Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-02
ECLI:NL:RBAMS:2026:4326
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,919 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4326 text/xml public 2026-05-12T08:55:37 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-02 12053161 CV EXPL 26-529 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4326 text/html public 2026-05-11T14:52:29 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4326 Rechtbank Amsterdam , 02-04-2026 / 12053161 CV EXPL 26-529 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12053161 CV EXPL 26-529 vonnis van: 2 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap [eiser] B.V. gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] eisende partij gemachtigde: [gemachtigde] t e g e n de besloten vennootschap De Keijzer Bewindvoering B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde] , nader ook te noemen: de bewindvoerder. kantoorhoudende in de gemeente Vijfheerenlanden gedaagde partij procederend in persoon Verloop van de procedure - dagvaarding van 6 januari 2026. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij geen conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. Gronden van de beslissing Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 1. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij in de dagvaarding voldoende heeft gesteld en toegelicht dat zij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 3. Eisende partij heeft de tussen haar en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. 4. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 5. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5.1 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de artikelen 16 (Huurprijswijziging) en 17.13 (Wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijke bevonden. 6. Tot slot is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 25.2 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is. 7. Eisende partij heeft in de dagvaarding kort gezegd het standpunt ingenomen dat artikel 25.2 slechts van toepassing is ‘voor zover’ de WIK en het BIK niet van toepassing zijn. Artikel 25.2 beoogt, aldus eisende partij, geen afwijking op de wet te zijn, maar slechts een aanvulling. 8. Daaromtrent overweegt de kantonrechter als volgt. Eisende partij stelt terecht dat in artikel 25.2 algemene bepalingen wordt verwezen naar wettelijke regels (het Besluit), maar dat neemt niet weg dat gedaagde als consument in beginsel verplicht is om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door eisende partij gemaakte kosten te voldoen. De lezing van artikel 25.2 die eiseres voorstaat, die inhoudt dat artikel 25.2 alleen van toepassing is als de wet niet van toepassing is en zodoende alleen een aanvulling op de wet vormt, volgt onvoldoende duidelijk uit de tekst van artikel 25.2. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk en zal buiten toepassing worden gelaten. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. 9. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden is daarnaast ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. De vordering 10. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de rente nog is overwogen. 11. De gevorderde rente over rente (al dan niet opgenomen in de opgegeven hoofdsom) wordt afgewezen nu ter zake onvoldoende is gesteld. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen [gedaagde] en eisende partij bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de zelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres] ; veroordeelt de bewindvoerder om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde] bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt de bewindvoerder om tegen bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen: a) € 24.199,67 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 december 2025, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf 31 december 2025 tot de voldoening; b) € 284,34 ter zake van wettelijke rente, berekend tot en met 30 december 2025; c) € 1.235,52 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden; veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 127,08 aan explootkosten, € 543,00 aan salaris gemachtigde, € 1.504,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4326 text/xml public 2026-05-12T08:55:37 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-02 12053161 CV EXPL 26-529 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4326 text/html public 2026-05-11T14:52:29 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4326 Rechtbank Amsterdam , 02-04-2026 / 12053161 CV EXPL 26-529 Huurzaak. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12053161 CV EXPL 26-529 vonnis van: 2 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap [eiser] B.V. gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] eisende partij gemachtigde: [gemachtigde] t e g e n de besloten vennootschap De Keijzer Bewindvoering B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde] , nader ook te noemen: de bewindvoerder. kantoorhoudende in de gemeente Vijfheerenlanden gedaagde partij procederend in persoon Verloop van de procedure - dagvaarding van 6 januari 2026. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij geen conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. Gronden van de beslissing Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 1. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij in de dagvaarding voldoende heeft gesteld en toegelicht dat zij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 3. Eisende partij heeft de tussen haar en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. 4. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 5. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5.1 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de artikelen 16 (Huurprijswijziging) en 17.13 (Wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijke bevonden. 6. Tot slot is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 25.2 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is. 7. Eisende partij heeft in de dagvaarding kort gezegd het standpunt ingenomen dat artikel 25.2 slechts van toepassing is ‘voor zover’ de WIK en het BIK niet van toepassing zijn. Artikel 25.2 beoogt, aldus eisende partij, geen afwijking op de wet te zijn, maar slechts een aanvulling. 8. Daaromtrent overweegt de kantonrechter als volgt. Eisende partij stelt terecht dat in artikel 25.2 algemene bepalingen wordt verwezen naar wettelijke regels (het Besluit), maar dat neemt niet weg dat gedaagde als consument in beginsel verplicht is om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door eisende partij gemaakte kosten te voldoen. De lezing van artikel 25.2 die eiseres voorstaat, die inhoudt dat artikel 25.2 alleen van toepassing is als de wet niet van toepassing is en zodoende alleen een aanvulling op de wet vormt, volgt onvoldoende duidelijk uit de tekst van artikel 25.2. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk en zal buiten toepassing worden gelaten. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. 9. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden is daarnaast ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen. De vordering 10. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de rente nog is overwogen. 11. De gevorderde rente over rente (al dan niet opgenomen in de opgegeven hoofdsom) wordt afgewezen nu ter zake onvoldoende is gesteld. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen [gedaagde] en eisende partij bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de zelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres] ; veroordeelt de bewindvoerder om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde] bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt de bewindvoerder om tegen bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen: a) € 24.199,67 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 december 2025, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf 31 december 2025 tot de voldoening; b) € 284,34 ter zake van wettelijke rente, berekend tot en met 30 december 2025; c) € 1.235,52 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden; veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 127,08 aan explootkosten, € 543,00 aan salaris gemachtigde, € 1.504,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.