit betekent dat een bedrag van 23/31e van € 1.331,56 = € 987,93 op de gevorderde huurachterstand van € 20.301,40, berekend tot en met 31 juli 2025, in mindering strekt, waarmee deze is herberekend tot en met 8 juli 2025. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak de woning gelegen aan het adres [adres] alsmede de parkeerplaats in de ondergelegen parkeergarage met nummer [nummer]; veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij: € 19.313,47 ter zake van achterstallige huur over de periode 1 juni 2024 tot en met 8 juli 2025, inclusief de afrekening servicekosten over 2023 en voorschotten servicekosten over de periode 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2025; € 1.267,48 ter zake van ontruimingskosten; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 159,94 aan explootkosten, € 577,00 aan salaris gemachtigde, € 1.504,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4327 text/xml public 2026-05-07T16:11:45 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-24 12057965 CV EXPL 26-693 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4327 text/html public 2026-05-07T10:21:26 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4327 Rechtbank Amsterdam , 24-04-2026 / 12057965 CV EXPL 26-693 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12057965 CV EXPL 26-693 vonnis van: 24 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vivet Management XXIII B.V. gevestigd te Arnhem eisende partij gemachtigde: mr. F.C. Borst t e g e n [gedaagde] zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen Nederland of daarbuiten gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Bij vonnis in kort geding van 25 juni 2025 (KK 25-320) is de ontruiming van het gehuurde toegewezen en vervolgens door deurwaarder op 8 juli 2025 ten uitvoer gelegd. De kosten van de voorgenoemde ontruiming bedroegen € 1.267,48. 2. Eisende partij vordert thans ontbinding van de huurovereenkomst, ontruimingskosten en betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] alsmede de parkeerplaats in de ondergelegen parkeergarage met nummer [nummer] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 30 juli 2003 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. 5. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding (artikel 4.4 van de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 6. Het betreft geliberaliseerde huur. Het beding dat voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant is, te weten artikel 10 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst is door de kantonrechter getoetst en wordt niet oneerlijk bevonden. 7. Ook is artikel 20.3 van de algemene voorwaarden getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 20. In verzuim zijn/boetebeding (…) 20.3 Indien een van partijen toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van enige verplichting welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op haar rust en de andere partij daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij. 8. Artikel 20.3 van de algemene voorwaarden, zoals hiervoor is geciteerd, is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. De vordering 9. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen, behalve voor zover hierna niet anders is overwogen. 10. Eisende partij heeft betaling van huurachterstand gevorderd tot en met het moment waarop de huurovereenkomst is ontbonden. Gedaagde partij is echter op 8 juli 2025 uit de woning ontruimd. Omdat eisende partij vanaf dat moment het huurgenot niet meer aan gedaagde partij heeft verschaft, is gedaagde partij ook niet gehouden tot betaling van de huur. De vordering tot betaling van huurachterstand wordt daarom toegewezen tot en met 8 juli 2025. Dit betekent dat een bedrag van 23/31e van € 1.331,56 = € 987,93 op de gevorderde huurachterstand van € 20.301,40, berekend tot en met 31 juli 2025, in mindering strekt, waarmee deze is herberekend tot en met 8 juli 2025. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak de woning gelegen aan het adres [adres] alsmede de parkeerplaats in de ondergelegen parkeergarage met nummer [nummer]; veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij: € 19.313,47 ter zake van achterstallige huur over de periode 1 juni 2024 tot en met 8 juli 2025, inclusief de afrekening servicekosten over 2023 en voorschotten servicekosten over de periode 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2025; € 1.267,48 ter zake van ontruimingskosten; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 159,94 aan explootkosten, € 577,00 aan salaris gemachtigde, € 1.504,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.