Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-01-22
ECLI:NL:RBAMS:2026:4232
Civiel recht; Arbeidsrecht
Bodemzaak
16,300 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4232 text/xml public 2026-05-06T14:23:20 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-22 11619434 CV EXPL 25-5085 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4232 text/html public 2026-05-06T14:21:53 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4232 Rechtbank Amsterdam , 22-01-2026 / 11619434 CV EXPL 25-5085 Werkgever niet aansprakelijk voor door werknemer gestelde burn out. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11619434 \ CV EXPL 25-5085 Vonnis van 22 januari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigden: mr. S. Prekpalaj en mr. E. van Es, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SHELL GLOBAL SOLUTIONS INTERNATIONAL B.V. , gevestigd te Den Haag, gedaagde partij, hierna te noemen: Shell, gemachtigde: mr. B. Filippo. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties van 11 maart 2025; - de conclusie van antwoord met producties van Shell; - het tussenvonnis van 7 augustus 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte overlegging producties tevens houdende vermeerdering van eis van [eiser] ; - de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 4 november 2025. [eiser] is verschenen en werd bijgestaan door mr. Van Es. Namens Shell zijn verschenen [naam oud-leidinggevende] (via een online videoverbinding), voormalig leidinggevende van [eiser] , [naam 2] , general manager Rocks and Fluids, [naam 3] , teamleider, [naam 4] , HR medewerker, en [naam 5] , legal counsel, bijgestaan door mr. Filippo. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten mede aan de hand van spreekaantekeningen nader toegelicht. Daarna is vonnis bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. [eiser] is sinds 1 januari 2008 in dienst bij Shell. Na een reorganisatie is hij per 1 februari 2019 gestart op de afdeling Geochemistry Experimentation in de functie van Associate Researcher voor 40 uur per week. In die functie maakte [eiser] olie gerelateerde analyses in het laboratorium en schreef hij rapporten. 2.2. [naam supervisor] was de supervisor in het laboratorium waar [eiser] zijn werkzaamheden verrichtte. 2.3. In een beleidsdocument van Shell over het beoordelen van werknemers staat het volgende: “ If an employee is absent from work for a part of the performance year, for example due to (…) illness, the performance assessment should be based on observed performance and behaviours during the time worked, where possible. If the absence period is so long or such in nature that a sensible judgement on performance during the year cannot be made a performance rating of “Strong” should be assigned. Please contact HR Advice if you believe a different rating is warranted of no rating is required. ” 2.4. Op 5 juli 2019 is geconstateerd dat [eiser] Fuchse endotheeldystrophie (hoornvliesaandoening) aan beide ogen heeft. 2.5. [eiser] heeft op 23 juni 2020 een Mid Year Review (MYR)-gesprek gehad, dat overwegend positief was. 2.6. Op 7 augustus 2020 is [eiser] slachtoffer geworden van een brandincident in huiselijke sfeer als gevolg waarvan hij twee weken in het ziekenhuis is opgenomen. 2.7. Op verzoek van zijn teamleider heeft [eiser] omstreeks 10 november 2020 bij zijn collega’s om een zogenaamde Hogan 360 graden feedback gevraagd. Vijftien collega’s hebben [eiser] van feedback voorzien. [eiser] scoorde een 4.2 – de gemiddelde score binnen Shell – op een schaal van 7. 2.8. [eiser] heeft zich eind 2020 gewend tot een vertrouwenspersoon van Shell. 2.9. Het functioneren van [eiser] over het jaar 2020 is met een ‘lower’-score beoordeeld. Een lower beoordeling zorgt voor een minder hogere bonus en een minder hogere salarisstijging dan een ‘strong’ beoordeling. 2.10. In april en mei 2021 zijn er gesprekken geweest tussen [eiser] , zijn leidinggevende, en een general manager, waarbij ook de vertrouwenspersoon en een medewerker van HR aanwezig waren. Daarin is het onder meer gegaan over hoe de communicatie tussen [eiser] en [naam supervisor] kon worden verbeterd en welke werkzaamheden van [eiser] worden verwacht. 2.11. Naar aanleiding van het verzoek van zijn leidinggevende om een overleg op te zetten, heeft [eiser] bij e-mail van 26 april 2021 het volgende geschreven aan zijn leidinggevende: “ Ik vraag mij af of ik de aangewezen persoon moet zijn dit te organiseren. Had jij als Teamlead al niet direct een gesprek met [naam supervisor] en mij moeten aan gaan na de eerste woorden wisselingen? Heb ik niet al eens eerder gevraag een gesprek te hebben met zijn drieen? Laten we eerst samen bespreken wat er ter discussie staat wat we er aan gaan doen en welke regels we gaan hanteren. Het moet geen gesprek van mijn woorden tegen die van een ander. Jij bent meerder keren getuige geweest over de toon en mate hoe er gesproken is. Heb jouw uitspraak, mening daar nooit over gehoord. Laten we over deze te bespreken zaken een gemeenschappelijk standpunt opstellen. Wil dit net als jou zo gauw mogelijk de wereld uit helpen, dat gaat alleen maar als iedereen daar aan wil meewerken. ”. 2.12. Op 28 juni 2021 is [eiser] wegens ziekte gedeeltelijk uitgevallen. Op 30 augustus 2021 is [eiser] volledig uitgevallen. Op 30 augustus en 21 september 2021 heeft hij een staaroperatie ondergaan. 2.13. In oktober 2021 is [eiser] gestart met re-integreren in aangepaste werkzaamheden voor een beperkt aantal uren. 2.14. Op 19 januari 2022 heeft [eiser] een DMEK-operatie (hoornvliestransplantatie) ondergaan. 2.15. Op 10 februari 2022 wordt het functioneren van [eiser] over het eerste half jaar van 2021 met een ‘lower’ beoordeeld (hierna ook: lower rating). [eiser] heeft daartegen geprotesteerd. 2.16. Op 14 februari 2022 heeft [eiser] bij de voorzitter van de interne klachtencommissie een klacht ingediend over de lower rating. Bij e-mail van 15 februari 2022 heeft [eiser] aan de voorzitter geschreven dat hij wordt gekleineerd, zijn e-mails veelvuldig aan de hele groep worden bekritiseerd en het verbaal nog erger is tijdens vergaderingen. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de voorzitter aan [eiser] geschreven dat zijn klacht specifieker moet zijn, hij moet benoemen tegen wie de klacht zich richt en een officiële klacht met datum en handtekening moet worden ingediend. Verder staat in die e-mail dat de lower rating is toegestaan. 2.17. Bij brief van 4 maart 2022 van zijn gemachtigde aan Shell heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de lower rating en zich op het standpunt gesteld dat gelet op zijn arbeidsongeschiktheid een beoordeling met de kwalificatie ‘strong’ geïndiceerd is. Verder staat in die brief dat [eiser] onheus wordt bejegend door zijn leidinggevenden en collega’s, hij openlijk aan de schandpaal wordt genageld door zijn teamleider en hij dit als kleinerend en als pestgedrag heeft ervaren. Shell wordt verzocht de beoordeling te herzien en [eiser] alsnog met ‘strong’ te beoordelen. Ten aanzien van het onheus bejegenen wordt het recht voorbehouden om Shell in een later stadium daarvoor aansprakelijk te houden. 2.18. Op 9 maart 2022 heeft [eiser] opnieuw een DMEK-operatie ondergaan. 2.19. Bij brief van 15 maart 2022 heeft Shell aan de gemachtigde van [eiser] geschreven dat de lower rating niet zal worden aangepast. Shell schrijft dat zij een redelijke beoordeling van het functioneren van [eiser] heeft kunnen doen, omdat hij van 1 januari tot 28 juni 2021 zijn werkzaamheden op reguliere wijze heeft verricht. Verder staat in die brief dat Shell zich niet herkent in het beeld dat [eiser] schetst en zij voor het eerst hoort dat hij een en ander heeft ervaren als kleineren en pestgedrag. Volgens Shell is een en ander onlosmakelijk verbonden met het verschil van inzicht dat de afgelopen tijd is ontstaan over het functioneren van [eiser] . 2.20. Op 19 april 2022 is er een gesprek geweest tussen Shell en [eiser] .
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4232 text/xml public 2026-05-06T14:23:20 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-22 11619434 CV EXPL 25-5085 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4232 text/html public 2026-05-06T14:21:53 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4232 Rechtbank Amsterdam , 22-01-2026 / 11619434 CV EXPL 25-5085 Werkgever niet aansprakelijk voor door werknemer gestelde burn out. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11619434 \ CV EXPL 25-5085 Vonnis van 22 januari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigden: mr. S. Prekpalaj en mr. E. van Es, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SHELL GLOBAL SOLUTIONS INTERNATIONAL B.V. , gevestigd te Den Haag, gedaagde partij, hierna te noemen: Shell, gemachtigde: mr. B. Filippo. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties van 11 maart 2025; - de conclusie van antwoord met producties van Shell; - het tussenvonnis van 7 augustus 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte overlegging producties tevens houdende vermeerdering van eis van [eiser] ; - de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 4 november 2025. [eiser] is verschenen en werd bijgestaan door mr. Van Es. Namens Shell zijn verschenen [naam oud-leidinggevende] (via een online videoverbinding), voormalig leidinggevende van [eiser] , [naam 2] , general manager Rocks and Fluids, [naam 3] , teamleider, [naam 4] , HR medewerker, en [naam 5] , legal counsel, bijgestaan door mr. Filippo. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten mede aan de hand van spreekaantekeningen nader toegelicht. Daarna is vonnis bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. [eiser] is sinds 1 januari 2008 in dienst bij Shell. Na een reorganisatie is hij per 1 februari 2019 gestart op de afdeling Geochemistry Experimentation in de functie van Associate Researcher voor 40 uur per week. In die functie maakte [eiser] olie gerelateerde analyses in het laboratorium en schreef hij rapporten. 2.2. [naam supervisor] was de supervisor in het laboratorium waar [eiser] zijn werkzaamheden verrichtte. 2.3. In een beleidsdocument van Shell over het beoordelen van werknemers staat het volgende: “ If an employee is absent from work for a part of the performance year, for example due to (…) illness, the performance assessment should be based on observed performance and behaviours during the time worked, where possible. If the absence period is so long or such in nature that a sensible judgement on performance during the year cannot be made a performance rating of “Strong” should be assigned. Please contact HR Advice if you believe a different rating is warranted of no rating is required. ” 2.4. Op 5 juli 2019 is geconstateerd dat [eiser] Fuchse endotheeldystrophie (hoornvliesaandoening) aan beide ogen heeft. 2.5. [eiser] heeft op 23 juni 2020 een Mid Year Review (MYR)-gesprek gehad, dat overwegend positief was. 2.6. Op 7 augustus 2020 is [eiser] slachtoffer geworden van een brandincident in huiselijke sfeer als gevolg waarvan hij twee weken in het ziekenhuis is opgenomen. 2.7. Op verzoek van zijn teamleider heeft [eiser] omstreeks 10 november 2020 bij zijn collega’s om een zogenaamde Hogan 360 graden feedback gevraagd. Vijftien collega’s hebben [eiser] van feedback voorzien. [eiser] scoorde een 4.2 – de gemiddelde score binnen Shell – op een schaal van 7. 2.8. [eiser] heeft zich eind 2020 gewend tot een vertrouwenspersoon van Shell. 2.9. Het functioneren van [eiser] over het jaar 2020 is met een ‘lower’-score beoordeeld. Een lower beoordeling zorgt voor een minder hogere bonus en een minder hogere salarisstijging dan een ‘strong’ beoordeling. 2.10. In april en mei 2021 zijn er gesprekken geweest tussen [eiser] , zijn leidinggevende, en een general manager, waarbij ook de vertrouwenspersoon en een medewerker van HR aanwezig waren. Daarin is het onder meer gegaan over hoe de communicatie tussen [eiser] en [naam supervisor] kon worden verbeterd en welke werkzaamheden van [eiser] worden verwacht. 2.11. Naar aanleiding van het verzoek van zijn leidinggevende om een overleg op te zetten, heeft [eiser] bij e-mail van 26 april 2021 het volgende geschreven aan zijn leidinggevende: “ Ik vraag mij af of ik de aangewezen persoon moet zijn dit te organiseren. Had jij als Teamlead al niet direct een gesprek met [naam supervisor] en mij moeten aan gaan na de eerste woorden wisselingen? Heb ik niet al eens eerder gevraag een gesprek te hebben met zijn drieen? Laten we eerst samen bespreken wat er ter discussie staat wat we er aan gaan doen en welke regels we gaan hanteren. Het moet geen gesprek van mijn woorden tegen die van een ander. Jij bent meerder keren getuige geweest over de toon en mate hoe er gesproken is. Heb jouw uitspraak, mening daar nooit over gehoord. Laten we over deze te bespreken zaken een gemeenschappelijk standpunt opstellen. Wil dit net als jou zo gauw mogelijk de wereld uit helpen, dat gaat alleen maar als iedereen daar aan wil meewerken. ”. 2.12. Op 28 juni 2021 is [eiser] wegens ziekte gedeeltelijk uitgevallen. Op 30 augustus 2021 is [eiser] volledig uitgevallen. Op 30 augustus en 21 september 2021 heeft hij een staaroperatie ondergaan. 2.13. In oktober 2021 is [eiser] gestart met re-integreren in aangepaste werkzaamheden voor een beperkt aantal uren. 2.14. Op 19 januari 2022 heeft [eiser] een DMEK-operatie (hoornvliestransplantatie) ondergaan. 2.15. Op 10 februari 2022 wordt het functioneren van [eiser] over het eerste half jaar van 2021 met een ‘lower’ beoordeeld (hierna ook: lower rating). [eiser] heeft daartegen geprotesteerd. 2.16. Op 14 februari 2022 heeft [eiser] bij de voorzitter van de interne klachtencommissie een klacht ingediend over de lower rating. Bij e-mail van 15 februari 2022 heeft [eiser] aan de voorzitter geschreven dat hij wordt gekleineerd, zijn e-mails veelvuldig aan de hele groep worden bekritiseerd en het verbaal nog erger is tijdens vergaderingen. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de voorzitter aan [eiser] geschreven dat zijn klacht specifieker moet zijn, hij moet benoemen tegen wie de klacht zich richt en een officiële klacht met datum en handtekening moet worden ingediend. Verder staat in die e-mail dat de lower rating is toegestaan. 2.17. Bij brief van 4 maart 2022 van zijn gemachtigde aan Shell heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de lower rating en zich op het standpunt gesteld dat gelet op zijn arbeidsongeschiktheid een beoordeling met de kwalificatie ‘strong’ geïndiceerd is. Verder staat in die brief dat [eiser] onheus wordt bejegend door zijn leidinggevenden en collega’s, hij openlijk aan de schandpaal wordt genageld door zijn teamleider en hij dit als kleinerend en als pestgedrag heeft ervaren. Shell wordt verzocht de beoordeling te herzien en [eiser] alsnog met ‘strong’ te beoordelen. Ten aanzien van het onheus bejegenen wordt het recht voorbehouden om Shell in een later stadium daarvoor aansprakelijk te houden. 2.18. Op 9 maart 2022 heeft [eiser] opnieuw een DMEK-operatie ondergaan. 2.19. Bij brief van 15 maart 2022 heeft Shell aan de gemachtigde van [eiser] geschreven dat de lower rating niet zal worden aangepast. Shell schrijft dat zij een redelijke beoordeling van het functioneren van [eiser] heeft kunnen doen, omdat hij van 1 januari tot 28 juni 2021 zijn werkzaamheden op reguliere wijze heeft verricht. Verder staat in die brief dat Shell zich niet herkent in het beeld dat [eiser] schetst en zij voor het eerst hoort dat hij een en ander heeft ervaren als kleineren en pestgedrag. Volgens Shell is een en ander onlosmakelijk verbonden met het verschil van inzicht dat de afgelopen tijd is ontstaan over het functioneren van [eiser] . 2.20. Op 19 april 2022 is er een gesprek geweest tussen Shell en [eiser] .
Volledig
In dat gesprek hebben partijen gesproken over de lower beoordeling en over het door [eiser] ervaren van grensoverschrijdend gedrag. Partijen hebben afgesproken dat [eiser] op een andere afdeling zijn werk zal gaan hervatten. 2.21. Op 30 mei 2022 is [eiser] gedeeltelijk gestart met aangepaste werkzaamheden buiten het laboratorium. 2.22. Begin 2023 heeft [eiser] zich opnieuw tot de voorzitter van de klachtencommissie gewend om een update van zijn situatie te geven en zijn zorgen over de re-integratie te uiten. 2.23. Begin 2023 zijn partijen een mediationtraject gestart. Dat heeft geleid tot herplaatsing van [eiser] . 2.24. Het UWV heeft op 3 februari 2023 geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van Shell over de periode 28 juni 2021 tot en met december 2022 onvoldoende zijn geweest. 2.25. [eiser] is per 1 juni 2023 beter gemeld en per die datum is hij herplaatst naar een andere sector van de afdeling waar hij werkte, te weten het SCAL Experimentation & Imaginingteam. [eiser] werkt sindsdien zijn volledige uren en is qua salaris gelijk gebleven. 2.26. Bij brief van 26 oktober 2023 heeft [eiser] Shell aansprakelijk gesteld op grond van slecht werkgeverschap en het schenden van haar zorgplicht. Shell heeft deze aansprakelijkstelling van de hand gewezen. 2.27. Op 15 mei 2024 heeft [eiser] een gesprek gehad met een door hem zelf ingeschakelde bedrijfsarts, te weten [bedrijfsarts] (hierna: [bedrijfsarts] ). In een van dat gesprek door [bedrijfsarts] opgestelde medische expertise van 11 juli 2024 staat, voor zover van belang, het volgende: “ (…) Reden ziekmelding op 28-06-2021: Opgebrand. Burn-out klachten : van het hoofd , borst , buik , spieren , slecht slapen , prikkelbaar , geen rust vinden. (…) -Samenvatting medisch dossier vanaf 30-03-2017: BA=bedrijfsarts (…) 21/8/20 (…) Denkt veel over werk. Geeft aan behoorlijk uitgeblust te zijn na de maand juli 20. Voelde alsof hij richting burn-out ging. Werk overgenomen van collegae en weinig erkenning. Botsing tijdens MYR waarin hij werd erkend door General Manager nadien. Taken zoals ze in januari 20 werden beraamd volledig op de schop. Meerdere vertrekkende collegae komende maanden. [eiser] heeft werkzaamheden overgenomen, data verzameld , abstracts geschreven. Tijdens COVID veelal doorgewerkt vanuit lab. (…) 10/3/21 (…) Werk gerelateerde stress heeft veel impact op zijn stemming en gemoedstoestand. Wil enthousiast aan het werk maar lukt niet. In de arbeidsrelatie spelen verschillende dingen. Al voor het ongeluk begonnen. (…) (…) 9/4/21 BA Sinds juli 2020 voelt hij zich feitelijk uit het veld geslagen. Begint gesprek met vooral in die tijd tussen collega dat dus feitelijk nog steeds niet uit de wereld is. Verder een MYR gesprek dat erg hoog zit hierna nadere stappen ondernomen richting vertrouwenspersoon. Volgende week gesprek met [naam oud-leidinggevende] , LG en HR. (…) 26/5/21 BA Spreekuur in kader werkstress. Behoefte aan follow up. Zenuwslopende situatie. Ervaring dat spanningen voor hem oplopen en ervaart geen rust. Dit houdt hem bezig en brandt nu op. (…) Gesprekken met [naam 8] lopen niet als gehoopt. HR stuurt op functioneren. Begeleiding en aangesproken worden zint hem niet. Bejegening klopt niet. Moest vrijdag thuis werken , was kapot. Lukt niet, is Pinksterweekend doorgegaan. Heeft idee op vrije dagen op te nemen. Vakantie voelt niet veilig in dagen richting 15 juni. Besproken dat als wachten niet goed voelt in de komende weken hij omwille van zichzelf eerder aan de bel kan trekken. (…) Beantwoording vraagstelling: 1. Er is een causaal verband tussen de handelswijze van werkgever en het ziek worden van de heer [eiser] . 2. De handelwijze van de werkgever heeft de klachten van de heer [eiser] verergerd. 3. De handelwijze van de werkgever heeft het herstel van de heer [eiser] belemmerd. (…) ”. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert, na vermeerdering van eis, samengevat: primair: I. te verklaren voor recht dat Shell in strijd met artikel 7:658 jo. 7:611 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gehandeld, als gevolg waarvan Shell aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor lijdt en heeft geleden; II. Shell te veroordelen tot betaling van schadevergoeding te vermeerderen met wettelijke rente (over c. en d.), bestaande uit: a. € 35.289,92 netto aan juridische kosten, b. € 5.000,00 netto aan nog te maken juridische kosten, c. € 10.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding, d. € 15.305,00 bruto aan gederfde inkomsten, e. althans een schadevergoeding in goede justitie te bepalen; subsidiair: V. Shell te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het handelen van Shell in strijd met artikel 7:658 jo. 7:611 BW, nader op te maken bij staat; zowel primair als subsidiair: VI. Shell te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eiser] stelt daartoe het volgende. 3.3. Vanwege het onveilige werkklimaat is [eiser] uitgevallen met een burn-out. Hierdoor heeft hij schade geleden en zal hij die in de toekomst lijden, bestaande uit gemiste inkomsten door de lower rating en kosten voor juridische bijstand. Ook heeft [eiser] immateriële schade geleden, omdat hij door de handelswijze van Shell psychisch letsel heeft opgelopen. 3.4. Het causaal verband volgt uit de medische expertise van 11 juli 2025 van [bedrijfsarts] , waarin staat dat er causaal verband bestaat tussen de handelswijze van Shell en het ziek worden van [eiser] , die handelswijze de klachten van [eiser] heeft verergerd en zijn herstel heeft belemmerd. 3.5. Shell heeft de norm van goedwerkgeverschap (7:611 BW) geschonden en ook haar zorgplicht om zorg te dragen voor de veiligheid en gezondheid van haar werknemers (7:658 BW). Deze tekortkomingen bestaan uit: (1) Shell heeft de gelegenheid tot pestgedrag op de werkvloer geschapen en in stand gehouden. (2) Shell heeft geen gehoor gegeven aan de noodkreten van [eiser] over de bijzonder onprettige en onveilige werksfeer. (3) Shell heeft [eiser] ten onrechte een lower rating gegeven, zonder hem deugdelijk te begeleiden in zijn nieuwe rol en zonder rekening te houden met zijn gezondheid. (4) Shell heeft een arbeidsconflict gecreëerd en heeft geweigerd dit op te lossen. (5) Shell heeft het herstel en de re-integratie van [eiser] belemmerd. (6) [eiser] is zieker geworden door de werkomgeving en het handelen van Shell, aldus steeds [eiser] . 3.6. Shell heeft, samengevat, het volgende verweer gevoerd. [eiser] is ziek uitgevallen als gevolg van ernstige oogklachten en daarmee verband houdende concentratieproblemen. Shell was tot vlak voor deze procedure niet bekend met de door [eiser] gestelde burn-out klachten. [eiser] heeft de door hem gestelde burn-out niet met enig objectief en onpartijdig bewijs onderbouwd. De door [eiser] overgelegde medische expertise van [bedrijfsarts] is louter tot stand gekomen op basis van door [eiser] aan hem verstrekte informatie, zonder hoor en wederhoor toe te passen bij de door Shell ingeschakelde bedrijfsarts en/of bij Shell. Als [eiser] burn-out klachten had gehad, had de bedrijfsarts van Shell partijen ook wel anders geadviseerd. Voor zover vastgesteld kan worden dat [eiser] een burn-out heeft (gehad), is die niet het gevolg van zijn werkzaamheden bij Shell. [eiser] is gedurende zijn werkzaamheden niet blootgesteld aan een onveilig werkklimaat. Partijen hebben geen arbeidsconflict gehad. De communicatie en de verhoudingen waren wat stroef, met name vanwege de manier van communiceren tussen [eiser] en zijn (voormalig) leidinggevende. Nadat [eiser] had gedeeld dat hij meende dat sprake was van grensoverschrijdend gedrag jegens hem heeft Shell direct aangeboden hiernaar onderzoek te doen, maar dat hoefde niet van [eiser] . [eiser] heeft over het pestgedrag geen (anonieme) formele melding gemaakt bij een van de loketten die Shell daarvoor heeft. Ook het causale verband tussen de gestelde burn-out en de werkomstandigheden bij Shell ontbreekt. 3.7. De lower beroordelingen over 2020 en 2021 zijn terecht. Shell heeft [eiser] over 2021 beoordeeld over de eerste zes maanden van dat jaar. En daarbij is rekening gehouden met de oogklachten van [eiser] . 3.8.
Volledig
In dat gesprek hebben partijen gesproken over de lower beoordeling en over het door [eiser] ervaren van grensoverschrijdend gedrag. Partijen hebben afgesproken dat [eiser] op een andere afdeling zijn werk zal gaan hervatten. 2.21. Op 30 mei 2022 is [eiser] gedeeltelijk gestart met aangepaste werkzaamheden buiten het laboratorium. 2.22. Begin 2023 heeft [eiser] zich opnieuw tot de voorzitter van de klachtencommissie gewend om een update van zijn situatie te geven en zijn zorgen over de re-integratie te uiten. 2.23. Begin 2023 zijn partijen een mediationtraject gestart. Dat heeft geleid tot herplaatsing van [eiser] . 2.24. Het UWV heeft op 3 februari 2023 geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van Shell over de periode 28 juni 2021 tot en met december 2022 onvoldoende zijn geweest. 2.25. [eiser] is per 1 juni 2023 beter gemeld en per die datum is hij herplaatst naar een andere sector van de afdeling waar hij werkte, te weten het SCAL Experimentation & Imaginingteam. [eiser] werkt sindsdien zijn volledige uren en is qua salaris gelijk gebleven. 2.26. Bij brief van 26 oktober 2023 heeft [eiser] Shell aansprakelijk gesteld op grond van slecht werkgeverschap en het schenden van haar zorgplicht. Shell heeft deze aansprakelijkstelling van de hand gewezen. 2.27. Op 15 mei 2024 heeft [eiser] een gesprek gehad met een door hem zelf ingeschakelde bedrijfsarts, te weten [bedrijfsarts] (hierna: [bedrijfsarts] ). In een van dat gesprek door [bedrijfsarts] opgestelde medische expertise van 11 juli 2024 staat, voor zover van belang, het volgende: “ (…) Reden ziekmelding op 28-06-2021: Opgebrand. Burn-out klachten : van het hoofd , borst , buik , spieren , slecht slapen , prikkelbaar , geen rust vinden. (…) -Samenvatting medisch dossier vanaf 30-03-2017: BA=bedrijfsarts (…) 21/8/20 (…) Denkt veel over werk. Geeft aan behoorlijk uitgeblust te zijn na de maand juli 20. Voelde alsof hij richting burn-out ging. Werk overgenomen van collegae en weinig erkenning. Botsing tijdens MYR waarin hij werd erkend door General Manager nadien. Taken zoals ze in januari 20 werden beraamd volledig op de schop. Meerdere vertrekkende collegae komende maanden. [eiser] heeft werkzaamheden overgenomen, data verzameld , abstracts geschreven. Tijdens COVID veelal doorgewerkt vanuit lab. (…) 10/3/21 (…) Werk gerelateerde stress heeft veel impact op zijn stemming en gemoedstoestand. Wil enthousiast aan het werk maar lukt niet. In de arbeidsrelatie spelen verschillende dingen. Al voor het ongeluk begonnen. (…) (…) 9/4/21 BA Sinds juli 2020 voelt hij zich feitelijk uit het veld geslagen. Begint gesprek met vooral in die tijd tussen collega dat dus feitelijk nog steeds niet uit de wereld is. Verder een MYR gesprek dat erg hoog zit hierna nadere stappen ondernomen richting vertrouwenspersoon. Volgende week gesprek met [naam oud-leidinggevende] , LG en HR. (…) 26/5/21 BA Spreekuur in kader werkstress. Behoefte aan follow up. Zenuwslopende situatie. Ervaring dat spanningen voor hem oplopen en ervaart geen rust. Dit houdt hem bezig en brandt nu op. (…) Gesprekken met [naam 8] lopen niet als gehoopt. HR stuurt op functioneren. Begeleiding en aangesproken worden zint hem niet. Bejegening klopt niet. Moest vrijdag thuis werken , was kapot. Lukt niet, is Pinksterweekend doorgegaan. Heeft idee op vrije dagen op te nemen. Vakantie voelt niet veilig in dagen richting 15 juni. Besproken dat als wachten niet goed voelt in de komende weken hij omwille van zichzelf eerder aan de bel kan trekken. (…) Beantwoording vraagstelling: 1. Er is een causaal verband tussen de handelswijze van werkgever en het ziek worden van de heer [eiser] . 2. De handelwijze van de werkgever heeft de klachten van de heer [eiser] verergerd. 3. De handelwijze van de werkgever heeft het herstel van de heer [eiser] belemmerd. (…) ”. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert, na vermeerdering van eis, samengevat: primair: I. te verklaren voor recht dat Shell in strijd met artikel 7:658 jo. 7:611 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gehandeld, als gevolg waarvan Shell aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor lijdt en heeft geleden; II. Shell te veroordelen tot betaling van schadevergoeding te vermeerderen met wettelijke rente (over c. en d.), bestaande uit: a. € 35.289,92 netto aan juridische kosten, b. € 5.000,00 netto aan nog te maken juridische kosten, c. € 10.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding, d. € 15.305,00 bruto aan gederfde inkomsten, e. althans een schadevergoeding in goede justitie te bepalen; subsidiair: V. Shell te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het handelen van Shell in strijd met artikel 7:658 jo. 7:611 BW, nader op te maken bij staat; zowel primair als subsidiair: VI. Shell te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eiser] stelt daartoe het volgende. 3.3. Vanwege het onveilige werkklimaat is [eiser] uitgevallen met een burn-out. Hierdoor heeft hij schade geleden en zal hij die in de toekomst lijden, bestaande uit gemiste inkomsten door de lower rating en kosten voor juridische bijstand. Ook heeft [eiser] immateriële schade geleden, omdat hij door de handelswijze van Shell psychisch letsel heeft opgelopen. 3.4. Het causaal verband volgt uit de medische expertise van 11 juli 2025 van [bedrijfsarts] , waarin staat dat er causaal verband bestaat tussen de handelswijze van Shell en het ziek worden van [eiser] , die handelswijze de klachten van [eiser] heeft verergerd en zijn herstel heeft belemmerd. 3.5. Shell heeft de norm van goedwerkgeverschap (7:611 BW) geschonden en ook haar zorgplicht om zorg te dragen voor de veiligheid en gezondheid van haar werknemers (7:658 BW). Deze tekortkomingen bestaan uit: (1) Shell heeft de gelegenheid tot pestgedrag op de werkvloer geschapen en in stand gehouden. (2) Shell heeft geen gehoor gegeven aan de noodkreten van [eiser] over de bijzonder onprettige en onveilige werksfeer. (3) Shell heeft [eiser] ten onrechte een lower rating gegeven, zonder hem deugdelijk te begeleiden in zijn nieuwe rol en zonder rekening te houden met zijn gezondheid. (4) Shell heeft een arbeidsconflict gecreëerd en heeft geweigerd dit op te lossen. (5) Shell heeft het herstel en de re-integratie van [eiser] belemmerd. (6) [eiser] is zieker geworden door de werkomgeving en het handelen van Shell, aldus steeds [eiser] . 3.6. Shell heeft, samengevat, het volgende verweer gevoerd. [eiser] is ziek uitgevallen als gevolg van ernstige oogklachten en daarmee verband houdende concentratieproblemen. Shell was tot vlak voor deze procedure niet bekend met de door [eiser] gestelde burn-out klachten. [eiser] heeft de door hem gestelde burn-out niet met enig objectief en onpartijdig bewijs onderbouwd. De door [eiser] overgelegde medische expertise van [bedrijfsarts] is louter tot stand gekomen op basis van door [eiser] aan hem verstrekte informatie, zonder hoor en wederhoor toe te passen bij de door Shell ingeschakelde bedrijfsarts en/of bij Shell. Als [eiser] burn-out klachten had gehad, had de bedrijfsarts van Shell partijen ook wel anders geadviseerd. Voor zover vastgesteld kan worden dat [eiser] een burn-out heeft (gehad), is die niet het gevolg van zijn werkzaamheden bij Shell. [eiser] is gedurende zijn werkzaamheden niet blootgesteld aan een onveilig werkklimaat. Partijen hebben geen arbeidsconflict gehad. De communicatie en de verhoudingen waren wat stroef, met name vanwege de manier van communiceren tussen [eiser] en zijn (voormalig) leidinggevende. Nadat [eiser] had gedeeld dat hij meende dat sprake was van grensoverschrijdend gedrag jegens hem heeft Shell direct aangeboden hiernaar onderzoek te doen, maar dat hoefde niet van [eiser] . [eiser] heeft over het pestgedrag geen (anonieme) formele melding gemaakt bij een van de loketten die Shell daarvoor heeft. Ook het causale verband tussen de gestelde burn-out en de werkomstandigheden bij Shell ontbreekt. 3.7. De lower beroordelingen over 2020 en 2021 zijn terecht. Shell heeft [eiser] over 2021 beoordeeld over de eerste zes maanden van dat jaar. En daarbij is rekening gehouden met de oogklachten van [eiser] . 3.8.
Volledig
Shell is steeds open blijven staan voor de dialoog en heeft via het management, de vertrouwenspersoon en de klachtencommissie geprobeerd op informele wijze te bemiddelen dan wel te dé-escaleren. Ook heeft Shell de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige steeds opgevolgd en heeft zij in samenspraak met [eiser] hem stapsgewijs laten terugkeren in zijn eigen werkzaamheden op het laboratorium, zij het op verzoek van [eiser] in een ander team. Er is een externe mediator ingeschakeld en Shell heeft zich met succes ingespannen om een nieuwe functie binnen Shell voor [eiser] te vinden. 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Nadere producties Shell 4.1. Shell heeft een dag voor de mondelinge behandeling, en daarmee gezien de termijn, aard en omvang van die producties, in strijd met de goede procesorde nadere producties 59 tot en met 63 ingediend. [eiser] heeft hier terecht bezwaar tegen gemaakt. Deze producties worden niet tot het procesdossier worden toegelaten. Is Shell aansprakelijk jegens [eiser] ? 4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of Shell aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Shell. 4.3. Uit artikel 7:658 BW volgt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Het artikel beoogt de werknemer te beschermen tegen zowel fysiek letsel als psychisch letsel. 4.4. [eiser] stelt dat hij een burn-out heeft gekregen door omstandigheden op de werkvloer en dat Shell onvoldoende heeft gedaan om die te voorkomen. Het kan voor de werknemer lastig zijn aan te tonen dat er een causaal verband bestaat tussen de opgelopen schade en de werkzaamheden, in het bijzonder als het gaat om beroepsziekten. De Hoge Raad is de werknemer daarom tegemoet gekomen met de zogenoemde arbeidsrechtelijke omkeringsregel. De werknemer moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat hij bij het verrichten van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door deze blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. Meer concreet betekent dit in dit geval dat [eiser] feitelijk zal moeten onderbouwen dat zijn werkomstandigheden zodanig waren dat aannemelijk is dat de oorzaak van de gestelde burn-out klachten daarin kan worden gevonden. De werkgever is vervolgens aansprakelijk op grond van het vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin hij zijn werkzaamheden heeft verricht, tenzij de werkgever kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Dat vermoeden van causaal verband is niet op zijn plaats als het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Er geldt dus een ondergrens voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. 4.5. Van belang voor deze zaak is verder dat psychische klachten, zoals een burn-out, meerdere oorzaken kunnen hebben die ook buiten het werk kunnen zijn gelegen en bovendien te maken kunnen hebben met de persoonlijke aanleg van een werknemer. 4.6. Geoordeeld wordt dat [eiser] , gelet op de gemotiveerde betwisting van Shell, onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.7. Shell betwist allereerst gemotiveerd dat [eiser] is uitgevallen met een burn-out. Ter onderbouwing van de door hem gestelde burn-out heeft [eiser] alleen een medische expertise van [bedrijfsarts] in het geding gebracht, welke bedrijfsarts [eiser] zelf heeft ingeschakeld. Met Shell is de kantonrechter het eens dat op deze medische expertise het nodige valt aan te merken. Onweersproken is dat [bedrijfsarts] geen overleg heeft gehad met Shell en evenmin met de bedrijfsarts die betrokken was bij het re-integratieproces. Het is een 14 pagina’s tellend rapport waarvan meerdere bladzijdes het verhaal van [eiser] beslaan, welk verhaal door [bedrijfsarts] in het rapport een-op-een lijkt te zijn overgenomen van [eiser] , getuige het feit dat daar in de ik-vorm wordt verteld. Dan volgt er een samenvatting van het medisch dossier, waarvan van een groot deel niet duidelijk is van wie de informatie afkomstig is. Ook staat er informatie van zijn leidinggevende in, die geen behandelend arts van [eiser] is. In de conclusie, waarbij de kantonrechter ervan uitgaat dat deze door [bedrijfsarts] is geschreven, staan zinnen, zoals: “ Het is verwonderlijk hoelang [eiser] zich jarenlang staande heeft gehouden in het werk, maar de uitkomst was voorspelbaar. ”, “ NB Er is pas op 05-04-2024 een herstelmelding gekomen, toen de “vertragings-excuses” op waren.” en “ Het blijkt uit alles dat de werkgever ook na eerste ziektedag zijn eigen koers bleef varen en zijn eigen invulling van wet- en regelgeving bleef geven. Verwijtbaar maximaal afwijkend van de WVP [Wet verbetering poortwachter, ktr] , De werkgever heeft dus niets nagelaten om de [eiser] om hem ook in zijn herstel tegen te werken en met een onveranderd doel “geen terugkeer van [eiser] ”. ” Deze opmerkingen komen veel meer over als weerspiegelingen dan op feiten gebaseerde conclusies en die bovendien onterecht niet zijn voorgelegd aan Shell of haar bedrijfsarts. 4.8. Uit de medische expertise van [bedrijfsarts] kan verder niet worden afgeleid dat hij tot de conclusie komt dat bij [eiser] sprake is (geweest) van een burn-out. De eerste pagina van het rapport vermeldt dat de reden van de ziekmelding op 28 juni 2021 burn-outklachten zijn en bij de samenvatting van het medische dossier staat bij de datum van 21 augustus 2020 – bijna een jaar voorafgaand aan de ziekmelding – dat [eiser] het gevoel had dat hij richting een burn-out ging. Volgens [eiser] is deze informatie afkomstig van de bedrijfsarts die de re-integratie begeleidde. Voor zover dat laatste het geval is, kan uit de wijze waarop het is opgeschreven worden afgeleid dat de bedrijfsarts heeft genoteerd wat [eiser] tegen hem heeft gezegd en niet dat het een medische diagnose van de bedrijfsarts betreft. Deze opmerking onderbouwt verder niet dat [eiser] een jaar later daadwerkelijk met een burn-out is uitgevallen. De kantonrechter ziet niet dat de bedrijfsarts dat heeft genoteerd. Iedere onderbouwing dat de bedrijfsarts die mening is toegedaan ontbreekt overigens. Als een burn-out al zou kunnen worden vastgesteld komt daarbij dat niet kan worden uitgesloten dat de gestelde burn-out (mede) door niet-werkgerelateerde factoren is veroorzaakt. Uit de rapportage volgt niet dat [bedrijfsarts] het brandincident en de oogproblematiek van [eiser] in zijn oordeel heeft meegenomen, wat gelet op de ernst van het brandincident en de hevigheid van de oogproblematiek, onbegrijpelijk is. 4.9. Het komt erop neer dat uit de medische expertise van [bedrijfsarts] niet de conclusie kan worden getrokken dat bij [eiser] sprake is (geweest) van een burn-out. 4.10. Ook de stelling dat [eiser] is uitgevallen (uitsluitend) als gevolg van de werkomstandigheden bij Shell is onvoldoende onderbouwd. In ieder geval kan die conclusie niet op grond van de medische expertise van [bedrijfsarts] worden getrokken. Dit blijkt daar niet uit. 4.11. Dat [eiser] is blootgesteld aan pestgedrag en Shell geen gehoor heeft gegeven aan de noodkreten van [eiser] is niet komen vast te staan. [eiser] heeft deze stellingen, gelet op de gemotiveerde betwisting door Shell, onvoldoende onderbouwd. [eiser] verwijst in dit kader naar de onder 2.11 aangehaalde e-mail, maar een concrete melding van pestgedrag of een noodkreet om hulp blijkt niet uit die e-mail. [eiser] heeft zich weliswaar tot de voorzitter van de vertrouwenscommissie gewend, maar niet gebleken is dat hij naar aanleiding van de reactie van de voorzitter, een officiële klacht heeft ingediend, waarin hij concreet een naam/namen heeft genoemd.
Volledig
Shell is steeds open blijven staan voor de dialoog en heeft via het management, de vertrouwenspersoon en de klachtencommissie geprobeerd op informele wijze te bemiddelen dan wel te dé-escaleren. Ook heeft Shell de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige steeds opgevolgd en heeft zij in samenspraak met [eiser] hem stapsgewijs laten terugkeren in zijn eigen werkzaamheden op het laboratorium, zij het op verzoek van [eiser] in een ander team. Er is een externe mediator ingeschakeld en Shell heeft zich met succes ingespannen om een nieuwe functie binnen Shell voor [eiser] te vinden. 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Nadere producties Shell 4.1. Shell heeft een dag voor de mondelinge behandeling, en daarmee gezien de termijn, aard en omvang van die producties, in strijd met de goede procesorde nadere producties 59 tot en met 63 ingediend. [eiser] heeft hier terecht bezwaar tegen gemaakt. Deze producties worden niet tot het procesdossier worden toegelaten. Is Shell aansprakelijk jegens [eiser] ? 4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of Shell aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Shell. 4.3. Uit artikel 7:658 BW volgt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Het artikel beoogt de werknemer te beschermen tegen zowel fysiek letsel als psychisch letsel. 4.4. [eiser] stelt dat hij een burn-out heeft gekregen door omstandigheden op de werkvloer en dat Shell onvoldoende heeft gedaan om die te voorkomen. Het kan voor de werknemer lastig zijn aan te tonen dat er een causaal verband bestaat tussen de opgelopen schade en de werkzaamheden, in het bijzonder als het gaat om beroepsziekten. De Hoge Raad is de werknemer daarom tegemoet gekomen met de zogenoemde arbeidsrechtelijke omkeringsregel. De werknemer moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat hij bij het verrichten van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door deze blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. Meer concreet betekent dit in dit geval dat [eiser] feitelijk zal moeten onderbouwen dat zijn werkomstandigheden zodanig waren dat aannemelijk is dat de oorzaak van de gestelde burn-out klachten daarin kan worden gevonden. De werkgever is vervolgens aansprakelijk op grond van het vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin hij zijn werkzaamheden heeft verricht, tenzij de werkgever kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Dat vermoeden van causaal verband is niet op zijn plaats als het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Er geldt dus een ondergrens voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. 4.5. Van belang voor deze zaak is verder dat psychische klachten, zoals een burn-out, meerdere oorzaken kunnen hebben die ook buiten het werk kunnen zijn gelegen en bovendien te maken kunnen hebben met de persoonlijke aanleg van een werknemer. 4.6. Geoordeeld wordt dat [eiser] , gelet op de gemotiveerde betwisting van Shell, onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.7. Shell betwist allereerst gemotiveerd dat [eiser] is uitgevallen met een burn-out. Ter onderbouwing van de door hem gestelde burn-out heeft [eiser] alleen een medische expertise van [bedrijfsarts] in het geding gebracht, welke bedrijfsarts [eiser] zelf heeft ingeschakeld. Met Shell is de kantonrechter het eens dat op deze medische expertise het nodige valt aan te merken. Onweersproken is dat [bedrijfsarts] geen overleg heeft gehad met Shell en evenmin met de bedrijfsarts die betrokken was bij het re-integratieproces. Het is een 14 pagina’s tellend rapport waarvan meerdere bladzijdes het verhaal van [eiser] beslaan, welk verhaal door [bedrijfsarts] in het rapport een-op-een lijkt te zijn overgenomen van [eiser] , getuige het feit dat daar in de ik-vorm wordt verteld. Dan volgt er een samenvatting van het medisch dossier, waarvan van een groot deel niet duidelijk is van wie de informatie afkomstig is. Ook staat er informatie van zijn leidinggevende in, die geen behandelend arts van [eiser] is. In de conclusie, waarbij de kantonrechter ervan uitgaat dat deze door [bedrijfsarts] is geschreven, staan zinnen, zoals: “ Het is verwonderlijk hoelang [eiser] zich jarenlang staande heeft gehouden in het werk, maar de uitkomst was voorspelbaar. ”, “ NB Er is pas op 05-04-2024 een herstelmelding gekomen, toen de “vertragings-excuses” op waren.” en “ Het blijkt uit alles dat de werkgever ook na eerste ziektedag zijn eigen koers bleef varen en zijn eigen invulling van wet- en regelgeving bleef geven. Verwijtbaar maximaal afwijkend van de WVP [Wet verbetering poortwachter, ktr] , De werkgever heeft dus niets nagelaten om de [eiser] om hem ook in zijn herstel tegen te werken en met een onveranderd doel “geen terugkeer van [eiser] ”. ” Deze opmerkingen komen veel meer over als weerspiegelingen dan op feiten gebaseerde conclusies en die bovendien onterecht niet zijn voorgelegd aan Shell of haar bedrijfsarts. 4.8. Uit de medische expertise van [bedrijfsarts] kan verder niet worden afgeleid dat hij tot de conclusie komt dat bij [eiser] sprake is (geweest) van een burn-out. De eerste pagina van het rapport vermeldt dat de reden van de ziekmelding op 28 juni 2021 burn-outklachten zijn en bij de samenvatting van het medische dossier staat bij de datum van 21 augustus 2020 – bijna een jaar voorafgaand aan de ziekmelding – dat [eiser] het gevoel had dat hij richting een burn-out ging. Volgens [eiser] is deze informatie afkomstig van de bedrijfsarts die de re-integratie begeleidde. Voor zover dat laatste het geval is, kan uit de wijze waarop het is opgeschreven worden afgeleid dat de bedrijfsarts heeft genoteerd wat [eiser] tegen hem heeft gezegd en niet dat het een medische diagnose van de bedrijfsarts betreft. Deze opmerking onderbouwt verder niet dat [eiser] een jaar later daadwerkelijk met een burn-out is uitgevallen. De kantonrechter ziet niet dat de bedrijfsarts dat heeft genoteerd. Iedere onderbouwing dat de bedrijfsarts die mening is toegedaan ontbreekt overigens. Als een burn-out al zou kunnen worden vastgesteld komt daarbij dat niet kan worden uitgesloten dat de gestelde burn-out (mede) door niet-werkgerelateerde factoren is veroorzaakt. Uit de rapportage volgt niet dat [bedrijfsarts] het brandincident en de oogproblematiek van [eiser] in zijn oordeel heeft meegenomen, wat gelet op de ernst van het brandincident en de hevigheid van de oogproblematiek, onbegrijpelijk is. 4.9. Het komt erop neer dat uit de medische expertise van [bedrijfsarts] niet de conclusie kan worden getrokken dat bij [eiser] sprake is (geweest) van een burn-out. 4.10. Ook de stelling dat [eiser] is uitgevallen (uitsluitend) als gevolg van de werkomstandigheden bij Shell is onvoldoende onderbouwd. In ieder geval kan die conclusie niet op grond van de medische expertise van [bedrijfsarts] worden getrokken. Dit blijkt daar niet uit. 4.11. Dat [eiser] is blootgesteld aan pestgedrag en Shell geen gehoor heeft gegeven aan de noodkreten van [eiser] is niet komen vast te staan. [eiser] heeft deze stellingen, gelet op de gemotiveerde betwisting door Shell, onvoldoende onderbouwd. [eiser] verwijst in dit kader naar de onder 2.11 aangehaalde e-mail, maar een concrete melding van pestgedrag of een noodkreet om hulp blijkt niet uit die e-mail. [eiser] heeft zich weliswaar tot de voorzitter van de vertrouwenscommissie gewend, maar niet gebleken is dat hij naar aanleiding van de reactie van de voorzitter, een officiële klacht heeft ingediend, waarin hij concreet een naam/namen heeft genoemd.
Volledig
Ter zitting is duidelijk geworden, dat [eiser] met name botste met [naam supervisor] en dat er tussen hen irritatie bestond. Het onverenigbare karakters van de heren lijkt hier eerder de oorzaak van, dan bewust pestgedrag door [naam supervisor] . [eiser] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat [naam supervisor] hem vaak aansprak op zijn werk en dat de manier waarop dit gebeurde hem niet aanstond. Zo zou [naam supervisor] hebben gezegd dat hij zich moest focussen, omdat hij anders fouten maakte, en dat als [eiser] iets voor een tweede keer vroeg, dat [naam supervisor] dan zuchtte en zei dat hij het hem net had uitgelegd. Dit is wellicht onaangenaam, maar dat gedrag kwalificeert niet als pestgedrag. 4.12. Verder heeft [eiser] nog gewezen op een e-mail van de vertrouwenspersoon waarin staat dat het ‘ rommelt ’ in het team waarvan [eiser] deel uitmaakt. Ook [naam oud-leidinggevende] , oud-leidinggevende van [eiser] , heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er in het team op een soms te directe manier met elkaar werd gesproken, hij het hele team daar op heeft aangesproken, maar dat de reactie van het team was dat dat nou eenmaal de wijze van communiceren binnen het team was. Het is goed voorstelbaar dat [eiser] qua karakter niet goed paste binnen het team en hij zijn tijd in dat team als vervelend heeft ervaren, maar dat hij (structureel) is blootgesteld aan pestgedrag en waar dit dan precies uit heeft bestaan, heeft hij niet voldoende concreet gemaakt en ook onvoldoende onderbouwd. 4.13. De kantonrechter wil niet afdoen aan de impact die de situatie bij Shell op [eiser] heeft gehad, maar kan zich op basis van de stukken en de mondelinge behandeling niet aan de indruk onttrekken dat het karakter van [eiser] een rol heeft gespeeld in hoe hij een en ander heeft ervaren. De uitkomst van de Hogan 360 graden feedback is door [eiser] als zeer negatief ervaren. Dit terwijl als positieve eigenschappen van [eiser] worden benoemd dat hij een harde, loyale werker is, een gewaardeerde en behulpzame collega, die altijd bereid is om te helpen en zaken goed kan uitleggen aan collega’s. Als verbeterpunten worden genoemd dat hij meer prioriteit moet geven aan kwaliteit in plaats van kwantiteit, hij soms wat subtieler zou kunnen reageren, tijdmanagement en het managen van zijn eigen emoties, en het beter is om eerst een project af te ronden alvorens een nieuw project te starten. Dit kan ook als opbouwende kritiek worden beschouwd en niet zoals [eiser] het omschrijft als ‘ een negatief beeld vanuit de leidinggevende en collega’s’ . 4.14. Ook is niet komen vast te staan dat [eiser] werd blootgesteld aan een te hoge werkdruk. Uit de stellingen van [eiser] kan worden opgemaakt dat hij weleens in het weekend heeft gewerkt, maar niet gebleken is dat dit op verzoek, dan wel onder druk van Shell gebeurde. Ook is niet duidelijk in hoeverre de werkzaamheden van [eiser] dit daadwerkelijk vereisten. Tijdens de mondelinge behandeling is het beeld ontstaan dat [eiser] zijn werk graag goed wilde doen en vaak meer deed, of in ieder geval wilde doen, dan van hem werd gevraagd. Volgens Shell leidde dit ertoe dat bij [eiser] kwantiteit boven kwaliteit ging, waar [eiser] dan op werd aangesproken, wat dan door [eiser] hoog werd opgevat. 4.15. Over zijn stelling dat [eiser] over 2021 onterecht met een ‘lower’ is beoordeeld, omdat hij een groot gedeelte van 2021 arbeidsongeschikt was, merkt de kantonrechter op dat het Shell vrij staat zich een oordeel te vormen over de taakvervulling en het professionele functioneren van [eiser] . In een beleidsdocument van Shell staat dat als een werknemer afwezig is geweest, bijvoorbeeld door ziekte, de werknemer wordt beoordeeld over de periode die hij wel gewerkt heeft, tenzij deze periode zo lang is geweest, dat geen redelijke beoordeling kan worden gegeven. [eiser] is op 28 juni 2021 uitgevallen. In 2021 heeft hij dus bijna een half jaar gewerkt. Niet gezegd kan worden dat een half jaar te kort is om het functioneren van een werknemer te beoordelen. Daarbij speelt mee dat [eiser] per 1 februari 2019 was gestart in zijn vorige functie. [eiser] was dus niet nieuw in het team en bovendien was zijn functioneren over 2020 ook met een ‘lower’ beoordeeld. Tot slot heeft [naam oud-leidinggevende] op de mondelinge behandeling gemotiveerd toegelicht dat rekening is gehouden met de oogproblemen van [eiser] . Het voorgaande betekent dat Shell [eiser] over 2021 een lower rating mocht geven. 4.16. Dit alles maakt dat uit de stellingen van [eiser] en hetgeen hij daartoe ter onderbouwing in het geding heeft gebracht niet kan worden geconcludeerd dat Shell op grond van 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden. 4.17. [eiser] heeft ook nog gewezen op het deskundigenoordeel van het UWV, waaruit volgt dat Shell nalatig is geweest in het nakomen van haar re-integratie verplichtingen. De grondslag voor een dergelijke tekortkoming is gelegen in artikel 7:658a BW. Deze nalatigheid kan ertoe geleid hebben dat [eiser] inkomstenverlies heeft geleden, omdat hij daardoor later volledig inzetbaar is geworden en dus pas later weer zijn volledige salaris heeft ontvangen. Dit is echter niet gesteld en daarop gebaseerde schade vordert [eiser] niet in deze procedure. De schade die [eiser] vordert zijn immers advocaatkosten, inkomstenderving als gevolg van de lower rating en immateriële schade. De omstandigheid dat Shell nalatig is geweest in het nakomen van haar re-integratie verplichtingen maakt niet reeds dat [eiser] daardoor de schade heeft geleden die hij in deze procedure vordert. Feit is dat [eiser] weer hersteld is gemeld en dat hij een andere functie is gaan verrichten tegen hetzelfde salaris. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, heeft [eiser] niet voldoende gesteld dat hij de door hem gevorderde schade heeft geleden doordat Shell niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. 4.18. Voor zover in de stellingen van [eiser] moet worden gelezen dat hij artikel 7:611 BW als zelfstandige grondslag aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, leidt deze grondslag niet tot toewijzing van zijn vorderingen. De omstandigheden die [eiser] daartoe aanvoert zijn ook aan de vordering uit hoofde van artikel 7:658 BW ten grondslag gelegd. Hiervoor is geoordeeld dat Shell op die grond niet aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden. Daardoor is er ook geen plaats voor een op ‘goed werkgeverschap’ rustende verplichting om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen. Anders zou in strijd met de strekking van artikel 7:658 BW op Shell een aansprakelijkheid worden gelegd zonder dat sprake is van een tekortkoming van haar kant. 4.19. De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Alles wat partijen over en weer nog anders of meer hebben aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. 4.20. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Shell worden begroot op € 1.630,00 (2 punten x € 815,00) aan salaris gemachtigde en € 67,50 aan nakosten, derhalve in totaal € 1.697,50, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 4.21. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.697,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026. 57170 HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6657 (ABN-AMRO/ [naam 9] ).
Volledig
Ter zitting is duidelijk geworden, dat [eiser] met name botste met [naam supervisor] en dat er tussen hen irritatie bestond. Het onverenigbare karakters van de heren lijkt hier eerder de oorzaak van, dan bewust pestgedrag door [naam supervisor] . [eiser] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat [naam supervisor] hem vaak aansprak op zijn werk en dat de manier waarop dit gebeurde hem niet aanstond. Zo zou [naam supervisor] hebben gezegd dat hij zich moest focussen, omdat hij anders fouten maakte, en dat als [eiser] iets voor een tweede keer vroeg, dat [naam supervisor] dan zuchtte en zei dat hij het hem net had uitgelegd. Dit is wellicht onaangenaam, maar dat gedrag kwalificeert niet als pestgedrag. 4.12. Verder heeft [eiser] nog gewezen op een e-mail van de vertrouwenspersoon waarin staat dat het ‘ rommelt ’ in het team waarvan [eiser] deel uitmaakt. Ook [naam oud-leidinggevende] , oud-leidinggevende van [eiser] , heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er in het team op een soms te directe manier met elkaar werd gesproken, hij het hele team daar op heeft aangesproken, maar dat de reactie van het team was dat dat nou eenmaal de wijze van communiceren binnen het team was. Het is goed voorstelbaar dat [eiser] qua karakter niet goed paste binnen het team en hij zijn tijd in dat team als vervelend heeft ervaren, maar dat hij (structureel) is blootgesteld aan pestgedrag en waar dit dan precies uit heeft bestaan, heeft hij niet voldoende concreet gemaakt en ook onvoldoende onderbouwd. 4.13. De kantonrechter wil niet afdoen aan de impact die de situatie bij Shell op [eiser] heeft gehad, maar kan zich op basis van de stukken en de mondelinge behandeling niet aan de indruk onttrekken dat het karakter van [eiser] een rol heeft gespeeld in hoe hij een en ander heeft ervaren. De uitkomst van de Hogan 360 graden feedback is door [eiser] als zeer negatief ervaren. Dit terwijl als positieve eigenschappen van [eiser] worden benoemd dat hij een harde, loyale werker is, een gewaardeerde en behulpzame collega, die altijd bereid is om te helpen en zaken goed kan uitleggen aan collega’s. Als verbeterpunten worden genoemd dat hij meer prioriteit moet geven aan kwaliteit in plaats van kwantiteit, hij soms wat subtieler zou kunnen reageren, tijdmanagement en het managen van zijn eigen emoties, en het beter is om eerst een project af te ronden alvorens een nieuw project te starten. Dit kan ook als opbouwende kritiek worden beschouwd en niet zoals [eiser] het omschrijft als ‘ een negatief beeld vanuit de leidinggevende en collega’s’ . 4.14. Ook is niet komen vast te staan dat [eiser] werd blootgesteld aan een te hoge werkdruk. Uit de stellingen van [eiser] kan worden opgemaakt dat hij weleens in het weekend heeft gewerkt, maar niet gebleken is dat dit op verzoek, dan wel onder druk van Shell gebeurde. Ook is niet duidelijk in hoeverre de werkzaamheden van [eiser] dit daadwerkelijk vereisten. Tijdens de mondelinge behandeling is het beeld ontstaan dat [eiser] zijn werk graag goed wilde doen en vaak meer deed, of in ieder geval wilde doen, dan van hem werd gevraagd. Volgens Shell leidde dit ertoe dat bij [eiser] kwantiteit boven kwaliteit ging, waar [eiser] dan op werd aangesproken, wat dan door [eiser] hoog werd opgevat. 4.15. Over zijn stelling dat [eiser] over 2021 onterecht met een ‘lower’ is beoordeeld, omdat hij een groot gedeelte van 2021 arbeidsongeschikt was, merkt de kantonrechter op dat het Shell vrij staat zich een oordeel te vormen over de taakvervulling en het professionele functioneren van [eiser] . In een beleidsdocument van Shell staat dat als een werknemer afwezig is geweest, bijvoorbeeld door ziekte, de werknemer wordt beoordeeld over de periode die hij wel gewerkt heeft, tenzij deze periode zo lang is geweest, dat geen redelijke beoordeling kan worden gegeven. [eiser] is op 28 juni 2021 uitgevallen. In 2021 heeft hij dus bijna een half jaar gewerkt. Niet gezegd kan worden dat een half jaar te kort is om het functioneren van een werknemer te beoordelen. Daarbij speelt mee dat [eiser] per 1 februari 2019 was gestart in zijn vorige functie. [eiser] was dus niet nieuw in het team en bovendien was zijn functioneren over 2020 ook met een ‘lower’ beoordeeld. Tot slot heeft [naam oud-leidinggevende] op de mondelinge behandeling gemotiveerd toegelicht dat rekening is gehouden met de oogproblemen van [eiser] . Het voorgaande betekent dat Shell [eiser] over 2021 een lower rating mocht geven. 4.16. Dit alles maakt dat uit de stellingen van [eiser] en hetgeen hij daartoe ter onderbouwing in het geding heeft gebracht niet kan worden geconcludeerd dat Shell op grond van 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden. 4.17. [eiser] heeft ook nog gewezen op het deskundigenoordeel van het UWV, waaruit volgt dat Shell nalatig is geweest in het nakomen van haar re-integratie verplichtingen. De grondslag voor een dergelijke tekortkoming is gelegen in artikel 7:658a BW. Deze nalatigheid kan ertoe geleid hebben dat [eiser] inkomstenverlies heeft geleden, omdat hij daardoor later volledig inzetbaar is geworden en dus pas later weer zijn volledige salaris heeft ontvangen. Dit is echter niet gesteld en daarop gebaseerde schade vordert [eiser] niet in deze procedure. De schade die [eiser] vordert zijn immers advocaatkosten, inkomstenderving als gevolg van de lower rating en immateriële schade. De omstandigheid dat Shell nalatig is geweest in het nakomen van haar re-integratie verplichtingen maakt niet reeds dat [eiser] daardoor de schade heeft geleden die hij in deze procedure vordert. Feit is dat [eiser] weer hersteld is gemeld en dat hij een andere functie is gaan verrichten tegen hetzelfde salaris. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, heeft [eiser] niet voldoende gesteld dat hij de door hem gevorderde schade heeft geleden doordat Shell niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. 4.18. Voor zover in de stellingen van [eiser] moet worden gelezen dat hij artikel 7:611 BW als zelfstandige grondslag aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, leidt deze grondslag niet tot toewijzing van zijn vorderingen. De omstandigheden die [eiser] daartoe aanvoert zijn ook aan de vordering uit hoofde van artikel 7:658 BW ten grondslag gelegd. Hiervoor is geoordeeld dat Shell op die grond niet aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden. Daardoor is er ook geen plaats voor een op ‘goed werkgeverschap’ rustende verplichting om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen. Anders zou in strijd met de strekking van artikel 7:658 BW op Shell een aansprakelijkheid worden gelegd zonder dat sprake is van een tekortkoming van haar kant. 4.19. De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Alles wat partijen over en weer nog anders of meer hebben aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. 4.20. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Shell worden begroot op € 1.630,00 (2 punten x € 815,00) aan salaris gemachtigde en € 67,50 aan nakosten, derhalve in totaal € 1.697,50, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 4.21. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.697,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026. 57170 HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6657 (ABN-AMRO/ [naam 9] ).