Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-10
ECLI:NL:RBAMS:2026:4185
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,061 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4185 text/xml public 2026-05-06T10:22:38 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-10 AMS 25/3107 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4185 text/html public 2026-05-06T10:21:52 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4185 Rechtbank Amsterdam , 10-04-2026 / AMS 25/3107 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de exploitatie- en alcoholvergunning niet op goede gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/3107 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigden: mr. K. van Ettekoven en mr. B. Andriessen), en de burgemeester van Ouder-Amstel, verweerder (gemachtigde: mr. K. Bounaanaa). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde partij 1] uit [woonplaats 1] , [derde partij 2] uit [woonplaats 2] , [derde partij 3] uit [woonplaats 3] en [derde partij 4] uit [woonplaats 4] (de derde-partijen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een exploitatie- en alcoholvergunning. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de exploitatie- en alcoholvergunning niet op goede gronden heeft afgewezen . Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 6 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een exploitatie- en een alcoholvergunning. Verweerder heeft deze vergunningen op 26 juni 2024 verleend. Tegen deze vergunningen is door onder meer de derde-partijen bezwaar gemaakt. Met de bestreden besluiten van 17 april 2025 heeft verweerder die bezwaren gegrond verklaard, de besluiten van 26 juni 2024 herroepen en de aanvragen van eiseres alsnog afgewezen. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Met de uitspraak van 4 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dat verzoek toegewezen en de bestreden besluiten geschorst tot zes weken na de uitspraak op het beroep. 2.2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. Eiseres heeft haar beroepsgronden op 25 februari 2026 aangevuld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een aanvullend verweerschrift van 2 maart 2026. Het verzoek van verweerder om de aanvullende gronden, althans het daarbij door eiseres overgelegde advies van [de persoon 1] van [bedrijf] buiten beschouwing te laten, heeft de rechtbank ter zitting afgewezen. De rechtbank stelt vast dat deze stukken twee weken – en dus meer dan tien dagen – vóór de zitting zijn ingediend en is van oordeel dat de inhoud en omvang daarvan niet zodanig is dat het meenemen daarvan (toch) in strijd is met de goede procesorde. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon 2] en [de persoon 3] (bestuurders van eiseres), bijgestaan door hun gemachtigden, de gemachtigde van verweerder en [de persoon 4] ( [functie] van de gemeente Ouder-Amstel), [derde partij 2] , [derde partij 3] en [derde partij 4] . Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres heeft in 2015 het perceel aan de [adres] te Ouderkerk aan de Amstel aangekocht (hierna: het perceel). Vervolgens heeft zij verschillende bouwwerken op het terrein gerenoveerd en in dat kader omgevingsvergunningen aangevraagd en verkregen. Zo is aan eiseres op 30 december 2019 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘planologisch strijdig gebruik’ ten behoeve van het realiseren van een boerderijwinkel en kaasmakerij. Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning voor ‘planologisch strijdig gebruik’ ten behoeve van een bed & breakfast en kleinschalige horeca op het perceel, heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (hierna: het college) eiseres met een brief van 21 oktober 2020 medegedeeld dat het aangevraagde gebruik niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan, zodat hiervoor geen omgevingsvergunning vereist is. Ten behoeve van deze kleinschalige horeca op het perceel heeft eiseres vervolgens de exploitatie- en alcoholvergunning aangevraagd. 3.1. Verweerder heeft de aanvragen op 26 juni 2024 ingewilligd en de exploitatie- en alcoholvergunning verleend. Met de bestreden besluiten van 17 april 2025 heeft verweerder de besluiten van 26 juni 2024 herroepen en de exploitatie- en alcoholvergunning alsnog geweigerd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de bestemming van het perceel volgens het omgevingsplan enkel agrarisch is. Nevenactiviteiten, zoals de exploitatie van horeca, kunnen daar plaatsvinden als die ondergeschikt zijn aan de agrarische hoofdactiviteit. Nu op dit perceel geen of enkel marginale agrarische activiteiten plaatsvinden die niet als hoofdactiviteit zijn aan te merken, zijn de aangevraagde nevenactiviteiten in strijd met het omgevingsplan. De gevraagde exploitatievergunning dient daarom op grond van artikel 2:28, eerste lid sub a, van de APV te worden geweigerd. Omdat het zonder horecabedrijf ook niet mogelijk is om een alcoholvergunning te verkrijgen, is die vergunning eveneens geweigerd. Toetsingskader 4. Op basis van artikel 2:28, eerste lid sub a, van de APV weigert verweerder een exploitatievergunning te verlenen als de vestiging of exploitatie in strijd is met het omgevingsplan. 4.1. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, maken gemeentelijke bestemmingsplannen die vóór 1 januari 2024 golden, op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, van rechtswege deel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Noord’ (hierna: het bestemmingsplan), dat op het perceel aan de [adres] van toepassing is, maakt daarom deel uit van het omgevingsplan gemeente Ouder-Amstel. 4.2. Volgens het bestemmingsplan is de bestemming van het perceel ‘agrarisch’. Artikel 3.1 van het bestemmingsplan bepaalt dat percelen met de bestemming ‘agrarisch’, voor zover hier van belang, bestemd zijn voor: agrarisch grondgebruik; de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf, met dien verstande dat de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf dan wel een intensieve veehouderij niet is toegestaan; (…); wonen in een bedrijfswoning; (…); nevenactiviteiten, op bouwvlakken waar tevens een bedrijfswoning aanwezig is. De onderstaande nevenactiviteiten met de daarbij behorende specifieke voorwaarden zijn toegestaan. Bij cumulatie van nevenactiviteiten is een gecombineerde maximale oppervlakte van 200 m² toegestaan. 4.3. Op grond van artikel 3.5, sub a, van het bestemmingsplan worden overige nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken gerekend. Artikel 3.6.3 van het bestemmingsplan biedt het bevoegd gezag echter de mogelijkheid om door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 3.5, sub a, van het bestemmingsplan, ten behoeve van het realiseren van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf, mits wordt voldaan aan de daar genoemde voorwaarden.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4185 text/xml public 2026-05-06T10:22:38 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-10 AMS 25/3107 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4185 text/html public 2026-05-06T10:21:52 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4185 Rechtbank Amsterdam , 10-04-2026 / AMS 25/3107 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de exploitatie- en alcoholvergunning niet op goede gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/3107 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigden: mr. K. van Ettekoven en mr. B. Andriessen), en de burgemeester van Ouder-Amstel, verweerder (gemachtigde: mr. K. Bounaanaa). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde partij 1] uit [woonplaats 1] , [derde partij 2] uit [woonplaats 2] , [derde partij 3] uit [woonplaats 3] en [derde partij 4] uit [woonplaats 4] (de derde-partijen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een exploitatie- en alcoholvergunning. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de exploitatie- en alcoholvergunning niet op goede gronden heeft afgewezen . Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 6 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een exploitatie- en een alcoholvergunning. Verweerder heeft deze vergunningen op 26 juni 2024 verleend. Tegen deze vergunningen is door onder meer de derde-partijen bezwaar gemaakt. Met de bestreden besluiten van 17 april 2025 heeft verweerder die bezwaren gegrond verklaard, de besluiten van 26 juni 2024 herroepen en de aanvragen van eiseres alsnog afgewezen. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Met de uitspraak van 4 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dat verzoek toegewezen en de bestreden besluiten geschorst tot zes weken na de uitspraak op het beroep. 2.2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. Eiseres heeft haar beroepsgronden op 25 februari 2026 aangevuld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een aanvullend verweerschrift van 2 maart 2026. Het verzoek van verweerder om de aanvullende gronden, althans het daarbij door eiseres overgelegde advies van [de persoon 1] van [bedrijf] buiten beschouwing te laten, heeft de rechtbank ter zitting afgewezen. De rechtbank stelt vast dat deze stukken twee weken – en dus meer dan tien dagen – vóór de zitting zijn ingediend en is van oordeel dat de inhoud en omvang daarvan niet zodanig is dat het meenemen daarvan (toch) in strijd is met de goede procesorde. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon 2] en [de persoon 3] (bestuurders van eiseres), bijgestaan door hun gemachtigden, de gemachtigde van verweerder en [de persoon 4] ( [functie] van de gemeente Ouder-Amstel), [derde partij 2] , [derde partij 3] en [derde partij 4] . Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres heeft in 2015 het perceel aan de [adres] te Ouderkerk aan de Amstel aangekocht (hierna: het perceel). Vervolgens heeft zij verschillende bouwwerken op het terrein gerenoveerd en in dat kader omgevingsvergunningen aangevraagd en verkregen. Zo is aan eiseres op 30 december 2019 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘planologisch strijdig gebruik’ ten behoeve van het realiseren van een boerderijwinkel en kaasmakerij. Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning voor ‘planologisch strijdig gebruik’ ten behoeve van een bed & breakfast en kleinschalige horeca op het perceel, heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (hierna: het college) eiseres met een brief van 21 oktober 2020 medegedeeld dat het aangevraagde gebruik niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan, zodat hiervoor geen omgevingsvergunning vereist is. Ten behoeve van deze kleinschalige horeca op het perceel heeft eiseres vervolgens de exploitatie- en alcoholvergunning aangevraagd. 3.1. Verweerder heeft de aanvragen op 26 juni 2024 ingewilligd en de exploitatie- en alcoholvergunning verleend. Met de bestreden besluiten van 17 april 2025 heeft verweerder de besluiten van 26 juni 2024 herroepen en de exploitatie- en alcoholvergunning alsnog geweigerd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de bestemming van het perceel volgens het omgevingsplan enkel agrarisch is. Nevenactiviteiten, zoals de exploitatie van horeca, kunnen daar plaatsvinden als die ondergeschikt zijn aan de agrarische hoofdactiviteit. Nu op dit perceel geen of enkel marginale agrarische activiteiten plaatsvinden die niet als hoofdactiviteit zijn aan te merken, zijn de aangevraagde nevenactiviteiten in strijd met het omgevingsplan. De gevraagde exploitatievergunning dient daarom op grond van artikel 2:28, eerste lid sub a, van de APV te worden geweigerd. Omdat het zonder horecabedrijf ook niet mogelijk is om een alcoholvergunning te verkrijgen, is die vergunning eveneens geweigerd. Toetsingskader 4. Op basis van artikel 2:28, eerste lid sub a, van de APV weigert verweerder een exploitatievergunning te verlenen als de vestiging of exploitatie in strijd is met het omgevingsplan. 4.1. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, maken gemeentelijke bestemmingsplannen die vóór 1 januari 2024 golden, op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, van rechtswege deel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Noord’ (hierna: het bestemmingsplan), dat op het perceel aan de [adres] van toepassing is, maakt daarom deel uit van het omgevingsplan gemeente Ouder-Amstel. 4.2. Volgens het bestemmingsplan is de bestemming van het perceel ‘agrarisch’. Artikel 3.1 van het bestemmingsplan bepaalt dat percelen met de bestemming ‘agrarisch’, voor zover hier van belang, bestemd zijn voor: agrarisch grondgebruik; de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf, met dien verstande dat de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf dan wel een intensieve veehouderij niet is toegestaan; (…); wonen in een bedrijfswoning; (…); nevenactiviteiten, op bouwvlakken waar tevens een bedrijfswoning aanwezig is. De onderstaande nevenactiviteiten met de daarbij behorende specifieke voorwaarden zijn toegestaan. Bij cumulatie van nevenactiviteiten is een gecombineerde maximale oppervlakte van 200 m² toegestaan. 4.3. Op grond van artikel 3.5, sub a, van het bestemmingsplan worden overige nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken gerekend. Artikel 3.6.3 van het bestemmingsplan biedt het bevoegd gezag echter de mogelijkheid om door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 3.5, sub a, van het bestemmingsplan, ten behoeve van het realiseren van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf, mits wordt voldaan aan de daar genoemde voorwaarden.
Volledig
Volgens artikel 3.6.3, aanhef en onder g, van het bestemmingsplan is afwijking toegestaan voor onder meer de volgende nevenactiviteiten met de daarbij behorende specifieke voorwaarden: Daarbij bepalen sub h en sub i van dit artikel ten aanzien van cumulatie van nevenactiviteiten het volgende: nevenactiviteiten die alleen middels een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt (merkverwerkingsinstallatie, maatschappelijke functies, maatschappelijke/sociale functies, restaurant) kunnen niet worden gecumuleerd, tenzij er sprake is van ondergeschiktheid van de nevenactiviteit ten opzichte van de hoofdfunctie; bij cumulatie van de overige nevenactiviteiten is een gecombineerde maximale oppervlakte van 400 m² toegestaan. Beoordeling van de beroepsgronden 5. Volgens eiseres kunnen de bestreden besluiten geen standhouden omdat sprake is van onbehoorlijk bestuur, onzorgvuldige en onjuiste besluitvorming en een ondeugdelijke motivering. Eiseres voert daartoe onder meer aan dat verweerder de exploitatievergunning niet op grond van artikel 2:28, eerste lid sub a, van de APV had mogen weigeren, omdat geen sprake is van strijd met het omgevingsplan. De uitleg die verweerder geeft aan de relevante regels en begrippen in het bestemmingsplan, is volgens eiseres onjuist. 5.1. De rechtbank overweegt dat, om vast te stellen of sprake is van strijd met het omgevingsplan, allereerst de vraag moet worden beantwoord of eiseres het perceel conform de bestemming ‘agrarisch’ gebruikt. Voor het antwoord op de vraag of een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Als ook de plantoelichting geen duidelijkheid geeft over de betekenis van een bepaalde term in het omgevingsplan, moet worden gekeken naar de betekenis in het algemeen spraakgebruik. 5.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de exploitatie van een kleinschalige horecagelegenheid op het perceel in strijd is met het omgevingsplan, omdat geen sprake is van daadwerkelijk agrarisch grondgebruik, zodat ook geen sprake kan zijn van nevenactiviteiten. Daarbij legt verweerder het begrip ‘agrarisch grondgebruik’ uit aan de hand van de definitie zoals gegeven in de Van Dale. Daarin is ‘agrarisch’ gedefinieerd als ‘de landbouw betreffend’. Onder landbouw wordt volgens de Van Dale verstaan ‘het bewerken van land om er gewassen van te oogsten; (economie) akkerbouw, veeteelt, weidebouw, tuinbouw en bosbouw’. Vee is omschreven als ‘de tamme dieren die de mens wegens hun nut houdt, met name de viervoetige dieren die melk, wol, vlees enz. leveren’. Veeteelt is gedefinieerd als ‘het onderhouden en aanfokken van vee, met de bedoeling daarvan voordeel te trekken’. Verder is weidebouw omschreven als ‘het exploiteren van weiland’. Deze activiteiten moeten volgens verweerder wel een bepaalde omvang hebben om ze juridisch-planologisch te kunnen aanmerken als agrarisch grondgebruik. Uit de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat er sprake moet zijn van een bedrijfsmatig karakter. Volgens verweerder was het gebruik van het perceel ten tijde van het bestreden besluit ten behoeve van het houden van dieren, zowel feitelijk als economisch, duidelijk ondergeschikt aan andere activiteiten die op het perceel worden uitgeoefend. Daarmee was het gebruik niet als agrarisch grondgebruik en ook niet als het ruimtelijk kenmerkende gebruik aan te merken. Ook van een volwaardig agrarisch bedrijf als bedoeld in het bestemmingsplan is volgens verweerder geen sprake. Daaronder moet volgens verweerder worden verstaan een agrarisch bedrijf waaraan niets ontbreekt. Dat betekent ook dat het niet ontbreekt aan voldoende inkomsten die door de agrarische activiteiten worden gegenereerd om daarvan als agrariër te kunnen leven. 5.3. De rechtbank stelt vast dat de planregels zelf, de systematiek van de planregels en de plantoelichting geen duidelijkheid geven over wat onder ‘agrarisch grondgebruik’ in de zin van artikel 3.1 van het bestemmingsplan moet worden verstaan. Verweerder heeft dan ook terecht gekeken naar de betekenis in het algemeen spraakgebruik, waarbij kan worden uitgegaan van de definities in de Van Dale die door verweerder zijn genoemd. Niet in geschil is dat eiseres het perceel (ook) gebruikt(e) voor veeteelt en weidebouw, zoals omschreven in die definities. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat, dat het perceel in ieder geval deels wordt gebruikt conform de bestemming ‘agrarisch’. Anders dan verweerder stelt is agrarisch grondgebruik in het normaal spraakgebruik namelijk niet beperkt tot activiteiten ‘met een bepaalde omvang’, tot ‘kenmerkend ruimtelijk gebruik van gronden en bouwwerken’ en/of tot agrarische activiteiten die ‘feitelijk en economisch niet ondergeschikt’ zijn. De definities in de Van Dale zeggen hier immers niets over en een ander aanknopingspunt hiervoor ontbreekt. In het midden kan blijven of uit de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat deze activiteiten een bedrijfsmatig karakter moeten hebben om als agrarisch grondgebruik te kwalificeren, nu vast staat dat het in dit geval gaat om bedrijfsmatige – en niet om hobbymatige – activiteiten. Of ook sprake is van een ‘volwaardig agrarisch bedrijf’ doet niet ter zake, aangezien in ieder geval sprake is van ‘agrarisch grondgebruik’ en dat is volgens artikel 3.1 van het bestemmingsplan voldoende om te voldoen aan de bestemming ‘agrarisch’. 5.4. De rechtbank is voorts van oordeel dat de kleinschalige horeca die is aangevraagd kwalificeert als een nevenactiviteit waarvoor het perceel mede bestemd is. Uit artikel 3.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan volgt dat kleinschalige horeca aan huis, zoals een restaurant, een nevenactiviteit is. Deze nevenactiviteit is toegestaan op de bestemming ‘agrarisch’ als de maximale oppervlakte ten behoeve van de nevenactiviteit niet meer bedraagt dan 200 m² binnen de bestaande bebouwing. Volgens de aanvraag van eiseres gaat het om kleinschalige horeca van 88 m² en op de zitting is verklaard dat het om 123 m² gaat. In beide gevallen wordt aan de voorwaarde van artikel 3.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan voldaan. 5.5. De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat geen sprake is van een nevenactiviteit omdat de aangevraagde activiteit, vanwege de arbeidsinzet en de inkomsten die daaruit voortvloeien, niet ondergeschikt is aan het agrarisch grondgebruik. Uit de toepasselijke planregels volgt namelijk niet dat dit aspecten zijn die moeten worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een nevenactiviteit. Uit artikel 3.1, aanhef en onder f, in samenhang met artikel 1.62 van het bestemmingsplan leidt de rechtbank af dat de ruimtelijke omvang en het feit dat de nevenactiviteit naast het eigenlijke beroep of de hoofdactiviteit wordt uitgevoerd, aspecten zijn die van belang zijn bij de vraag of de activiteit als een nevenactiviteit kwalificeert. Aangezien het eigenlijke beroep of de hoofdactiviteit op het perceel – in ruimtelijke zin – het agrarische gebruik is en de ruimtelijke omvang van de kleinschalige horeca minder is dan de maximale 200 m², komt de rechtbank tot de conclusie dat de kleinschalige horeca ondergeschikt is aan het agrarisch grondgebruik, zoals bedoeld in het bestemmingsplan. 5.6. Resteert nog de vraag of de horeca-activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat de verschillende nevenactiviteiten van eiseres op het perceel cumulatief de gecombineerde maximaal toegestane oppervlakte overschrijden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit het geval is, omdat cumulatief maximaal 400 m² is toegestaan en de nevenactiviteiten van eiseres gezamenlijk in ieder geval meer oppervlakte in beslag nemen.
Volledig
Volgens artikel 3.6.3, aanhef en onder g, van het bestemmingsplan is afwijking toegestaan voor onder meer de volgende nevenactiviteiten met de daarbij behorende specifieke voorwaarden: Daarbij bepalen sub h en sub i van dit artikel ten aanzien van cumulatie van nevenactiviteiten het volgende: nevenactiviteiten die alleen middels een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt (merkverwerkingsinstallatie, maatschappelijke functies, maatschappelijke/sociale functies, restaurant) kunnen niet worden gecumuleerd, tenzij er sprake is van ondergeschiktheid van de nevenactiviteit ten opzichte van de hoofdfunctie; bij cumulatie van de overige nevenactiviteiten is een gecombineerde maximale oppervlakte van 400 m² toegestaan. Beoordeling van de beroepsgronden 5. Volgens eiseres kunnen de bestreden besluiten geen standhouden omdat sprake is van onbehoorlijk bestuur, onzorgvuldige en onjuiste besluitvorming en een ondeugdelijke motivering. Eiseres voert daartoe onder meer aan dat verweerder de exploitatievergunning niet op grond van artikel 2:28, eerste lid sub a, van de APV had mogen weigeren, omdat geen sprake is van strijd met het omgevingsplan. De uitleg die verweerder geeft aan de relevante regels en begrippen in het bestemmingsplan, is volgens eiseres onjuist. 5.1. De rechtbank overweegt dat, om vast te stellen of sprake is van strijd met het omgevingsplan, allereerst de vraag moet worden beantwoord of eiseres het perceel conform de bestemming ‘agrarisch’ gebruikt. Voor het antwoord op de vraag of een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Als ook de plantoelichting geen duidelijkheid geeft over de betekenis van een bepaalde term in het omgevingsplan, moet worden gekeken naar de betekenis in het algemeen spraakgebruik. 5.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de exploitatie van een kleinschalige horecagelegenheid op het perceel in strijd is met het omgevingsplan, omdat geen sprake is van daadwerkelijk agrarisch grondgebruik, zodat ook geen sprake kan zijn van nevenactiviteiten. Daarbij legt verweerder het begrip ‘agrarisch grondgebruik’ uit aan de hand van de definitie zoals gegeven in de Van Dale. Daarin is ‘agrarisch’ gedefinieerd als ‘de landbouw betreffend’. Onder landbouw wordt volgens de Van Dale verstaan ‘het bewerken van land om er gewassen van te oogsten; (economie) akkerbouw, veeteelt, weidebouw, tuinbouw en bosbouw’. Vee is omschreven als ‘de tamme dieren die de mens wegens hun nut houdt, met name de viervoetige dieren die melk, wol, vlees enz. leveren’. Veeteelt is gedefinieerd als ‘het onderhouden en aanfokken van vee, met de bedoeling daarvan voordeel te trekken’. Verder is weidebouw omschreven als ‘het exploiteren van weiland’. Deze activiteiten moeten volgens verweerder wel een bepaalde omvang hebben om ze juridisch-planologisch te kunnen aanmerken als agrarisch grondgebruik. Uit de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat er sprake moet zijn van een bedrijfsmatig karakter. Volgens verweerder was het gebruik van het perceel ten tijde van het bestreden besluit ten behoeve van het houden van dieren, zowel feitelijk als economisch, duidelijk ondergeschikt aan andere activiteiten die op het perceel worden uitgeoefend. Daarmee was het gebruik niet als agrarisch grondgebruik en ook niet als het ruimtelijk kenmerkende gebruik aan te merken. Ook van een volwaardig agrarisch bedrijf als bedoeld in het bestemmingsplan is volgens verweerder geen sprake. Daaronder moet volgens verweerder worden verstaan een agrarisch bedrijf waaraan niets ontbreekt. Dat betekent ook dat het niet ontbreekt aan voldoende inkomsten die door de agrarische activiteiten worden gegenereerd om daarvan als agrariër te kunnen leven. 5.3. De rechtbank stelt vast dat de planregels zelf, de systematiek van de planregels en de plantoelichting geen duidelijkheid geven over wat onder ‘agrarisch grondgebruik’ in de zin van artikel 3.1 van het bestemmingsplan moet worden verstaan. Verweerder heeft dan ook terecht gekeken naar de betekenis in het algemeen spraakgebruik, waarbij kan worden uitgegaan van de definities in de Van Dale die door verweerder zijn genoemd. Niet in geschil is dat eiseres het perceel (ook) gebruikt(e) voor veeteelt en weidebouw, zoals omschreven in die definities. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat, dat het perceel in ieder geval deels wordt gebruikt conform de bestemming ‘agrarisch’. Anders dan verweerder stelt is agrarisch grondgebruik in het normaal spraakgebruik namelijk niet beperkt tot activiteiten ‘met een bepaalde omvang’, tot ‘kenmerkend ruimtelijk gebruik van gronden en bouwwerken’ en/of tot agrarische activiteiten die ‘feitelijk en economisch niet ondergeschikt’ zijn. De definities in de Van Dale zeggen hier immers niets over en een ander aanknopingspunt hiervoor ontbreekt. In het midden kan blijven of uit de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat deze activiteiten een bedrijfsmatig karakter moeten hebben om als agrarisch grondgebruik te kwalificeren, nu vast staat dat het in dit geval gaat om bedrijfsmatige – en niet om hobbymatige – activiteiten. Of ook sprake is van een ‘volwaardig agrarisch bedrijf’ doet niet ter zake, aangezien in ieder geval sprake is van ‘agrarisch grondgebruik’ en dat is volgens artikel 3.1 van het bestemmingsplan voldoende om te voldoen aan de bestemming ‘agrarisch’. 5.4. De rechtbank is voorts van oordeel dat de kleinschalige horeca die is aangevraagd kwalificeert als een nevenactiviteit waarvoor het perceel mede bestemd is. Uit artikel 3.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan volgt dat kleinschalige horeca aan huis, zoals een restaurant, een nevenactiviteit is. Deze nevenactiviteit is toegestaan op de bestemming ‘agrarisch’ als de maximale oppervlakte ten behoeve van de nevenactiviteit niet meer bedraagt dan 200 m² binnen de bestaande bebouwing. Volgens de aanvraag van eiseres gaat het om kleinschalige horeca van 88 m² en op de zitting is verklaard dat het om 123 m² gaat. In beide gevallen wordt aan de voorwaarde van artikel 3.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan voldaan. 5.5. De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat geen sprake is van een nevenactiviteit omdat de aangevraagde activiteit, vanwege de arbeidsinzet en de inkomsten die daaruit voortvloeien, niet ondergeschikt is aan het agrarisch grondgebruik. Uit de toepasselijke planregels volgt namelijk niet dat dit aspecten zijn die moeten worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een nevenactiviteit. Uit artikel 3.1, aanhef en onder f, in samenhang met artikel 1.62 van het bestemmingsplan leidt de rechtbank af dat de ruimtelijke omvang en het feit dat de nevenactiviteit naast het eigenlijke beroep of de hoofdactiviteit wordt uitgevoerd, aspecten zijn die van belang zijn bij de vraag of de activiteit als een nevenactiviteit kwalificeert. Aangezien het eigenlijke beroep of de hoofdactiviteit op het perceel – in ruimtelijke zin – het agrarische gebruik is en de ruimtelijke omvang van de kleinschalige horeca minder is dan de maximale 200 m², komt de rechtbank tot de conclusie dat de kleinschalige horeca ondergeschikt is aan het agrarisch grondgebruik, zoals bedoeld in het bestemmingsplan. 5.6. Resteert nog de vraag of de horeca-activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat de verschillende nevenactiviteiten van eiseres op het perceel cumulatief de gecombineerde maximaal toegestane oppervlakte overschrijden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit het geval is, omdat cumulatief maximaal 400 m² is toegestaan en de nevenactiviteiten van eiseres gezamenlijk in ieder geval meer oppervlakte in beslag nemen.
Volledig
Ook als het standpunt van eiseres zou worden gevolgd dat in totaal 600 m² is toegestaan, namelijk cumulatief 200 m² op grond van artikel 3.1 plus cumulatief 400 m² op grond van artikel 3.6.3 van het bestemmingsplan, wordt dit volgens verweerder overschreden. Met de bed & breakfast van 167 m², de kaasmakerij/boerderijwinkel van 325 m² en de horecagelegenheid van 123 m² bedraagt het totaal namelijk 615 m². 5.7. De rechtbank overweegt dat artikel 3.1 en 3.6.3 van het bestemmingsplan ieder een eigen cumulatiebepaling bevat. Uit de tekst van deze bepalingen volgt dat cumulatief maximaal 200 m² mag worden gebruikt voor nevenactiviteiten die op grond van artikel 3.1 direct (zonder vergunning) zijn toegestaan. Dit is van toepassing op de bed & breakfast en de kleinschalige horeca voor zover die (gezamenlijk) niet meer dan 200 m² in beslag nemen. Voor overige nevenactiviteiten die alleen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning bevat artikel 3.6.3, sub h en sub i, van het bestemmingsplan een cumulatieregeling. Deze artikelonderdelen maken onderscheid tussen (h) nevenactiviteiten die alleen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning (melkverwerkingsinstallatie, maatschappelijke functies, maatschappelijke/sociale functies, restaurant) en (i) overige nevenactiviteiten. De eerstgenoemde (h) kunnen in beginsel niet worden gecumuleerd. Voor de overige nevenactiviteiten (i) geldt een gecombineerde maximale oppervlakte van 400 m². Uit deze systematiek volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sub h betrekking heeft op nevenactiviteiten die naar hun aard alleen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning, en dat met ‘overige nevenactiviteiten’ in sub i alleen de activiteiten worden bedoeld waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, omdat de oppervlakte ervan het genoemde maximum overschrijdt. Dit is van toepassing op de kaasmakerij/boerderijwinkel van 325 m², waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. De rechtbank volgt verweerder dus niet in de lezing dat onder ‘overige nevenactiviteiten’ ook de nevenactiviteiten vallen die op grond van artikel 3.1 van het bestemmingsplan vergunningsvrij zijn toegestaan. Artikel 3.6.3 verwijst juist ook expliciet naar het bepaalde in artikel 3.5, sub a, namelijk de daar genoemde overige nevenactiviteiten, en niet ook naar artikel 3.1. 5.8. Het voorgaande betekent dat de kleinschalige horeca, waarvoor de exploitatievergunning is aangevraagd, in strijd is met het bestemmingsplan als deze samen met de bed & breakfast meer dan 200 m² in beslag neemt. Eiseres stelt dat dit niet het geval is en ook ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten niet het geval was. Die stelling wordt ondersteund door onder meer de brief van 21 oktober 2020 waarin staat dat de bed & breakfast een oppervlakte heeft van 75 m² en de horeca een oppervlakte van 120 m². Volgens verweerder was echter sprake van een bed & breakfast van 167 m² en heeft ook de horeca een grotere oppervlakte dan de ter zitting door eiseres gestelde 123 m². Verweerder heeft dit niet onderbouwd en op basis van de stukken in het dossier kan de rechtbank niet vaststellen wat ten tijde van de bestreden besluiten de oppervlakte van deze, rechtstreeks toegestane, nevenactiviteiten was. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet is gebleken dat sprake was van strijd met het bestemmingsplan, zodat de exploitatievergunning – en als gevolg daarvan de alcoholvergunning – niet wegens strijd met het omgevingsplan moesten worden geweigerd. De bestreden besluiten zijn daarmee onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. 5.9. Deze beroepsgrond slaagt. Omdat het beroep al om deze reden gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding de overige beroepsgronden te bespreken. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond omdat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 (zorgvuldigheid) en 7:12, eerste lid (motivering) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. 6.1. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. Gelet op de geconstateerde gebreken en de omstandigheid dat bij het nemen van nieuwe besluiten op de bezwaren tegen de verleende vergunningen moet worden uitgegaan van de actuele situatie, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen om de gebreken te herstellen met toepassing van artikel 8:51a, en volgende, van de Awb (de zogenoemde bestuurlijke lus). De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak. 6.2. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet deze vergoeding betalen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden besluiten; draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr.M.M. Mazurel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026. de griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBAMS:2025:4822. Zie ook artikel 3.5, sub a, van het bestemmingsplan.
Volledig
Ook als het standpunt van eiseres zou worden gevolgd dat in totaal 600 m² is toegestaan, namelijk cumulatief 200 m² op grond van artikel 3.1 plus cumulatief 400 m² op grond van artikel 3.6.3 van het bestemmingsplan, wordt dit volgens verweerder overschreden. Met de bed & breakfast van 167 m², de kaasmakerij/boerderijwinkel van 325 m² en de horecagelegenheid van 123 m² bedraagt het totaal namelijk 615 m². 5.7. De rechtbank overweegt dat artikel 3.1 en 3.6.3 van het bestemmingsplan ieder een eigen cumulatiebepaling bevat. Uit de tekst van deze bepalingen volgt dat cumulatief maximaal 200 m² mag worden gebruikt voor nevenactiviteiten die op grond van artikel 3.1 direct (zonder vergunning) zijn toegestaan. Dit is van toepassing op de bed & breakfast en de kleinschalige horeca voor zover die (gezamenlijk) niet meer dan 200 m² in beslag nemen. Voor overige nevenactiviteiten die alleen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning bevat artikel 3.6.3, sub h en sub i, van het bestemmingsplan een cumulatieregeling. Deze artikelonderdelen maken onderscheid tussen (h) nevenactiviteiten die alleen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning (melkverwerkingsinstallatie, maatschappelijke functies, maatschappelijke/sociale functies, restaurant) en (i) overige nevenactiviteiten. De eerstgenoemde (h) kunnen in beginsel niet worden gecumuleerd. Voor de overige nevenactiviteiten (i) geldt een gecombineerde maximale oppervlakte van 400 m². Uit deze systematiek volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sub h betrekking heeft op nevenactiviteiten die naar hun aard alleen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning, en dat met ‘overige nevenactiviteiten’ in sub i alleen de activiteiten worden bedoeld waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, omdat de oppervlakte ervan het genoemde maximum overschrijdt. Dit is van toepassing op de kaasmakerij/boerderijwinkel van 325 m², waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. De rechtbank volgt verweerder dus niet in de lezing dat onder ‘overige nevenactiviteiten’ ook de nevenactiviteiten vallen die op grond van artikel 3.1 van het bestemmingsplan vergunningsvrij zijn toegestaan. Artikel 3.6.3 verwijst juist ook expliciet naar het bepaalde in artikel 3.5, sub a, namelijk de daar genoemde overige nevenactiviteiten, en niet ook naar artikel 3.1. 5.8. Het voorgaande betekent dat de kleinschalige horeca, waarvoor de exploitatievergunning is aangevraagd, in strijd is met het bestemmingsplan als deze samen met de bed & breakfast meer dan 200 m² in beslag neemt. Eiseres stelt dat dit niet het geval is en ook ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten niet het geval was. Die stelling wordt ondersteund door onder meer de brief van 21 oktober 2020 waarin staat dat de bed & breakfast een oppervlakte heeft van 75 m² en de horeca een oppervlakte van 120 m². Volgens verweerder was echter sprake van een bed & breakfast van 167 m² en heeft ook de horeca een grotere oppervlakte dan de ter zitting door eiseres gestelde 123 m². Verweerder heeft dit niet onderbouwd en op basis van de stukken in het dossier kan de rechtbank niet vaststellen wat ten tijde van de bestreden besluiten de oppervlakte van deze, rechtstreeks toegestane, nevenactiviteiten was. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet is gebleken dat sprake was van strijd met het bestemmingsplan, zodat de exploitatievergunning – en als gevolg daarvan de alcoholvergunning – niet wegens strijd met het omgevingsplan moesten worden geweigerd. De bestreden besluiten zijn daarmee onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. 5.9. Deze beroepsgrond slaagt. Omdat het beroep al om deze reden gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding de overige beroepsgronden te bespreken. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond omdat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 (zorgvuldigheid) en 7:12, eerste lid (motivering) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. 6.1. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. Gelet op de geconstateerde gebreken en de omstandigheid dat bij het nemen van nieuwe besluiten op de bezwaren tegen de verleende vergunningen moet worden uitgegaan van de actuele situatie, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen om de gebreken te herstellen met toepassing van artikel 8:51a, en volgende, van de Awb (de zogenoemde bestuurlijke lus). De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak. 6.2. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet deze vergoeding betalen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden besluiten; draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr.M.M. Mazurel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026. de griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBAMS:2025:4822. Zie ook artikel 3.5, sub a, van het bestemmingsplan.